Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 7 - Thema 3 - N1 - Titus? Of Nero?

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Titus? Of Nero? Frank Pollet

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

7


Titus? Of Nero?

1


1 ‘Zo kan het niet langer. We moeten er echt iets aan doen.’ Papa Albéric liet zich zuchtend in de kussens zakken. Cleo, en de tweeling Juul en Cesar kwamen bij hem zitten. ‘Wat scheelt er, papa?’ vroeg Cleo bezorgd. Papa Albéric schudde het hoofd: ‘Ik krijg al het werk niet klaar. Mijn job, het huishouden, de tuin … Sinds jullie mama er niet meer is, heb ik niets anders meer gedaan dan gewerkt. En dat zou me niet storen, als ik ooit eens ergens klaar mee was. Maar die tuin, die is echt te groot, die is echt een oneindig verhaal ...’ ‘Kan ik niet helpen?’ vroeg Cleo. ‘Ik kan toch ook onkruid wieden1 en zo?’ ‘Da’s heel lief van je, maar onkruid wieden is maar een heel klein deeltje van alle tuinwerk. En bovendien kan een meisje van negen echt niet al die zware klussen doen …’ ‘Mama werkte graag in de tuin,’ zei Cesar stil. ‘Mama had de mooiste bloemen van de hele wereld!’ riep Juul. Papa Albéric knikte. ‘Van de hele planeet! Nee, de mooiste bloemen van, van, van ...’ ‘... van alle heelallen samen!’ zei Cesar. ‘Ja, dat bedoel ik,’ knikte Juul, ‘van alle halallen samen!’ ‘Die grote tuin onderhouden, het wordt me echt te veel. Ik moet er iets aan doen … Maar wat?’ ‘Asfalteren2!’ lachte Cleo. ‘En dan groen schilderen!’

2


Papa Albéric schoot in de lach. ‘Cleo, jij bent me er eentje.’ ‘Ja natuurlijk papa, hoe kan Cleo er nu twéé zijn?’ riep Juul. ‘Schapen?’ vroeg Cesar. ‘Hm, ja, schapen, daar heb ik ook al aan gedacht,’ antwoordde papa Albéric, ‘maar schapen worden makkelijk ziek. Ze moeten ook geschoren worden, allemaal niet zo eenvoudig.’ Het werd stil in de kamer. Tot Juul plotseling uitriep: ‘Een ezel!’

3


4


‘Papa heeft er al een,’ reageerde Cleo ogenblikkelijk. Juul keek zijn zus niet begrijpend aan. ‘Al wat je zegt, ben je zelf!’ riep Cleo. ‘Kip!’ brulde Juul die niet opgezet was met dergelijke grapjes, vooral niet nu hij sinds kort naar een speciale school ging doordat hij niet goed kon leren. ‘Geen geruzie!’ zei papa Albéric kordaat. ‘Maar eh, Juul, jij zegt daar nog wat … Een ezel … De laatste dagen heb ik daar toevallig ook al vaak aan gedacht. Zo’n beest eet gras, het is sterk, je hebt er niet zoveel werk mee … Een stal hebben we al … Hm, ja een ezel, dat kan misschien wel een oplossing voor mijn probleem zijn …’ ‘Papa, is dat niet gevaarlijk, zo’n ezel?’ vroeg Cleo bang. ‘Nee,’ zei Juul, ‘een ezel is een liefkei dier.’ ‘Keilief, bedoel je,’ zei Cesar. ‘Ja, liefkei. Ik heb vorige week nog drie ezeltjes gestreeld. Op de kinderboerderij.’

5


‘We moeten hier wel palen slaan en er weidelint aan bevestigen,’ zei papa Albéric. ‘Weidelint?’ ‘Ja, zo’n lint waar een ijzerdraad doorheen geweven zit. Dan kun je elektriciteit op de draad zetten.’ ‘Elektriciteit??’ vroeg Cleo verschrikt. ‘Als je daar aankomt, ga je dan ... dood?’ Papa Albéric lachte: ‘Natuurlijk niet, gekke meid. Als dieren die draad raken, dan schrikken ze alleen maar. Zo weten ze dat daar de grens van de weide is, snap je?’ ‘En als ik ...?’ ‘Als jij dat weidelint raakt, krijg je gewoon een elektrische schok. Da’s wel even schrikken, een beetje pijnlijk misschien, maar je gaat er niet van dood, zeker niet.’

6


2 Juul stond in de tuin geïnteresseerd naar de molshopen te kijken. Overal in het gras waren in een nacht tijd allemaal hoopjes aarde opgedoken. ‘Dag Juul. Alles oké?’ ‘Ja buurman, alles goedkei.’ ‘Je bedoelt keigoed?’ ‘Ja, goedkei.’ ‘Mollen?’ ‘Ja,’ zei Juul, ‘maar mijn papa vindt het nu niet meer erg.’ ‘Nee? Zijn mooie gazon gaat wel helemaal naar de knoppen als die beestjes blijven graven. Ik heb nog wel een aantal mollenklemmen liggen. Je papa mag ze gebruiken als hij wil.’

7


Juul lachte: ‘Misschien is dat niet meer nodig, buurman. Onze tuin gaat toch heel anders worden.’ ‘Hoezo?’ ‘Vroeger werkte mama veel in de tuin. Nu moet papa dat alleen doen. En hij is veel te moe.’ ‘Dat geloof ik, met drie schavuiten3 als jullie,’ lachte de buurman. ‘Papa gaat stoppen met in de tuin te werken,’ ging Juul onverstoord door. ‘Gaat hij een tuinman aanspreken?’ ‘Een tuinman? Nee. Een ezel!’ ‘Een ezel?!’ riep de buurman uit. ‘Ja,’ knikte Juul, ‘hier en hier en hier en hier en hier en daar ook, komen allemaal palen met elektriciteit op. Dan weet die ezel dat …’ ‘Een ezel?!’ riep de buurman opnieuw. ‘Ja, een ezel!’ ‘Een ezel! Juul, vriend, je meent het niet.’ Juul knikte. ‘Gatverdamme, dan is het hier uit met de rust! Zo’n dom beest balkt dag en nacht! En dat vreselijke geluid is tot kilometers ver te horen!!’ Juul keek de buurman met grote ogen aan. ‘Denk je dat, buurman?’ ‘Natuurlijk, je moet mij niet leren wat een ezel is. Juul, zeg dat je het niet meent, dat het niet waar is!’ Juul schudde het hoofd en fluisterde: ‘Papa heeft al goedkei op het internet gekeken. We gaan echt een ezel kopen. Zo’n grijze of een bruine, of ...’ 8


De buurman luisterde niet meer. Hij beende weg en riep: ‘Stella, Stella! Wil je nu wat weten: die van hiernaast gaan toch wel een ezel houden, zeker! Stella! Luister eens! Die van hiernaast willen een ezel in hun tuin!!’ Juul keek de buurman na. ‘Onbeleefderik,’ mompelde hij in zichzelf. ‘Hij heeft me niet eens laten uitspreken.’

9


3 Toen hij weer in huis was, zei Juul: ‘Papa, Papa! Onze buurman vindt het niet zo fijn dat wij een ezel gaan kopen. Hij is gaan lopen en riep naar Stella dat ...’ Papa Schuurbroeck zette de stofzuiger af en vroeg: ‘Wat zei je, jongen?’ ‘De buurman vindt het niet fijn dat wij een ezel gaan kopen.’ ‘Ach zo. En heeft hij ook gezegd waarom hij dat niet leuk vindt?’ ‘Een ezel balkt dag en nacht, zei hij. En dat maakt heel veel lawaai. Hij zei dat je dat duizend kilometers ver kunt horen.’ Papa Albéric schudde het hoofd: ‘Duizend kilometer? Zei hij dat echt, Juul?’ Juul haalde zijn schouders op en zei: ‘Kilometers, dat wel.’ ‘Ach, dat zal allemaal wel koelen zonder blazen.’ ‘Die ezel? Koelen? Zonder blazen?’ Papa Albéric schoot in de lach: ‘Jij bent me er eentje, Juul. Ik bedoel: als die ezel hier eenmaal staat, en jullie zorgen er goed voor, dan is het beest gelukkig, en vindt de buurman het vast wel meevallen.’

10


11


4 Drie dagen later stonden Albéric, Cleo, Juul en Cesar Schuurbroeck in de wei van een man die twee ezels te koop aanbood. ‘Hebben ze een naam?’ vroeg Cleo. ‘Nee, nog niet,’ zei de man. ‘Je mag zelf kiezen. Ik was van plan om ze Duvel en Omer te noemen. Hahahaha!’ Albéric probeerde te glimlachen. Juul gierde het uit: ‘Duvel, da’s een goeie. Dat drink jij ook altijd hé, papa!’ ‘Jaja, ’t is al goed,’ zei papa Albéric. ‘Wat leuk dat we zelf namen mogen geven,’ kirde Cleo. ‘Wat zou je denken van … Mathilde? We hebben op school geleerd over het koningshuis en …’ ‘Cleo, het zijn hengstjes4!’ onderbrak papa Albéric het enthousiasme van zijn dochter. ‘Trouwens, jullie zullen een van de twee ezeltjes moeten kiezen. Welke wil je?’ ‘Ik de kleinste,’ zei Cleo snel. ‘Ik de grootste,’ reageerde Juul ogenblikkelijk. Papa Albéric keek Cesar aan. ‘En jij, jongen?’ ‘Mij maakt het niet uit, papa,’ zei Cesar. ‘Ik vind ze alle twee wel tof.’ De kleinste ezel leek een beetje bang. De andere was erg nieuwsgierig. Hij kwam recht op Cleo af. Heel voorzichtig streelde ze zijn hoofd. De ezel leek het fijn te vinden. ‘Wat een lief beest.’

12


‘Dus,’ zei papa Albéric, ‘Cleo, jij wil ook deze, de grootste?’ ‘Nee,’ zei Cleo koppig, ‘ik wil die andere. Die is vast nog véél lieverderderder.’ ‘Ik wil deze,’ hield Juul vol. ‘Die andere is grijs. En ik vind grijs domkei. Grijs is de kleur van ... van saai!’ Papa Albéric zuchtte. ‘Weet je wat? Ik vraag aan de eigenaar of hij ze nog even niet wil verkopen. Dan hebben jullie nog tijd om na te denken en te overleggen. Jullie moeten zelf maar uitmaken welke ezel we gaan nemen. Oké?’ ‘Papa kunnen we niet …’ ‘Nee,’ zei papa Albéric beslist, ‘onze buurman is nu al in alle staten bij de gedachte aan één ezel!’

13


5 Het daaropvolgende weekend werd er hard gewerkt in de tuin van het gezin Schuurbroeck. Machines woelden de tuin om en legden de grond weer mooi vlak, zodat er weidegras gezaaid kon worden. In afwachting van een mooie grazige5 weide zou de ezel op een afgepaald kleiner stuk grond, vlak voor de stal, moeten staan, in het zand. ‘Als we hem voldoende hooi geven, is er geen probleem,’ wist papa Albéric. Rondom de hele achtertuin werden palen geslagen en weidelint bevestigd. Elke dag maakten Cleo en Juul ruzie over welke ezel ze wilden. Cleo bleef bij haar mening: de kleine ezel was een schatje. ‘Hij is een beetje verlegen. Zoals ik, eigenlijk. Ik vind dat ... schattig.’ ‘Jij, verlegen?? Jij, schattig??’ lachte papa Albéric. ‘Ik hoop dat die ezel ietsje verlegener en schattiger is dan jij. Tjonge!’

14


‘We moeten die grotere nemen, papa,’ bleef Juul volhouden. ‘Die is nu al heel liefkei en superdesuperzacht. En hij is bruin, die andere is lelijk.’ ‘Die andere is ook keilief en nog véél superdesuperdesuperdesuperderderder zacht! Maar dat brave beest was bang van jou!’ gilde Cleo. ‘Niet waar, hij was bangkei van jou!’ ‘Niet waar!’ ‘Wel waar!’ ‘Niet waar!’ ‘Wel waar!’

15


6 Met een zucht zette Albéric Schuurbroeck het telefoontoestel in de oplader. ‘Ik heb net telefoon gekregen van de ezelverkoper. Morgenmiddag kan hij onze ezel brengen …’ ‘Yes!’ riep Juul. ‘Eindelijk!’ kirde Cleo. Toen werd het stil. ‘Zeg papa …’ zei Cesar zacht. ‘Ja?’ ‘Welke ezel brengt hij morgen naar hier?’ ‘Wel eh …’ Cesar glimlachte. Ook papa Albéric glimlachte. ‘Wel eh …’ ‘Komaan papa, zeg het dan!’ zei Cleo ongeduldig. ‘Wel eh … ik heb de man gezegd dat ik hem straks zal bellen. Dat jullie over een uurtje wel beslist zullen hebben.’ Cleo zuchtte: ‘Papa, Juul is echt zo koppig als een … een ...’ Juul keek zijn zus gespannen aan. ‘Zeg het maar, zus, zeg het maar.’ ‘Zo koppig als … als een … een bok!’ Juul schrok even en zei toen: ‘Dan is het goed.’ ‘Waarom zeg je dat, meisje?’ ‘Omdat Juul per se die grote ezel wil.’ Papa Albéric glimlachte: ‘En jij bent niet koppig?’

16


17


‘Nee, want ik wil die andere ezel,’ zei Cleo met een pruillip. ‘Het moet dat kleintje worden, want ik heb al een naam voor die lieveling. Ik zal hem Titus noemen.’ ‘En ik heb ook al een naam voor die grote ezel!’ riep Juul. ‘Nero!!’ ‘Cleo en Juul, nu moeten jullie eens goed naar mij luisteren,’ zei papa Albéric ernstig. ‘Jullie weten dat onze buurman niet zo gelukkig is met de komst van onze ezel.’ Cleo en Juul knikten plechtig. ‘Dan moeten jullie er rekening mee houden dat we hoe dan ook slechts één ezel kunnen kopen.’ ‘Nero!’ zei Juul snel. ‘Nee, Titus!’ reageerde Cleo. ‘Dan is het simpel,’ zei papa Albéric rustig, ‘dan neem ik de beslissing die ik niet graag neem. Uiteindelijk hebben we onze tuin helemaal aangepakt, palen geslagen, weidelint aangebracht … Dat heeft tijd, energie én geld gekost. En jullie geraken er nu niet uit? Ik zal dan zelf wel bekijken wat ik met de tuin kan aanvangen. En nu bel ik de verkoper.’ Het werd muisstil in de kamer. ‘Wat ga je hem zeggen, papa?’ ‘Ja, welke ezel ga je kiezen, papa?’ vroeg Juul. ‘Juul, hou op! Ik ga de man zeggen dat jullie er niet uit geraken. En dat twee ezels kopen niet kan omwille van de buurman. Dus moet ik hem vertellen dat hij de ezels maar aan iemand anders verkoopt.’ ‘Nee!’ gilde Juul. ‘Nee, papa, nee!’ Bij Cleo rolden de tranen meteen over haar wangen: ‘Papa, toe, die kleine …’ ‘Nee! Die grote!’ schreeuwde Juul.

18


19


7 Op dat moment weerklonk de deurbel. ‘Cesar, ga jij eens kijken wie er aanbelt?’ Cesar verdween in de hal en stond algauw weer in de woonkamer: ‘Het is de buurman, papa.’ ‘Hm, als hij zich ongerust maakt, dan heb ik nu heel goed nieuws voor hem,’ gromde papa Albéric. ‘Néé,’ snikte Cleo. Papa Albéric stapte de hal in en liet de deur op een kier. ‘Dag buurman.’ ‘Dag Albéric.’ ‘Wat brengt jou naar hier? Laat me raden: je hebt de lotto gewonnen en je wil ons trakteren?’ De buurman kuchte. ‘De lotto? Wel eh, nee, toch niet. Ik wil het eens met je hebben over … eh … ezels.’ Bij dat laatste woord keken de kinderen in de woonkamer elkaar aan. Alsof het afgesproken was, slopen de drie naar de deur zodat ze het gesprek beter konden volgen. ‘Buurman, ik weet dat je niet happig bent op de komst van een ezel, maar …’ ‘… Dat mag je wel zeggen. Ik heb het inderdaad niet zo begrepen op een ezel bij jullie in de tuin,’ onderbrak de buurman. ‘Ik heb me geïnformeerd. Bij de kinderboerderij. Daar hebben ze vier ezels.’

20


21


‘En?’ ‘Daar vertelden ze me dat je nooit één ezel mag kopen, want dan voelt het dier zich heel eenzaam en begint het onophoudelijk te balken. Je zou het dus beter niet doen ... een ezel kopen …’ Papa Albéric knikte. ‘… maar twéé,’ maakte de buurman zijn zin af. Aan de andere kant van de deur klonk gejuich. ‘Titus!’ gilde Cleo. ‘Nero!’ brulde Juul. De buurman keek vreemd op toen hij het geroep en gejuich van de kinderen hoorde. ‘Kom binnen, buurman,’ lachte papa Albéric, ‘je hebt zopas een groot probleem opgelost. Daar moeten we een Duvel op drinken! Maar eerst moet ik nog een dringend telefoontje doen!’

22


23


Woorduitleg 1 2 3 4 5

24

onkruid wieden = onkruid weghalen asfalteren = bedekken met asfalt, verharden schavuit = deugniet hengst = mannelijke ezel grazig = begroeid met veel gras


Sinds mama er niet meer is, vraagt de tuin te veel werk van papa Albéric. Daarom zoekt hij een oplossing: een ezel! Maar Juul en Cleo raken het maar niet eens welke ezel ze willen: Titus of Nero.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Kristina Ruell Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 7 - Thema 3 - N1 - Titus? Of Nero? by die Keure - Issuu