Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 6 - Thema 9 - N3 - Wachten op Lou

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Wachten op Lou Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

6


Wachten op Lou

1


Otto keek uit het raam naar buiten. De voorbije twee maanden had hij hier elke dag gezeten, hopend op een teken van leven van Lou. Zijn broer lag nog steeds roerloos in bed. Lieke vond het hier best leuk. Ze had van mama een dokterskoffertje gekregen en de verpleegsters gaven haar elke dag nieuwe spullen die ze kon gebruiken voor haar knuffels. Konijn, Beer en Pipi Clown werden goed verzorgd en in de watten gelegd. Papa zat elke dag naast het bed van Lou. Dagelijks belde hij naar de politie. Of ze de dader al hadden? Nee? Wanneer dan wel? Hoe was het in godsnaam mogelijk! Na elk beëindigd gesprek vloekte hij. Sinds de dag van het ongeluk kocht hij iedere ochtend drie verschillende kranten. Hij was vooral geïnteresseerd in de kleine artikels over ongelukken. Hij had nooit geweten dat er zo veel fietsers werden aangereden, bromde hij soms nors. Mama was altijd maar bezig. Ze herschikte de bloemen in de vazen en praatte ondertussen tegen Lou. Lou antwoordde nooit. Lou sliep. Dat was toch wat iedereen zei: Lou slaapt. Otto wist wel beter. Lou was in coma, maar voor Lieke was het antwoord over slapen beter, vond mama. Hoe langer een coma duurt, hoe moeilijker het wordt om bij het ontwaken weer dezelfde persoon te worden die je was, had de dokter gezegd. Daarom gingen ze elke dag naar het ziekenhuis. ‘Praat gerust tegen Lou,’ had de dokter gezegd.

2


‘Je mag hem aanraken en strelen. Misschien wordt hij wel wakker van een geur,’ zei de dokter, ‘een goeie of een slechte geur. Het maakt niet uit.’ ‘Mag het ook kaka zijn?’ vroeg Lieke in alle ernst. ‘Lieke!’ riep mama verontwaardigd. De dokter glimlachte. De vakantie was voorbij. Terug naar school. De auto hield halt aan het begin van de straat. Mama kuste Lieke en veegde met haar zakdoek nog snel een restje chocopasta weg. ‘Otto, ik hoop dat je het niet erg vindt om even mee te lopen met Lieke. Het is haar eerste dag en alles is nieuw voor haar. Jammer dat ik niet met jullie mee kan gaan, maar ik moet op tijd bij de dokter zijn.’ Er toeterde iemand, mama keek gehaast in het achteruitkijkspiegeltje. ‘Ja, ja, ik ben al weg,’ mopperde ze. De auto was grijs en in de regen leken alle auto’s grijs. Zoals de auto die Lou had aangereden en die door de politie nog steeds niet was gevonden. ‘Kom, Otto, ik wil naar schoo-ool,’ riep Lieke. Alles huppelde aan haar. Het staartje op haar hoofd, de capuchon1 van haar jas en haar knieën die op en neer gingen. Ze huppelde tot aan de schoolpoort terwijl ze liedjes zong die ze ter plekke uitvond: ‘Ik heb een boekentas, een echte boe-oeken-tas en dat is er een van K3, hihi, pipi …’ Bij elke ‘hihi’ huppelde ze en bij elke ‘pipi’ sprong ze over een plas.

3


Toen ze bij het schoolplein kwamen, verstomde ze. De vrolijkheid was volledig uit haar ogen verdwenen en haar kinnetje trilde.

‘Lieke, je hoeft niet bang te zijn. Het eerste leerjaar is heel leuk, hoor.’ Otto zag tranen in haar ogen. Ze vielen net niet. ‘Ik wil mama,’ zei ze zacht. ‘Mama is naar Lou, dat weet je toch.’ ‘Ik wil ook naar Lou. Ik wil niet meer naar school!’ Net voor de tranen rolden, ging de bel. In de verte zag hij de andere klassen al naar binnen gaan. Lieke greep hem nog steviger vast. Hulpeloos keek Otto in het rond. Hoe moest dit nu verder met Lieke? Nu kwam hij vast te laat, en dat de eerste dag al. Net nu hij de strengste meester van de school had. 4


‘Ben jij Lieke van Daelen?’ Een mooie vrouw bukte zich om Liekes hand vast te nemen. Lieke stopte met huilen en keek nieuwsgierig naar de vrouw die voor haar op haar hurken zat. ‘Ik ben juf Marie, ga je met me mee? Ik ga met jou en de andere kinderen een heel plezierig spel spelen – met letters en mooie plaatjes – maar eerst mag jij me alle leuke dingen vertellen over je vakantie en zo.’ Lieke knikte en liep met haar mee. Terwijl Otto naar zijn klas liep, zag hij dat iedereen al binnen was. De meester keek over zijn leesbrilletje heen naar Otto. ‘Ik verwacht dat iedereen stipt op tijd is en geen seconde later. Begrepen?’ Otto knikte verlegen en ging vlug zitten op de dichtstbijzijnde plaats die nog vrij was. Achteraan. Het was nog steeds stil in de klas. ‘We zullen er eens meteen aan beginnen,’ sprak de meester. ‘Neem jullie schrijfgerei en schrijf een stuk over de vakantie. Zo leer ik jullie alvast beter kennen.’ Otto keek voorzichtig rond. De meester deelde de vellen papier uit, iedereen begon onmiddellijk te schrijven. Otto staarde naar zijn blad. Hij schreef: Mijn vakantie. Hij zuchtte. Wat moest hij erover schrijven? Het begin van de vakantie dan maar? Toen hij en Lou gingen skeeleren in het parkje? Lou was de skeelerkampioen van het dorp en hij wilde de nieuwe rampen die ze hadden aangelegd onmiddellijk gaan uittesten. Hij was die dag negen jaar geworden, maar hij kon net iets beter skeeleren dan Otto die elf was. Ja, daarover zou hij schrijven. Titel: Een ramp voor Lou.

5


Otto boog zich over het papier en begon te schrijven. Het leek allemaal zo lang geleden. Lou kon voor het eerst een hele salto maken. Opeens stond de meester bij zijn bank. ‘Hoe heet jij ook alweer?’ ‘Otto van Daelen.’ ‘Ah ja, nu weet ik het weer. Ben jij niet de broer van die jongen die bij het begin van de vakantie verongelukt is? Een hele klap voor je ouders.’ Meer zei hij niet en Otto knikte nors. Toen de speeltijd begon, praatten zijn vrienden over hun vakantie. ‘Otto, wat heb jij in de vakantie gedaan?’ wilde Frederick weten. ‘Ik heb je geen enkele keer gezien. Ben je weggeweest?’ ‘Ik was bij Lou op vakantie,’ probeerde hij luchtig te zeggen en hij haalde zijn schouders op. ‘O ja, da’s waar ook,’ zeiden ze en toen werd het stil. Gelukkig vroegen ze niet door. Ze keken een beetje bedremmeld2. Zijn vrienden wisten wat er met Lou was gebeurd. Het had in alle kranten gestaan. Er was zelfs iemand van de televisie geweest. Zijn vrienden waren een keer met hun ouders op bezoek gekomen in het ziekenhuis en daarna was hun leven gewoon doorgegaan. Ze waren op vakantie vertrokken zoals altijd en zoals iedereen. Na de pauze kwam de directeur de klas binnengestapt met een heuglijk nieuwtje. ‘Beste kinderen, zoals jullie weten organiseert deze gemeente het laatste weekend van oktober een soort Olympische Spelen.

6


Elke school mag zijn beste kandidaten sturen. Vanaf nu zal er elke woensdagmiddag mogelijkheid zijn om op het schoolplein te trainen. De volgende disciplines zullen doorgaan: hardlopen, hoogspringen, voetbal, volleybal en skeeleren.’ Otto voelde hoe zijn hart een salto maakte. Wauw, skeeleren! Dat moest hij aan Lou vertellen! BAM! Mislukte salto. Het was net als vallen. De gedachte deed pijn. Zijn hart stak en hij moest weer enkele keren slikken. Lou, de skeelerkampioen, zou nooit meer skeeleren. Niet iedereen gaf zijn naam op, maar het schoolhoofd ging wel de rijen af. Hij tikte op zijn schouder en wachtte tot Otto antwoordde. Toen er geen antwoord kwam, vulde het schoolhoofd zelf het antwoord in. ‘Skeeleren, neem ik aan? Van Daelen, jij bent toch de snelste op de skeelerpiste, niet?’ Hij keek Otto vragend aan. Otto schudde nauwelijks merkbaar zijn hoofd. ‘Zet u me maar in de groep van volleybal,’ antwoordde hij zacht. Het werd stil in de klas. Toen de bel ging, haastte hij zich als eerste de klas uit. Hij griste zijn regenjas van de kapstok en holde naar buiten. Lieke stond hem op te wachten op het schoolplein. Ze lachte breed naar hem. Geen spoor van verdriet meer te zien. Hij sleurde haar bij de hand mee naar de bushalte. Ze bleef maar tateren. Ze waren net op tijd.

7


De gummizolen van zijn sportschoenen maakten kleverige geluiden bij elke stap die hij zette. Tsj, tsj, tsj. Naast hem dribbelde Lieke. Klik, klak, klik, klak. Ze droeg haar nieuwe schoentjes: rood met witte stippen en een echt hakje. ‘Hoor je het ook, Otto, we maken muziek. Muziek van Spanje, want ik heb Spaanse schoentjes.’

Otto knikte en zweeg en dacht aan Spanje waar ze voor het eerst in tien jaar tijd niet naartoe waren gegaan. Gisteren, heel onverwacht, was oom Koen gekomen. ‘Ik heb jullie gemist,’ zei hij, ‘en jullie moeten de groeten hebben van iedereen op de camping en …’ Hij slikte zijn woorden in en dronk te haastig van zijn biertje waardoor hij morste. Toen viel er een stilte. Oom Koen babbelde wat over onbenulligheden om de stilte te doorbreken. Papa rookte en zweeg. Sinds de vakantie rookte hij weer, na tien jaar gestopt te zijn. ‘En … hoe is het met Lou?’ vroeg oom Koen aarzelend. De vraag was eruit. ‘Hij is verhuisd,’ zei mama. Oom Koen keek niet-begrijpend. ‘Ze konden hem niet langer in het ziekenhuis houden. Zijn verwondingen zijn voldoende genezen.’ 8


‘Gaat het dan beter met hem?’ vroeg oom Koen hoopvol. Mama knikte, maar papa schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ zei hij, ‘het gaat niet beter en niet slechter. Lou is sinds deze week opgenomen in een revalidatiecentrum, Wilgenhof. Daar zullen ze hem verder verzorgen. En in de weekends mag hij naar huis. Hij zal nog een keer geopereerd moeten worden aan zijn hoofd …’ ‘En is hij al wakker?’ sprak oom Koen aarzelend. Papa schudde zijn hoofd en Lieke-met-de-nieuweschoenen-aan begon te zingen over Doornroosje die honderd jaar moest slapen en Lou ook. ‘En hebben ze de chauffeur al te pakken?’ Weer schudde papa zijn hoofd Alles draaide om Lou. Wanneer de tv aanstond, zapten zijn ouders naar medische programma’s in de hoop iets te kunnen opvangen dat hen ervan kon overtuigen dat Lou weer beter zou worden. Als de telefoon ging, hoorde hij het verhaal van Lou en hoe het nu met hem ging. Aan tafel werd er alleen over Lou gesproken. Het was niet zo moeilijk geweest om Wilgenhof te vinden. Gelukkig was de halte vlakbij. Het revalidatiecentrum lag tussen de bomen verscholen en was groter dan hij had verwacht. Mama keek even op toen ze binnenkwamen. ‘Papa is nog aan het werk,’ zei ze alsof hij een vraag had gesteld. Otto ging in de stoel zitten die nog vrij was. Hij keek rond in de kamer. Ze zag er in elk geval beter uit dan de ziekenhuiskamer. Lieke schoof een stoel tegen het bed en kroop over het hek met de spijlen3.

9


‘Dag Lou, mag ik in je boot?’ ‘Voorzichtig, kindje, denk om zijn hoofd,’ maande mama haar zwakjes aan, maar ze hield haar niet tegen. Otto keek even over zijn schouder naar Lieke. Ze lag naast Lou te smakken en te likken aan een lolly. Otto keek naar Lou. Het kostte hem moeite. Hij zag er nog precies hetzelfde uit. Gesloten ogen, witte huid, benen die dood leken, handen die niets te doen hadden, speeksel in een mondhoek, slangetje in zijn neus en een hoofd waarop plukken haar ontbraken. Het verband was weg en je kon de geschoren plekken op zijn hoofd goed zien. Hoe moest het nu met Lou? Hoe moest het nu met ieder van hen als Lou zo bleef? Een vrouw opende de deur en kwam naar binnen. ‘Hallo, ik ben Lies van Sande, maar jullie mogen me Lies noemen. Ik ben de arts die hier voor jullie broer zal zorgen.’ Mama’s ogen vulden zich met duizend vragen die ze onmiddellijk afvuurde op de arts. Haar stem werd zachter en dwingender en ook de arts praatte op gedempte toon. Samen gingen ze naar buiten en mama zei nog even over haar schouder: ‘Otto, let even op Lieke, wil je?’ Toen waren ze weg. Lieke sleurde haar boekentas langs de poten van het bed naar boven. In enkele tellen lag de inhoud van haar boekentas verspreid over het bed. Alles was nog nieuw en haar potloden hadden nog allemaal mooie puntjes. Otto begreep het niet. Voor Lieke was er niets gebeurd.

10


Ze bleef even goedgehumeurd als altijd, ze huppelde de hele dag door en beschouwde Lou als haar grote persoonlijke knuffel tegen wie ze alles kon zeggen ‘Lou, ik ga dadelijk een tekening voor jou maken. Van een huis. Ik ga ook nog een boom tekenen. Een hele grote boom die nooit kapot kan en jij kunt dan ook niet kapot.’

… Als er op die plek geen boom had gestaan, dan was hij er misschien met kneuzingen vanaf gekomen. De eikenboom was de oorzaak van de hersenbloedingen en de schedelbreuk. En natuurlijk ook het feit dat hij geen helm op had … Dat had de dokter gezegd. Zou Lou iets beseffen? Zou hij weten dat hij daar lag? Of zou hij echt het gevoel hebben van slapen, lang slapen? Zou het donker zijn achter zijn ogen? Of kon Lou toch iets zien? Lou lag al twee maanden met zijn ogen dicht. Lieke legde de tekening op Lou zijn buik en streek de ezelsoren en kreukjes glad. ‘Lou, kijk eens hoe goed je erop lijkt. Ik heb je haar paars gekleurd, dat is veel mooier, want jouw hoofd vind ik nu niet mooi. Ik hoop dat je het niet erg vindt. Je hebt in het echt wel een andere neus. Ik kan geen echte neuzen tekenen. Een neus is het allermoeilijkste. Daarom teken ik een bolletje.’ Met haar hoofd een beetje schuin bekeek ze het resultaat nog eens en vergeleek het met haar broer die nog steeds roerloos in het bed lag. ‘Nu ga ik iets anders voor je tekenen.’ Ze prikte met de punt van haar potlood in zijn buik.

11


Otto keek over zijn schouder naar Lieke. Ze beseft niet hoe erg het is gesteld met Lou, dacht hij. Soms lijkt het wel alsof er niets aan de hand is voor haar. Waar bleef mama toch? Hij bleef niet graag alleen achter. Zelfs niet met Lieke erbij. Hij stond op en ging naast het bed staan. De bleke vingers van Lou lagen op de groene lakens. Hij nam de vingers vast en liet ze een voor een vallen op het laken. Hij voelde geen enkel verzet. ‘Lieke, stop met tekenen voor Lou. Hij kan het toch niet zien. Hij kan je zelfs niet horen.’ ‘Waarom niet?’ Haar stemmetje bleef opgewekt, vol met leven, net als haar handen die verwoed bleven kleuren. ‘Omdat hij heel diep slaapt.’ Lieke tekende een reusachtige zon en kleurde ze geel. ‘Ik kan jou wél horen als ik slaap, Otto. Ik hoor soms hoe je met je tanden knarst. En ik kan jou ook zien. Ik kan alles zien als ik slaap. Zelfs met mijn ogen dicht. Ik kan jou zien in mijn dromen. En Lou ook. Hij droomt van mij en van jou en van zijn verjaardag.’ Ze legde voorzichtig haar blad weg, ging op haar zij naast Lou liggen – ze moest een beetje wringen, maar het lukte – en hield toen haar gezicht vlak bij dat van Lou. ‘Lou, kun je me zien? Ja, hé?’ Lou antwoordde niet. Ze nam zijn neus met twee vingers vast en schudde zacht met zijn hoofd tot het leek te knikken. ‘Voorzichtig met zijn hoofd,’ waarschuwde Otto. Lieke ging weer in kleur- en tekenpositie zitten. ‘Zie je wel, Otto. Hij kan me zien. In zijn droom.’ Ze keek hem streng aan.

12


Otto zuchtte. Hoe moest hij haar duidelijk maken dat er in het hoofd van Lou niets meer was. Zelfs geen dromen. Hij herinnerde zich maar al te goed de woorden van de arts. ‘Hoe langer Lou in comateuze toestand blijft, hoe moeilijker de weg naar genezing.’ ‘Lieke, Lou kan zelfs niet meer dromen.’ Otto schrok toen hij het gezicht van Lieke zag. Ze keek boos, bijna verdrietig, en ze tuitte haar mond. ‘Otto, jij weet niets! Lou kan wél dromen. Ik fluister dromen in zijn oor. Ik heb hem alles al verteld. Van juf Marie en zo en dat ze verhalen vertelt. Ze zegt dat alles in orde komt en dat ik veel met hem moet babbelen en tekeningen voor hem moet maken. Ze heeft gezegd dat hij nu sneeuwgedachten heeft. Er dwarrelen witte vlokjes in zijn hoofd! Jij weet er niets van want jij bent een domkop.’ Toen verdween haar boze bui als sneeuw voor de zon en ze zong het liedje van het moment. ‘Vlokjes sneeuw, vlokjes sneeuw, vlo-o-okjes sneeuw.’ Voor haar was het gesprek afgelopen. Zij had gelijk en Otto was een domkop. IJverig tekende ze verder. Otto kwam moeizaam uit de stoel overeind en liep met trage benen naar het bed. Waarom vond hij het zo moeilijk om naar Lou te kijken? Hij miste de broer die hij kende. Niet die hier. Waarom kon hij niet gewoon doen, net als Lieke?

13


Hij bekeek de tekening en zag de kromme halve cirkel die de nieuwe ramp moest voorstellen. Er sprong een klein mannetje op. Het had geen lijf. De beentjes groeiden uit de veel te grote kop met nog veel grotere oren ernaast. Rondom het mannetje had ze witte bolletjes getekend. ‘Dat zijn de sneeuwgedachten van Lou,’ zei ze. Otto slenterde naar de gang. In een kamer wat verder lag een jongen te snurken. Geen ouders, geen vrienden. Wel dezelfde bedboot, met een nog hogere reling eromheen. Op het naamplaatje aan de deur stond ‘Martijn’ geschreven. Een camera keek naar de slapende jongen en in de gang hingen tv-schermen. Iedereen kon de slapende en snurkende Martijn zien. Iedereen. Otto liep verder. Mama was nergens te bespeuren, maar de deur van de spreekkamer stond open. Op zachte voeten liep hij erheen. In de spiegeling van de glazen deur zag hij zijn moeder zitten. Hij hoorde haar stem en die van de dokter, maar wilde niet weten wat ze zeiden. Hij slenterde terug en toen hij binnenkwam, zag hij dat Lieke aan het voeteneind van het bed was gaan zitten. Tussen de benen van Lou zette ze Beer, en links en rechts lagen Konijn en Pipi Clown. Konijn mocht op stap gaan. Lieke liet hem springen en dansen en op zoek gaan naar lekkere wortels en knolletjes onder het laken. Vlak bij de voeten van Lou. Konijn vond geen wortels, maar wel de tenen van Lou. ‘Knabbel, knabbel, knabbel,’ zeiden Lieke en Konijn.

14


Otto voelde zich wat ongemakkelijk erbij. Moest hij Lieke berispen? Lou was een mens en geen knollenveld. Kwam mama nu maar vlug terug. ‘Ik vind het lekkere wortels,’ zei Konijn met een lage stem terwijl hij snuffelde aan de tenen van Lou. ‘Dat zijn rare wortels,’ zei Pipi Clown met een hoog piepstemmetje, ‘ze stinken, ruik maar.’ Beer snuffelde ook aan de worteltenen van Lou. ‘Ja, ze stinken,’ zei Beer.

Opeens ging er een schok door Otto heen. Verbeeldde hij het zich of … Gespannen keek hij naar de voeten van zijn broer. ‘Kom, Beer, kom ook maar eten,’ zeiden Lieke en Konijn, en Beer kwam weer aangesneld en deed zich tegoed aan de worteltenen van Lou. Daar had je het weer! Otto kwam dichterbij en keek gespannen naar de tenen. Ze bewogen. Hij had het duidelijk gezien. Er zat leven in Lou zijn tenen. ‘Lieke, kijk!’ riep hij uit. Hij wees naar de voeten op het groene veld. Alle tenen bewogen zachtjes op en neer. Lieke lachte schaterend: ‘Lou heeft wappertenen!’ 15


‘Hoera!’ riep Otto zo luid dat hij er zelf van schrok, ‘Lou wordt wakker. Lou wordt wakker!’ Hij trok zijn zusje uit de bedboot en samen dansten ze. Even later stak mama ontdaan4 haar hoofd om de deur, geschrokken door het kabaal dat tot ver in de gang hoorbaar was. ‘Lieke heeft Lou wakker gemaakt,’ riep hij glunderend en hij genoot van het gezicht van zijn moeder. Eerst een blik vol ongeloof en onmiddellijk daarna een soort glans die je alleen maar kon vergelijken met een bundel zonnestralen die onverwachts door een massa donkere wolken heen brak. ‘Nee,’ stampvoette Lieke beslist, ‘ik heb het niet gedaan, Beer en Konijn hebben het gedaan.’ Even later stond ook Lies in de kamer en er kwamen nog mensen binnen die allerlei testjes begonnen te doen, zoals knijpen in Lou en zijn naam roepen en nog veel meer. Mama belde naar papa en het leek alsof hij kon vliegen, want een kwartiertje later kwam hij binnenstuiven. Hij durfde nog niet zo breeduit te lachen als Lieke en mama, hij keek naar Otto, knipoogde en keek onmiddellijk weer naar Lou. Met bange ogen. Er stonden opeens zo veel mensen om het bed heen dat Otto alleen maar de voeten van zijn broer kon zien. Maar wat hij zag was goed. De wappertenen van Lou bleven vrolijk en zorgden voor een feeststemming. Lieke zong een lied over wa-a-appertenen.

16


Eindelijk was het zover. Otto had er niet op durven hopen en toch wist hij dat hij er diep vanbinnen twee maanden op had gewacht. Lou deed zijn ogen open en keek in het niets. Er waren geen gedachten te lezen in zijn ogen, er waren geen gevoelens te zien op zijn gezicht, er was geen blik van herkenning. Maar zijn ogen waren open, zijn tenen wapperden en dat was genoeg voor Otto. Mama snufte en snoot haar neus, maar de tranen bleven komen, ook al lachte ze ‘Mijn jongen, mijn lieve jongen, ik ben het, mama. Wat ben ik bang geweest. Je bent terug!’ Ze snikte en lachte en haar stem sloeg over. Terwijl iedereen praatte, huilde en lachte, keken de ogen van Lou traag in het rond. Alsof zijn ogen handjes waren die alles moesten voelen en aanraken. Otto hield zijn adem in. Toen keek Lou naar Otto. Er was geen gevoel te zien, geen blik van herkenning, toch bleef hij kijken naar zijn broer. Hij opende zijn mond, zijn lippen waren verdroogd en er zaten korstjes op. Een woord sprak hij. Eén woord. Iedereen vroeg: ‘Lou, wat zeg je?’ Alleen Otto zweeg. Hij had het woord gehoord. Lou had het woord ‘skeelers’ gezegd. Ook al was hij blij, hij kon niet zo uitbundig als papa en mama meedoen met het grote ‘wappertenenfeest’. Na vijf minuten knipperde Lou langzaam met zijn ogen, als in een vertraagde film. Hij sloot ze, ze bleven dicht – misschien was hij wel moe geworden van de drukte rond zijn bed.

17


‘Komt nu alles in orde?’ vroeg papa. De dokter haalde haar schouders op. ‘Dat Lou wakker wordt, is al een hele geruststelling. Maar we mogen niet te hard van stapel lopen. Nu pas kunnen we de schade meten die hij heeft opgelopen door het ongeval.’ Papa luisterde in alle ernst maar mama luisterde nauwelijks. Ze aaide het witte gezicht van Lou. ‘Ik ben nog nooit in mijn leven zo gelukkig geweest,’ zei ze. Ben ik ook nog nooit in mijn leven zo gelukkig geweest? Otto vroeg het zich af. Het gevoel van daarjuist, het blije maar ook het angstige wachten, had hem moe gemaakt. Waarom was hij niet overgelukkig? Alles voor de dag van het ongeluk was goed geweest. Tóén was hij gelukkig, alleen besefte hij het toen niet. Alles was zo, zo gewoon geweest. Heerlijk gewoon. De volgende dagen deed Lou af en toe zijn ogen open en soms was er al een zweem van een glimlach te zien. Te weinig glimlach om net zo blij te zijn als vorige week. Ze werden nu met kleine beetjes blij. Lou kon weer eten: een soort vloeibare puree die hij met kleine beetjes door een rietje opzoog. Nog een pluspunt: Lou mocht rechtop zitten in zijn bed. Soms viel hij opzij, maar niet voor lang. Er was altijd iemand om hem weer overeind te zetten. Meestal sliep hij als ze binnenkwamen. De woorden van papa bleven naklinken … ‘Binnenkort mag Lou tijdens het weekend naar huis. We zullen alles doen voor hem, zodat hij vlug de oude Lou wordt.’

18


Hij bedoelde daarmee: er moet altijd iemand bij hem zijn. Misschien zouden er dan nog woorden komen. Buiten ‘skeelers’ had hij niets meer gezegd. Mama en papa hingen aan zijn lippen elke keer als Lou zijn ogen opende. De herfst volgde de kalender. Op eenentwintig september stond er opeens een koude noordenwind. Op de fiets had je minder last van de gure wind. Hoe harder hij blies, hoe harder je moest trappen en hoe warmer je het kreeg. In een bushokje voelde je alleen hoe de wind tergend onder je jas kroop en je koud maakte tot op het bot. Tot je ging rillen zonder stoppen, je handen in je zakken stak en verkrampt thuiskwam. Lieke zeurde niet meer, maar deed handjeklap tegen de wand van het bushokje. Ze leek de koude niet te voelen. Opeens stopte er bij het bushokje een donkerrode bestelwagen. Papa stapte uit, glunderend, en hij gebaarde dat ze zich moesten haasten. Vol trots liet hij de nieuwe wagen zien die hij had gekocht. Er waren veel zitplaatsen en achteraan was een grote ruimte zodat Lou elk weekend naar huis vervoerd kon worden, vertelde hij. Toch iets goeds. Voor Lou. Lieke juichte. ‘Waarom hebben we nu een nieuwe auto?’ ‘Om Lou naar huis te kunnen brengen,’ antwoordde papa opgewekt. ‘Waarom?’ vroeg ze nog eens. ‘Omdat Lou een ongeluk heeft gehad en nu niet meer kan lopen.’ Ze knikte. Ze begreep het. ‘Wat een geluk dat het ongeluk bestaat,’ zei ze en ze zong van auto’s die no-o-ooit konden kapotgaan.

19


Papa en Otto zeiden niets meer. Het antwoord van Lieke had hen stil gemaakt. Wat is een ongeluk? vroeg Otto in gedachten. Het antwoord kwam vanzelf. Een ongeluk verandert je leven in één klap. Alles wat veilig is, verdwijnt. Voor het eerst ben je bang voor onbekende dingen. Bang voor morgen. Het is veel beter om te blijven denken over alles wat er vroeger was en over alles wat er nu gebeurt en wat mooi of goed is. Zoals zijn cijfer voor wiskunde. Otto vertelde nog niets over zijn goede resultaten. Hij wilde het pas vertellen als mama erbij was. Ze zouden verwonderde gezichten trekken en fier zijn. Wiskunde! Uitstekend, Van Daelen! Bijna niet te geloven. Otto zag zijn eigen opgetogen gezicht in de zijspiegel. De dag zag er toch beter uit dan hij had verwacht. De auto rook naar nieuw en papa parkeerde hem voorzichtig op de oprit voor hun huis. Toen hij de deuren dichtdeed, streek hij nog even een vlekje weg van de motorkap. ‘Kom nu naar binnen, papa. Ik wacht,’ riep Otto ongeduldig. Papa kwam eraan en veegde lang zijn voeten af. Ze waren nog maar net in het halletje of mama kwam hen tegemoet gesneld. ‘Ik heb op jullie gewacht. Ik heb heerlijk nieuws voor jullie,’ riep ze opgewonden uit. ‘Ik ook,’ zei Otto, maar mama was al teruggelopen naar de zitkamer waar ze de deur plechtig voor hen openhield. Had papa hem gehoord? Nee, papa keek mama aan. Gespannen. Zijn ogen groot, hij nam geen tijd om te gaan zitten.

20


‘Lou heeft niet meer in zijn luier geplast,’ jubelde mama. ‘Is dat niet fantastisch?! Hij heeft ook een paar keer zijn mond geopend en ‘ba’ gezegd. Ze hebben gebeld vanuit Wilgenhof. Ik ga er na het eten onmiddellijk heen.’ Papa stond nog steeds met grote ogen naar mama te kijken en langzaam verscheen er een brede glimlach om zijn mond. ‘Fantastisch!’ antwoordde hij. Mama keek naar Otto. ‘Is het niet geweldig, Otto? Je broer kan weer plassen en er komt geluid uit zijn mond.’ Otto knikte. Ja, hij was blij. Zijn broer kon weer plassen en er kwam geluid uit zijn mond. Hij dacht aan zijn mooie cijfer voor wiskunde. Moest hij het hun nu vertellen? Of straks? Ze waren zo blij om Lou. Toch maar nu, hij was zo trots. ‘Mama, ik heb ook goed nieuws.’ ‘Ja?’ zei mama zonder op te kijken. Ze dekte de tafel, haastig, zodat ze vlug naar het ziekenhuis kon gaan. Hij zag alleen haar gebogen rug terwijl ze de soepborden uit de buffetkast nam. ‘Ik heb een “uitstekend” voor wiskunde.’ ‘Uitstekend,’ zei mama, terwijl ze haastig de borden op tafel zette. ‘Otto, haal eens een pot appelmoes uit de kelder. Dan kunnen we snel naar Lou.’ Geen hoerageroep, geen verrukte gezichten, geen omhelzing of schouderklopjes, geen wat-zijn-wij-trots-opjou, maar wel ‘uitstekend en haal eens een pot appelmoes uit de kelder.’ Papa zat op de bank en bekeek de post. Rekeningen van het ziekenhuis. Hij had de woorden van Otto niet gehoord en mama had ze niet herhaald.

21


Otto ging langs het kleine trapje de donkere kelder in en knipte het licht aan. De kelder was gevuld met voorraad en met spullen die ze maar één keer per jaar nodig hadden. Zoals kerstballen, een slee, kampeerspullen en andere dingen. Hij bleef in het midden van de kelder staan en keek rond. De tranen schoten hem in de ogen. Hij wreef ze driftig weg. Potverdikkie! Waarom konden ze nu niet eens eventjes blij zijn?! Het was hun plicht om blij te zijn. Hij was hun oudste zoon die voor het eerst in zijn stomme leven een ‘uitstekend’ had voor wiskunde. En wat was hun reactie? Otto deed met een kinderachtig stemmetje en met een verwrongen gezicht zijn moeder na: ‘Uitstekend, maar haal nu maar een pot appelmoes.’ Ze konden de pot op met hun appelmoes. Hij stampte tegen de houten kist met brandhout. Zijn voet deed pijn. De boosheid ging niet weg en ook niet het water dat over zijn wangen liep. Hij nam een pot van het rek en bekeek het etiket waarop de datum stond geschreven en het woordje ‘appels’. Appels van september vorig jaar. De laatste pot. Mama had dit jaar geen appelmoes gemaakt. De boom in de tuin boog krom door het gewicht van de appels. Het gebeurde voor hij het zelf besefte. De golf van boosheid overspoelde hem. Met een grote zwaai smeet hij de pot appelmoes tegen de keldermuur. Het glas brak en de appelmoes spatte in het rond.

22


De klodders appel gleden van de muur langzaam naar beneden. Hij bekeek de schade. Goed. Het had deugd gedaan. De storm in zijn lijf ebde weg. Met de mouwen van zijn sweater boende hij zijn wangen droog. Met zijn meest doordeweekse gezicht kwam hij uit de kelder. ‘Er is geen appelmoes meer,’ zei hij toen hij terug boven was. Mama keek verbaasd en ging ook de kelder in naar beneden. Even later kwam ze terug met een bokaal erwtjes en worteltjes. Ze keek even naar Otto met een bezorgde blik in haar ogen. Toen verdween ze weer door de kelderdeur met het vuilnisblik en het borsteltje. Geluid van glasscherven die werden opgeveegd. Even later was ze terug. Met een somber gezicht voorzag ze iedereen van een schep erwtjes en worteltjes. ‘Er was wel nog een pot appelmoes,’ zei hij stil. ‘Ik heb hem laten vallen.’

23


‘Zo,’ zei ze, even zacht als hij, ‘Otto, als je nog eens scherven maakt, wil je ze dan zelf ook opruimen?’ Hij knikte en keek even naar zijn moeder. Ze leek niet boos. ‘Soms glippen de dingen door je vingers, zoals een pot appelmoes, daar kun je niets aan doen. Het overkomt mij soms ook, Otto.’ Haar ogen waren vochtig. Hij begreep wat ze bedoelde en zij wist dat hij haar boodschap begrepen had. Otto at vlug zijn soep op. Het onderwerp ‘appelmoes’ was afgesloten. Lou wachtte hen op met open ogen. Voor het eerst sinds bijna drie maanden liep Otto niet meteen naar de stoel bij het raam, maar ging hij naast Lou zitten. ‘Hoi, broertje,’ zei hij. ‘Mama vertelde me dat je een potje vol hebt geplast?’ Een mondhoek van Lou trilde. Een zweem van een glimlach. ‘Flink zo,’ zei Otto, ‘verder oefenen. Lou, de plaskampioen. En ik hoor dat je “ba” kunt zeggen?’ Lou draaide zijn hoofd lichtjes in de richting van Otto. Weer ging één mondhoek naar boven. Toen wist Otto het zeker. Zijn broer kon weer lachen. Hij keek naar mama. Ze masseerde de spierwitte benen van zijn broer. Er zat geen leven meer in. Ze leken dood. ‘Mama,’ fluisterde hij zacht, ‘zal Lou ooit weer kunnen lopen, later?’ ‘Laten we dat hopen,’ zei ze, ‘ik wil liever niet aan later denken.’ Otto kriebelde aan de tenen van zijn broer.

24


Lou tilde zijn hoofd lichtjes van het kussen – het was zwaar – en de eerste verstaanbare woorden na het woordje ‘skeelers’ kwamen eruit: ‘Nie d… doen, nie doen,’ zei hij met zijn vreemde glimlach. ‘Be… be… eul.’ Lou sprak weer! De benen van Lou schokten. Het geluid dat uit zijn mond kwam, leek steeds minder op dat van een veulen, maar al meer op het lachen van een mens. De volgende dagen ging het steeds beter met Lou. Soms gleed hij terug in een diepe slaap. Dan hield iedereen zijn adem in. Lies van Sande vertelde dat slapen bij het genezen hoorde. Dat ze Lou niet voortdurend wakker mochten maken. Bij het rampenplein had Otto een omgevallen bordje met ‘verboden toegang’ gevonden. Hij had het meegenomen naar Wilgenhof en iedere keer als zijn broer in slaap viel, zette Otto het bordje aan het hoofdeinde van het bed. Zodat niemand zijn broer zou wekken. Slapen hielp echt, want elke keer als Lou wakker werd, zei hij enkele nieuwe woorden. Het werden kleine zinnen, moeizaam uitgesproken – Lou werd er doodmoe van. Het was een enorme opluchting voor Otto hem te horen praten. Over de skeelers had Lou niet meer gesproken, wel over het snoteten, het kussen dat niet goed lag, en over een bazige verpleegster Dorien die hem pijn deed bij het wassen. Soms kreeg hij het niet gezegd. Dan schreef hij met zijn rechterhand in grote hanenpoten het woord waar hij niet op kon komen.

25


Maar iets anders werd ook snel duidelijk: Lou was aan zijn linkerzijde gedeeltelijk verlamd. Hij zou altijd een beetje scheef glimlachen. Maar hij kon wel weer leren lopen. Met heel veel geduld en heel veel trainen. ‘Je moet ervan uitgaan dat het zeker twee jaar duurt,’ had Lies van Sande gezegd. ‘Zal hij ooit weer … gewoon zijn?’ vroeg Otto. De dokter haalde haar schouders op. ‘Alles is nieuw voor Lou,’ had ze gezegd. ‘Hij werd zijdelings aan zijn hoofd gewond. Dat betekent dat hij motorisch veel dingen opnieuw moet leren. Hij zal niets meer kunnen ruiken en ook zijn muzikaal gehoor is beschadigd. Vanaf morgen beginnen we met de eerste oefeningen om hem weer te leren lopen. Stapje voor stapje. Ondertussen mogen jullie gerust met Lou naar buiten. De rolstoel staat klaar. De buitenlucht zal hem goed doen.’ Een paar dagen daarna hield het weer op met regenen en een late zomer kwam tevoorschijn. Oktober vergiste zich. Het leek opeens weer een beetje zomer. Otto had alles verteld aan Lieke, zodat ze kon begrijpen wat hen nog te wachten stond. Ze was de laatste tijd lastig. Alsof ze alles beu was. Het spelletje met Lou had lang genoeg geduurd. Ze wilde niet meer in de bedboot, ze wilde thuis naar tv kijken en niet in het ziekenhuis. Ze wilde zelfs haar Spaanse dansschoentjes niet meer aan. Toen Otto vertelde dat Lou niet meer kon ruiken, had ze lang nagedacht. Ze glimlachte toen. ‘Als ik dan nog eens veel scheetjes moet laten, hoef ik niet meer “oeps” te zeggen, want dan kan Lou ze toch niet ruiken, hé.’ Het maakte alles minder erg. Voor even.

26


Toen een verpleegster de rolstoel naar binnen duwde, was Lieke een en al interesse. Ze wilde er onmiddellijk in gaan zitten en Otto moest haar duwen. ‘Otto, wil jij met mij gaan wandelen?’ Haar stemmetje klonk zoet en smekend. Het mocht van de verpleegster. Even later zaten haar knuffels er ook bij en liep Otto met haar de gangen door. Onderweg kreeg ze een ijsje van een opvoedster. Ze likte vol overgave en voelde zich als een prinses in een koets. ‘Jij bent mijn lakei5, Otto,’ zei ze. ‘Je mag later met mij trouwen.’ Het was prachtig weer, zelfs heet buiten. Het ijsje smolt te vlug en even later was Lieke overdekt met chocoladevlekken. ‘Lakei,’ zei ze, ‘ik ben vuil. Hier is mijn zakdoek.’ Otto veegde met haar zakdoekje-met-paddenstoeltjesop haar mond en handen schoon en ze reden verder de reusachtige tuin in. De wegen waren zo gemaakt dat het niet zwaar was om de rolstoel voort te duwen. Overal waren kleine spinnenwebben te zien met kruisspinnetjes erin. De zon was goudkleurig en stond laag zodat Otto zijn ogen tot spleetjes moest knijpen. Ze volgden alle paadjes en één ervan leidde naar een oude schuur waar een man een paard verzorgde. Vanuit haar rolstoel keek Lieke belangstellend toe. De man knipoogde naar haar. ‘Hoe lang zit je al in een rolstoel?’ vroeg de man terwijl hij het hooi ververste. ‘Sinds vanmiddag,’ antwoordde Lieke opgewekt. ‘O.’ De man leek een beetje verward.

27


Lieke zag opeens de ezel in de weide. Ze sprong uit de rolstoel en holde naar het hek. Behendig klom ze op het onderste balkje en probeerde de ezel naar zich toe te lokken. De man keek Lieke na, niet-begrijpend, krabde eens achter zijn oor en mompelde meer tegen zichzelf dan tegen Otto: ‘Die zal de rolstoel niet lang meer nodig hebben.’ Otto besefte opeens het misverstand. Hij lachte, maar zei niets. Ze moesten terug. ‘Kom, Lieke, terug in je stoel. We moeten ervandoor.’ Voor het eerst hoorde Otto hoe Lieke een liedje zong dat ze niet zelf had verzonnen. Het was een lied dat ze op school had geleerd. Iets over blaadjes geel en rood en de wind die ze eraf waait en de bloemen die doodgaan. ‘Otto?’ ‘Ja?’ ‘Kan Lou nu nog altijd doodgaan?’ ‘Ik weet het niet, Lieke.’ ‘Ik denk het niet,’ zei ze. Ze schudde haar hoofd en zuchtte. ‘Kan ik ook nu doodgaan, Otto?’ ‘Ik denk het niet, Lieke.’ Ze knikte opgelucht. Toen ze weer binnenkwamen in de kamer, was er bezoek. Dirk van Genechten, de sportleraar. Hij had een reusachtige fruitmand mee, ingepakt in doorschijnende folie. Lou zou er niet van eten, want alles moest vloeibaar zijn voor hem. Lieke telde de druiven. Daarna probeerde ze de smalle opening in de verpakking wat groter te maken, terwijl ze nauwlettend keek of mama niets in de gaten kreeg. Even later had ze de eerste druif te pakken.

28


29


De sportleraar praatte honderduit tegen mama. Papa was ondertussen ook aangekomen en Lou hield af en toe zijn ogen dicht, alsof het gesprek hem vermoeide. Als hij nu maar zijn mond houdt over die skeelerwedstrijd, dacht Otto. Dikke pech, Dirk van Genechten begon erover. ‘Ik vind het zo jammer dat Otto niet meedoet.’ Mama en papa keken niet-begrijpend. ‘Heeft hij dan niet verteld over het toernooi dat plaatsvindt hier niet zo ver vandaan? Het is maar een kwartiertje wandelen. Jullie zouden Lou kunnen meebrengen als het weer zo mooi blijft. Volgende week is het zover. Ik ben ervan overtuigd dat Otto op zijn dooie gemak wint bij de duizend meter op skeelers.’ Lou opende zijn ogen weer. Iets had zijn aandacht getrokken. Otto kreeg zin om de mond van de sportleraar dicht te timmeren. Stomme ezel! Natuurlijk begon hij ook over het feit dat Otto zich had laten inschrijven voor volleybal en nooit naar de training was gekomen. Otto kreeg er opeens genoeg van. Hij wilde er niet over spreken. Niemand had er zich mee te moeien. Hij besliste zelf wel wat goed en slecht voor hem was. Dit gesprek was wreed. Voor Lou. Zonder iets te zeggen, verliet Otto de kamer. Hij hoorde nog net papa roepen: ‘Otto, waar ga je heen?’ Alsof dat nog belang had. Als je hier was, kon je toch nergens heen. Ja, naar een oude man met een ezel en een paard. Of naar de leefgroep waar alle kinderen bijeenzaten voor een tekenfilm.

30


Toen hij de gang in liep, zag hij dat de televisies aanstonden. Martijn lag in zijn bed. Naast hem zat een meisje. Ze keek heel bezorgd van hem naar Otto. ‘Is hij familie van je?’ vroeg Otto. Ze knikte. ‘Ja, ik ben Rebecca, zijn zus.’ ‘Wat is er met hem?’ ‘Hij zal waarschijnlijk nooit meer kunnen lopen. De kans is klein dat hij hier kan blijven. Ik vermoed dat hij naar een verzorgingstehuis moet.’ ‘Hoelang?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Tot hij doodgaat, denk ik. Hij zal niet oud worden als het zo voortgaat. Het is allemaal mijn schuld,’ zei ze. Otto werd er stil van. Hij wilde wel dat hij haar verdriet kon wegnemen. Maar het lukte niet. Het verdriet zat ook in hem. Achter zijn oogleden voelde hij zijn eigen tranen prikken. Gek, hij werd niet verdrietig van dit verdriet. Het was iets anders. Hij was ook een beetje blij dat hij hier was. Samen met de zus van Martijn. Rebecca. Samen verdrietig zijn. Ze zag er leuk uit. Opeens voelde hij een rilling door zich heen gaan. Ze had iets gezegd en het maakte iets wakker in hem. Een gedachte. Tot nu toe had hij een deel van zijn gedachten in een diepe put begraven kunnen houden. Maar ze kwamen toch. Het verdriet van Rebecca maakte de put open. Nee, niet alleen het verdriet. Ook iets anders. Rebecca zei dat het haar schuld was. Dat was het! Dat maakte alles open! Het enige waar hij nooit meer aan wilde denken was verbannen naar de bodem van de put.

31


Het ging over de dag van het ongeluk. Lou had hem gepest en hij wilde zijn broer eens een lesje leren.

… Het nieuwe sportcomplex was nog altijd niet open. Overal hingen nog dezelfde borden met ‘verboden toegang’. Nog een weekje geduld, had mama gezegd. Ze hadden beiden geknikt en waren vertrokken met de fiets. Lou had zijn nieuwe skeelers bij zich. ‘Waar gaan jullie heen?’ riep papa. ‘Straks komen opa en oma voor je verjaardag, Lou.’ ‘We komen onmiddellijk terug,’ riep Lou, ‘we gaan gewoon even mijn skeelers uitproberen.’ Ze vertelden er niet bij dat ze naar het verboden terrein gingen. Het was zondag, dus de kans dat ze een werkman of iemand van de gemeente tegenkwamen, was klein. Lou koos de grootste ramp uit. Steeds sneller, steeds hoger ging hij. Otto keek toe. De nieuwe skeelers van zijn broer leken super. Ze maakten weinig geluid, maar gleden zacht op het ronde houtwerk. Elke keer draaide hij op het hoogste punt. Moeiteloos, het leek alsof hij gewichtloos was. ‘Otto, kijk goed, ik ga een salto proberen.’ Geconcentreerd voerde hij zijn snelheid op, licht door de knieën gebogen, de armen ontspannen voor zich uit. Hij had weer eens geen helm op en zelfs zijn knie- en elleboogbeschermers had hij thuisgelaten. Otto riep: ‘Zou je dat wel doen? Je hebt geen helm op. Het is veel te gevaarlijk!’ Lou lachte schaterend en de wieltjes van zijn skeelers leken mee te lachen.

32


Met een grote sprong kwam hij hoog boven de ramp in de blauwe lucht terecht. Otto zag hoe het lichaam van zijn broer zich aftekende tegen de strakke blauwe hemel. Toen buitelde hij. Volledig rond zijn eigen as. Als in een vertraagde film zag Otto hoe zijn broer een perfecte salto maakte. Lou zou beslist kampioen worden. Otto haastte zich naar de duizendmeterbaan. Hij moest ook kampioen worden. Deze keer had hij zijn chronometer meegenomen. Het ging goed, het ging vlug. Hij haalde een tijd die hij nog niet eerder had gehaald. Toen dacht hij opeens aan zijn wraak. Hij moest Lou nog iets betaald zetten. Hij knoopte zijn skeelers los en liep in de richting van de beukenhaag. Hij verstopte zich erachter, met zijn fiets aan de hand, en keek naar Lou. Die ging helemaal op in zijn salto’s. Opeens ontdekte hij met een schok de drie mannen op het sportterrein. Er stonden ook twee vrouwen bij. Hoorden ze bij de mensen van het gemeentebestuur? Ze leken nog jong. Ze lachten luid en dronken bier. Misschien hadden ze iets te vieren? Opeens wezen ze naar Lou. Otto wilde naar zijn broer roepen, maar zijn keel zat dicht, potdicht. Lou stopte met springen en zag de mannen en vrouwen op zich afkomen. Wild keek hij in het rond. Waar was Otto? Ze moesten weg. Zijn ogen waren gevuld met schrik. Zo vlug als hij kon, gespte hij zijn skeelers los. De mannen kwamen steeds dichterbij, gevolgd door de vrouwen. Ze lachten nog steeds, het had iets angstaanjagends. Ze versnelden hun pas, net toen Lou het op een hollen zette. Ze holden hem achterna, struikelend, riepen allerlei onverstaanbare woorden, lachten en dronken ondertussen verder.

33


Ze waren te ver, Otto kon hun gezichten niet zien. Maar hij wist wel dat ze dronken waren en met vijf. Hij moest maken dat hij daar wegkwam. Hij stapte op zijn fiets, Lou zou wel volgen, hij was toch de snelste van hun beiden. Hij kon vast ook wel ontsnappen. Otto fietste alsof de duivel hem op de hielen zat. Een keer keek hij achterom. Lou fietste in de verte als een bezetene. Hij riep: ‘Otto, wacht op mij! Wacht!’ Zijn stem scheurde de blauwe lucht in twee. Achter Otto reed een grijze auto. De dronken jongelui riepen door de open raampjes naar Lou. De auto zigzagde. Toen Otto weer achteromkeek, zag hij hoe Lou door de auto gegrepen werd en door de blauwe lucht vloog. De nazomer bleef duren. Papa had zelfs het zwembadje weer in de tuin gezet voor Lieke. Ze zeurde minder nu ze dagelijks in het water kon ploeteren en spelen.

34


Lou zou voor de eerste keer naar huis komen. In de woonkamer stond een groot bed. Papa rekende en rekende. Op tafel lagen folders van liften om in huis te plaatsen. Alles moest veranderd worden. De kosten waren duizelingwekkend. Lou kon elke dag meer zinnen zeggen en hij viel steeds minder in slaap. Mama ging elke dag met hem wandelen en zijn gezicht kreeg een gezond kleurtje. Zelfs de plagerige blik kwam terug in zijn ogen, ook al kon hij niets doen. Gelukkig hadden zijn ouders niets meer gezegd over het toernooi dit weekend. Ze hadden te veel aan hun hoofd; er was immers nog een probleem bijgekomen. Lies van Sande had ontdekt dat Lou epilepsie had. Hij had enkele lichte aanvallen gehad, nauwelijks merkbaar voor wie er niets van kende, maar ze hadden het kunnen zien op de hersenfoto’s. De aanvallen zouden terugkomen. Lou zou later een helm moeten dragen, zodat hij bij een eventuele val geen hersenletsel opliep. Otto had het aan Rebecca verteld. Hij had alles verteld. Ook over die ene bewuste dag. Ook over het toernooi waar hij niet aan zou deelnemen. Ze had alleen gekeken en niets gezegd. Toen werd het zaterdag. De dag van het Olympisch feest en de dag dat Lou voor het eerst naar huis mocht voor het weekend. In het dorp hingen overal vlaggen en op het dorpsplein oefende een fanfare.

35


‘Wat is er aan de hand?’ vroeg papa zich af, een beetje humeurig door de vele oranje bordjes met ‘omleiding’. Ze zouden immers te laat komen. Lou zou ongerust worden. Otto zweeg. Hier zou de aankomst zijn van de renners, de fietsers en de skeelers. Het dorp was in feeststemming. Vreemd dat zijn ouders totaal niet wisten wat er aan de hand was. Waren ze zo vervreemd geraakt van de gewone wereld? Ze hadden folders gekregen, overal hingen posters, de lokale radio zweeg er niet over. Alleen zijn ouders wisten van niets. Papa stopte voor Wilgenhof en zei: ‘Otto, vertel jij tegen Lou dat we zijn elektrische rolstoel gaan ophalen. We zijn zo terug. Lieke gaat met ons mee.’ Otto knikte. Toen reden ze door. Ze gingen ook langs bij de aannemer voor de verbouwingen. Er zou een kleine lift komen en de stoepen moesten weggehaald worden zodat Lou alleen naar binnen en naar buiten zou kunnen rijden. Het was een zorg meer voor zijn ouders. Ze moesten bij opa geld lenen. In Wilgenhof stond Lou hen op te wachten. Hij zat in zijn rolstoel met zijn hoofd een beetje scheef naar achteren en zijn mond half open. Rebecca stond bij Lou te praten, maar hun gesprek stokte toen Otto erbij kwam staan. Het leek alsof hij niet had mogen horen wat Lou en Rebecca te vertellen hadden. Alsof ze een geheim deelden. ‘Ik wil naa…naar bui…ten,’ zei Lou beslist ook al kwamen de woorden er nog stotterend uit. ‘Ja, baas,’ antwoordde Otto.

36


‘Mag ik mee?’ vroeg Rebecca. Even leek het alsof ze knipoogde naar Lou. Ze droeg een rode rugzak. Otto kon het alleen maar goedvinden dat ze meeging. Toen hij opperde om de rugzak in Wilgenhof te laten, schudde ze haar hoofd. De rugzak moest mee. ‘Langs hie…ier,’ commandeerde Lou. Hij wees de weg aan die op de straat uitkwam. Was dat wel verstandig? ‘Lou, zouden we niet beter hier blijven en naar de schuur wandelen? Waar het paard staat?’ ‘Ik he…eb de pest aan het paard en de schuu…uur. Ik wil naar het d…dorp.’ Otto dacht opeens aan het toernooi. O nee, Lou wist helemaal niet dat het toernooi vandaag was. Nu zou hij voor het eerst echt geconfronteerd worden met zijn handicap. Met alles wat hij niet kon en misschien wel nooit meer zou kunnen. Hij zou jongens en meisjes zien skeeleren en fietsen. Hij zou zich behoorlijk opwinden, triest worden en wie weet wat nog meer. Otto keek naar Rebecca. Wat moest hij doen? Ze glimlachte. ‘Oké, Lou, we gaan naar het dorp op één voorwaarde?’ Lou glimlachte alsof hij wist wat ze ging zeggen. ‘Als we zo ver van Wilgenhof gaan, dan wil ik dat jij je helm opzet.’ Ze keek hem guitig6 aan. Lou keek naar haar en glimlachte met zijn schuine mond. ‘Oké,’ zei hij. Rebecca haalde uit haar rugzak een helm. Hij leek een beetje op een ouderwetse fietshelm. Ze gespte hem om Lou zijn hoofd. Hij zag er grappig uit.

37


Otto was verwonderd. Wat deed die helm in haar rugzak? Hij keek hen aan. Ze wisselden heimelijke blikken. Wat was er aan de hand? Rebecca gooide haar hoofd in haar nek en begon te schateren. Lou glimlachte naar zijn broer die er nog steeds beduusd bij stond. ‘We ga…an naar het t…toernooi,’ zei hij. Otto keek ongelovig. Hoe wist Lou van …? Rebecca knikte. ‘Hij wist van het toernooi. Hij was het niet vergeten en ik heb er met hem over gebabbeld op momenten dat jij er niet was. Hij wil er echt bij zijn.’ Ze deed haar rugzak weer open. ‘Ik heb hier nog iets voor je.’ Ze grabbelde diep in de zak. De opening was niet groot genoeg. Ze moest wringen. Eindelijk kreeg ze het eruit. Het waren nieuwe skeelers. Net als die van Lou. Otto begreep er niets van. Wat wilde ze daarmee? Lou kon toch helemaal niet skeeleren? Hij keek van zijn broer naar Rebecca en terug. Lou keek naar Otto. ‘Ik wil dat jij meed…d…doet.’ Otto schudde van nee. ‘Jullie zijn gek! Het is onmogelijk. Ik wil helemaal niet meer skeeleren. Trouwens, het is onmogelijk. Ik ben niet ingeschreven.’ ‘Ja…jawel.’ Lou knikte heftig met zijn hoofd. ‘Toen Dirk van Genechten kw…kwam en jij even w…weg was, heb ik jou ingeschr…schreven. Hij weet dat je ko…omt.’ Opeens vielen de puzzelstukjes op hun plaats. Het was een complot. ‘Weten papa en mama dit?’ Rebecca knikte verrukt. ‘Ze wilden ook zo graag dat je meedeed, maar ze waren bang dat je zou weigeren.

38


Ze weten ook dat we er met Lou heen gaan. Het mocht als hij zijn helm droeg.’ Ze keek op haar horloge. ‘We zullen ons moeten haasten. Doe vlug je skeelers aan, we zullen moeten lopen.’ Nog beduusd maar lachend gespte Otto de skeelers aan. Hij nam de rolstoel vast en even later reden ze in snelvaart naar het dorp. Rebecca liep achter hen aan. Lou juichte en Otto reed en duwde. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer ze de muziek hoorden. ‘Otto, ik wil dat je mijn helm opzet,’ zei Lou. Hij brengt geluk.’ Otto won de duizend meter. Mét de helm van Lou op zijn hoofd. Zijn ouders stonden hem op te wachten aan de eindstreep. Lieke zwaaide met een vlaggetje. Papa hield zijn handen als een toeter voor zijn mond. Mama veegde met een zakdoek over haar ogen. Rebecca hield de rolstoel van Lou vast. Lou glimlachte. Zijn ogen straalden. Er gebeurde zo veel tegelijk. Otto wist niet wat hem overkwam. Na de wedstrijd kwam een man hem zeggen dat hij, als hij geïnteresseerd was, welkom was in de nationale ploeg. Het zou hard trainen worden. Drie keer per week. Otto keek naar Lou. Zijn broer knikte. ‘Ik ga mee elke keer als ik ka…an,’ zei hij beslist. ‘Ik word jouw t…trainer. Een bikkelharde t…trainer.’ Lou lachte en iedereen lachte met hem mee.

39


Woorduitleg 1 capuchon = muts die aan een jas vastzit 2 bedremmeld = verward en verlegen tegelijk 3 spijlen = verticale staven die deel uitmaken van een hek, een traliewerk … 4 ontdaan = helemaal van streek 5 lakei = huisknecht 6 guitig = ondeugend op een leuke manier

40


Otto en zijn broer Lou kunnen skeeleren als de beste. Maar dan gebeurt er een ongeluk en belandt Lou in een coma. Otto, zijn zus Lieke en zijn ouders blijven waken aan zijn bed. Het blijft wachten op Lou …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 6 - Thema 9 - N3 - Wachten op Lou by die Keure - Issuu