ducatieve uitgaven
BIEB
Gekke Gust Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
5
Gekke Gust
1
‘Ze zijn weer bezig,’ zei Mirte en ze reikte de verrekijker aan haar tweelingzus Susie die ondersteboven aan een boomtak hing. ‘Volwassen mensen die aan het zoenen zijn …’ bromde Susie terwijl ze weer rechtop klauterde. ‘Bah!’ Door de verrekijker tuurde ze naar het verliefde paartje in de verte. ‘Heeft pap niets beters te doen?’ Ze gaf de verrekijker aan haar buurjongen. ‘Wil jij niet naar je moeder kijken, Lou? Je kunt heel wat bijleren over verliefdheid en kussen.’ De jongen naast haar schudde zijn hoofd en klom een tak hoger. ‘Het hoeft niet,’ zei hij schokschouderend. ‘Twee natte monden op elkaar, het lijken wel slakken. Grote mensen kunnen soms zo onnozel doen,’ bromde hij terwijl hij verder klom naar de uitstekende tak naast de boomhut. Nu zat hij op het hoogste punt.
2
Heel in de verte kon hij de uitgestrekte zee zien. Het was niet meer dan een glinsterend streepje licht. Aan het ritselen en schudden van takken en bladeren hoorde hij dat zijn buurmeisjes ook naar boven klommen. Lou vond dat hij het met zijn buurmeisjes goed had getroffen. Susie en Mirte van den Heuvel waren coole meiden. Ze hielden net als hij van voetballen en spannende avonturen verzinnen. En ze hadden alle drie een hekel aan spruitjes en de afwas doen. Lou herinnerde zich nog goed hoe de meisjes vorig jaar naast hem waren komen wonen. Eerst had hij de verhuiswagen zien stoppen voor de deur. Toen wist hij dat er nieuwe buren zouden komen. Hij had stiekem gehoopt op een gezin met een paar jongens maar zijn wens kwam niet uit. Een man en twee meisjes van zijn leeftijd sjouwden reusachtige dozen en andere spullen naar binnen. Zijn moeder was onmiddellijk gaan vragen of ze hulp konden gebruiken en de man had die hulp met beide handen aangenomen. Die dag moet de vonk tussen zijn moeder en de vader van de meisjes zijn overgeslagen. De twee volwassenen ontdekten dat ze allebei stapelgek waren op koken. Pieter, de vader van de tweeling, was leraar op een koksschool en Lou’s moeder, Veerle, werkte in een pizzeria. Ze droomden er allebei van om ooit zelf een restaurant te beginnen. Lou dacht aan hun verliefde ouders en hij kreeg een onbehaaglijk gevoel in zijn buik.
3
Hoog in de boom keken ze met z’n drieën naar de witgepleisterde huizen in de verte. Helemaal op het einde van de straat, waar de duinen begonnen, lag Villa Zeemeeuw. Het reusachtige huis was niet bewoond, maar soms werd het verhuurd aan vakantiegangers. De eigenaar hadden ze nog nooit gezien. Nu was het landhuis verlaten, want de zomervakantie was voorbij. Soms gingen ze stiekem naar de grote tuin van de villa. Ze klommen door een gat in de duindoornhaag en renden er met Bruno, Lou’s herdershond, of speelden een partijtje voetbal. Dat was best spannend, ze waren nog nooit betrapt en het bordje ‘verboden toegang’ hadden ze onder de bessenstruiken verstopt. Heel toevallig vonden ze een verroeste sleutel onder een gebarsten bloempot. Hij paste op de deur van het oude koetshuis dat achterin de grote tuin was gebouwd en dat verscholen lag tussen de hoge struiken. Niemand mocht weten dat ze het koetshuis hadden omgetoverd tot hun eigen geheime clubhuis. De sleutel namen ze mee naar huis zodat niemand nog in het tuinhuis naar binnen kon. Ook de huurders niet. ‘Joehoe! Jongens, waar zijn jullie? Komen jullie even? We hebben iets héél belangrijks te vertellen!’ Zijn moeder Veerle hield haar handen als een toeter tegen haar mond. Enkele minuten later zaten ze op het terras aan de tuintafel en keken met hongerige ogen naar de nog warme perentaart op tafel.
4
Terwijl Veerle de glazen vulde met sinaasappelsap, sneed Pieter de ronde taart in even grote punten. ‘Kinderen, we hebben een verrassing voor jullie,’ sprak hij met een glimlach. ‘We willen graag trouwen en liefst al volgende week op een zondag.’ ‘Jullie mogen de bruidsjonker en bruidsmeisjes zijn,’ zei Veerle. ‘En er komt een groot tuinfeest voor de hele buurt.’ De kinderen zeiden niets, maar keken elkaar beurtelings niet-begrijpend aan. ‘Trouwen? Zo vlug al! Waarom?’ vroegen ze alle drie tegelijk. ‘Omdat we niet meer zonder elkaar kunnen,’ zei Pieter breed lachend. ‘En omdat we graag een gezinnetje willen zijn,’ zei Veerle zacht en ze beet op haar onderlip. Er kwam een donkerrode blos op haar wangen. ‘En om nog enkele redenen,’ voegde ze eraan toe. Veerle opende een doosje. De twee ringen van opa en oma zaten erin. ‘Ik heb oma beloofd, vlak voor ze stierf, dat ik deze ringen zou dragen als ik ooit zou hertrouwen.’ Lou wist dat zijn moeder lang verdrietig was geweest, omdat zijn vader hen had verlaten en met een andere vrouw in Amerika was gaan wonen. Lou hield veel van zijn vader, maar toch werd pap steeds meer een vreemdeling in zijn leven. Af en toe schreven ze of skypeten ze met elkaar. Pieter keek hen om de beurt vragend aan. ‘Wat vinden jullie ervan? Vinden jullie het niet geweldig?’
5
‘Ik vind het wel fijn …’ zei Susie, ‘maar …’ ‘Ik vind het ook goed …’ vervolgde Mirte, ‘maar …’ ‘In welk huis gaan we dan wonen?’ vroeg Lou. Hij keek een beetje somber. ‘Ik wil alleen in een huis wonen met een grote tuin zodat Bruno kan ravotten. En met een boom waarin we precies dezelfde boomhut kunnen bouwen als degene die we nu hebben.’ ‘En ik wil een huis met een speelzolder zoals we die nu hebben, en ieder van ons een eigen slaapkamer,’ sprak Susie beslist. ‘Ik weet niet of we alle wensen kunnen vervullen,’ vervolgde Pieter. ‘Maar we doen ons best. Na onze bruiloft willen we graag een nieuw huis kopen. Wat zeggen jullie daarvan?’ ‘Welk huis? En waar staat dat dan?’ vroeg Lou. Hij vond het maar niets. Het liefst bleef hij in zijn eigen huis, samen met zijn moeder. ‘We kunnen voor een goed prijsje een huis kopen in de Zeemeeuwlaan,’ vervolgde Pieter. ‘Jullie zullen het er fantastisch vinden. Het is een oud huis met een ziel, én een tuin met vele bomen en struiken. De koop is nog niet rond, maar na onze bruiloft gaan we bij de bank over een lening praten. Er is nog iemand die interesse heeft in het huis, daarom moeten we snel zijn. We hebben een week de tijd om te beslissen.’ Ze zeiden niet om welk huis het ging. Twee uur later liepen de kinderen door de Zeemeeuwlaan en zochten naar een woning die te koop stond.
6
Natuurlijk hadden ze het liefst de grote Villa Zeemeeuw gehad, maar dat was ondenkbaar en onbetaalbaar. Alleen superrijke mensen konden zoiets kopen. Het stond trouwens niet eens te koop. Slechts één huis stond te koop. Het stond in het midden van de straat en was half verborgen achter een verwaarloosde heg De kinderen duwden het vermolmde hek open en liepen het smalle grindpad op. Met grote ogen keken ze naar het kleine huis. ‘Hemeltje! Het spookhuis van Gekke Gust!’ fluisterde Mirte. ‘Hier kom ik nooit ofte nimmer in wonen,’ gromde Lou. Ze kenden dit akelige huis. Iedere keer als ze naar Villa Zeemeeuw gingen, moesten ze hierlangs. Ze hadden het tot spookhuis gedoopt, omdat er vreemde dingen over werden verteld. Over Gekke Gust die ’s nachts door de donkere kamers dwaalde en steeds in zichzelf praatte. Zijn vrouw was al jaren dood, maar toch dekte hij iedere dag de tafel voor twee personen. En hij praatte steeds met haar alsof ze vlak naast hem stond. Er groeide mos en onkruid tegen de bakstenen gevel. In de voortuin stonden enkele oude gedeukte pannen met kattenbrokken. Gekke Gust trok zich blijkbaar het lot van verwaarloosde poezen aan. ‘Mij krijgen ze met geen voet in dit vreselijke huis,’ fluisterde Susie. Mirte knikte. ‘Mij ook niet.’ ‘We moeten onze ouders tegenhouden,’ sprak Lou. ‘Hoe dan?’ vroegen de meisjes in koor.
7
‘Van mij mogen ze verliefd blijven, maar hun bruiloft moeten we tegenhouden,’ zei Lou. ‘Kom, we trekken naar ons clubhuis.’ Opeens ging de voordeur van het spookhuis half open en een magere grijze poes glipte miauwend naar buiten. Een oude knokige hand trok de haperende deur verder open. Toen zagen ze de oude grijsaard in het halfdonker van de gang staan. Hij leek meer dan honderd jaar oud en zijn gezicht was gegroefd met rimpels. ‘Wie zijn jullie?’ vroeg hij met een krakende stem. De kinderen wisten niet wat ze moesten zeggen. ‘Komen jullie voor het huis? Het moet deze week nog verkocht worden. Kom maar binnen, dan kunnen jullie eens rondkijken.’ Hij grinnikte. De kinderen kregen nog steeds geen woord over hun lippen. ‘Euh … een andere keer misschien,’ stamelde Lou. Hij draaide zich om en haastte zich in de richting van de straat. ‘Ja … een andere keer. Daag!’ fluisterden de meisjes in koor, en ze renden achter Lou aan die de tuin al uit was. ‘Kom gerust nog eens langs. Ik heb graag bezoek, en zeker van kinderen!’ riep Gekke Gust hen na en hij keek hoofdschuddend naar de wegrennende kinderen. Hun onveilige gevoel verdween toen ze in hun geheime clubhuis zaten. Toch hield Lou de poort nauwkeurig in de gaten. Stel dat Gekke Gust hen achterna was geslopen?
8
‘Wat moeten we doen?’ vroeg Mirte. ‘We moeten een ijzersterk plan verzinnen zodat ze niet kunnen trouwen,’ zei Lou. ‘We moeten de bruiloft niet tegenhouden, we moeten het alleen een weekje uitstellen,’ zei Mirte opgewonden. ‘Ze hebben het zelf gezegd: het is dringend. Daarom trouwen ze zo snel. Als zij het huis niet kopen, is er iemand anders die het koopt.’ ‘Ik denk dat ik iets weet,’ zei Lou aarzelend. ‘Vertel!’ riep de tweeling gelijktijdig. ‘Lou, we hebben geen tijd te verliezen.’ ‘We moeten terug. Naar dat vreselijke huis,’ zei hij. ‘Wat? Terug naar die akelige man?’ riep Mirte. ‘Gekke Gust kan ons helpen.’ Lou knikte en hij zag er zelfverzekerd uit. ‘Gekke Gust ziet er misschien wel griezelig uit, maar het is een gewone oude man die niet altijd goed bij zijn hoofd is.’ ‘Je bedoelt dat hij eruitziet als een levend lijk uit een griezelfilm,’ vond Mirte. ‘Maar hij is het niet,’ zei Lou beslist. ‘Geloof me. Een levend lijk houdt zich niet bezig met het verkopen van een huis en met het verzorgen van verwaarloosde katten.’ Lou had gelijk, wisten de meisjes. ‘We moeten vriendschap sluiten met Gekke Gust. Misschien kunnen wij hem overtuigen dat hij het huis niet mag verkopen.’ ‘Hoe dan?’ vroeg Mirte. Lou boog zijn hoofd wat dichter naar de meisjes. ‘Weten jullie nog wat er vorig jaar is gebeurd in de Zeemeeuwlaan?
9
Een man vond in zijn tuin een schatkist die lang geleden door onbekende rovers daar was begraven, nog voor het huis was gebouwd. De ijzeren koffer zat vol met kostbare juwelen en de gelukkige vinder kreeg van de eigenaars veel geld als beloning. Het bleek om een oude familieschat te gaan. Achteraf bleek het maar de helft te zijn van de verloren schat. De andere helft is nog steeds spoorloos. We moeten Gekke Gust wijsmaken dat de schat ergens in de buurt ligt.’ ‘We kunnen het proberen,’ zei Susie. ‘Ik heb het krantenknipsel nog,’ zei Lou. ‘Als we de juiste woorden kiezen, gelooft Gekke Gust ons vast.’ Ze sloten het clubhuis af en renden in een wedstrijdje naar huis. ‘Waar waren jullie?’ vroeg Veerle toen de hijgende kinderen binnenstormden. Ze sneed een reuzegrote pizza in stukken. ‘We waren leuke plannetjes aan het verzinnen voor jullie bruiloft,’ zei Mirte doodernstig. Lou proestte het bijna uit. ‘Geheime plannetjes,’ voegde Susie eraan toe. Lou was blij dat hij in zijn pizza kon bijten, anders was hij beslist in lachen uitgebarsten. Die avond gingen de kinderen zonder zeuren slapen, want er was morgen veel te doen. De volgende schooldag duurde ontzettend lang. Om kwart over vier stonden ze in de voortuin van het spookhuis. Bij de deur was nergens een bel te zien.
10
‘Wat nu?’ zei Mirte fluisterend. Ze hurkte en streelde de zwarte vacht van de poes die onmiddellijk begon te spinnen. ‘Geduld,’ antwoordde Lou. Had hij zojuist niet even het grauwe gordijn zien bewegen? Lang hoefden ze niet te wachten, want de haperende deur ging open en het oude mannetje stak zijn grimmige hoofd naar buiten. ‘Ik wist dat jullie terug zouden komen, ik heb op jullie gewacht. Kom binnen, kom binnen.’ Hij wenkte met zijn magere hand. Lou schraapte zijn keel. ‘Ja, hier zijn we weer. We komen u een bezoekje brengen.’ Het mannetje ging hen voor en ze volgden hem tot in de huiskamer. ‘Ik wachtte op jullie. Ik heb het in de wolken gezien,’ zei Gekke Gust. ‘De mensen in de buurt denken dat ik knettergek ben, maar dat ben ik niet. Ik kan alleen dingen zien die anderen niet zien. Gaan jullie toch zitten. Alleen op deze gebloemde stoel niet, daar zit mijn vrouw altijd. Annabelle heet ze.’ Hij wees naar een stoel waarvan je de bloemenprint van de stof haast niet meer kon zien vanwege de slijtage. De kinderen gingen zitten en keken met grote ogen rond. Alles was oud en versleten: de meubels, het behang, de vloerkleden en het servies in de kast. En toch was alles schoon en netjes onderhouden, ondanks de doordringende geur van katten overal. ‘Ik ben Gustaaf, maar iedereen noemt me Gekke Gust. Ik weet wie jullie zijn, maar toch ken ik jullie namen niet.’
11
Hij glimlachte naar de kinderen en ze zagen dat er nog maar één tand in zijn mond zat. Gekke Gust keek naar de lege stoel. ‘Annabelle, ik heb het je toch gezegd dat de kinderen terug zouden komen.’ De kinderen zwegen en keken naar de lege stoel. Ze zeiden hun naam en Gekke Gust knikte. ‘Gaan jullie mijn huis kopen? Mijn vrouw Annabelle en ik zijn hier heel gelukkig geweest.’ Hij wees terug naar de stoel waarop niemand zat en Mirte voelde de koude rillingen over haar rug lopen. ‘Waarom verkoopt u het huis?’ vroeg Lou dapper. Gust leek opeens kleiner te worden. ‘Ik wil het eigenlijk niet verkopen, ik ben hier gelukkig. Maar ik moet.’ Hij zuchtte diep. ‘Ik ben niet meer zo gezond. Mijn vergeetachtigheid wordt almaar groter. Alleen de naam van mijn vrouw vergeet ik nooit. Daarom verkoop ik mijn huis,’ vervolgde hij, ‘met het geld kunnen we een kamer mét verzorging huren in een bejaardentehuis.’ Dit was moeilijker dan Lou had gedacht en hij zocht koortsachtig naar woorden om zijn plan uit te voeren. ‘Mijnheer Gust, wist u dat er vorig jaar bij uw buren een schat is gevonden?’ Gekke Gust knikte. ‘Zeggen jullie maar Gust, en ja, ik heb over die schat gehoord. Annabelle heeft het uit de krant voorgelezen. Nietwaar, liefje?’ Hij keek vol liefde naar de lege stoel naast hem.
12
‘Je moet niet op Annabelle letten, mijn vrouw zegt niet veel. Alleen ik hoor wat ze zegt. Willen jullie misschien een stukje zelfgebakken appeltaart? Mijn vrouw kan heerlijk bakken.’ Ze schudden alle drie hun hoofd. De gedachte dat ze appeltaart zouden eten dat door een spook was klaargemaakt … ‘Eh … Gust, de reden waarom we hier zijn is … is uw huis.’ Lou zocht naar de juiste woorden. ‘We denken dat de andere helft van de schat hier, op uw grond verborgen ligt. Als u eens op zoek ging? Misschien vindt u de schat wel, en hebt u recht op de beloning. Dan kunt u in deze woning blijven wonen, want met het geld kunt u een schoonmaakster en een verpleegster aan huis krijgen.’ Gekke Gust dacht na en keek naar de lege stoel. ‘Wat denk jij, mijn liefje? Zou er een schat in ons huis of onze tuin verborgen liggen?’ Gekke Gust scheen echt te luisteren naar iemand. Zijn warrige hoofd ging op en neer, alsof hij het eens was met wat het spook in de stoel te vertellen had. Gust keek hen weer aan. ‘Het is goed dat jullie zijn gekomen. Mijn lieve Annabelle zegt het ook. Ze denkt dat jullie gelijk hebben. En dat er ergens een verloren schat verborgen ligt. De schat heet ook Annabelle, zegt ze. Morgen ga ik op zoek.’ Hoe vreemd Gust zijn woorden ook klonken, Lou kreeg weer hoop.
13
‘Maar Gust, als er morgen iemand komt om uw huis te kopen, dan is het te laat. Dan kunt u niet meer zoeken.’ Gekke Gust dacht erover na. ‘Je bent een slimme jongen, ik mag geen tijd verspillen. Ik moet direct op zoek gaan naar de verborgen schat Annabelle. Volgende week is mijn huis misschien al verkocht.’ Hij stond op. ‘Maar nu moeten jullie gaan. Dit gesprek is heel vermoeiend voor mijn vrouw. Ze moet even rusten.’ ‘Mogen we morgen nog eens terugkomen?’ vroeg Lou. ‘Jullie zijn altijd welkom. Jullie zijn zulke aardige kinderen. Ik weet wie jullie zijn, maar ik weet niet waar jullie wonen.’ De kinderen vertelden de oude man waar ze woonden, maar ze verzwegen dat hun ouders gingen trouwen en dat ze van plan waren om zijn huis te kopen. Gekke Gust zag er opeens zo gek niet meer uit. Ze zagen hem nadenken en hij zei: ‘Vorige week waren er hier een man en een vrouw die op zoek waren naar een huis. Na de bruiloft zouden ze over de aankoop beslissen. De man deed me aan iemand denken. Ze hadden ook kinderen.’ De kinderen waren opgelucht dat ze het huis weer konden verlaten. Ze renden naar het oude koetshuis om verder over hun plannen te praten. ‘Zou het lukken?’ vroeg Susie. Lou haalde zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Misschien moeten we toch maar een plan B maken.’
14
‘Ik heb nog een idee,’ zei Mirte, ‘maar eerst wachten we af.’ Gelukkig hadden ze die dag geen huiswerk en ze besloten om hun geheime clubhuis op te knappen. Er stonden in de hoek nog oude meubels opgestapeld. De oude banken en de kleine salontafel kregen een plaatsje bij het raam. En Mirte vond een paar oude ingelijste zwart-witfoto’s. Op een ervan poseerde een stel met een jongen van een jaar of tien Ze droegen antieke kleren. Ze keken beiden nors in de lens van de fotograaf. Maar de jongen op de foto lachte breed naar de fotograaf en in zijn handen droeg hij een houten speelgoedboot. ‘Er is iets met die jongen,’ zei Susie, terwijl ze de foto aandachtig bleef bekijken. ‘Ik zie er niets vreemds aan,’ antwoordde Mirte die over Susies schouder meekeek. ‘Kijk, onderaan staat een jaartal. De foto is genomen in 1936. Zo lang geleden al.’
15
‘Het lijkt alsof ik die jongen al eens eerder heb gezien,’ zei Susie Lou kwam erbij staan en opeens holde hij naar een oude kist. Daar haalde hij de houten boot uit van de jongen op de foto. Mirte bekeek de houten vissersboot. ‘Hé, jongens, kom eens kijken! Jullie zullen niet geloven wat hier staat geschreven.’ Op de houten buitenkant van de vissersboot stond in uiterst kleine lettertjes een naam geschilderd. Annabelle. ‘Het is spokerij,’ zei Susie. ‘Toeval,’ zei Lou, maar hij huiverde. De wind klepperde een van de luiken dicht. De volgende dag had de septemberzon plaatsgemaakt voor de eerste herfstregen. De kinderen snelden in hun regenkleding naar het spookhuis van Gekke Gust. ‘Ik sta al een tijdje op de uitkijk,’ zei hij en hij lachte zijn ene tand bloot. Hij lijkt al minder griezelig dan gisteren, dacht Susie. ‘Kom binnen, ik heb groot nieuws,’ zei hij. Toen zagen ze dat het bord “Huis te koop” weg was. ‘Zou ons geheime plan gelukt zijn?’ fluisterde Mirte. Lou haalde zijn schouders op, maar zijn donkere ogen glunderden. Gekke Gust had rozenbottelthee gezet. Op een porseleinen schoteltje lagen chocoladekoekjes die er redelijk vers uitzagen. Ze waren zeker geen tien jaar geleden gebakken door een spook. Susie haalde opgelucht adem.
16
‘Ik wist dat jullie zouden komen, daarom heb ik alvast thee gezet. Ik ben jullie heel erg dankbaar, kinderen.’ Gekke Gust keek ze alle drie beurtelings aan. ‘Als jullie mij niet over de verloren schat hadden verteld, zou ik mijn schat nooit hebben teruggevonden.’ Lou’s mond viel open. ‘Jullie hadden gelijk. In dit huis lag de schat Annabelle verborgen.’ Gekke Gust doopte zijn koekje in de thee en sabbelde erop. De kinderen wachtten ongeduldig. ‘Eerst ben ik in alle hoeken op zolder gaan zoeken.’ Hij lachte zijn ene tand bloot. ‘Daarna heb ik in mijn tuinschuurtje gezocht en weer vond ik niets. Het enige wat er lag was mijn oude werkgereedschap, helemaal verroest en vergeten, zoals mijn herinneringen. Vervolgens heb ik iedere kamer doorzocht, maar geen spoor van de verloren schat. Toen heeft Annabelle me gezegd om naar de kelder te gaan …’ Hij schonk met bevende hand nog een beetje thee in de kopjes. Ook in het lege kopje van zijn overleden vrouw. Vreemd, zojuist had hij het ook gevuld. Wie had dit kopje dan leeggedronken? De stoel naast hem was leeg en toch leek het alsof er iemand zat en meeluisterde, vond Mirte. En misschien wel meedronk. ‘Ik kom niet graag in de wijnkelder,’ zei Gust. ‘Het trapje is gevaarlijk en dat met mijn oude botten …’ Hij stond moeizaam op en slofte naar de eethoek. Hij kwam terug met in zijn bevende handen een grote, oude metalen koekjesdoos. Hij opende het roestige deksel; de doos was gevuld met foto’s en brieven.
17
En weer miauwde er ergens in huis een kat. ‘Ik ben zo blij dat ik alles heb teruggevonden. Kijk maar: de liefdesbrieven van mijn vrouw. Meer dan zestig jaar oud zijn ze. En de foto’s van haar, ons eerste huis, onze eerste auto … en vooral dit … foto’s van onze zoon.’ Gekke Gust toonde enkele babyfoto’s en het leek alsof er iets brak in zijn stem. ‘Ik wist niet dat u een zoon had,’ zei Lou zacht. ‘Kan uw zoon dan niet voor u zorgen?’ De oude man schudde het hoofd en zocht tussen de foto’s tot hij vond wat hij zocht. Een kleine zwart-witfoto waarop een lachende jongeman stond met een kanjer van een vis in zijn armen. ‘De vissersboot van onze zoon is gezonken tijdens een storm. Onze zoon was net twintig jaar geworden.’ Gust zuchtte diep. ‘Daarom zijn mijn vrouw en ik hier komen wonen. Dicht bij de zee, dicht bij het graf van onze zoon.’ Gust haalde de andere foto’s uit de doos. ‘Ik ben zo blij dat door het zien van deze foto’s mijn verloren herinneringen zijn teruggekomen. Ze zijn mijn grootste schat. Ik was vergeten waar ik ze had bewaard. Dankzij jullie heb ik alles teruggevonden. En er was nog iets waarvan ik dacht dat het verloren was.’ De drie kinderen keken reikhalzend toe en zagen onderaan in de doos een stapeltje bankbiljetten, omwikkeld met een elastiekje. Het waren briefjes van vijftig euro.
18
‘Het is ons spaargeld. Tien jaar geleden, toen Annabelle stierf, heb ik de biljetten op een veilige plek verborgen. Ik moest het wel in huis bewaren, want ik was toen al niet meer zo goed ter been en iedere keer naar de bank gaan, vond ik te vermoeiend. Maar mijn vergeetachtigheid nam toe en ik wist na een tijdje niet meer waar ik het had verborgen. Ik was zelfs al vergeten dat ik spaargeld had.’ Lou zuchtte, het aangrijpende verhaal over de verdronken zoon en het teruggevonden geld moest hij even verwerken. ‘Blijft u nu hier wonen, nu het spaargeld is teruggevonden?’ vroeg hij hoopvol. ‘Ik denk het niet, mijn jongen,’ antwoordde Gust. ‘Ik besef opeens dat ik al veel te lang alleen ben gebleven. Nu ik mijn spaargeld terug heb gevonden, kan ik een grotere kamer nemen. Met uitzicht op zee. Dan kan ik aan mijn jongen denken. Het geld is genoeg voor mijn oude dag. Gek dat ik niet meer wist waar het lag. Ik lijk blijkbaar op de vader van Annabelle, want ze vertelde me dat hij ook lang geleden iets kostbaars had verstopt voor later. Het is nooit boven water gekomen. En volgende week zal mijn huis verkocht zijn.’ 19
Hun plan was mislukt. Maar het verhaal van Gust had hem een brok in zijn keel gegeven en daarom zei Lou: ‘Gust, ik ben heel blij voor jou.’ De meisjes knikten. Gust glimlachte een beetje triest. ‘Wat is het lang geleden dat ik met kinderen heb gepraat. Jullie zijn zo aardig.’ Gust was een gewone vriendelijke oude man die last had van vergeetachtigheid. Hoe hadden ze kunnen denken dat dit huis een spookhuis was? De oude man spreidde de foto’s op de tafel uit. ‘Hoe kan ik jullie bedanken?’ zei hij meer dan tien keer. ‘Jullie hebben me een stukje levenslust teruggegeven en nog veel meer: mijn spaargeld, herinneringen en de foto’s van Annabelle en mijn zoon Frederick.’ Voor plan B was er even geen tijd. Ze moesten meewerken aan de voorbereiding van het feest. Nog maar vier dagen te gaan tot de trouwerij. Lou hielp zijn moeder: alle tuinstoelen en de grote terrastafel moesten een lik verf krijgen. Ondertussen probeerde hij haar uit te horen over haar verdere plannen. ‘Mam, hoe staat het met het nieuwe huis?’ ‘We kunnen er nog niet veel over zeggen, Lou. Pas na onze bruiloft weten we of de lening doorgaat en of we het huis van onze dromen kunnen kopen.’ ‘Waarom vinden jullie het eigenlijk een droomhuis?’ Zijn vingers zaten onder de groene verf en zelfs zijn neus had een groene punt, maar dat kon hij niet zien.
20
‘Lou, je weet toch dat Pieter en ik dromen van een eigen restaurantje? Met hier en daar een kleine verbouwing aan het nieuwe huis kunnen we eindelijk onze droom waarmaken.’ Lou zei niets meer. Hij kon zich niet voorstellen hoe iemand het huis van Gekke Gust kon omtoveren tot woonhuis én restaurant. Pas de volgende dag hadden de kinderen tijd om naar het clubhuis te gaan. Het was donderdag en zondag zou de bruiloft en het feest plaatsvinden ‘Nu is het jouw beurt, Mirte. Jij moet een meesterlijk plan verzinnen,’ zei Lou. Mirte knikte. ‘Ik heb misschien wel een idee om de bruiloft een week uit te stellen.’ Ze keek geheimzinnig en zelfs haar tweelingzus kon niet raden welk plan ze uit haar mouw zou schudden. ‘Het is heel eenvoudig,’ zei ze. ‘Supersimpel. Vanaf morgen zijn we alle drie doodziek.’ Eerst keek Lou ongelovig, dit was geen goed idee. Zijn moeder zou het direct zien als hij veinsde dat hij hoofdpijn of buikpijn had. Ze zou hem een kruidentabletje of een lepel siroop van iets afschuwelijks uit een flesje geven, en klaar was kees. Ook Susie zei niets maar Mirte gaf het niet op. ‘Ik bedoel niet zomaar ziek. Geen verkoudheid, geen griep, geen koorts. Nee, een of andere besmettelijke ziekte waardoor niemand het huis in of uit kan. Dan moeten ze de bruiloft wel een week uitstellen.’ ‘En hoe dacht jij hen te overtuigen dat wij een besmettelijke ziekte hebben?’
21
Mirte glimlachte. ‘Weet je nog 1 april vorig jaar? Toen kwam Arthur naar school met lichtroze puntjes op zijn gezicht en hij had een vuurrode tong. Juf Saskia heeft hem direct naar huis gestuurd, want ze dacht dat hij roodvonk had vanwege die ontelbare puntjes en zijn rode frambozentong. Daarna is uitgekomen dat het om een aprilgrap ging. Zijn vader is dokter en daardoor kende hij de symptomen. Hij had ’s morgens met een fijne stift kleine puntjes op zijn huid getekend en heel lang op een rood zuurtje gezogen.’ Het gezicht van Lou klaarde op. Dit idee was zo slecht nog niet. Mirte glunderde. ‘Vanaf nu moeten we ons een beetje hangerig gedragen en vanaf morgen moeten we klagen over lichte misselijkheid, een beetje keelpijn en vermoeidheid. Morgenavond zette we de eerste puntjes op ons gezicht.’ Het ging beter dan ze hadden verwacht. Diezelfde avond gedroegen ze zich hangerig en hun ouders stuurden hen vroeg naar bed De volgende ochtend klaagde Mirte over buikpijn. Ze kon echt niet eten, want ze was bang dat ze zou moeten overgeven, zei ze. Op de tafel stond een pan met eieren en spek en het allerliefst had ze alles in één keer opgegeten, zo’n honger had ze. Maar dat mocht ze zeker niet doen. ‘Mijn kindje, toch,’ zei haar vader. ‘Wat erg. Ik hoop dat het vlug weer overgaat. Je was gisteravond al een beetje lamlendig.’
22
Hij keek bezorgd van Mirte naar Susie, want als de ene ziek was, werd de andere het ongetwijfeld ook. ‘En jij, Susie? Voel jij je ook misselijk?’ Susie schudde haar hoofd, zuchtte eens heel diep en draaide triest met haar ogen. ‘Nee pap, ik ben niet misselijk, maar ik ben zo moe en een beetje draaierig in mijn hoofd.’ Opeens ging de deur half open en Veerle stak haar hoofd naar binnen. ‘Hoe is het hier, Pieter? Lou voelt zich niet lekker. Ik hoop dat hij geen griep krijgt zo vlak voor ons huwelijksfeest. Hij zei dat er een besmettelijke ziekte in de school heerste. Wisten jullie dat meisjes?’ De tweeling knikte traag met hun hoofd en de blik in hun ogen was net zo triest als de blik van een puppy die van zijn moeder wordt weggehaald. ‘Wel alle bommen en granaten!’ riep Pieter en hij gooide zijn armen in de lucht waarbij hij een beker melk omstootte. De tweeling moest een andere kant opkijken om het niet uit te proesten. Ze dronken van hun melk en over de rand van hun beker knipoogden ze naar elkaar. ‘Misschien gaat het wel over, papa. Misschien is het maar een klein griepje, en voelen we ons vanavond heel wat beter,’ zei Mirte. Ze mochten nog niet zo ziek zijn dat hun ouders besloten om hen thuis te houden. Ze moesten naar school, want na schooltijd wilden ze naar hun clubhuis gaan om daar de eerste rode puntjes aan te brengen. Veerle twijfelde. ‘Pieter, zouden we de kinderen niet beter thuishouden? Misschien is het besmettelijk.’
23
Lou stikte bijna van het lachen. ‘Lou?’ vroeg Veerle onderzoekend. Lou, Mirte en Susie zagen de twijfel in haar ogen en vlug pakten ze hun schooltas. Ze waren de deur al uit voor hun ouders hen hadden kunnen tegenhouden. Tijdens de pauze ondervroeg Lou Arthur honderduit over roodvonk. Eigenlijk was het doodeenvoudig: kleine fijne puntjes zetten, hier en daar wat uit laten lopen zodat de huid er ontstoken uitziet en je ziek gedragen. ‘Er is slechts één probleem,’ zei Arthur. ‘Als je roodvonk hebt, dan heb je ook hoge koorts. Dus moet je ook een blos op je wangen tekenen zodat je er verhit uitziet en de digitale thermometer moet je verstoppen.’ Het drietal holde na schooltijd zo vlug als ze konden naar hun clubhuis. Het kietelde toen ze op elkaars gezicht, armen en benen puntjes zetten. Vooral Mirte kwam bijna niet meer bij van het lachen. ‘Wat zien jullie er idioot uit!’ proestte ze. ‘Heb jij al eens naar jezelf gekeken?’ zei Lou lachend. Even later liepen ze in een drafje een paar rondjes door de grote tuin om er toch vooral koortsig, verhit en bezweet uit te zien. In hun mond stak een knalrood zuurtje waarop ze langzaam zogen en smakten. Pieter was net terug van zijn werk toen hij als eerste de drie gespikkelde kinderen zag binnenkomen. Hij sloeg zijn hand voor zijn mond en riep: ‘Wat is er met jullie aan de hand?’
24
Ze keken zo beteuterd mogelijk, maar ondertussen hielden ze goed zijn reactie in de gaten. ‘Papa, ik denk … kuch … dat we besmettelijk ziek zijn,’ zei Susie kuchend. Zij kon het beste een zieke stem nabootsen. ‘Op school heerst er roodvonk,’ zei Mirte met hese stem. ‘De helft van de kinderen is besmet. Papa, onze juf heeft gezegd dat we binnen moeten blijven en dat er ook niemand naar binnen mag. De besmetting kan tien dagen duren.’ Pieter staarde verbijsterd naar de kinderen. ‘Ik zal onmiddellijk de dokter bellen.’ En net toen hij het nummer van de dokter op zijn mobieltje wilde intikken, kwam Veerle binnen. ‘Ze zeggen dat ze roodvonk hebben,’ zei Pieter en hij wees beteuterd naar de kinderen. Ze knikten alle drie met intrieste gezichten. ‘Mam, ik denk dat je het huwelijksfeest maar een weekje moet uitstellen,’ zei Lou en hij rilde nog eens om aan te geven hoe echt zijn koorts was. Veerle keek hen een voor een aan en voelde met de binnenkant van haar hand aan hun voorhoofd.
25
‘Vreemd,’ zei ze. ‘Jullie voelen helemaal niet warm aan. Waar is de thermometer?’ ‘We kunnen hem niet vinden,’ zeiden ze alle drie tegelijk. Misschien iets te snel? ‘Dat is wel heel toevallig,’ zei ze. ‘Ik had hem hier op de kast gelegd omdat jullie je gisteravond niet zo lekker voelden. Kan een thermometer vleugeltjes krijgen?’ De kinderen schudden langzaam hun hoofd. ‘En laat mij jullie uitslag eens zien.’ Veerle zette haar bril goed op haar neus, pakte de arm van Lou vast, en bestudeerde aandachtig de puntjes op zijn arm. Ze likte aan haar wijsvinger en wreef over de puntjes. Het werden roze vlekjes die zelfs helemaal verdwenen hoe langer ze wreef. ‘Een heel vreemd soort roodvonk,’ zei ze. ‘De puntjes gaan zomaar weg.’ ‘Ze waren er … er ook opeens zomaar,’ zei Lou hakkelend. ‘Zomaar?’ vroeg Veerle waarna ze zich omdraaide en haar handen waste onder de kraan. ‘Steek jullie tong eens uit?’ Drie knalrode tongen kwamen tegelijkertijd uit een kindermond. Veerle bekeek aandachtig de tongen van de kinderen en rook aan hun mond. ‘Tja, ik vrees dat jullie de vliegende zuurtjesroodvonk hebben, een vreselijke ziekte die moeilijk te genezen is.’ Veerle keek ernstig en de kinderen wisten niet goed of ze dit nu meende of niet. ‘Er bestaat maar één medicijn tegen vliegende zuurtjesroodvonk,’ vervolgde ze.
26
‘Jullie mogen geen pizza, frietjes of chocolade meer eten; dat is te vet voor jullie maag. Geen televisie of computer, want dat is slecht voor jullie ogen. En jullie blijven in bed.’ De drie kinderen wisselden stiekeme blikken. Het liep niet helemaal zoals ze het hadden verwacht. Pieter belde met de dokter. ‘… Ja, dokter, ze hebben rode puntjes. En ja … ze hebben ook een rode tong. Koorts? Eh, ik weet het niet zo goed. Ja, u kunt morgen komen. Ja, ik zal ze binnen houden. Tot morgen!’ Pieter legde zuchtend zijn mobieltje neer. Veerle kuste hem zacht op zijn stoppelwang en fluisterde in zijn oor: ‘Lieverd, bel de dokter maar af. Ik heb zo mijn methodes om die vreselijk besmettelijke ziekte te verjagen: zondag zijn ze genezen. Beloofd.’ Met een strenge vingerwijzing stuurde ze de drie naar boven. Ze had hen door, voelden ze. Terwijl de tweeling zich douchte, probeerde Lou aan de wastafel de hardnekkige, rode puntjes van zijn lijf te schrobben. Na een tien minuten durend gevecht met een washandje en zeep zag hij er vuurrood uit, net als de tweeling. Toen hun ouders hun rode kinderen zagen, sloeg Veerle haar hand voor haar mond. ‘Jullie lijken wel marsepeinen biggetjes!’ ‘Mama, de dokter hoeft niet meer te komen. Ik denk dat we bijna genezen zijn.’ Veerle beet op haar onderlip, dat deed ze altijd als ze haar lach niet kon inhouden.
27
‘Ja, zo ziet het er ook uit. Maar toch wil ik het zekere voor het onzekere nemen. Jullie blijven vandaag en morgen binnen en jullie eten alleen maar groenten en fruit. En de televisie gaat niet aan.’ Veerle draaide zich om en zette de borden op het aanrecht. Haar schouders schokten en het was niet zo duidelijk of ze nu lachte of huilde. De volgende dag was een rotdag. De kinderen zaten op de kamer van Lou en verveelden zich stierlijk. ‘Susie, heb jij een plan? Want het is bijna zondag.’ Ze knikte. ‘Jullie moeten me helpen, want het is heel spannend wat ik nu ga doen. Kom maar mee.’ Hun ouders waren een hoge bruiloftstaart aan het bakken. Susie gaf met enkele gebaren te kennen dat Mirte en Lou hun ouders in de keuken moesten bezighouden. Ondertussen glipte ze naar de huiskamer en twee minuten later was ze terug met een onschuldig gezicht. Ze glipten terug naar boven en Mirte en Lou bestookten Susie met vragen. ‘Vertel, wat heb je gedaan?’ Susie haalde een vuist uit haar zak en opende langzaam haar hand. De twee ringen van opa en oma werden zichtbaar. ‘Het was simpel. Ik heb ze gewoon uit het doosje gehaald.’ Mirte en Lou keken verbluft naar de ringen. Inderdaad, zo simpel kon een plan zijn. Dat zij daar niet eerder aan hadden gedacht! Veerle wilde alleen maar trouwen met deze geluksringen aan hun vinger.
28
Tegen de avond waren alle rode vlekken verdwenen. ‘Mogen we vandaag echt niet naar buiten?’ zeurde Lou, maar hij wist dat zijn moeder onvermurwbaar was. Mirte had andere plannen. Ze fluisterde: ‘We moeten nog een goede verstopplaats vinden voor de ringen.’ ‘Ze zitten al veilig verborgen,’ zei Susie. ‘Op een plaats die niemand kan raden.’ Ze schrokken op door de bel die langdurig ingedrukt werd en ze hoorden even later de basstem van Pieter aan de voordeur. Lou opende het raam van zijn slaapkamer en gluurde naar beneden. Daar stond Gekke Gust! ‘Gekke Gust is hier!’ stamelde hij. ‘O nee! Hij komt zijn huis verkopen!’ zei Mirte zuchtend. ‘Misschien komt hij gewoon zeggen dat hij het huis niet meer verkoopt, of dat hij het huis aan iemand anders heeft verkocht,’ sprak Susie hoopvol. Ze hoorden de stem van Gust tot boven. ‘Ik kom voor het huis …’ Zo stil ze konden, slopen ze naar beneden en luisterden met hun oor aan de deur van de zitkamer. Ze hoorden slechts enkele flarden want de wasmachine zwierde net. ‘… dankzij die lieve kinderen.’ ‘… nou ja … niet verwacht …’ antwoordde Veerle. ‘… daarom geef ik … buitenkans …’ zei Gekke Gust. ‘… zo aardig van u … ons voorstel is dan …’ zei Veerle. ‘… neem ik zeker aan … u maakt me heel gelukkig …’ ‘… dat is dan beslist …’ sprak Pieter. De wasmachine stopte met draaien en de kinderen hoorden nog net de laatste woorden van Pieter.
29
‘Mijn beste Gust, wat hadden we zonder u moeten doen? Ik ben zo gelukkig dat ik u eindelijk heb leren kennen, terwijl u al die jaren vlakbij hebt gewoond. U zorgt ervoor dat onze wens in vervulling kan gaan. We zullen dit nooit vergeten en we zijn u nu al eeuwig dankbaar. Nu eerst nog trouwen, en dan maar hopen dat de bank ons gunstig gezind is zodat we volgende week alles kunnen regelen.’ ‘Ik moet jullie dankbaar zijn, jullie zorgen ervoor dat ik niet in eenzaamheid mijn laatste dagen hoef door te brengen,’ antwoordde Gust. ‘Maar denk eraan: er is nog iemand die het huis wil kopen. Volgende week hak ik de knoop door.’
30
Ze konden nog net naar boven ontsnappen toen Pieter de deur opende en Gust weer uitliet door de voordeur. ‘Er is nog niets verloren,’ zei Mirte. ‘We hebben nog precies een dag,’ zei Lou. Ze lieten zich op bed ploffen en staarden naar het plafond. ‘Nooit of te nimmer wil ik in dat krot gaan wonen,’ fluisterde Susie. De dag voor het trouwfeest kregen ze geen tijd meer om nog andere plannen te verzinnen. Iedereen had zijn handen vol met de aankomende bruiloft. Ze hadden geen enkele vrije minuut meer over. Het was al bijna bedtijd toen Mirte in Susies oor fluisterde: ‘Je weet toch zeker dat je de ringen goed hebt verstopt, hè?’ ‘De beste plaats die er bestaat,’ zei Susie, ‘je kunt rustig gaan slapen, zus.’ De volgende dag scheen er een warme najaarszon die de versierde tuin nog gezelliger maakte. Pieter en Veerle liepen zenuwachtig rond. Ze liepen voortdurend naar iets te zoeken. Alles liep gesmeerd. Hoe meer de hoofden van hun ouders op hol werden gebracht, hoe vanzelfsprekender het was dat opeens hun ringen spoorloos verdwenen bleken te zijn. Hun ouders werden steeds zenuwachtiger. Pieter trok per ongeluk een knoop van zijn hemd en merkte niet op dat hij twee verschillende sokken aan had.
31
Veerle worstelde met de ritssluiting op haar rug en jammerde dat ze weer dikker was geworden en dat de trouwjurk te klein was. Met veel moeite kon de jurk uiteindelijk dicht. Om tien uur werden ze verwacht in het kleine stadhuis op het plein, twee straten verderop, waar het huwelijk zou worden voltrokken. Toen ze eindelijk allemaal klaar waren, vertrokken ze naar het stadhuis. Het was maar vijf minuutjes lopen, maar toch liepen ze iets haastiger dan anders. Hun familie, vrienden, kennissen en de buren stonden hen bij het stadhuis op te wachten. De stoeltjes in het stadhuis waren vlug bezet en de burgemeester had zijn zilveren ketting met penning om zijn nek hangen. Hij verwelkomde iedereen en gaf ook nog een uitleg over hoe goed de zeelucht was voor de liefde. ‘Kijk maar naar deze twee mensen, Veerle en Pieter,’ zei hij, ‘ze zagen elkaar voor het eerst hier, vlak bij zee, en een dag later waren ze verliefd op elkaar. En nu willen ze als man en vrouw samen door het leven gaan. Mag ik vragen om me de ringen te geven?’ Pieter knikte en keek vragend naar Veerle. ‘Honnepon, geef jij ze even?’ Veerle schudde het hoofd en keek niet-begrijpend naar Pieter. ‘Maar beertje, ik dacht dat jij ze … O nee, Pieter,’ fluisterde ze met een hand voor haar mond. ‘De ringen liggen nog op de kast.’ De burgemeester was een beetje onthutst.
32
‘Jullie kunnen de huwelijksbeloftes ook uitspreken zonder ringen, want wachten heeft geen zin. Binnen een half uur staat hier het volgende koppel om te trouwen.’ De gasten gniffelden om de vergeten ringen. ‘Mijnheer de burgemeester, ik wil alleen maar trouwen met mijn geluksringen erbij. Ik heb het beloofd aan mijn moeder. Lou, loop jij even vlug naar huis?’ Veerle keek smekend naar haar zoon. ‘Het rode fluwelen doosje met de ringen ligt op de kast.’ Mirte en Susie zaten met gekruiste vingers en ze zagen Lou de zaal uitrennen. Tien minuten later was Lou terug, met een rood gezicht van het rennen én met het rode fluwelen doosje dat hij van de kast had weggegrist. ‘Ahum … zo, dan kunnen we nu de plechtigheid voortzetten,’ kuchte de burgemeester. Hij opende het doosje en iedereen in de zaal kon zijn groter wordende ogen zien. ‘Is dit een grap of zo? Wie nemen jullie in de maling?’ Hij leek een beetje chagrijnig te worden en toonde het doosje aan het koppel. Iedereen kon onmiddellijk zien dat er geen ringen in zaten. Veerle keek vragend naar Pieter. Die haalde zijn schouders op. ‘Ze zaten er echt in, schat, zeker weten.’ Veerle keek sip. ‘Het spijt me,’ zei de burgemeester, ‘ik kan niet langer wachten, jullie moeten gaan. Zo meteen staat het volgende echtpaar hier. Misschien dat u later … als de ringen gevonden zijn …’
33
De burgemeester haalde een boekje uit zijn binnenzak. ‘Wacht, ik kijk meteen in mijn agenda.’ ‘Ahum …’ sprak de burgemeester, ‘als jullie nu thuis de trouwringen gaan zoeken, kunnen jullie nog net om 12 uur terugkomen. Ik vind een beetje overwerk niet erg, want jullie feestelijke dag mag niet overschaduwd worden door twee verdwenen ringen.’ Pieter bedankte de burgemeester en samen met de teleurgestelde Veerle, hun kinderen en de gasten liep hij gehaast terug naar huis. Eenmaal thuis was het een drukte van jewelste. Pieter ging op een krukje staan en sprak de gasten toe. ‘Beste familieleden, lieve gasten, goede vrienden, het spijt ons voor alles. Maar het is nog niet te laat om te trouwen. Ik loof een beloning uit aan de vinder van onze ringen.’ Iedereen wilde natuurlijk de ringen vinden en de kinderen deden alsof ze ook op zoek waren. Ondertussen kwamen er steeds meer gasten aan: mensen die niet naar het stadhuis waren gekomen, maar wel naar het feest kwamen. De versierde tuin was overvol en het zenuwachtige zoeken ging gewoon door. Ieder kussen, ieder potje werd omgedraaid, overal werd in of onder gekeken. Het was bijna middag, nog een uur te gaan. Als men de ringen niet vond, zou de bruiloft een week uitgesteld worden. De kinderen keken elkaar samenzweerderig aan en knikten elkaar toe.
34
De laatste die ze op deze bruiloft hadden verwacht, was Gekke Gust. Hij kwam in zijn beste pak en zwaaide naar hen. De meisjes gingen naar hem toe. ‘Dag Gust, wat fijn om u hier te zien. We wisten niet dat u onze vader zo goed kende.’ Gust knikte. ‘Ja, ja, ik ken hem al langer dan vandaag.’ ‘Gust, onze ouders zijn nog steeds niet getrouwd. De geluksringen zijn verdwenen,’ zei Mirte. Gust keek hen aandachtig aan. ‘Hebben jullie ook naar de ringen gezocht?’ vroeg hij vriendelijk. Lou en Mirte knikten naar waarheid: ze wisten echt niet waar Susie de ringen had verstopt. Het zag er niet naar uit dat de ringen gevonden werden en Lou kreeg een beetje medelijden met zijn moeder. Ze zag er opeens niet meer zo vrolijk uit en bijna kreeg hij spijt van het plan om de bruiloft tegen te houden. Maar dan keek hij naar Gekke Gust en het beeld van het verwaarloosde kattendrollenhuis kwam hem weer voor de geest. Nee, beter de bruiloft uitstellen zodat iemand anders het huis kon kopen, dan met z’n allen doodongelukkig worden in een akelig huis.
35
Gust liep met kleine stapjes naar Pieter en fluisterde iets in zijn oor. Het gezicht van Pieter lichtte op en de kinderen waren er niet gerust op. Waarom deed Gust zo geheimzinnig? En waarom zag Pieter er opeens niet meer zo bezorgd uit? Pieter ging weer op het krukje staan en vroeg de mensen een moment van stilte. ‘Beste mensen, onze laatste gast is aangekomen. Mag ik jullie voorstellen: Gustaaf van den Heuvel. De oudste man op ons huwelijksfeest.’ Wat? Had Gekke Gust dezelfde achternaam als zij en hun vader? De meisjes trokken grote ogen. Pieter zwaaide met zijn armen zodat de mensen wisten dat hij nog niet klaar was met praten. ‘Ik heb nog een belangrijke mededeling. Gustaaf en ik zijn verre familie. Ik ben de zoon van zijn neef met dezelfde achternaam. We leerden elkaar bij toeval kennen, omdat Veerle en ik op zoek waren naar een huis dat in de buurt te koop stond. We zagen het uithangbord in zijn voortuin staan en toevallig raakten we met elkaar aan de praat. Gust is de bezitter van twee huizen. Het huis waarin hij nu nog woont, is de ouderlijke woning van zijn vrouw. Hij is er blijven wonen, omdat hij dit had beloofd aan zijn zieke vrouw die helaas al enkele jaren geleden overleden is. Het andere huis dat hij wil verkopen, is Villa Zeemeeuw. Het is veel te groot voor een man alleen; hij heeft er als kind gewoond met zijn ouders. Zijn vader was kapitein op zee en verdiende goed zijn brood met de handel op zee.
36
Veerle en ik willen graag Villa Zeemeeuw kopen en na enkele kleine verbouwingen een restaurant beginnen. Maar daarvoor moeten we na onze bruiloft een lening kunnen afsluiten. We hebben haast, want er is nog iemand die het huis wil kopen. Dus … als de bruiloft nu niet kan doorgaan, kunnen we Villa Zeemeeuw ook niet kopen. Wie de ringen vindt, heeft recht op een gratis diner in ons restaurant.’ Het duurde meer dan een minuut voor de woorden van Pieter tot hen doordrongen. Lou kreeg het gevoel dat zijn hart stopte met kloppen. Ze keken elkaar aan en ze hadden deze keer geen woorden of plannen nodig om te weten wat ze moesten doen. Wat waren ze dom geweest. Ze moesten de ringen teruggeven, zonder zichzelf verdacht te maken. Snel! Lou en Mirte trokken Susie mee naar de bijkeuken en sisten in haar oor. ‘Waar zijn ze? We moeten ze nu vinden voor het te laat is.’ Susies lip trilde. ‘Ik heb ze onderaan in de taart gestoken.’ ‘Waar staat de bruiloftstaart?’ vroeg Lou. Mirte spurtte al weg om te kijken waar pap de taart had neergezet. Ze keek naar de klok: ze hadden nog drie kwartier. Het moest lukken, het moest! Mirte droeg het rode fluwelen ringendoosje bij zich. De taart stond te pronken onder een parasol op een houten terrastafel en er stonden rondom overal mensen te kletsen en wat te drinken. ‘Niemand mag iets merken,’ zei Lou fluisterend.
37
‘Susie, wij zullen voor je gaan staan en terwijl jij zoekt, houden wij de mensen aan de praat.’ Overal verschenen ronde gaatjes in het gebak, alsof een hele muizenfamilie er hun holletjes in hadden gegraven. Susies vinger kleefde van de jam en de room. Ze probeerde alles zo goed en zo kwaad af te likken. Eindelijk had ze beet. ‘Ik heb ze,’ fluisterde ze. Susie stak haastig de ringen in het doosje.
38
Een minuut later riepen ze triomfantelijk uit: ‘We hebben ze gevonden! De ringen lagen tussen de oude kranten!’ Ze hadden nog precies tien minuten om te trouwen. Het bonte gezelschap spurtte terug naar het stadhuis. Om precies 12 uur stormden ze het gemeentehuis binnen, waar de burgemeester juist het laatst getrouwde koppel feliciteerde. Eindelijk kon de plechtigheid beginnen. Toen Pieter het doosje openmaakte en de ringen eruit haalde, vond hij dat ze wel erg kleverig aanvoelden. Veerle rook eraan en likte zelfs even aan de ringen. Een half uur later waren ze getrouwd. Het huwelijksfeest kon eindelijk beginnen! Iedereen was gelukkig met de afloop, de kinderen zorgden ervoor dat Gust niets tekortkwam. ‘Gust, wat zal er nu met uw andere huis gebeuren als u naar een bejaardenhuis gaat?’ vroeg Mirte. Gust antwoordde glimlachend: ‘Ik ga niet naar een bejaardenhuis. Ik heb met jullie ouders een deal gesloten. De villa is veel geld waard en jullie ouders kunnen het eigenlijk niet kopen. Maar in de tuin staat een oud koetshuis. Ik wil er graag mijn laatste dagen in slijten. In ruil voor kost en inwoon heb ik de prijs verlaagd. We zijn tenslotte toch familie. ‘Gust, gaat u wonen in ons clubhuis … eh, ik bedoel het oude koetshuis?’ fluisterde Lou ongelovig. ‘Ja, ja,’ grinnikte Gust. ‘Ik heb jullie daar zien spelen, ook al zagen jullie mij niet. Oude mensen kunnen onzichtbaar zijn. Soms wandelde ik door de tuin in de hoop dat mijn herinneringen zouden terugkomen.
39
Annabelle fluisterde nog in mijn oor: “Die kinderen moeten in het grote huis wonen en niemand anders.”’ Susie zette opeens grote ogen op. ‘Gust, nu weet ik wie de jongen met de boot op de foto is. Dat bent u!’ ‘Heb je die oude foto teruggevonden?’ vroeg Gust. Zijn kleine oogjes werden groter en er klonk hoop in zijn stem. ‘Het is de enige foto van mijn ouders en mij.’ De kinderen knikten verheugd. ‘En ik heb uw bootje ook teruggevonden,’ zei Lou trots. ‘Mijn bootje Annabelle?’ vroeg Gust met ongeloof in zijn stem. ‘Nu breekt mijn klomp,’ stamelde hij. Toen was het tijd om de taart aan te snijden. In de onderste taart waren de gaatjes zeer goed zichtbaar. ‘Wie heeft er in de taart gepeuterd?’ vroeg Pieter een beetje verontwaardigd. ‘Het lijken wel muizenholletjes,’ zei Veerle terwijl ze zich bukte om de vele gaatjes te onderzoeken. ‘De gaatjes zijn niet groter dan een vingertop. Zouden de kinderen misschien …?’ Maar voor ze een vraag kon stellen aan de kinderen, kreeg Gust een hoestbui alsof hij zich zwaar had verslikt. Veerle bracht hem vlug een glaasje water, terwijl Pieter zijn achteroom kleine klopjes op zijn rug gaf. Toen hij weer was gekalmeerd, riep de oude man: ‘En nu wil ik weleens van die heerlijke taart proeven.’ Achter de rug van hun ouders knipoogde hij naar de kinderen. De drie kinderen haalden opgelucht adem, Gust had hen gered.
40
Lou zei: ‘Gust, u moet nog heel lang leven, hoort u me? Ik heb geen opa meer, en ik vind het super dat u familie van ons bent. En dat u in het koetshuis komt wonen, vind ik helemaal te gek. We zullen u iedere dag komen opzoeken.’ ‘Lou, zou jij mij een plezier willen doen?’ vroeg de oude man. ‘Zou jij voor mij het bootje uit mijn kinderjaren willen gaan halen?’ Lou spurtte weg en twintig minuten later kwam hij hijgend terug met het houten bootje in zijn handen. Het gezicht van Gust was goud waard. Zijn bevende handen gleden over het bootje, langs alle kanten. ‘Die boot kreeg ik van Emiel, een oude zeeman, die de toekomst kon voorspellen. Hij had zijn hele leven op zee geleefd en mijn vader zei dat hij rijker was dan de koning. Ik weet niet of het waar is, maar het was prettig om te geloven. Karel woonde in een klein zeemanshuisje, samen met zijn enige dochter, en iedere avond dronk hij een biertje in het café in de haven. Hij was mijn vriend ook al was ik maar een jochie. Op een dag gaf hij mij deze boot als geschenk en hij zei: “Gust, mijn jongen, ik heb deze boot zelf gemaakt. Jij mag hem hebben. Doe hem nooit weg, deze boot zal je de liefde brengen en je gelukkig maken op je laatste reis.” Ja, dat zei hij.’ ‘De liefde brengen en je laatste reis?’ Susie begreep er niets van. Gust haalde zijn magere schouders op en zei: ‘Ja, het bootje heette Annabelle en tien jaar later werd ik verliefd op de dochter van Emiel. Ze heette ook Annabelle.
41
Hij had in de toekomst gezien dat ik met zijn dochter zou trouwen. Mijn vrouw Annabelle bracht me veel geluk. Ik weet niet wanneer mijn laatste reis zal zijn. Ik weet wel dat dit bootje me zal vergezellen en me geluk zal brengen.’ Hij draaide het bootje om en om en opeens gebeurde er iets ergs. Iemand liep langs Gust en stootte per ongeluk tegen zijn arm. Gust liet het bootje uit zijn trillende handen vallen. Het viel op de grond en de vissersboot brak in tweeën. Ontzet keken de kinderen naar het kapotte bootje. ‘O Gust, wat vreselijk!’ riep Mirte. Ze raapte de twee stukken boot op en legde deze voorzichtig terug in de handen van de oude man. Susie sloeg haar hand voor haar mond en fluisterde: ‘O nee, niet de geluksboot!’ ‘Mijn vader kan goed kapotte dingen lijmen,’ probeerde Lou te sussen, maar Gust scheen hem niet te horen. De oude man bekeek aandachtig de twee stukken. In de achtersteven stak iets dat leek op een lapje stof. Heel voorzichtig trok hij de stof eruit. Het bleek een klein fluwelen zakje te zijn dat dichtgeknoopt was met een touwtje. Met trillende vingers maakte Gust het zakje open en keek erin. Hij zuchtte diep en liet de inhoud van het zakje in zijn gerimpelde hand glijden. Het waren een stuk of tien glinsterende steentjes. ‘Ik denk dat dit echte diamanten zijn,’ zei Gust hoofdschuddend.
42
‘Mijn vader had dus toch gelijk. Emiel de zeeman was schatrijk en hij heeft zijn rijkdom in deze boot bewaard. Dit is de schat Annabelle. Mijn vrouw wist dit, ze heeft over de schat gesproken. Ze wist alleen niet dat haar vader de schat in deze boot had verborgen. Toen ik de boot kreeg, was Emiel al oud. Hij had vermoedelijk niet lang meer te leven. Maar waarom hij die boot aan mij heeft gegeven, zal ik nooit te weten komen.’ ‘Wat gaat u ermee doen?’ vroeg Lou. Hij keek nog steeds verbaasd naar de kleine glinsterende steentjes in de gerimpelde hand van Gust. Gust haalde zijn schouders op en zei glimlachend: ‘Ik hoef niet rijk te zijn. Ik ben al zo blij dat ik de laatste jaren van mijn leven bij jullie mag wonen, dat ik geen wensen meer heb. Ik zal ervoor zorgen dat de diamantjes goed worden besteed.’ Hij liet ze voorzichtig terug in het stoffen zakje glijden en stak het in de vest van zijn kostuum. ‘Jullie moeten me helpen herinneren waar ik het zakje heb gelaten,’ zei hij, terwijl hij knipoogde naar de kinderen. Niemand van de gasten had iets van de ontdekking gemerkt. Iedereen was druk aan het dansen. De kinderen bleven bij Gust zitten, zorgden ervoor dat hij niets tekortkwam en keken ondertussen naar de dansende stelletjes. De muzikanten speelden een trage dans en Pieter en Veerle dansten verliefd met hun armen om elkaar heen.
43
‘Kijk,’ wees Mirte, ‘de ritssluiting van Veerles jurk is stukgegaan. Zou ze het weten? Moeten we het haar niet vertellen?’ Gust schudde zijn hoofd en zei: ‘Laat jullie ouders maar dansen. Een kapotte rits is niet het einde van de wereld. Soms is het net het begin.’ Hij lachte geheimzinnig en de kinderen begrepen er niets van. Het dansen ging door tot in de late uurtjes en iedereen had het heel erg naar zijn zin. Toen het middernacht was, klom Pieter weer op het krukje en vroeg om stilte. ‘Lieve vrienden, de muzikanten zullen nog een liedje spelen en daarna is het tijd om naar huis te gaan. Maar voor het zover is, hebben we nog een belangrijke mededeling.’ Pieter leek heel gelukkig en voldaan. Zijn ogen zochten naar de plaats waar de kinderen en Gust zaten. Hij bleef naar hen kijken terwijl hij de volgende woorden uitsprak: ‘Zoals ik al eerder zei, zullen we in Villa Zeemeeuw gaan wonen. Er is een grote tuin voor de kinderen, genoeg bomen om hutten in te bouwen, een speelzolder en de benedenruimte is groot genoeg om er een restaurant van te maken. Er zijn genoeg slaapkamers voor ieder van ons. En de kinderen krijgen er een opa bij.’ De gasten klapten in hun handen, het applaus was warm en iedereen keek lachend naar de oude man in de tuinstoel en de drie kinderen die vlakbij hem stonden. Maar Pieter was nog niet klaar met zijn speech.
44
‘Ik heb aan onze kinderen beloofd dat we zouden proberen om hun wensen in vervulling te laten gaan. Als we alle kamers verdelen, blijft er nog één kamer over …’ Pieter zweeg en keek verliefd naar Veerle. Blijkbaar had zijn moeder eindelijk ontdekt dat haar ritssluiting stuk was, want Lou zag dat ze een andere jurk had aangetrokken. ‘Beste mensen, ik ben blij te kunnen vertellen dat de leegstaande kamer binnen vijf maanden ook zal worden bewoond.’ Er klonk gejuich en weer werd er in de handen geklapt en de muzikanten speelden een paar vrolijke noten. Lou begreep er niets van. Wie zou er nog meer bij hen komen wonen? Hij keek naar de gezichten van de tweeling. De waarheid was bij hen iets sneller doorgedrongen. ‘Lou!’ riep Mirte al springend. ‘Onze ouders krijgen een baby! Hoera! Hoera!’ De meisjes sprongen en huppelden en vielen in elkaars armen. Nu begreep hij de kapotte ritssluiting. Zijn moeder had de jurk een maand eerder gekocht. Hij paste haar perfect. Maar nu ze vier maanden zwanger was, werd haar middel breder. Waarom had hij dit niet eerder gezien? Niemand had oog voor Gust. Glunderend stond hij traag op uit zijn stoel en kwam met kleine stapjes naar voren geschuifeld. Hij bleef staan bij het pasgetrouwde stel, trok aan de elleboog van Pieter ten teken dat hij ook iets wilde zeggen.
45
Het duurde even voor de rust was teruggekeerd, maar even later schraapte de oude man zijn keel. ‘Lieve mensen allemaal, Gust wil ook nog iets kwijt,’ zei hij. Gust keek glimlachend naar de vele mensen. ‘Mijn vrouw Annabelle en ik zijn heel gelukkig geweest. Onze grootste schat was onze zoon Frederick. Weinig mensen weten dat hij op zee is gestorven. Ook mijn lieve vrouw is er niet meer. Binnenkort zal ik mijn laatste reis aanvangen. Dan zal ik mijn twee schatten terugzien. Maar ondertussen mag ik nog genieten van andere schatten. Drie lieve kinderen kwamen opeens mijn oude, eenzame leven binnengestapt. Door hen kan ik weer van het leven genieten. Door hen heb ik mijn achterneef en zijn lieve vrouw leren kennen. Door hen zal ik binnenkort weer een nieuw mensje in mijn armen mogen vasthouden. Ik heb te weinig woorden om mijn dankbaarheid te tonen. Maar ik kan hen wel iets geven.’ Gust haalde het stoffen zakje uit zijn vestzak en gaf het aan Pieter. Hij fluisterde in Pieters oor: ‘Dit is voor jullie. Ik hoop dat het jullie gelukkig zal maken. Je hoeft het nu niet meteen open te maken. Doe het straks, als de gasten weg zijn.’ Alleen de kinderen wisten wat er in het zakje zat en ze straalden. Ze wisten dat hun ouders zich nu geen zorgen meer hoefden te maken over de lening bij de bank om Villa Zeemeeuw te kunnen kopen. Maar het aller-, allerleukste was toch: de komst van een zusje of een broertje, en Gust die de liefste opa ter wereld zou worden.
46
Dag papa, Hoe is het daar in Amerika? Hier is alles prima. Ik wist niet dat er op één jaar zoveel kon gebeuren. De grote vakantie is net begonnen en Mirte, Susie en ik kunnen iedere dag samen met Bruno spelen in de supergrote tuin van Villa Zeemeeuw. We hebben er opeens ook een nieuwe opa bij. Als we ons vervelen, vertelt hij verhalen over vroeger. Vele kinderen van ons dorp gaan op reis, maar dat is onmogelijk nu het restaurant van mama en Pieter bijna zal opengaan. We mochten mee de naam kiezen en we hebben met de hulp van onze opa gekozen voor de naam Casa Annabelle. Het betekent ‘Huis Annabelle’ want het is dankzij Annabelle, dat onze ouders het huis in handen hebben gekregen. Enkele maanden geleden is ons broertje geboren en ik ben heel blij dat het een jongen is. Dan is onze familie toch een beetje in evenwicht: drie en drie. Als hij zal kunnen lopen, zal ik hem leren voetballen. Susie, Mirte en ik hebben in het begin veel ruzie gemaakt over de naam die we voor ons broertje mee mochten kiezen. Zij wilden een Italiaanse naam zoals Marcello, Mario of Renaldo maar ik vond dat veel te flauw en te meisjesachtig. Ik wilde graag een gewone jongensnaam zoals Bert, Jan of Rik. We geraakten er niet uit, daarom hebben onze ouders gekozen. Ik moet wel zeggen dat we onmiddellijk akkoord gingen. Ons broertje heet Gustaaf zoals opa Gust vroeger heette. 47
Hij is ongelooflijk schattig, maar ’s nachts brult hij het hele huis wakker als hij zijn fopspeen kwijtgeraakt. Om de beurt brengen we hem zijn fopspeen terug. Mama moet het nog een beetje rustig aan doen, zegt ze, want de bevalling had haar een beetje uitgeput. Als het restaurant opengaat, zal zij halve dagen meewerken. Zij wil graag de soepen en de ijsroom maken. Pieter heeft een echte Italiaanse kok, Alberto, in dienst genomen die bijna geen woord Nederlands spreekt. We hebben hem wijsgemaakt dat minestra (wat soep in het Italiaans is) smospot betekent. En tegen gelati (het Italiaanse woord voor ijsroom) zegt Alberto nu smiksmak. We lachen ons een breuk! Papa, nog veel liefs en ik hoop dat u vlug nog eens overvliegt want het is nu toch weer heel lang geleden. Ik wil dat u dringend kennismaakt met opa en mijn brullende broertje Gustaaf. Een dikke zoen van uw zoon Lou.
48
Lou, Mirte en Susie dromen van een huis zoals Villa Zeemeeuw. Totdat hun ouders beslissen om het spookhuis van Gekke Gust te kopen. Maar is Gust echt wel zo gek als hij eruitziet? Of lijkt dat alleen maar zo?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.