ucatieve uitgaven
BIEB
Het toernooi Alice van de Geest
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
5
Het toernooi
Proloog De jongen in het bed lijkt te slapen, zijn voorhoofd zit in het verband. Een pluk vuurrood haar springt tussen het verband door. Naast het bed zit een vrouw, ze heeft hetzelfde vuurrode haar, zijn moeder. Ze zit met haar ellebogen op het bed en heeft de hand van de jongen tegen haar wang gelegd terwijl ze bedroefd naar hem kijkt. ‘Kon je maar praten, kon je maar vertellen wat er gebeurd is,’ mompelt ze voor zich uit. ‘Waar ben je?’
1
Hoofdstuk 1 Het is al meer dan een week geleden dat Johannes over een boomwortel struikelde en vanuit de 21e eeuw in de middeleeuwen terechtkwam, in het plaatsje Bekelaere. De wond op zijn voorhoofd is gelukkig bijna genezen. Boudewijn, de zoon van de hertog, heeft zijn vader alles verteld over de struikrovers die Marije ontvoerd hadden en de heldhaftige manier waarop Boudewijn en Johannes de struikrovers gevangen hebben genomen en Marije hebben bevrijd. Boudewijn kreeg een klopje op zijn schouder en Johannes was welkom op het kasteel zolang als hij wilde. Johannes slaapt bij Boudewijn in een enorm hemelbed. Hij vindt het kasteel heel interessant en is de eerste dagen alleen maar op onderzoek uit geweest. Gelukkig regende het een groot gedeelte van de dagen dus vindt Boudewijn het niet erg. Helemaal niet als zijn vader zegt dat hij de komende week geen les heeft omdat iedereen druk bezig is met de voorbereidingen voor het toernooi. ‘Wat zullen we vandaag gaan doen?’ vraagt Johannes met een korst brood in zijn mond.
2
‘We zijn nog niet in de kerkers geweest, daar sluiten ze alle boeven op,’ zegt Boudewijn. ‘Mogen we daar komen dan?’ ‘Ik wel,’ pocht Boudewijn, ‘ik word later de nieuwe hertog, ik mag overal komen.’ ‘Ja, ja, dat zal wel, net zoals je gisteren in de vertrekken van het keukenpersoneel mocht komen,’ lacht Johannes. Boudewijn lacht als een boer met kiespijn. ‘Oké, dat was een foutje, maar dit mag echt.’ ‘Maakt me niet uit, ik ben heel erg benieuwd naar de kerkers, ik ben nog nooit in echte kerkers geweest. Zitten er nu boeven in?’ Boudewijn schudt zijn hoofd. ‘Nee, niet dat ik weet. Of we moeten er eentje vergeten zijn, dan liggen zijn botten er nog.’ Johannes kijkt hem geschokt aan. Boudewijn ziet het en begint te lachen. ‘Maar nee! Ik maak maar een grapje. Mijn vader houdt er niet van om mensen op te sluiten, daar leren ze niets van, zegt hij. Hij zet ze liever aan het werk. Vaak stelen ze omdat ze geen eten hebben. Door ze te laten werken, verdienen ze hun eten.’ Johannes knikt. Slim van de hertog. Ze lopen over het plein naar een kleine houten deur in de hoek van het kasteel, er zit een hangslot op.
3
Johannes trekt eraan. ‘Die zit dicht, daar komen we met geen mogelijkheid in.’ ‘Oh nee?’ zegt Boudewijn die heel triomfantelijk een grote roestige sleutel omhooghoudt. ‘Die heb ik vanochtend even van mijn vader geleend. Hij heeft hem toch niet nodig nu hij zo druk bezig is met de voorbereidingen van het toernooi.’ Hij opent het slot en opent zo de deur. Ze lopen de trappen af naar beneden, het wordt steeds donkerder. Johannes haalt zijn zaklamp tevoorschijn en zet hem aan. Met grote ogen kijkt Boudewijn ernaar. ‘Wat is dat?’ Johannes laat zien hoe de zaklamp werkt. ‘Kijk als je hieraan draait, dan laad je de accu op, dat is heel handig want dan heb je geen batterij nodig.’ Hij draait aan een hendeltje aan de zijkant van de zaklamp. ‘En als je dan op dit knopje drukt, dan gaat hij aan of uit.’ Johannes drukt twee keer op het knopje. Boudewijn pakt de zaklamp uit de handen van Johannes en schijnt in zijn eigen gezicht. Hij laat de zaklamp bijna vallen. Johannes kan hem nog net opvangen. ‘Oppassen, het is heel fel licht,’ lacht Johannes. Hij geeft de zaklamp weer aan Boudewijn, die hem voorzichtig aanpakt. Boudewijn houdt zijn vingers tegen de lamp.
4
‘Het is koud vuur,’ zegt hij verbaasd. ‘Hoe doe je dat, vuur maken zonder dat je hout nodig hebt?’ ‘Het is geen vuur,’ legt Johannes uit, ‘het is elektriciteit. Maar dat kennen jullie hier nog niet. Dat wordt pas over een paar eeuwen uitgevonden.’ Boudewijn wil de zaklamp niet meer teruggeven. Samen verkennen ze elk donker hoekje van de kerkers.
5
In de cellen liggen kettingen waar de gevangenen aan vastgemaakt kunnen worden. Johannes tilt er eentje op. ‘Die zijn echt zwaar! Als je die om je been hebt, kun je nergens meer heen.’ Hij laat de ketting aan Boudewijn zien. ‘Oh, die is niet voor je been, die hoort om je nek,’ antwoordt Boudewijn in het licht van de zaklamp. Johannes probeert voor te stellen hoe het voelt om zo’n ding om je nek te hebben, hij rilt. Dan hebben de boeven in de 21e eeuw meer geluk, met een echt bed en tv in hun cel, bedenkt hij. Johannes griezelt. Hij moet er niet aan denken dat hij hier opgesloten zit. Het is aardedonker en hij is net ook al met zijn hoofd tegen een spinnenweb gelopen. Boudewijn ziet het. ‘Zullen we gaan kijken of we ratten kunnen vinden? Sommige zijn groter dan een poes,’ plaagt hij Johannes. Johannes wil een sprintje trekken naar de trap, maar ziet dan de grote grijns op het gezicht van zijn vriend. ‘Grapjas,’ moppert hij. De tijd vliegt voorbij. Voordat ze het weten, is het tijd om te eten. Nu iedereen zo druk bezig is met de voorbereidingen, eten ze in de keuken bij Kokkie.
6
In de keuken heeft Johannes Linde leren kennen, het jongere zusje van Boudewijn. Ze is gek op koken en is in de leer bij Kokkie. Ze kan de heerlijkste taarten en pasteien maken. Ze is samen met Kokkie en hulpje Robbert druk bezig het buffet te maken voor het toernooi. Er komen meer dan honderd mensen die allemaal verwachten dat ze de heerlijkste gerechten krijgen. Kokkie is beroemd om haar kookkunst. Vele graven en hertogen hebben geprobeerd om haar naar hun kasteel te lokken. Sommigen zeggen zelfs dat de koning van Frankrijk haar wilde hebben. Maar Kokkie is trouw aan de Hertog van Bekelaere. Ze rennen richting de keuken, maar het laatste stukje sluipen ze. Boudewijn vindt het leuk om Robbert aan het schrikken te maken. Het ruikt heerlijk als ze de keuken inkomen. Robbert roert in een grote pot soep die op het vuur staat. Boudewijn sluipt op hem af en geeft hem een klap op zijn schouder. ‘Robbert, jongen, hoe gaat het vandaag?’ Robbert schrikt zo hard dat hij de lepel in de soep laat vallen. ‘Robbert, wees voorzichtig,’ moppert Kokkie. Met een rood hoofd vist hij de lepel uit de pan.
7
Johannes is direct doorgelopen naar Linde, die op een stoel bonen aan het doppen is. ‘Zal ik je helpen?’ vraagt hij. Ze knikt dankbaar en schuift een stukje op. Ze doet het één keer voor. Even later zitten ze gezellig samen de enorme emmer met bonen te doppen. Vanachter zijn pan soep houdt Robbert de twee in de gaten. Boudewijn houdt niet van koken, maar wel van eten. Hij loopt om Kokkie heen te drentelen en vraagt van alles over het eten tot Kokkie hem zat is en een taartje geeft. Tevreden loopt hij naar een hoek van de keuken waar hij zijn taartje opeet. Kokkie loopt met een bord eten op Johannes en Linde af. ‘Hier, jullie zullen wel honger hebben.’ Het ruikt heerlijk en ze gooien snel de laatste boontjes in de pan. Kokkie wil weer teruglopen naar het vuur, maar herinnert zich plotseling iets. ‘Johannes, de hertog is hier vanochtend geweest, hij zocht je. Je kunt vanmiddag oefenen met boogschieten.’ Ze draait zich om naar Boudewijn. ‘En hij vroeg of jij zijn sleutel snel weer terug wilt hangen, anders zwaait er wat voor je.’ Boudewijn en Johannes horen maar de helft van wat ze zegt, vanmiddag boogschieten!
8
Hoofdstuk 2 Johannes zet zijn wedstrijdboog in elkaar, terwijl Boudewijn er met zijn neus bovenop zit. ‘Waar is dit voor? En dit?’ Een voor een pakt hij alle onderdelen die Johannes uit zijn rugzak haalt op. De bogen uit de middeleeuwen bestaan uit één stuk, die van Johannes bestaat uit meer dan tien onderdelen. Johannes lacht. ‘Mag ik eerst mijn boog in elkaar zetten? Dan zal ik daarna uitleggen waar alle onderdelen voor zijn.’ ‘Maar jouw boog ziet er zo anders uit dan de bogen die wij gebruiken,’ antwoordt Boudewijn ongeduldig. ‘Dat komt doordat mijn boog een wedstrijdboog is,’ legt Johannes uit. ‘En waarvoor denk je dan dat onze bogen dienen? Voor de lol?’ zegt Boudewijn verontwaardigd. ‘Voor de jacht voornamelijk,’ reageert Johannes. ‘Jullie hebben een boog nodig die je snel kunt pakken en die licht is, anders is het everzwijn verdwenen voor je kunt schieten. Ik heb minstens een kwartier nodig om mijn boog in elkaar te zetten. Tegen de tijd dat ik kan schieten, heeft het everzwijn jonkies gekregen.’ Boudewijn lacht.
9
Terwijl Johannes zijn boog verder in elkaar zet, komen er steeds meer mensen om hem heen staan. Zelfs Kokkie en Linde zijn uit de keuken gekomen. Als Johannes naar de schietbaan wil lopen, komen ook de hertog en krijgsmeester Diederik aangelopen. ‘Nou jongen, laat maar eens zien wat je kunt,’ zegt de hertog. Johannes begint nu toch wel een beetje zenuwachtig te worden. Wat als hij mist? Hij heeft al een tijdje niet geschoten.
10
Als hij op de baan staat en in de verte het blazoen ziet, het doel waarop hij moet schieten, wordt hij rustig. Hij weet dat hij kan schieten. Hij ademt een paar keer diep en pakt zijn eerste pijl. Het geroezemoes om Johannes heen verstomt. Iedereen kijkt gespannen toe hoe hij zijn eerste pijl aanlegt. Rustig spant hij de pees, kijkt door het vizier, wacht even en laat dan de pees los. De pijl schiet naar voren en raakt het blazoen, de mensen om hem heen beginnen te klappen. Maar Johannes is niet tevreden, het was nog lang niet in de roos. Hij heeft geen rekening gehouden met de wind. Hij pakt zijn volgende pijl. Deze keer stuurt hij iets bij voor hij schiet. Midden in de roos! Iedereen juicht. Boudewijn slaat op zijn schouders. Johannes heeft een grote grijns op zijn gezicht als hij de volgende pijl aanlegt.
11
Toch blijft hij zich concentreren, want hij weet dat hij anders mist. Als hij alle zes zijn pijlen geschoten heeft, loopt hij naar het blazoen. Iedereen loopt met hem mee. Vijf pijlen zitten in de roos of in de buurt van de roos, de zesde zit ernaast. Dat is de eerste pijl die hij geschoten heeft. ‘Zo, dat is niet mis,’ zegt de hertog. Hij kijkt naar meester Diederik. ‘Volgens mij kunnen we Johannes wel gebruiken.’ Meester Diederik knikt. ‘Maar eerst wil ik zien of dit geen gelukstreffers waren,’ antwoordt hij. Johannes glundert en Boudewijn ook. ‘Misschien mag je wel samen met mij de gevechtsopleiding doen,’ fluistert hij tegen Johannes. De hele middag schiet Johannes zijn pijlen en bijna allemaal komen ze in de roos terecht. Boudewijn mag het ook een keer proberen, maar na drie pijlen heeft hij er al genoeg van. De boog is te zwaar en de pijlen komen niet eens in de buurt van het blazoen. De meeste mensen houden het na een tijdje voor gezien. Zelfs iemand de hele tijd in de roos zien schieten, wordt op een gegeven moment saai. Kokkie en Linde zijn weer terug naar de keuken en de hertog had nog zaken die hij moest afhandelen.
12
Maar meester Diederik blijft en met elke pijl die Johannes raak schiet, mompelt hij. ‘Zo moet het! Wat een prachtige boog!’ Na twee uur voelt Johannes zijn arm niet meer en doet zijn schouder pijn. ‘Ik stop voor vandaag. Zo lang achter elkaar heb ik nog nooit geschoten,’ zegt hij. ‘Ik verga morgen van de spierpijn, dat weet ik nu al.’ Hij wil weglopen, maar wordt tegengehouden door meester Diederik die een hand op zijn schouder legt. ‘Johannes,’ zegt hij plechtig, ‘als je interesse hebt, dan is er een plekje voor je op de gevechtsopleiding. Ik heb nog nooit iemand zo goed zien schieten, die boog is een puik stukje werk.’ Boudewijn staat te springen naast Johannes. ‘Doe je het, doe je het, doe je het?’ tettert hij in het oor van Johannes. Johannes is stil, hij wil het wel, maar eigenlijk wil hij ook graag weer naar huis naar zijn moeder in de 21e eeuw. ‘Nou, jongen, wat zeg je ervan?’ vraagt meester Diederik nogmaals. ‘Het is een grote eer, alleen de allerbeste knapen volgen de training.’ Johannes knikt. Als hij niet terug kan, dan is dit wat hij het liefste doet. ‘Ja, ik doe het. Wanneer kan ik beginnen?’
13
Meester Diederik lacht. ‘Zo mag ik het horen, meteen na het toernooi. En nu moet ik toch echt iets gaan doen. Ik heb veel te lang staan kijken, maar met plezier, dat zeker.’ Hij geeft Johannes nog een klap op zijn schouder en loopt weg. Boudewijn schudt Johannes door elkaar. ‘Ik hoopte al dat dit zou gebeuren, voortaan ga ik met plezier naar al mijn lessen.’ Boudewijn is zo enthousiast dat hij niet doorheeft dat zijn vriend lang niet zo blij is als hij zelf. En geen van beide heeft door dat ze van een afstandje worden bekeken.
14
Hoofdstuk 3 Tijdens het avondeten is iedereen opgewonden. Iedereen is er zeker van dat Bekelaere dit jaar het toernooi gaat winnen. Iets wat blijkbaar al een tijd niet is gebeurd. Ze zitten met elkaar aan de houten tafel in de keuken en voeren het hoogste woord terwijl het eten koud aan het worden is. ‘Ik heb nog nooit iemand zo goed zien schieten als jij,’ zegt Boudewijn. ‘Nou, dat valt wel mee hoor, ik ben lang niet de beste,’ antwoordt Johannes, maar in zijn stem klinkt trots. Trots dat ze hem zo goed vinden. ‘Nee,’ reageert Linde, ‘ik ben het met Boudewijn eens, ik denk dat er in de wijde omtrek niemand is die zo vaak in de roos schiet als jij.’ ‘Ja, echt wel, die ridders weten niet wat ze overkomt als ze verslagen worden door een jongen die nog niet eens begonnen is met de gevechtsopleiding,’ gniffelt Boudewijn. ‘Hé, maar ik ga wel binnenkort beginnen met de opleiding,’ zegt Johannes. Boudewijn slaat zijn vriend op zijn rug. Johannes loopt rood aan. ‘Uche, uche, uche. Zeg, pas je wel een beetje op? Ik verslik me bijna in een kippenboutje.
15
En als ik voor die tijd stik, dan kan ik nooit het toernooi winnen.’ Robbert is het een beetje zat dat alle aandacht naar Johannes gaat. ‘Het ligt aan de boog,’ zegt hij, ‘iedereen kan met een beetje oefening zo goed schieten als Johannes.’ ‘Je zou wel willen dat je zo goed was als Johannes,’ snauwt Boudewijn tegen Robbert, ‘jij bent alleen maar een simpele kokshulp.’ Boudewijn lacht om zijn eigen grap, maar hij is de enige. De anderen kijken ongemakkelijk en proberen het verdrietige gezicht van Robbert te ontwijken. Robbert staat op van tafel en rent de keuken uit. ‘Wat een watje,’ zegt Boudewijn, ‘hij kan niet eens tegen een grapje.’ ‘Je was anders helemaal niet grappig, maar gemeen,’ reageert Linde terwijl ze opstaat en achter Robbert aanrent. ‘Ren maar lekker achter je vriendje aan,’ schreeuwt Boudewijn haar na, ‘hou zijn handje maar vast.’ ‘Ophouden nu, Boudewijn,’ zegt Johannes, ‘je maakt jezelf belachelijk.’ Boudewijn kijkt naar de anderen die allemaal een andere kant opkijken. Van de vrolijke stemming is niets meer over.
16
‘Ach wat,’ zegt Boudewijn. Hij staat op en loopt weg. Johannes wil opstaan en achter hem aanrennen, maar Kokkie houdt hem tegen. ‘Laat hem maar even, ik weet waar hij naartoe gaat, ik leg je zo wel uit hoe je er moet komen.’ Zwijgend eten ze de rest van de maaltijd op. Na het eten ruimen ze alle spullen op, daarna neemt Kokkie Johannes mee naar de stallen. ‘Hij is naar Sterre toe,’ verbreekt ze de stilte. ‘Altijd als er wat fout gaat, dan gaat hij naar haar en haar oma toe.’ ‘Wie zijn dat en waar kan ik ze vinden?’ Terwijl Kokkie een paard zadelt, legt ze hem uit dat Sterre bij haar oma in een huisje in het bos woont en dat oma in de wijde omtrek bekendstaat als het kruidenvrouwtje. ‘Dus als je ziek bent, dan kun je bij haar terecht, maar Boudewijn gaat ook naar haar toe als hij iets stoms gedaan heeft,’ eindigt Kokkie haar verhaal. Johannes knikt, ‘maar hoe kom ik daar dan?’ ‘Daar heb je dit paard voor, ze weet de weg en zal je zo naar ze toe brengen.’ Ze geeft het paard aan Johannes. Hij stijgt op en loopt stapvoets de stal uit en het plein over. Kokkie loopt met hem mee.
17
‘Wil je aan oma vragen of ze morgen een nieuwe voorraad kruiden komt brengen?’ vraagt ze. ‘Die hebben we nodig in de keuken.’ ‘Doe ik,’ antwoordt Johannes voordat hij er in draf vandoor gaat. Wat is hij blij met alle rijlessen die hij thuis gehad heeft. Het is niet ver rijden naar het bos waar oma en Sterre wonen en er loopt een pad door het bos naar het huisje toe. Kokkie had gelijk, bedenkt Johannes. Het paard weet inderdaad precies de weg. Na een paar minuten ziet Johannes tussen de bomen door een huisje met een rieten dak en niet veel later hoort hij geblaf. Een donkerbruin met witte hond komt op hem afgerend. Johannes laat zich van zijn paard glijden en loopt verder. Voor het huisje ziet hij Boudewijn en een meisje op een bankje zitten. Dat zal Sterre zijn denkt hij. Boudewijn zwaait naar hem, hij zwaait terug. Hij bindt zijn paard vast en loopt naar de twee toe, de hond loopt naast hem. ‘Hè hè, daar ben je eindelijk, ik had je al veel eerder verwacht. Kom erbij zitten.’ Boudewijn schuift een stukje op. ‘Hoi, ik ben Sterre, Boudewijn heeft al veel over je verteld.’
18
‘Hoi, ik ben Johannes en Boudewijn heeft nog niets over jou verteld,’ reageert Johannes gevat, wat hem een stomp van Boudewijn oplevert. Als Johannes gaat zitten, springt de hond met zijn voorpoten op zijn knieën. ‘Af, Elizabeth, je weet best dat dat niet mag.’ Sterre duwt Elizabeth van Johannes af. ‘Ik vind het niet erg hoor, mooie hond.’ ‘Ja hé,’ zegt Sterre. ‘Volgens mij vindt ze je aardig, zo reageert ze anders nooit op vreemden.’ Op dat moment komt er een oude vrouw het huisje uit lopen, met in haar handen mokken met lekker ruikende kruidenthee. ‘Ha, je bent er,’ zegt ze tegen Johannes. ‘Ik ben de oma van Sterre.’ Ze geeft Johannes en Boudewijn allebei een mok en loopt weer naar binnen. Even later komt ze met nog twee mokken naar buiten, eentje geeft ze aan Sterre en de ander houdt ze zelf. Ze nestelt zich lekker op een stoel. ‘Zo,’ zegt ze, ‘eerst even een lekker kopje kruidendrank, daar was ik wel aan toe.’ Johannes houdt zijn mok met twee handen vast en ruikt: ‘kamille, lavendel en munt,’ mompelt hij voor zich uit.
19
‘Ik ben onder de indruk,’ zegt oma. Johannes bloost. ‘Dat komt door mijn moeder, ze is kok en altijd aan het koken.’ ‘Oh ja, in welk kasteel kookt ze?’ vraagt oma geïnteresseerd. Hij schudt zijn hoofd. ‘Mijn moeder kookt niet in een kasteel, ze is een kookboek aan het schrijven,’ vertelt hij. ‘Een kookboek? Waarom zou je recepten opschrijven in een boek?’ Johannes haalt zijn schouders op. Hoe kan hij uitleggen dat in zijn tijd iedereen boeken heeft? In de middeleeuwen wordt op perkament geschreven en duurt het maken van een boek jaren. In stilte drinken ze hun thee op, terwijl de zon langzaam ondergaat en het steeds donkerder wordt. ‘Jullie moeten nu echt terug naar het kasteel,’ zegt oma na een tijdje. Niemand staat op, ze hebben nog geen zin om terug naar het kasteel te gaan. Johannes en Boudewijn staan op en lopen naar hun paarden. Als Johannes opgestegen is, draait hij zich om. ‘Oma, ik moest van Kokkie vragen of u morgen een nieuwe voorraad kruiden komt brengen.’
20
‘Is goed,’ antwoordt ze. ‘Ik stuur Sterre morgen wel langs. Heeft ze nog om speciale kruiden gevraagd?’ Johannes schudt zijn hoofd, hij zwaait en gaat dan achter Boudewijn aan, die al in het donkere bos verdwenen is. Even later rijden ze naast elkaar richting het kasteel. ‘Hoe ken jij Sterre eigenlijk?’ vraagt Johannes. ‘Sterre is een vriendin van Marije, ze zijn even oud.’ ‘Is ze aardig?’ ‘Ja, maar niet zo aardig als Marije, als je dat soms bedoelt.’ ‘Je kunt gewoon goed met haar praten en Elizabeth is een ontzettend lieve hond.’ Dat is Johannes met hem eens.
21
Hoofdstuk 4 ‘Ik weet zeker dat ik mijn rugzak naast het bed heb gezet, bij het hoofdeind, daar zet ik hem altijd neer.’ Johannes en Boudewijn zijn weer op de kamer van Boudewijn. Ze zijn moe en ze willen het liefst zo snel mogelijk gaan slapen, maar Johannes kan zijn rugzak niet vinden. ‘Misschien ligt hij onder het bed.’ Boudewijn laat zich op zijn buik vallen en schuift de dekens aan de kant. Niezend komt hij weer omhoog. ‘Hier ligt hij niet, maar ik zal morgenochtend tegen mijn moeder zeggen dat ze een keer onder mijn bed moet laten schoonmaken. Tjonge, wat een stof.’ Samen zoeken ze de hele kamer af, maar de rugzak komt niet boven water. ‘Iemand heeft mijn boog gepikt,’ fluistert Johannes. Boudewijn slaat een arm om zijn vriend heen. ‘We vinden hem wel, zeker weten.’ ‘Maar wat moet ik nu? Mijn rugzak is het enige wat ik nog van thuis had. Nu heb ik niets meer.’ Tranen staan in zijn ogen. ‘Het is al laat en pikdonker, we kunnen nu niets doen. Laten we gaan slapen,’ stelt Boudewijn voor.
22
‘Dan zoeken we morgen verder in het kasteel. En dan vragen we de anderen of ze ons willen helpen.’ ‘Ik denk niet dat ik kan slapen,’ gaapt Johannes. De volgende ochtend zijn Johannes en Boudewijn al heel vroeg wakker. Ze halen de hele kamer overhoop, maar kunnen niets vinden. Ten einde raad gaan ze naar de keuken waar Linde en Robbert aan het ontbijten zijn. Boudewijn vertelt het hele verhaal, terwijl Johannes met zijn handen voor zijn gezicht aan tafel zit. Als Linde hem een boterham geeft, schudt hij zijn hoofd. Hij heeft geen honger. Na het eten gaan ze samen zoeken. Ze beginnen weer in de kamer van Boudewijn en Johannes, daarna gaan ze naar de stallen en uiteindelijk naar de schietbaan. ‘Je denkt toch niet dat ik mijn tas daar heb laten staan?’ Johannes is ondertussen wanhopig. Terwijl ze tussen de struiken aan het zoeken zijn, komen Sterre en Elizabeth aanlopen. Ze heeft een mand bij zich met bundeltjes kruiden. ‘Sorry jongens, Robbert en ik kunnen niet langer helpen zoeken, we moeten weer naar de keuken,’ zegt Linde. Sterre gaat naast Boudewijn staan en stoot hem aan. ‘Heb je al wat gezegd?’ Boudewijn zucht en schudt zijn hoofd.
23
‘Meteen doen, dan ben je ervan af en voel je je een stuk beter.’ Ze geeft Boudewijn een duwtje. Hij loopt richting Robbert en steekt zijn hand uit. ‘Robbert, het spijt me ontzettend dat ik je gepest heb. Ik heb me niet gerealiseerd dat ik je pijn deed. Ik beloof je dat ik het nooit meer zal doen en ik weet zeker dat je een hele goede kok zal worden.’ Robbert accepteert de uitgestoken hand, kreunt en rent dan hard weg. ‘Nou ja, wat heeft die nu weer? Ik meende het echt hoor,’ zegt Boudewijn verbaasd. ‘Ik ga wel kijken wat er aan de hand is.’ En weg rent Linde, de anderen in verbazing achterlatend. ‘Wat zijn jullie eigenlijk aan het doen?’ vraagt Sterre. ‘Mijn rugzak is verdwenen, we zijn hem aan het zoeken. Maar ik denk dat hij gepikt is,’ zegt Johannes somber. ‘Misschien kan Elizabeth helpen, ze is een hele goede speurhond.’ ‘Denk je dat zij hem zou kunnen vinden?’ Johannes klinkt hoopvol. Sterre haalt haar schouders op. ‘We kunnen het in ieder geval proberen. We kunnen het best beginnen op de plek waar je hem voor het laatst gezien hebt.’
24
‘Dat is in onze kamer,’ antwoordt Boudewijn. Ze rennen er met z’n vieren naar toe. ‘Heb je iets uit de rugzak? Dan kan Elizabeth daaraan ruiken,’ vraagt Sterre. Johannes pakt een handdoek die naast het bed ligt. ‘Deze komt uit mijn rugzak.’ Hij geeft de handdoek aan Sterre die op haar knieën naast Elizabeth gaat zitten. Ze houdt de handdoek bij haar neus. ‘Zoek, Elizabeth, zoek!’ zegt ze dan. Elizabeth snuffelt aan de handdoek en kijkt dan Sterre vragend aan. ‘Zoek!’ zegt Sterre nogmaals. Dan lijkt Elizabeth het te begrijpen. Ze gaat er als een speer vandoor. Ze rent de kamer uit, de gang door en de trap af. Sterre, Boudewijn en Johannes gaan achter haar aan. Maar ze gaat te snel voor hen. Hijgend komen ze op de binnenplaats. ‘Zien jullie haar nog?’ hijgt Boudewijn. Johannes en Sterre schudden hun hoofd.
25
Dan horen ze geblaf. ‘Het komt uit de keuken,’ zegt Sterre en ze rent verder. De jongens rennen achter haar aan. Bij de deur van de keuken vinden ze Elizabeth terug. Samen lopen ze de keuken in. In de keuken zit Robbert, de rugzak van Johannes staat bij zijn voeten. ‘Wat goed, je hebt hem gevonden.’ Johannes rent naar zijn rugzak toe en doet het op zijn rug. ‘Waar heb je hem gevonden?’ ‘Robbert heeft hem niet gevonden,’ zegt Linde. ‘Hij is degene die hem weggenomen heeft van jullie kamer.’ ‘Het spijt me,’ zegt Robbert zachtjes, met zijn handen ondersteunt hij zijn hoofd. ‘Ik heb het niet zo bedoeld.’ Tranen staan in zijn ogen als hij naar de anderen kijkt. Sterre gaat naast hem zitten en slaat een arm om hem heen. ‘Maar waarom heb je het dan gedaan?’ vraagt ze vriendelijk. ‘Omdat Linde alleen nog maar aandacht voor hem heeft,’ knikt Robbert in de richting van Johannes. ‘De enige reden dat ik het uithoud in de keuken is Linde, zij is de enige die aardig voor me is. ‘Kokkie toch ook,’ reageert Sterre. ‘Kokkie is een groot mens, dat is anders,’ antwoordt Robbert.
26
‘En Boudewijn laat me altijd schrikken, dus heb ik de boog verstopt, dan komt hij niet zo vaak meer in de keuken omdat hij ernaar zoekt.’ Iedereen kijkt nu naar Boudewijn. ‘Maar ik heb toch gezegd dat het me spijt en hij heeft de boog gepikt,’ verdedigt Boudewijn zichzelf. ‘Maar als jij niet zo gemeen tegen Robbert had gedaan, was dit nooit gebeurd,’ doet Linde nu ook een duit in het zakje. Allemaal beginnen ze nu door elkaar te praten. Iedereen heeft er iets over te zeggen. Tot Johannes heel hard op zijn vingers fluit en ze naar hem kijken. ‘Laten we er maar over ophouden, jongens, ik heb mijn boog terug en er is niets ergs gebeurd.’ Hij loopt op Robbert af en steekt zijn hand uit. ‘Alles vergeven en vergeten?’ Robbert pakt de hand dankbaar aan, hij knikt. ‘Als jullie het niet erg vinden, dan ga ik nu oefenen, anders kan ik het toernooi nooit winnen,’ zegt Johannes met een scheve lach. Boudewijn geeft hem een stomp tegen zijn schouder, ‘echt wel dat jij gaat winnen.’ ‘En echt wel dat jij voortaan Robbert met rust laat,’ reageert Johannes, terwijl hij Boudewijn een stomp teruggeeft.
27
‘Auw,’ zegt Boudewijn terwijl hij over zijn arm wrijft, ‘zo hard stompte ik jou niet.’ Johannes doet alsof hij nog een keer wil stompen. ‘Oké, dat had ik al beloofd, weet je nog? Maar wie kan ik nu dan plagen?’ ‘Laat Kokkie maar schrikken, zij weet wel wat ze met je aan moet,’ antwoordt zijn zus lachend. Boudewijn houdt zijn hand over zijn oor alsof hij de laatste keer dat die in aanraking is geweest met Kokkies hand nog kan voelen. Johannes slaat hem lachend op zijn rug. ‘Kom op, we gaan een blazoen opzoeken. Als je lief bent, dan mag je ook een keer met mijn boog schieten.’ Linde geeft een aai over de kop van Elizabeth en haakt haar arm in die van Sterre. ‘Kom je mee naar de keuken? Ik denk dat we wel wat van jouw kruiden in het eten kunnen gebruiken. Kom je ook mee Robbert? Kokkie vertelde me dat ze jouw brood nog lekkerder vindt dan haar eigen brood en volgens mij moeten we er nog wel honderd bakken voor morgen.’ Opgelucht loopt Robbert achter Linde, Sterre en Elizabeth aan. Alles is gelukkig toch nog goed gekomen.
28
Hoofdstuk 5 De dag van het toernooi breekt aan en het is heel erg druk op het kasteel. Alle gasten zijn de afgelopen dagen al gearriveerd. Iedereen kijkt uit naar deze dag. Boudewijn en Johannes zijn al vroeg wakker en voor een keer trekt Johannes niet zijn spijkerbroek aan. Vandaag komt hij uit voor het huis van Bekelaere en die kleuren zal hij vandaag dragen: groen en hemelsblauw. Boudewijn helpt hem met aankleden, het is nog best lastig. De broek gaat nog wel, maar in plaats van sokken wordt er stof om zijn onderbenen gewikkeld. Het zit beter dan hij dacht. Het mooiste is de tuniek: hemelsblauw met op de voorkant het wapen van Bekelaere. Eigenlijk hoort er een brede leren riem om de tuniek, maar daar gebruikt Johannes zijn pijlenkoker voor: die is van leer en hangt aan een bruine riem. Het toernooi zal in de loop van de ochtend beginnen en bestaat naast boogschieten ook uit een steekspel. Johannes verheugt zich enorm op het steekspel, waarbij twee ridders te paard op elkaar afrijden en met een lans de tegenstander uit het zadel proberen te wippen.
29
De ridder die het langst blijft zitten heeft gewonnen. Samen met Boudewijn kijkt hij hoe de een na de andere ridder van zijn paard gelanceerd wordt. In het begin probeert hij zijn lach nog in te houden, omdat hij het zielig voor de ridder vindt, maar als hij Boudewijn hoort lachen, kan hij zich niet meer inhouden. Het steekspel wordt onderbroken door de lunch. Het moment dat Johannes moet gaan schieten, komt dan wel dichtbij. Veel honger heeft hij niet, hij gaat liever zijn boog klaarmaken. Hij trekt zijn tuniek nog een keer goed en gaat dan terug naar de baan. Het steekspel is afgelopen en de baan wordt in gereedheid gebracht voor het boogschieten. Johannes kijkt naar de andere deelnemers, bijna allemaal zijn ze ouder dan hij. Een jongen lijkt net zo oud te zijn als hij en hij ziet er erg zelfverzekerd uit. Boudewijn ziet dat Johannes naar hem kijkt. ‘Dat is Arthur, hij heeft vorig jaar gewonnen. Maar maak je geen zorgen, jij bent beter. Dit jaar gaat de eerste plaats aan zijn neus voorbij.’ Johannes begint nu toch wel erg zenuwachtig te worden. Iedereen verwacht van hem dat hij gaat winnen. Stel dat het niet lukt, dan is iedereen enorm teleurgesteld. Zou hij dan nog wel de gevechtsopleiding mogen volgen? Hij kijkt richting de tribune waar de hertog van Bekelaere zit, die steekt zijn duim naar hem op.
30
Johannes lacht naar hem, maar het liefst zou hij heel hard weg willen rennen. Dan voelt hij ineens een hand op zijn schouder. Hij draait zich om en kijkt in het gezicht van Linde. ‘Heel veel succes,’ zegt ze, ‘ik weet dat je het kan. Ze geeft hem snel een kus op zijn wang en rent dan naar de tribune.
31
‘Alle deelnemers klaar?’ Boudewijn geeft hem nog snel een klap op zijn schouder en dan begint het. Er zijn zes blazoenen zodat er zes schutters tegelijk kunnen schieten. In totaal zijn er achttien schutters, allemaal van kastelen uit de buurt. Johannes denkt nergens meer aan. Als het zijn beurt is, richt hij en schiet. Gejuich klinkt op van de tribune, hij doet het goed. Alle pijlen zitten in de roos. Na hem is Arthur aan de beurt, hoe zal hij het doen? Johannes kijkt ademloos toe. Ook hij heeft alle pijlen in de roos. Andere schutters zijn minder goed, sommige pijlen raken niet eens het blazoen. Nadat alle schutters geschoten hebben, vallen er zes af. De tweede ronde begint, deze keer mag Johannes beginnen. Hij loopt de baan op en pakt zijn eerste pijl. Hij is niet meer zenuwachtig. Ook deze pijlen zijn allemaal raak, maar ook Arthur schiet alles weer in de roos. Na vijf ronden zijn alleen Arthur en hij nog over. Arthur schiet de eerste drie pijlen, alle drie in de roos. Dan is Johannes aan de beurt, ook alle drie in de roos. Op de tribune is het doodstil geworden, het hangt nu van de laatste drie pijlen af. Deze keer mag Johannes beginnen.
32
Zijn eerste pijl belandt midden in de roos en de tweede er vlak naast. Johannes pakt zijn laatste pijl uit zijn pijlenkoker, legt aan, maar op het moment dat hij schiet niest er iemand heel hard. Johannes is even uit zijn concentratie en de pijl vliegt over het blazoen heen. Kreten van verontwaardiging en ongeloof komen van de tribune. Johannes draait zich om en ziet Arthur staan met een boosaardige grijns op zijn gezicht. ‘Sorry, ik moest niezen, dat kan iedereen overkomen. Kun je nu even aan de kant gaan zodat ik dit toernooi kan winnen?’ Verbijsterd doet Johannes een stap aan de kant. Het is voorbij, hij heeft verloren. Tranen springen in zijn ogen, hij laat zijn boog vallen en zet het op een lopen. Hij rent naar de rand van het bos en nog verder, zonder te stoppen. Hij springt over bosjes, rent langs bomen, steeds dieper het bos in, weg van het toernooi. De tranen stromen over zijn wangen waardoor hij net die ene tak niet ziet … Kreunend probeert Johannes overeind te gaan zitten. Met zijn hand voelt hij aan zijn hoofd, die knal was echt hard aangekomen. Hij voelt een verband om zijn hoofd. Wat raar. Hij ligt in een bed.
33
Voorzichtig doet hij zijn ogen open en meteen weer dicht, wat een fel licht. Naast het bed zit iemand, ze houdt zijn hand vast. Johannes doet zijn ogen weer open. ‘Kokkie, wat doe jij hier? Wat is er gebeurd?’ ‘Wie is Kokkie?’ vraagt de vrouw. Johannes’ ogen schieten open. ‘Mama, ben jij het?’ Hij slaat zijn armen om zijn moeder heen. ‘Ik heb je zo gemist. Ik heb zoveel meegemaakt, waar was je nou?’ ‘Waar was ik nou? Gewoon de hele tijd aan jouw bed, waar zou ik anders zijn als mijn zoon niet meer wakker wil worden? Maar wie is Kokkie?’ Tranen stromen over haar wangen terwijl ze Johannes in haar armen houdt. ‘Mam, mijn hele schouder wordt nat, het gaat echt goed met me.’ Zijn moeder laat hem los. ‘Ik ga de dokter waarschuwen dat je wakker bent, niet weggaan.’ ‘Waar zou ik naartoe moeten gaan mama?’ lacht Johannes. Hij laat zich achterovervallen in de kussens. Hij is weer thuis. Thuis bij zijn moeder in de 21e eeuw. Is alles wat er gebeurd is dan een droom? Hij kan het niet geloven, het was allemaal zo echt. Hij schiet weer overeind. ‘Heb je mijn boog?’
34
Zijn moeder schiet in de lach. ‘Je hebt weken in coma gelegen en het eerste waar jij naar vraagt, is je boog. Het komt wel goed met jou. Je boog ligt gewoon op je slaapkamer, het ziekenhuis is niet echt de plek voor een boog. Maar volgens mij heb jij heel wat meegemaakt terwijl je sliep. Ik ga nu eerst de dokter waarschuwen dat je wakker bent geworden en dan mag je me later vertellen wat je allemaal hebt meegemaakt.’
35
Hoofdstuk 6 Het is een paar weken later. Johannes is al lang uit het ziekenhuis. Hij heeft zijn moeder alles verteld over Boudewijn, de hertog van Bekelaere en alle avonturen die ze beleefd hebben. Zijn moeder vond de verhalen zo gedetailleerd dat ze op internet is gaan zoeken en wat denk je? De hertog van Bekelaere bestaat echt en een van zijn voorvaderen heette Boudewijn. Zijn moeder heeft contact met de huidige hertog opgenomen en ze mogen samen een bezoek aan hem brengen. Vandaag is het zover, ze kunnen er op de fiets naartoe. Johannes kan niet wachten. Rustig fietsen zit er niet in. De helft van de tijd staat hij op zijn trappers of zit hij op zijn bagagedrager. Als ze er eindelijk zijn, is hij teleurgesteld. ‘Dit is geen kasteel, dit is een gewoon huis. Wel een groot huis,’ zegt hij. Ze zetten de fiets op de oprit en klimmen de trap op naar de ingang. Als zijn moeder op de bel drukt, klinkt er binnen gegalm van klokken. Johannes grinnikt. Dat klinkt meer als een kasteel. De deur wordt opengedaan door een oudere man. Hij stelt zich voor als de hertog van Bekelaere, Johannes bekijkt hem goed.
36
‘U lijkt wel een beetje op de hertog, maar de echte heeft een baard,’ zegt hij dan. De man lacht. ‘Dat hadden de mannen in die tijd allemaal, Johannes. Ik ben erg benieuwd wat jij me kunt vertellen over mijn voorvaderen.’ Johannes’ mama geeft de hertog een hand. ‘Wat fijn dat u tijd voor ons heeft en dat we langs mogen komen.’ ‘Daar heb ik zo mijn redenen voor,’ zegt de hertog geheimzinnig. Ze lopen de hal in, die meer lijkt op een zaal met zijn marmeren vloer en prachtige houten trap met aan beide kanten een balustrade. Boven de balustrade hangen grote schilderijen van statige mannen. Ineens staat Johannes stokstijf. ‘Dat is de hertog, dat is de vader van Boudewijn.’ Hij wijst naar een van de schilderijen. Voordat zijn moeder hem tegen kan houden, rent hij de trap op naar het schilderij. De hertog loopt rustig achter hem aan terwijl zijn moeder in de hal blijft staan. ‘Je hebt hem al gevonden, zie ik, weet je dan ook wie de man rechts van hem is?’
37
Johannes kijkt naar het schilderij ernaast. Hij wil zijn schouders ophalen, maar ziet dan het kleine goudkleurige plaatje onder het schilderij. ‘Is dit Boudewijn?’ De hertog knikt. ‘Geschilderd toen hij dertig jaar oud was. Hij was toen getrouwd met Marije en hun oudste zoon heette Johannes.’ ‘Echt?’ Johannes kijkt de hertog met open mond aan. ‘Ja, kijk maar naar het schilderij rechts van Boudewijn.’ De hertog knikt richting het schilderij. Johannes doet een stapje naar rechts en leest het gouden plaatje onder het schilderij. ‘Hij heeft zijn zoon naar mij vernoemd, wat leuk!’ ‘Ga je mee naar de zithoek, Johannes? De thee staat al klaar.’ Johannes loopt rustig met hem mee, maar af en toe kijkt hij even achterom, naar zijn vriend en zijn zoon. In de zithoek hangen nog veel meer schilderijen. Niet van mannen deze keer, maar van vrouwen. Johannes loopt op een klein ovaal schilderijtje af. ‘Dit is Linde,’ zegt hij zacht. Zijn moeder komt naast hem staan en legt haar hand op zijn schouder. ‘Wat is ze mooi.’
38
Samen lopen ze naar de bank en gaan tegenover de hertog zitten. ‘Voordat we thee gaan drinken, wil ik je eerst nog iets geven.’ Hij kijkt er heel plechtig bij. De hertog heeft een houten kistje en een dikke envelop in zijn handen. ‘Hé, wat grappig,’ zegt Johannes. ‘Die brief lijkt precies op de brieven met de uitnodiging van het toernooi die Boudewijn en ik hebben rondgebracht.’ De hertog knikt. ‘Het lijkt er niet alleen op, Johannes, het is er net zo één. Deze brief heeft mijn familie al heel lang in haar bezit. Niemand weet wat erin staat, alleen dat we hem moesten bewaren tot de juiste persoon langs zou komen. Boudewijn heeft hem geschreven en hij is voor jou.’ Johannes neemt de envelop aan, haalt de brief eruit en leest hem hardop voor.
39
40
Het is al meer dan een week geleden dat Johannes over een boomwortel struikelde en vanuit de 21e eeuw in de middeleeuwen terechtkwam. In dit avontuur neemt hij deel aan een toernooi. Wie wordt uiteindelijk bekroond als beste boogschutter?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Marion Vrijburg Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.