Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 4 - Thema 9 - N3 - Het leven van een schelm

Page 1

ucatieve uitgaven

Het leven van een schelm

BIEB

Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

4


Het leven van een schelm

1


Hallo, ik ben Tijl. Misschien hebben jullie al van me gehoord. Ik ben wellicht de bekendste schelm1 van Vlaanderen. Vele kinderen dragen mijn naam, net als die van mijn vader, moeder en liefje: Klaas, Soetkin en Nele. De naam van mijn beste vriend Lamme Goedzak wordt minder gebruikt. Jullie kunnen wel begrijpen waarom. Mijn volledige naam is Tijl Uilenspiegel. Natuurlijk is dat niet mijn echte achternaam. Ik ben gedoopt onder de naam Klaaszoons. In jullie tijd (21e eeuw) zou ik waarschijnlijk Claessens heten, wat ook verwijst naar de zoon van Claes. Misschien ken je wel iemand die zo heet. Feliciteer hem of haar dan, want ze zouden weleens verre familie van mij kunnen zijn. Waar ik precies geboren ben en wanneer, is niet duidelijk. Twee landen betwisten mijn afkomst: Duitsland en België. De Duitsers beweren dat ik in de 14e eeuw ben geboren uit een boerenfamilie in Braunschweig, gelegen in MiddenEuropa. Daar bevindt zich ook een graf met mijn naam op. Volgens de Vlamingen zag ik het levenslicht in Damme, een klein dorpje bij Brugge, in de tijd dat keizer Karel in onze gebieden heerste in de 16e eeuw. Men vertelt over mij – en ik kan het niet ontkennen – dat ik het liefst van al schelmenstreken uithaalde en hiermee de mensen een spiegel voorhield. Vandaar mijn naam Uilenspiegel.

2


Men beeldt me weleens af met een spiegel en een uil. Dat heeft twee betekenissen. In het Oudnederlands zegt men, als men iemand de waarheid onder ogen wil laten zien: ‘ic zal ullie eens in een spieghel laten zien!’ wat leidde tot de naam Uilenspiegel. Sommigen denken meer aan de uil in de betekenis: ‘als jullie dit geloven, dan zijn jullie uilen!’ Mijn grappen, wonderlijke reizen en heldhaftige avonturen gingen van mond tot mond. Ik werd een volksheld. Er zijn over mij honderden boeken geschreven, maar het meest bekende boek over mij werd geschreven door Charles de Coster, een Franssprekende Vlaming. Hij maakte van mij het vrijheidssymbool van het Vlaamse volk toen die door de Spaanse bezetter zwaar onderdrukt werd. Zolang er over mij wordt verteld, zal ik blijven leven. En misschien zullen jullie dan ook begrijpen dat het heel belangrijk is dat mensen blijven grappen uithalen. Het leven is al ernstig genoeg, dus blijven lachen is belangrijk.

1 Hoe Tijl ter wereld kwam Het leven in Vlaanderen was hard. Keizer Karel regeerde met ijzeren hand. De belastingen werden van jaar tot jaar hoger en de keizer voerde een oorlog tegen de ketters, wat wilde zeggen dat iedereen die niet geloofde in God zwaar moest gestraft worden. Hij liet plakkaten bevestigen tegen de muren van de stadhuizen. Daarop stond geschreven dat het iedereen zijn plicht was om ketters te verraden. In ruil daarvoor kreeg de verrader als beloning de helft van de bezittingen van de ketter. De andere helft was uiteraard voor de keizer. Zo werd keizer Karel slapend rijk.

3


De mensen waren bang. Het was genoeg dat je buurman jaloers was op je oogst om verraden te worden. Ook al zwoer je op het hoofd van je kinderen dat je wel in God geloofde, je bezittingen werden je afgenomen en verdeeld. In die tijd werd Tijl geboren. Klaas en Soetkin wilden al lang een zoon en eindelijk kwam hij. Op 21 mei 1527 werd Tijl geboren en net op die dag werd ook de zoon van keizer Karel geboren: Filips. Wat een toeval! Er gebeurde nog iets vreemds die dag. Naast Soetkin en Klaas woonde Katelijne, een jonge vrouw. Ook zij kreeg die dag een baby: ze noemde het kleine meisje Nele. Natuurlijk was dat een grote schande want Katelijne was niet getrouwd. Een kind krijgen zonder echtgenoot was een doodzonde. Katelijne vreesde dat de mensen zouden roddelen. En van roddels komen beschuldigingen. Katelijne wilde haar kleine huisje, haar lapje grond, haar koe en haar geit niet kwijt, dus ging ze een dag na de geboorte van Nele ten rade bij Klaas en Soetkin. Die lieve Soetkin, door iedereen Soeteke genoemd, toonde haar gulle hart. Ze zei: ‘Katelijne, laat je dochtertje bij mij. Ik zal zeggen dat ik een tweeling heb gekregen. Jij kunt iedere dag binnenkomen zoveel je maar wil. Je kunt je eigen baby de borst geven en voeden zolang het nodig is. Natuurlijk moeten we opletten dat de mensen het niet zien. Maar eens de kleine Nele niet meer moet gezoogd worden, is het gevaar geweken en dan kan ze bij jou komen inwonen.’ Zo gebeurde het. En zo kreeg de kleine Tijl er opeens een zusje bij.

4


Klaas was er niet helemaal gerust in. ‘We moeten erg voorzichtig zijn, Soeteke. Niemand mag weten wie Nele werkelijk is. Laat ons zo vlug mogelijk een doopfeest geven. We zullen alle mensen uit het dorp uitnodigen. Dan kunnen ze met eigen ogen zien dat we een tweeling hebben gekregen.’ ‘Alle mensen uit het dorp?’ vroeg Soetkin. ‘Ik ben nog niet zo heel sterk. Zo’n feest geven kun je toch niet in je eentje?’ ‘Ik vraag hulp aan Lamme,’ zei Klaas. ‘Hij kan de worsten draaien en braden boven het vuur. Ik zal iedereen een kan bier geven.’ Zo gebeurde het. Lamme woonde ook in het dorp en iedereen hield van hem. Lamme was heel erg dik, want hij dronk en at graag. Maar het voornaamste was wel dat Lamme altijd goedgezind was en iedereen hielp die erom vroeg. Daarom werd hij Lamme Goedzak genoemd. De volgende zondag trokken ze naar de kerk. Om vooral geen verdachtmakingen te wekken, droeg Soetkin de kleine Nele en Katelijne droeg Tijl. Tegen iedereen die het wilde weten, vertelde Soetkin dat Katelijne de vroedvrouw2 was geweest. Daarom mocht zij een deel van de tweeling dragen, want twee kinderen dragen was toch wel iets te zwaar. Nietwaar? Iedereen geloofde de goedhartige Soetkin. In de kerk werden de twee baby’s gedoopt boven de doopvont. Op het moment dat de pastoor het heilige water over de babyhoofdjes goot, vlogen er twee zwaluwen door de kerk.

5


Hun kleine stemmetjes gierden en het leek wel alsof ze riepen: ‘Gieruk, gieruk! Die twee daar brengen geluk!’ Daarna trok de stoet terug naar huis waar Lamme Goedzak al begonnen was met het braden van de worsten boven het vuur. Onderweg kwamen ze langs een diepe beek. Net op dat ogenblik kwam de bakker eraan gelopen. Hij feliciteerde Klaas en Soetkin met de geboorte van hun tweeling, maar tegelijkertijd keek hij met listige oogjes naar Katelijne. ‘Amai, meisje,’ zei hij lachend. ‘Heb je al die maanden een big onder je rokken gedragen? Nog nooit heb ik een vrouw gezien die op zo’n korte tijd zo spectaculair is vermagerd.’ Het gezicht van Katelijne betrok en het rood wisselde zich af met het wit in haar gelaat. Van de schrik struikelde ze over een steen. Met Tijl in haar armen rolde ze de beek in. Soetkin sloeg drie keer een kruis terwijl ze mompelde: ‘God, vergeef ons.’ Klaas probeerde de boel op te vrolijken en riep: ‘Dat is alvast goed nieuws! Onze zoon en onze dochter zijn voor een tweede keer gedoopt!’

6


Klaas nam de baby uit de armen van Katelijne. De kleine Tijl zag er bemodderd en besmeurd uit. Thuisgekomen dompelde Klaas de baby in een bad met warm water om hem schoon te schrobben. ‘En mag God getuige zijn hoe ik mijn zoon voor een derde keer doop!’ lachte hij bulderend. Daarna kregen alle dorpelingen bier en worst en niemand die er nog aan twijfelde dat Tijl en Nele broer en zus waren.

7


2 Hoe Tijl voor het eerst als schelm werd aanzien Tijl groeide op tot een kleine deugniet. Al heel vroeg kon hij lopen en Soetkin had handen te kort om hem in het oog te houden. Tijl had nog maar iets gezien of hij wilde ernaartoe. Het is een wonder dat de jongen niet eerder aan zijn einde is gekomen. Zijn moeder kon niet meer bijhouden hoe dikwijls Tijl in de regenton was gevallen, een brandje had gesticht of in het kippenhok was verzeild geraakt waar hij in slaap viel terwijl zijn ouders doodongerust het erf afzochten. Hoe meer hij groeide, hoe meer grappen hij uithaalde. Als hij even kon, glipte hij naar de buren om er iets uit te spoken. Zo bond hij een koekenpan aan de staart van de hond en hij plukte de bloemen die de buurvrouw in potten aan haar deur had staan. Daarna ging hij heel kalm voor haar staan met de bloemen in zijn hand. ‘Voor u,’ zei hij dan. En weg was hij. De grappen en grollen bleven maar doorgaan en de buren kwamen klagen bij Klaas. ‘Klaas, uw zoon is een echte schelm! U moet hem eens een lesje leren! U moet hem billenkoek geven zodat hij voelt wie er de baas is.’ Klaas keek zijn zoon aan die met het heiligste gezicht ter wereld smulde van brood met spekvet. ‘Tijl,’ zei hij bezorgd. ‘Is het waar wat de mensen zeggen?’ Voor geen goud van de wereld wilde Klaas de kleine jongen billenkoek geven. ‘Vader,’ antwoordde Tijl. ‘De mensen liegen. Ik doe heus niets. Ik ben lief en aardig voor iedereen.’

8


Klaas haalde zijn schouders op en zuchtte. ‘Vader, ik zal het u bewijzen,’ zei Tijl en hij lachte zijn onschuldigste glimlach. ‘Zet me achteraan op de ezel. En samen trekken we door het dorp. U zult merken dat de mensen me voor schelm zullen uitmaken.’ Klaas nam hem mee en zette de jongen achter zich op de ezel. Zo trokken ze door het dorp. Iedere keer als er iemand aankwam, trok Tijl zijn broekje naar beneden en hij toonde zijn blote billen. Dan riep hij vrolijk: ‘Kijk eens naar de mooie volle zon! Word je daar niet vrolijk van?’ De mensen sloegen een hand voor hun mond en riepen: ‘Wat een brutale vlegel! Wat een sakkerse schelm!’ Klaas wist niet wat er achter zijn rug gebeurde. Hij hoorde de mensen kreten van verontwaardiging slaan. ‘Zie je wel, vader!’ riep Tijl. ‘Ik wijs naar de zon en toon hoe mooi ze schijnt en toch vinden ze mij een schelm.’ ‘Oké, Tijl, ik kan niet zien wat jij achter mijn rug uitspookt. Zet je maar even vooraan zodat ik je in het oog kan houden.’ De vader zette hem voor zich op de ezel en vervolgde zijn tocht door het dorp. Als Tijl mensen zag aankomen, trok hij een lelijk gezicht. Hij stak zijn tong uit en keek daarbij zo scheel dat het leek alsof zijn snoetje door elkaar was gerammeld. En weer riep men: ‘Wat een deugniet, wat een onbeschaamde schelm!’

9


Toen sprak Klaas verbaasd: ‘Je bent onder een slechte ster geboren. Je zwijgt en misdoet niemand iets, en toch roept men dat je een onbeschaamde vlegel en een dekselse schelm bent.’

3 Hoe Tijl twee honingdieven op hun plaats zette Tijl groeide op en bleef de schelm die hij was. Het duurde niet lang of het dorp werd hem te klein. ‘Vader en moeder,’ sprak hij. ‘Ik wil de wijde wereld in. Ik heb nog zoveel te leren!’ ‘Als je nog zoveel wil leren, ga je beter naar school,’ sprak Soetkin. ‘Ik leer meer van mensen dan van boeken,’ zei Tijl en hij vertrok. Hij had natuurlijk geen duit op zak. En met een lege zak kun je je maag niet vullen. 10


Ik moet het slim aan boord leggen, dacht Tijl. Niemand mag mij te pakken krijgen. Gratis eten en een gratis slaapplaats, dat moet ik hebben. Het schemerde al toen hij bij een hoeve kwam in Lissewege. De boer had aan het einde van zijn land een klaverveld waarop grote honingmanden stonden die druk bezocht werden door de bijen. Een korf was leeg en het leek wel een goede slaapplaats voor Tijl. Hier word ik alvast niet gestoord, dacht hij, en hij kroop in de mand. Het was er warm en het rook lekker en zoet. Tijl vond er zelfs nog lekkere honing waarvan hij smulde. Die nacht kwamen er net twee dieven aan die de honing wilden stelen. Honing was als vloeiend goud. Ze stonden voor de korven en de oudste zei: ‘Laat ons de zwaarste mand meenemen.’ De jongste vond dat een goede beslissing. ‘De laatste korf is de zwaarste,’ zei hij. Met veel moeite zetten de dieven de mand op de draagberrie en met hun buit verdwenen ze in de nacht. Het was pikdonker en natuurlijk werd Tijl wakker geschud. Hij vond dat de dieven eens een lesje moesten leren. Hij tilde het deksel van de mand op en trok aan de haren van de oudste man die vooraan liep. ‘Au!’ De man vooraan liet bijna de draagberrie vallen. ‘Zeg, Door, waarom trek je aan mijn haar?’ ‘Hoe kan ik nu aan jouw haren trekken als ik met mijn beide handen de berrie moet dragen?’ sprak Door. Ze liepen verder en deze keer trok Tijl aan de neus van Door. ‘Au! Wat doe je, Tuur? Waarom knijp je in mijn neus?’

11


‘Ik knijp niet in je neus, dwaas! Zie je niet dat ik met beide handen de berrie moet dragen?’ riep Tuur. En weer stapten de twee domme dieven verder. Maar Tijl begon plezier te krijgen in het spelletje. Als er één ding was waar hij een hekel aan had, dan was het domheid. De volgende minuten trok hij beurtelings aan de haren van Door en kneep hij in de neus van Tuur. De twee dieven kregen er schoon genoeg van. Ze zetten de berrie neer en grepen elkaar bij de keel. Vloekend en vechtend, bijtend en grommend als wilde honden, rolden ze over de grond tot groot vermaak van Tijl die niet meer bijkwam van het lachen.

12


De twee dieven maakten zodanig veel lawaai dat de boer was wakker geworden. Met de riek3 in zijn hand liep hij naar buiten. Toen hij de twee mannen zag tekeergaan, prikte hij hen in hun achterwerk. ‘Dat zal je leren mijn kostbare honing te stelen!’ En Tijl? Die zocht een slaapplaatsje in de hooischuur van de boer. De volgende dag vertelde hij het verhaal aan de boer. Die werd er zo goedgezind van, dat hij Tijl trakteerde op een kom verse melk en een boterham met spek.

4 Hoe Tijl wilde bewijzen dat hij kon vliegen Op een dag kwam Tijl aan in Brugge. Er was net een grote jaarmarkt aan de gang. Er was zo veel volk op de been dat je haast over de koppen kon lopen4. Iedereen was ernstig aan het kopen of verkopen en Tijl vond het hoog tijd dat de mensen nog eens moesten vermaakt worden. Hij ging op de trappen van het stadhuis staan en riep uit volle borst: ‘Kom dat zien! Kom dat zien! Het grote wonder dat ik u zal vertonen! Vanmiddag, klokslag drie uur, zal ik de Halletoren beklimmen en van daaruit vliegen, hoog in de lucht, tussen de wolken en de vogels. Mijn armen zullen mijn vlerken zijn en mijn benen mijn poten. En ik zal zingen en fluiten. Mooier dan de nachtegaal.’ Die woorden herhaalde hij zeker tien keer. En ja, klokslag drie uur verzamelde een grote menigte op het grote plein voor de Halletoren.

13


Het nieuws had zich verspreid en vele mensen waren gekomen met paard en kar en heel hun familie erbij, want dit schouwspel wilden ze voor geen geld missen. Een mens die kan vliegen? Stel je voor dat dat eens mogelijk kon zijn. Tijl zwaaide met zijn muts en beklom de trappen van de Halletoren. Toen hij in ’t hoogste venster verscheen, werd iedereen stil. Gespannen keken ze naar boven, naar de jonge man die vrolijk vanuit de hoogte met zijn muts zwaaide. Tijl ging bij het muurtje staan, stak zijn armen uit en spreidde ze als twee vleugels. Hij ging een beetje door zijn knieën alsof hij zich klaarmaakte om van de toren te springen en de lucht in te duiken. Toen riep hij lachend naar de menigte: ‘Ik dacht dat ik de enige gek was die op de wereld liep! Nu zie ik dat de hele stad en de omgeving volloopt met gekken. Indien jullie tegen mij zouden zeggen dat jullie konden vliegen, ik zou jullie niet geloven. Maar als ik jullie zeg dat ik vliegen kan, dan geloven jullie mij. Zijn jullie dan werkelijk allemaal uilskuikens? Hoe zou ik kunnen vliegen, ik ben toch geen vogel? Ik heb zelfs geen vleugels en dat kunnen jullie toch zien? Nietwaar? Jullie zijn uilskuikens!’

14


De mensen voelden zich beetgenomen. Ze balden hun vuisten naar hem en Tijl vluchtte lachend weg langs een achterdeurtje en liet het volk woedend en roepend achter.

5 Hoe Tijl een ezel liet lezen Tijl Uilenspiegel kwam eens zonder een cent op zak in Gent waar een beroemde universiteit was, met een heleboel geleerde professoren. Die hadden al veel van Tijls slimheid gehoord en besloten dat eens te onderzoeken. Ze wilden weten wat er nu eigenlijk waar was van die slimmigheid. Zij lieten hem in hun vergadering komen en de rector5 vroeg: ‘Men zegt dat jij alles kan. Vertel ons nu eens, kun je ook een ezel leren lezen?’

15


‘Zeker, heren,’ sprak Tijl glimlachend. ‘Maar dat kost tijd. Ik wil het wel op me nemen, als u ondertussen zorgt dat ik geen honger hoef te lijden tijdens mijn moeilijke opdracht.’ ‘Afgesproken,’ zei de rector. Men bezorgde Tijl een ezel en de grappenmaker stapte met z’n domme leerling naar de voornaamste herberg van de stad. Hij vroeg voor zichzelf de beste kamer van de herberg en voor het grijze dier een afzonderlijke stal. ‘De professoren zullen alles betalen,’ zei hij. De herbergier vertrouwde het zaakje niet helemaal en ging informeren aan de universiteit. De rector zei dat alles in orde was. Toen begon er een goed leventje voor Tijl. Hij kreeg zoveel te eten en te drinken als hij wilde en de professoren zorgden ook nog voor een zakcentje. De ezel had hij in de stal voor een voederbak gebonden. In de voederbak zette hij een groot oud boek, en tussen de bladen strooide hij havervlokken. Het duurde niet lang, of het dier had geleerd met zijn neus de bladen van het boek om te slaan en dan de havervlokken op te likken. Dat was het enige werk dat Tijl deed: het voer tussen de bladen van het boek strooien. Hij zorgde ervoor dat de ezel altijd hongerig bleef. Voor de rest deed hij niets anders dan een lui leventje leiden op kosten van de professoren. Maar op een dag kwam de rector vragen hoe het nu met de ezel zat. ‘Hij leert het al aardig,’ zei Tijl, ‘u moet morgenmiddag maar eens komen kijken. U zult versteld staan.’

16


Tijl gaf de ezel die dag niets meer te eten, zodat het dier helemaal uitgehongerd was toen de rector binnenkwam. Tijl nam hem mee naar de stal en zette het grote boek, waar nergens een korreltje haver in lag, voor de ezel in de kribbe. Dadelijk begon het dier met zijn neus de bladen om te slaan op zoek naar de havervlokken, maar nergens vond het iets. Het dier balkte erbarmelijk6 van: ‘I-a, i-a,’ en bladerde weer verder. ‘U ziet dat hij al aardig is opgeschoten,’ zei Tijl. ‘Maar hij zegt niks anders dan i-a, dat is toch niet lezen,’ sprak de rector. ‘Alle begin is moeilijk,’ zei Tijl lachend, ‘hij leest nu al twee letters van de zesentwintig, de andere vierentwintig leert hij ook wel, als u me maar de tijd laat.’

17


De rector begon te lachen. ‘Je hebt je hier aardig uitgered, slimmerd,’ zei hij, ‘maar ik ben bang dat de rekening al te hoog zal worden als we jou de lessen laten voortzetten. Je hebt me slim bij de neus genomen, ik was de ezel!’ En de rector lachte. ‘Maar een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Adieu!’ En weg was de rector.

6 Hoe Tijl zich uitgeeft als geneesheer Tijl genoot nog één keer van een lekkere maaltijd en trok toen goedgemutst verder, andere vrolijke avonturen tegemoet. Hij stapte door tot hij in Kortrijk aankwam. Daar vernam hij dat er een ziekte was uitgebroken en dat het ziekenhuis overvol was. De mensen werden er heel goed verzorgd. Ze hadden het er zo goed dat ze niet meer naar huis wilden. Zo kregen ze iedere dag lekker eten, een zacht bed en ze hoefden niet meer te gaan werken. Ze deden zich zieker voor dan dat ze waren. Tijl ging naar de directeur van het ziekenhuis. ‘Ik hoor dat de zieken niet genezen?’ vroeg hij. De directeur jammerde en Tijl zei: ‘Ik ben een wonderdokter. Voor tweehonderd florijnen zal ik al uw zieken genezen.’ ‘Hoe kan ik u vertrouwen?’ vroeg de directeur. Tijl glimlachte zelfzeker. ‘U hoeft me pas te betalen als ze allemaal vrijwillig het ziekenhuis hebben verlaten omdat ze zich genezen voelen.’

18


Dat was een hele geruststelling, dacht de directeur, en hij nam het voorstel aan. De volgende dag verscheen Tijl in het ziekenhuis, deftig in het zwart gekleed als een geleerde dokter. Met elk van de zieken had hij een gesprek onder vier ogen en dan vertelde hij - maar niemand mocht het doorvertellen! - dat hij een geheime drank zou klaarmaken die alle zieken genas. Hij boog zich voorover en fluisterde: ‘Er is wel een probleem. Ik moet één van jullie verbranden. Uit die as maak ik mijn geheime en wonderbaarlijke genezingsdrank. Wie ik daarvoor neem, kan mij natuurlijk niet schelen. Want ik ken jullie allemaal niet. Ik zal de ziekste persoon onder jullie uitzoeken. Morgenochtend kom ik met de directeur op de zalen en dan zal ik roepen: “Wie genezen is, kan vertrekken.” Wie wil, kan dan weggaan. Uit de overblijvende mensen zoek ik dan diegene uit die met zijn leven dat van de anderen zal redden.’

19


De volgende morgen betrad Tijl met de directeur de ene zaal na de andere. Het bleek dat iedereen zich al klaarmaakte om te vertrekken, want niemand wilde verbrand worden en dienen als geheim medicijn. Tijl riep: ‘Wie zich genezen voelt, kan gaan!’ Opeens liep de hele zaal leeg. Niemand bleef over. Toen alle zalen ontruimd waren, was de directeur erg onder de indruk en hij betaalde meteen de tweehonderd florijnen uit. Een paar dagen later kwam de ene zieke na de andere zich weer aanmelden, maar de wonderdokter was al lang afgereisd.

7 Hoe Tijl zich uitgaf als kunstschilder Op zijn zwerftochten was Tijl aangeland in Antwerpen en daar hoorde hij dat de graaf voornemens had om de wanden van zijn ridderzaal te laten beschilderen. Al de heldendaden van zijn voorouders wilde hij laten vereeuwigen in mooie muurschilderijen. Tijl ging naar de graaf. ‘Edele heer graaf,’ sprak Tijl beminnelijk, ‘wat een toeval! Ik ben toevallig kunstschilder en dit is net een kolfje naar mijn hand7.’ De graaf vertelde hem wat de taferelen moesten voorstellen en welke prijs hij Tijl ervoor betalen wilde. ‘Edele heer graaf,’ zei Tijl, ‘dat is nu precies het werk dat ik al voor verschillende hoge heren heb verricht en ik merk dat u royaal betaalt, dus ik neem het werk aan. En u hoeft me pas te betalen als het werk af is. Maar ik ontvang wel graag een voorschot om verf en andere benodigdheden te kopen.’

20


Dat klonk redelijk en de graaf gaf een flink voorschot. Tijl kwam de volgende dag aanzetten met twee knechten, tien potten verf, kwasten en nog veel meer van dat. ‘Ziezo, heer graaf,’ sprak Tijl, ‘het werk begint. Maar we mogen niet gestoord worden. Niemand mag de ridderzaal binnenkomen zolang wij nog aan het werk zijn. Ik kan er nu eenmaal niet tegen als er op mijn handen wordt gekeken.’ De graaf beloofde het en Tijl en z’n twee kornuiten verdwenen in de ridderzaal. En toen werd het een heerlijke tijd voor Tijl en zijn kornuiten. Zij hadden lekker eten en drinken meegebracht en deden zich daaraan flink tegoed onder vrolijk gezang. Daarna gingen zij uitrusten op de zachte rustbanken, of speelden een gezellig spelletje kaart of dobbelden een uurtje. Vóór de avond viel, gingen zij weg en sloten de ridderzaal zorgvuldig af. Ze namen voor alle zekerheid de sleutels mee. ‘Wat is het heerlijk om kunstenaar te zijn,’ riep Tijl. De volgende dag kwamen zij weer terug met allerlei geheimzinnige rollen en pakken en manden. En ze vierden in die ridderzaal weer de hele dag feest en deden af en toe een dutje. Zo ging dat wel een dag of tien door. Als de graaf ‘s avonds Tijl bij het weggaan opwachtte en vroeg hoe het met het werk stond, dan zei Tijl dat hij heel tevreden was. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om nog een voorschot te vragen. Zogenaamd omdat de verf die hij gebruikte zo kostbaar was, maar in werkelijkheid was het omdat al dat eten en drinken van hem en zijn kameraden aardig wat kostte.

21


Want de drie schavuiten vonden het nog niet mooi genoeg dat ze de hele dag in die ridderzaal een lui en lekker leventje hadden, neen, als ze ‘s avonds terugkwamen in de herberg – waar ze logeerden – dan ging het eten en drinken gewoon door. De herbergier had nog nooit zulke goede gasten gehad. Eindelijk werd het de graaf toch wel een beetje te machtig en hij vroeg Tijl of hij nu niet eens wat van z’n werk kon te zien krijgen. ‘Met genoegen, heer graaf,’ zei Tijl. Hij liet een van zijn helpers, die een beetje tekenen kon, een poppetje op een stuk papier krabbelen. ‘Kijkt u eens,’ sprak hij met een ernstig gezicht. ‘Nee, dat bedoel ik niet,’ sprak de graaf, ‘ik wil al iets zien van de muurschilderingen en hoever je staat.’ ‘Goed,’ sprak Tijl, ‘laten we dan afspreken dat u vanmiddag eens komt kijken, dan zal de ene wand klaar zijn. Maar er mag niemand anders komen dan u alleen. Ik heb een hele dure soort verf gebruikt, die alleen zichtbaar is voor mensen met edel bloed. Wie maar één druppeltje niet-adellijk bloed in z’n aderen heeft, die ziet van de hele beschildering niets.’ ‘s Middags werd de graaf plechtig binnengelaten in zijn eigen ridderzaal. Op een wenk van Tijl trokken de helpers een linnen laken dat voor één van de wanden hing weg en de kale muur kwam tevoorschijn. ‘Kijk,’ sprak Tijl en hij wees naar de witte muur. ‘Zie eens hoe mooi u op dit paard staat afgebeeld. Het portret is treffend en uw adellijke blikken zijn zeer gelijkend. Wat zegt u ervan, mijnheer graaf?’ Tijl trok een stalen gezicht.

22


De graaf zag niets. Hij mompelde: ‘Tja, nu u het zegt. De gelijkenis … tja ...’ Tijl had voor de feestelijke gelegenheid een palet in de linkerhand en wees met een grote kwast naar een ander stuk op de kale muur. Vol geestdrift8 begon hij uit te leggen: ‘Daar op dat prachtige witte paard zit uw overgrootvader, in dat gouden harnas. Om hem heen, op de bruine paarden, zitten de ridders van zijn leger. En daar in de hoek staan de gevangenen, die zo somber en verdrietig kijken omdat ze zich hebben moeten overgeven. En daar tussen de bomen door ziet u de edelvrouw met haar dames aankomen om de overwinnaar te begroeten. Hier op de voorgrond liggen de lijken van drie vijanden, die uw heer overgrootvader eigenhandig in het zand deed bijten9. Daar in de verte steekt het kasteel af tegen de blauwe lucht. Ziet u de vlag wapperen?’ De graaf stond maar te knikken, al zag hij niets van al het moois. Hij dacht: als ik zeg dat ik niets zie, bewijst het dat ik niet van zuivere adel ben. Met een schuin oog keek hij naar het doek, dat voor de andere muur hing. ‘Bent u tevreden?’ vroeg Tijl vriendelijk en onderdanig. De graaf wierp nog even een blik op de kale muur en zei: ‘Zeker, zeker, mijn vriend, uw vakmanschap is indrukwekkend.’ En hij verdween als een geslagen hond. Maar toen de gravin hoorde dat haar man al de eerste wandschildering had bewonderd, begon zij te zeuren. Zij en haar hofdames wilden ook een kijkje nemen. Tijl weigerde eerst, maar toen ook de graaf aandrong, gaf Tijl toe. De graaf en de gravin kwamen binnen met hun hele gevolg.

23


Tijl vertelde weer van de bijzondere verf, die alléén gezien kon worden door mensen van zuivere adel. Hij liet het doek wegnemen en begon weer aan zijn uitleg. Het hele gezelschap hield z’n mond en stond maar te knikken.

Maar de nar van de graaf was ook mee naar binnen geslopen en die zei hardop: ‘Nu kan ik merken dat het met mijn adel niet helemaal pluis is, want ik zie helemaal geen enkele tekening of verf.’ ‘Stakkerd,’ zei Uilenspiegel lachend en de hofdames trokken vol minachting hun neusjes op voor die nar die zo te koop liep met z’n lage afkomst. Toen het hele gezelschap de zaal verlaten had, buitelden de twee helpers van Tijl van puur plezier driemaal over hun kop. Maar Tijl zei: ‘Jongens, als de narren de waarheid spreken, dan wordt het voor ons gevaarlijk. We pakken vanavond onze biezen en komen hier niet meer terug.’ De volgende morgen wachtte de graaf tevergeefs op de drie bedriegers: zij hadden Antwerpen verlaten. 24


8 Hoe Tijl een slimme kok werd Tijl kwam aan in Brussel. Daar zag hij een plakkaat waarop stond dat de pastoor op zoek was naar een kok. Met zijn beminnelijkste glimlach, die al vele mensen had doen smelten, werd hij aangenomen door de pastoor. ‘Beste jongeman,’ zei mijnheer pastoor. ‘Je zal het hier goed hebben. Jouw bed zal even zacht zijn als het onze en jij zal eten wat wij eten.’ De dienstmeid had maar één oog, het andere was dichtgegroeid. Zij heerste over de keuken. Zij had gezegd: ‘Nu we met zijn tweeën zijn, doet ieder van ons een deel van het werk.’ Oké, dacht Tijl, dat is half werk. Toen Tijl aan zijn eerste werkdag begon, gaf de dienstmeid hem het bevel om twee Brusselse kippen aan het spit boven het haardvuur te braden. Toen de kippen mals waren, at Tijl er een van op, want de pastoor had immers gezegd: ‘Jij zal eten wat wij eten.’

25


Hij peuzelde de beentjes goed af en deed daarna het werk maar half. De meid kwam eens zien of zijn werk al opschoot. Verwonderd keek zij naar die ene, overblijvende kip die aan het braadspit hing. Ze sprak geschrokken: ‘Er waren toch twee kippen? Waar is het andere gebleven?’ Tijl antwoordde: ‘Vrouwtje, doe ook je ander oog eens open en je zal er twee zien.’ De dienstmeid ging boos haar beklag doen bij mijnheer pastoor. En de brave man vroeg aan Tijl wat er aan de hand was. ‘Ja, mijnheer pastoor, ik zal niet liegen, ik heb een kip opgegeten. Maar alleen maar omdat u hebt gezegd dat ik mag eten wat jullie eten. Nu waren die kippetjes zo lekker bereid, dat ik dacht: men zal er mij niets van geven. En om u niet tot leugenaar te maken, heb ik er om uw bestwil dan ook een opgegeten.’ Mijnheer pastoor lachte: ‘Tijl, jij bent een schelm.’ ‘Weet ik,’ zei Tijl, ‘maar als kok deug ik niet. Daag!’

9 Hoe Tijl zich verhuurde als bakkersknecht Tijl Uilenspiegel verhuurde zich in een dorp bij een bakker als knecht want hij had grote honger en geen geld. De hele dag proefde hij of alles wel lekker was want dat had de bakker gezegd: ‘Zorg dat er genoeg zout en suiker in de koekenbroden zit, en als je er niet zeker van bent, dan moet je er maar van proeven. Tijl bakte en proefde de hele dag door. De bakker besloot hem een ander werkje te geven want zijn knecht proefde iets te veel naar zijn zin.

26


Tegen de avond zei hij tot Tijl: ‘Jij moet vannacht het meel zeven10 zodat het fijn wordt en zodat het tegen het eerste ochtendlicht klaar is om te bakken. ‘Goed,’ zei Tijl, ‘geef mij licht, een lamp of een kaars om goed te zien bij het zeven.’ ‘Neen,’ sprak de bakker, ‘ik geef geen licht. Mijn vorige knechten gebruikten dat ook niet. Zeef het meel in het licht van de maneschijn, dat is genoeg.’ ‘Komt in orde,’ sprak Tijl. De bakker ging met een gerust hart slapen. Ondertussen droeg Tijl de zak meel naar buiten en hij begon te zeven in de maneschijn. Al het kostbare meel lag op de grond in het licht van de maan. Toen de bakker wakker werd en zag hoe het meel over de tuin lag verspreid, werd hij boos. Maar Tijl sprak: ‘Ik heb gedaan wat u mij bevolen heeft. Ik heb in het licht van de maneschijn gezeefd.’ Maar voor de bakker Tijl een lap om zijn oren kon geven, was de schelm reeds zo vlug als een kat weggelopen.

27


10 Hoe Tijl een hazenverkoper werd Op een dag kwam Tijl aan in een herberg in Mechelen. Het was bitter koud, bijna Kerstmis, en hij zette zich bij het haardvuur om zich te warmen. Wat verder aan een tafeltje zaten twee gierige kooplieden. Iedereen kende hen als mannen die zo gierig waren dat ze een cent in twee zouden bijten om toch maar winst te kunnen maken. ‘Ik weet waar we een goedkope haas kunnen halen voor het kerstmaal,’ sprak de ene fluisterend tot de ander. ‘Vertel op,’ zei de ander, ‘ik wil ook zo’n goedkoop maaltje. Het leven is al duur genoeg.’ ‘Ik ken een stroper die op het land van de graaf hazen stroopt en ze verkoopt voor een appel en een ei.’ Tijl had het gesprek afgeluisterd en vond dat die twee gierigaards weleens een lesje mochten leren. Hij zou ze een spiegel voorhouden. Tijl kocht ‘s anderendaags op de markt een hazenvel, ving een kat, en naaide het dier in het hazenvel. Daarna ging hij de weg op, de twee kooplieden tegemoet. Hij droeg de ingenaaide kat onder zijn jas. Toen hij hen ontmoette, vroeg hij of ze geen haas wilden kopen. De koopmannen wilden natuurlijk eerst het dier zien en Tijl toonde de vette haas. Zo’n heerlijk kerstmaal hadden ze nog nooit gezien en ze betaalden Tijl de centen die hij vroeg. Maar het dier bleef natuurlijk niet stilzitten als een gewone haas. Het spartelde en bevrijdde zich uit de handen van de koopman. De nephaas vluchtte een boom in waar het hardop begon te miauwen. Een haas die op een boom kruipt en miauwt?

28


Tijl kon zich niet meer houden van het lachen en toen zagen de kooplieden dat ze bedrogen waren. Tijl koos snel het hazenpad om aan hun woede te ontkomen.

11 Uilenspiegel is liefdadig Op zijn weg naar de kust, ontmoette Tijl eens twaalf blinde lieden. Ze bedelden, maar veel kregen ze niet en Tijl had er medelijden mee. Ze zagen er ook zo arm en hongerig uit. Tijl had zelf geen rode duit, maar plannetjes had hij voor tien, dus zei hij: ‘Beste mannen, ik ben een rijke edelman, en ik heb in mijn zak twaalf florijnen zitten. Daarom wil ik liefdadig zijn, en ik bied u deze twaalf centen aan. Ga naar de herberg ‘De Gekroonde Pot’ en laat u daar rijkelijk bedienen op mijn gezondheid.’ Zonder iets te geven trok hij voort.

29


De blinden dankten hem verheugd en ze spoedden zich naar de herberg. Ieder van hen was ervan overtuigd dat iemand de twaalf centen op zak had. Aan de waard11 in de herberg riepen ze allen tegelijk: ‘Een rijke edelman heeft ons twaalf florijnen geschonken. Laat het lekkere eten nu maar komen!’

De waard bakte, bediende en schonk wijn van het beste vat. De blinden lieten het zich goed smaken. Na het eten, toen de waard de rekening aanbood, bleek dat niemand van de blinde mannen het geld had ontvangen. De herbergier werd woedend en ranselde hen naar buiten. Tijl wachtte hen op aan de stadspoort van Oostende en zag hoe de blinde mannen lachend over hun pijnlijke billen streken. Hun buik was gevuld, ze hadden de lekkerste wijn in jaren gedronken en ze waren gelukkig over de voorbije heerlijke dag. De blauwe plekken namen ze er graag bij. En zo stapte Tijl fluitend verder.

30


12 Hoe Tijl zelfs zijn dood tot een grap maakte Tijl Uilenspiegel reisde nog door vele landen en streken en overal kon men over zijn grappen en guitenstreken vertellen. De laatste grap die men van hem vernam was zijn dood. Iedereen was tevreden om eindelijk verlost te zijn van die schelm die iedereen voor de gek had gehouden. Voor iedereen is de dood bitter en droevig. Maar voor Tijl was zelfs de dood een grap. Hij liet zijn beste vriend, Lamme Goedzak, het bericht verspreiden dat hij gestorven was. Toen men hem ten grave droeg en de grafmaker de kist in de grond wou laten glijden, ging het deksel opeens omhoog. Tijl sprong lachend uit de kist, tot grote schrik van de omstaanders die zich uit de voeten maakten. Tijl riep hen toe: ‘Tijl Uilenspiegel kan begraven worden zoals je ziet, maar sterven kan hij niet!’ En lachend sprong hij de kist uit, en ging het land in. Naar waar, dat weet niemand. En door al zijn grappen en grollen zal Tijl Uilenspiegel eeuwig blijven leven voor al wie deze verhalen doorvertelt.

31


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7

schelm = deugniet vroedvrouw = vrouw die iemand helpt bevallen riek = mestvork met ijzeren tanden je kunt er over de koppen lopen = het is er heel erg druk rector = directeur erbarmelijk = ellendig het is een kolfje naar mijn hand = dat kan ik wel aan, dat is iets naar mijn zin 8 geestdrift = enthousiasme, met heel veel zin 9 iemand in het zand doen bijten = iemand verslaan 10 zeven = door een zeef laten lopen om grotere dingen te scheiden van de kleinere 11 waard = baas van een herberg

32


Hallo, ik ben Tijl Uilenspiegel. Misschien hebben jullie al van me gehoord. Ik ben wellicht de bekendste schelm van Vlaanderen. Ontdek snel welke avonturen ik allemaal heb beleefd.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 4 - Thema 9 - N3 - Het leven van een schelm by die Keure - Issuu