ucatieve uitgaven
Het geheim van camping Heideroos
BIEB
Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
4
Het geheim van camping Heideroos
1
Ik zat aan tafel en probeerde mijn spruiten op te eten. Wat niet eenvoudig is als je spruiten haat. Later, dacht ik, zal ik dit vieze spul nooit meer eten. Later, als ik iets ben geworden waar iedereen ontzag voor heeft. Ik wist nog steeds niet wat ik later wilde worden. Mijn oudere broer, Victor, wist het wel. Hij had altijd uitstekende punten en hij zou zeker naar de universiteit gaan om daar iets heel moeilijks te studeren om dan later veel geld te verdienen. ‘Ik wil later iets heel belangrijks worden,’ zei ik opeens en ik kreeg er onmiddellijk spijt van dat ik het hardop had gezegd. ‘Oh ja?’ antwoordde Victor spottend. ‘Wil je nog altijd astronaut worden? Of was het ontdekkingsreiziger? Oh nee, laat me nadenken … Jij wil vast en zeker uitvinder zijn en schatrijk worden met een uitvinding die de wereld zal redden van de hongersnood.’ Hij lachte. ‘Victor, plaag Lou toch niet steeds.’ Mijn moeder was te laat, het kwaad was al geschied. Ik voelde me weer de minkukel zoals altijd. ‘Jij denkt dat je de beste en de slimste bent, hé?’ beet ik van me af. ‘Ik zal je bewijzen dat ik meer waard ben dan jij! Domkop! Wacht maar tot ik mijn kans krijg! Ik zal jullie verstomd laten staan!’ ‘Nu is het genoeg, Lou!’ sprak mijn moeder. ‘Ik ben jullie gekibbel meer dan moe.’ Ze stond op en begon de tafel af te ruimen. ‘En jullie doen samen de vaat!’ Ze meende het. ‘En de vaatwasmachine dan?’ vroeg Victor.
2
‘Die heeft er even geen zin in, net als ik,’ sprak mama. ‘Jullie doen het samen en als ik nog een keer hoor dat jullie weer staan te kibbelen, zwaait er wat!’
‘Hij is begonnen want hij …’ zei ik zachtjes maar Victor smoorde mijn mond door de handdoek naar me toe te gooien. ‘Wacht maar, broertje,’ siste ik naar hem. ‘Je zult nog van me verschieten!’ ‘Ja, ja, als je voor de honderdste keer weer eens in je bed plast, zeker!’ Daar had hij me. Ik kreeg geen woord meer over mijn lippen. Ik voelde me nog minder dan een minkukel. Zelfs mijn kleine zusje Matilde plaste niet meer in bed. Mijn boosheid groeide en toen ontstond er een zacht plan in mijn hoofd. Ik moest iets groots doen. Een soort van heldendaad verrichten. Maar hoe? Je kunt niet zomaar eventjes iemand redden uit een brandend huis. De brandweer zal dat wel voor je doen. Of je kunt ook niet zomaar iemand uit het water halen die op het punt staat te verdrinken. 3
Zo iemand weegt meestal zwaarder dan jij, je kunt hoogstens de hulpdiensten opbellen en daar zit dan nog een probleem. Ik heb geen smartphone of een gsm. ‘Mag niet,’ zegt vader. ‘Je hebt het voor niets nodig,’ zegt moeder. ‘Als je twaalf bent, mag je er een,’ zeiden ze alle twee. Dat is nog een heel jaar wachten. Ik was de enige in mijn klas die nog geen gsm had. Ik was waarschijnlijke ook de enige in mijn klas die – heel af en toe – plaste in zijn bed. Als ik eraan dacht, kwam het schaamrood op mijn wangen te staan. Alleen al door dat probleem durfde ik niet mee op schoolreis - je zult het zien, juist die nacht zal mijn bed ondergeplast zijn - ik bleef nooit bij een vriend slapen en zelfs bij opa en oma bracht ik niet meer de nacht door omdat ze er iets over hadden gezegd aan mijn ouders. Hoe word ik een held? De vraag bleef me bezighouden. Na de vaat verdween Victor naar zijn kamer om te studeren. Het was krokusvakantie, maar zijn examens zouden de volgende maand al beginnen. Victor deed de laatste tijd vreemd, vond ik. Sinds enkele weken deed hij altijd zijn kamerdeur op slot. Deze ochtend had ik hem betrapt met een brief die hij haastig wegfrommelde. Na schooltijd fietste hij niet meer onmiddellijk naar huis. En hij zong onder de douche vreselijke liedjes en daarbij klonk het nog kattenvals ook. Een ding was zeker. Victor had een geheim. Ik had niets om handen, werkelijk niets, zelfs geen geheim had ik. En dat zag mijn moeder ook.
4
‘Lou, wil jij even naar de bakker gaan? Breng een groot volkorenbrood mee en een klein krentenbrood. Allebei gesneden.’ Ik voelde me te suf om te protesteren. Ik floot naar mijn hond. Keutel kwam lui uit zijn mand gekropen. Met het geld in mijn zakken slenterde ik naar de bakker en dacht aan mijn komende verjaardag. Elf zou ik worden. Mama had aan tafel gevraagd wat ik graag als geschenk wilde en ik had mijn hoofd geschud. ‘Wat ik wil, zal ik toch nooit krijgen. Ik wil een pony.’ ‘Tja, Lou, nu vraag je wel veel,’ antwoordde papa. ‘Een pony kost heel veel.’ De discussie was afgesloten. Waarschijnlijk zou ik een boek krijgen. Over pony’s. Of een gezelschapsspel. Toen ik naar de gang ging om mijn jas te halen, zag ik de brief van Victor op de grond liggen. Had hij die laten vallen? Wist hij dat zijn brief vermist was? Ik raapte het vodje papier op, want meer was het niet, en moffelde het in mijn zak. Ik kwam bij mijn bestemming aan en bond Keutel aan het paaltje vast. Het was een hele goede bakker en van ver in de streek kocht men zijn heerlijke gebak en taartjes waarvoor hij bekend stond. Binnen stond een lange rij wachtenden. Het was de beurt aan die zonderling. Hij heette Albert, of zoiets. Ja, hij had dezelfde naam als onze vroegere koning maar hij zag er allesbehalve koninklijk uit. Op zijn wangen groeiden zwarte en grijze stoppels.
5
Zijn gezicht was vreselijk verminkt. Alsof de ene kant van zijn gezicht was weggesmolten. Zijn linkeroog was dichtgekleefd, of zo leek het toch, en ook de linkerhoek van zijn mond was samen met een litteken naar beneden getrokken. Albert had ook een stijf been, alsof het van hout was. Bij het lopen, sleepte hij het achter zich aan. Nooit sprak hij een woord, ook nu niet. Hij wees een klein broodje aan, betaalde contant en sleepte zich een weg naar buiten, niemand aankijkend met die vreselijk donkere blik in zijn ogen.
Nauwelijks was hij buiten of het geroddel begon. ‘Het is toch een vreemde man,’ sprak de vrouw van de slager. De winkeljuffrouw knikte en dat was het sein voor iedereen om iets over Albert te zeggen. ‘Ik ben een beetje bang van hem.’ ‘Ja, ik zou die engerd niet graag in het donker tegenkomen.’ ‘Woont-ie nog altijd op die verlaten camping?’ 6
‘Ja, het is daar een vreselijke buurt. Hij woont er als enige in zijn caravan. Niemand krijgt hem eruit. En binnenkort gaan ze het terrein vlakmaken, want er worden daar nieuwe huizen gebouwd voor een sociale woonwijk.’ ‘Nu je het zegt. Van die Albert weten we werkelijk niets hé.’ ‘Oh, jawel,’ sprak de vrouw van de burgemeester. Ze trok een voornaam gezicht, zoals alleen de vrouw van een burgemeester een gezicht kan opzetten. ‘Ik weet uit goede bron wat er met Albert is gebeurd.’ Ze zweeg. Iedereen zweeg en wachtte. Niemand hoorde hoe de winkeljuffrouw ‘wie is de volgende’ zei. ‘Albert heeft bloed aan zijn handen,’ fluisterde de vrouw van de burgemeester. ‘Niemand kan het bewijzen, maar men zegt het, en ik weet het van onze poetsvrouw. Haar broer was tuinman bij de pastoor en die had horen zeggen dat Albert werd verdacht van viervoudige moord.’ Daarna bestelde ze: ‘Voor mij graag acht sandwiches en een kriekentaart. Doe er nog maar een chocoladecake bij. Met lekkere dingen moet men niet zuinig zijn.’ Even later stond ik buiten met mijn broden in een plastic zakje, ik moest de hele tijd aan Albert denken en aan wat ik had gehoord. Ik wist van mijn vader dat die camping ging ontruimd worden want hij was de projectontwikkelaar. Dat wil zeggen dat hij verantwoordelijk was voor de aanleg van het terrein en de bouw van de huizen.
7
Ik stak het wisselgeld in mijn zak en vond weer het vodje papier. Ik was de brief van Victor vergeten. Vlug las ik de tekst:
Zeg tegen niemand iets. Afspraak woensdagmiddag om drie uur aan het grote tuinhuis van de camping. Breng jij je-weet-wel-wat-ik-bedoel-mee? Het hek zal openstaan. Denk eraan, ze mogen hier niets van weten. Mondje dicht! Topgeheim! Ik kon er kop noch staart aan krijgen maar dit wist ik wel: mijn broer had echt wel een geheim en ik zou het ontraadselen. Misschien moest ik later wel detective worden. Ik besloot om Joppe erbij te betrekken. Hij was mijn beste vriend en hij was op dezelfde dag jarig als ik. De kortste weg naar Joppe was via de achtertuin, over het laddertje, op de muur en met een sprong tot in zijn tuin. De achterdeur was nooit op slot. In huis rook het heerlijk naar frieten. Naar mijn gevoel aten ze hier veel lekkerder dan bij mij thuis. Joppe zei niets maar at van zijn frieten. Naast hem zat Ellie, zijn oudere zus. Ze zat bij Victor in de klas. ‘Zeg Lou, is Victor thuis?’ vroeg ze. ‘Als je die puisterige pestkop bedoelt … die is thuis en hij doet heel raar,’ antwoordde ik. Ellie kreeg opeens een knalrood gezicht maar alleen ik zag het. De moeder van Joppe zette een bord bij en gaf me een portie frieten. Heerlijk was het en ik at alles tot de laatste friet op. 8
‘Wat gaan we doen?’ vroeg Joppe. Ik boog me naar hem en zei zacht: ‘Ik wil eens naar die verlaten camping, je weet wel, achter de vennen en bij het Bosje. Ik wil iets onderzoeken.’ ‘Waar gaan jullie naartoe?’ vroeg de moeder van Joppe. Ik schopte tegen het been van mijn vriend. Hij begreep mijn wenk. ‘Eh, naar het Bosje, denk ik,’ zei Joppe.
9
‘Niet naar de camping, hoor. Het is daar niet pluis. Ik wil niet dat jullie iets overkomt. Het is daar veel te gevaarlijk.’ Ellie deed er nog stukje bovenop. ‘Ja, bij de camping lopen kinderrrlokkers rond en moorrrdenaars.’ Ze liet de r gevaarlijk rollen en haar ogen deden hetzelfde. ‘Nee, nee,’ zei ik heftig. ‘We gaan in het Bosje wilgentakken zoeken om er zelf fluitjes van te maken.’ Even later sprongen we met ons tweeën over het muurtje. Keutel kwam kwispelend naar ons toegelopen. Om achter in de tuin weg te geraken, moesten we door de moestuin van mama. Er groeiden nog steeds spruitjes aan de hoge planten en ik gruwde bij de gedachte dat er weer zoiets vies op mijn bord zou komen. Hoe minder spruiten aan de plant, hoe minder op je bord. Ik begon de spruiten eraf te plukken en Joppe deed met veel plezier mee. Hij was de enige die me begreep want hij lustte ook geen spruitjes. Iedere keer dat we de spruitjes over de muur smeten, maakte Keutel een sprongetje. Met een grote zwaai keilden we de spruitjes in de tuin van de buurman. De hond van de buren jankte. Het was raak. Ik vond het niet erg want het was een lelijke poedel die te veel kefte naar mijn zin. Nu moesten we langs het tuinhuis van mijn vader. Hij riep ons binnen. Ik wilde niet nog eens de vraag krijgen waar we naartoe gingen, dus ik begon als eerste.
10
‘Papa, ken jij een echte held?’ Hij schuurde een plankje en scheen na te denken. ‘Ja, Peter de postbode is een held.’ Hij zag de vraagtekens in mijn ogen. ‘Peter is iedere dag op pad, bij weer en bij wind. En altijd blijft hij goedgezind.’ Tja, dit antwoord had ik niet verwacht. Een postbode is geen held. Kende hij dan niemand die heldhaftig was? ‘Ken je nog een held?’ vroeg ik. Hij spande zijn borst op en er kwam een glimlach om zijn lippen. ‘Tuurlijk Lou, ik ben een held. Ik ben al zeventien jaar met je moeder getrouwd. Dat vraagt offers.’ Hij lachte om zijn eigen grap. Ik wenkte Joppe. We moesten hier weg. Een vader die zichzelf een held vindt, daar heb je niets aan. We liepen door het weitje achter onze tuin. Even later kwamen we bij de camping aan. Er stonden nog enkele bordjes: caravan te koop. Maar de caravans die er nog stonden, waren verwaarloosd en beklad met graffiti. Wie wil hier nog wonen? Het leek op een verlaten wereld, zelfs op een beginscène uit een griezelfilm. Alles zag er even kleurloos en verlaten uit. Vooraan hing het grote bord ‘Welkom op camping Heideroos’ een beetje scheef. De letters waren vervaagd, zoals de rest van de camping. ‘Waarom zijn we hier?’ vroeg Joppe. Ik vertelde over Albert, over het briefje van Victor en over mijn verlangen om eindelijk iets te doen waardoor men respect voor me zou krijgen.
11
Een heldendaad verrichten, dat wilde ik. Alleen Joppe kon me begrijpen. Hij werd ook gepest door zijn zus Ellie. ‘Ik weet ook iets van Albert,’ zei hij. ‘Vroeger heeft hij in een circus gewerkt. Iets met pony’s en paarden en zo. Mijn vader denkt dat hij zich met duistere zaakjes bezighield.’ Genoeg om over na te denken en steeds meer kwam Albert in mijn gedachten. Ik gruwde erbij. Samen liepen we door het overwoekerende struikgewas. Wat verder stond de caravan waar Albert woonde. Opeens spitsten we onze oren. Het geluid van ratelende fietswielen. We bukten ons en toen zagen we Victor. Behoedzaam keek hij om zich heen. Hij leek op een dief die niet betrapt wilde worden. Op iemand die hier naartoe kwam om zijn buit te verstoppen. Opeens keek hij in onze richting en allebei konden we net op tijd ons hoofd intrekken. Hij smeet zijn fiets in de bosjes en ging verder. Hij passeerde de caravan van Albert en ging wat verder het tuinhuis binnen. Met open mond keken we toe. Toen het terug rustig was, stonden we op. ‘Lou, zullen we de zaak gaan onderzoeken? Het lijkt me niet oké dat jouw broer hier rondhangt.’ Joppe had gelijk. Mijn broer gedroeg zich verdacht. Op onze tenen slopen we tot bij het tuinhuis. Opeens begon Keutel te grommen. Zijn staart kwispelde niet meer en hij legde zijn oren plat. Joppe nam hem vast, met zijn hand hield hij de snuit van Keutel in bedwang.
12
Opeens ging de deur open en Victor kwam naar buiten. ‘Ik dacht dat ik iets hoorde,’ sprak hij. Sprak hij tegen zichzelf of tegen iemand die binnen stond? Ik kon het niet zien. Keutel begon terug te kwispelen met zijn staart. Hij zag Victor en ik had alle moeite om Keutel stil te houden. We moesten ervandoor, voor Keutel onze aanwezigheid verraadde met zijn gegrom. Toen ik even later thuiskwam, vroeg ik langs mijn neus weg: ‘Waar is Victor?’ ‘Oh, die is naar een vriend,’ zei mama, ‘ze moesten voor school samen een werkstuk over de zeevaart maken.’ Ja, ja, dat zal wel, dacht ik en ik besloot om zo vlug als ik kon eens een kijkje te nemen in Victors kamer. Die avond kwam Victor thuis vlak voor we aan tafel gingen. ‘Is het werkstuk over de zeevaart gelukt?’ vroeg papa. ‘Ja hoor,’ zei Victor. Toen zag ik dat hij bloedde aan zijn hand. ‘Heb je je gekwetst?’ vroeg ik en ik keek hem indringend aan. ‘Niets erg. Een schrammetje. Ik schoot uit met mijn breekmesje.’ ‘Had je dan een breekmes nodig voor je schoolwerk?’ vroeg ik een beetje grijnzend. ‘Sinds wanneer heb jij interesse in mijn schoolwerk, snotaap?’ zei Victor, maar zijn hoofd kreeg een kleur. Ik zat op de goede weg, voelde ik.
13
‘Weet iemand waar de kussens van de logeerkamers zijn gebleven?’ vroeg mijn moeder met haar armen in haar zij. We schudden ons hoofd. ‘Misschien door een dief meegenomen?’ opperde ik. En weer keek ik Victor indringend aan. Hij meed zelfs mijn blikken, voelde ik. ‘Een dief? Hier in huis?’ zei papa en hij glimlachte. ‘Ik ben de dief’ riep Matilde vrolijk, ‘want ik heb een koekje gedieft uit de kast.’ Ze lachte daarbij zo ondeugend dat ze van niemand straf kreeg. Dat heb je natuurlijk als je zes bent. Dan mag je nog koekjes stelen. Er lagen weer spruitjes op mijn bord. Een voor een dropte ik ze onder tafel. Keutel hapte en slikte ze in. Daarna likte hij mijn vingers schoon.
Die avond deed Victor weer raar. Hij telefoneerde fluisterend met iemand en sloot de tussendeur zodat niemand kon verstaan wat hij zei. 14
Ik kon moeilijk de slaap vatten. De hele tijd spookte Albert door mijn hoofd, samen met Victor. Ik achtervolgde hen als een echte detective. Rond zeven uur ’s morgens werd ik wakker en ik voelde dat mijn lakens weer nat waren. Stil stond ik op en stak ik het natte beddengoed in de wasmachine. Toen zag ik de open deur van Victors slaapkamer. Stil sloop ik de trap af. Door het raam van de gangdeur zag ik Victor staan. Hij haalde koeken uit de kast, twee appels uit de fruitmand en een flesje prik uit de koelkast. Hij stak alles in een rugzak en verdween door de achterdeur. Waar ging hij heen zo in het holst van de nacht? Oké, het was al ochtend, maar het was nog pikdonker. Een uur later zaten we te ontbijten en niemand die vroeg waar Victor was. Papa was gehaast om te vertrekken, mama probeerde een tegenstribbelende Matilde aan te kleden en ik at cornflakes. Opeens kwam Joppe langs de achterdeur naar binnen. ‘Jij bent ook vroeg op,’ zei ik. Hij kneep zijn lippen samen en bliksemde met zijn ogen. Begrepen. We liepen naar mijn kamer. ‘Lou, ik heb een briefje gevonden van jouw broer. Het is gericht aan mijn zus.’ Hij toonde het verkreukelde vodje papier. Ik herkende onmiddellijk het lelijke handschrift van mijn broer.
Ik zal er zijn! Wees voorzichtig! Ze hebben iets in de gaten, denk ik. Breng jij het geld mee? Zorg dat niemand je ziet! 15
‘Waar heb je dat gevonden?’ vroeg ik. ‘Toen ik gisteren naar boven ging, hoorde ik Ellie telefoneren. Ik hoorde haar zeggen dat ze het briefje had ontvangen, maar dat ze niets kon zeggen omdat de muren oren hadden. Ze is naar beneden gegaan om daar verder te bellen. Ik heb het briefje in haar kamer gevonden. Jouw broer en mijn zus zijn bondgenoten.’ Ik knikte: ‘Bondgenoten in de misdaad! Ze hebben het over geld. En ze hebben een geheime ontmoetingsplaats.’ ‘Zullen we de kamer van Victor eens onderzoeken?’ vroeg ik. Binnen een tel stonden we boven. We zochten overal en eindelijk vond ik wat ik zocht. Onder zijn bed stond een koffertje dat ik nooit eerder had gezien. Ik opende het roestige slotje en toen zagen we het geld. Veel geld. Hier lag zeker meer dan honderd euro. Misschien wel tweeof driehonderd euro. ‘Dit is het bewijs dat hier iets niet pluis is,’ zei ik. ‘Victor heeft vele klusjes gedaan tijdens de weekends en in de vakanties, maar van zijn geld heeft hij een racefiets gekocht.’ We staarden elkaar aan. Het raadsel werd alleen maar groter. Waren Victor en Ellie dieven? Moest je je eigen broer of zus aan de politie aangeven als je wist dat ze uit stelen gingen? Hoe vang je een dief op heterdaad? ‘We moeten naar de camping,’ fluisterde ik. ‘Daar alleen kunnen we het geheim ontraadselen.’ Ik stopte het koffertje terug onder het bed.
16
‘Wat doen jullie hier?’ Mijn vader stond er opeens, zomaar uit het nergens en niets opgedoken. ‘Euh …we zochten strips van euh …’ stotterde ik. ‘Uit de kamer van Victor! Je zou het ook niet leuk vinden als iemand in jouw spulletjes komt snuisteren!’ En weg was hij. Ik was er nog goed mee weggekomen, vond ik. Beneden hoorde ik mijn vader tegen mijn moeder zeggen: ‘Schat, het wordt fantastisch! Echt waar!’ Had hij het over zijn nieuwe project op de camping?’ Over ons bezoek aan Victors kamer zei hij niets. Dus haastten we ons naar buiten. Op de plaats waar we een dag eerder spruitjes hadden geplukt, stond een grote emmer vol met spruitjes. ‘Oeps, mijn moeder heeft haar best gedaan,’ zei ik en ik kreeg een vieze smaak in mijn mond. ‘Vreselijk!’ zei ook Joppe. ‘Spruiten op het menu zouden moeten verboden worden.’ Zijn ogen kregen lichtjes en hij keek me aan. ‘We kunnen er iets aan doen, Lou.’ ‘Die hele emmer?’ vroeg ik. ‘Bij de buurman en zijn poedel smijten?’ Joppe schudde zijn hoofd. ‘We kunnen de emmer ‘verplaatsen’. Op een plaats zetten waar je moeder hem niet meer vindt. En als ze er toch iets van zegt, zeg jij dat de emmer pal op het weggetje stond en dat wij er bijna onze benen over braken.’ Mijn vriend was geniaal. Op dat idee zou ik niet gekomen zijn.
17
Samen heulden we de loodzware emmer naar het einde van de tuin en verstopten hem bij het gereedschap onder een plastic zeil. Zo, dit probleem was opgelost. Nu nog het probleem van Victor en Ellie opklaren. ‘Laat ons Ellie schaduwen,’ stelde Joppe voor. Ik vond het een prachtig woord. Iemand schaduwen. ‘We moeten naar de camping,’ zei ik. De moeder van Joppe kwam net naar buiten met een wasmand. Achter het muurtje hing ze het wasgoed op. ‘Mama, waar is Ellie?’ vroeg Joppe. De moeder van Joppe klopte de plooien uit een broek voor ze die ophing. ‘Ze is weg,’ zei ze. ‘Ze moest met een vriendin een werkstuk maken voor school.’ ‘Iets met zeevaart?’ vroeg ik. ‘Hoe weet jij dat?’ vroeg ze maar ze drong gelukkig niet verder aan. Net toen we aanstalten maakten om langs de achtertuin te verdwijnen, kwam mijn moeder naar buiten samen met Matilde. ‘Lou, neem Matilde mee. Ik moet een boodschap doen,’ riep ze. ‘Maar wij gaan net racen,’ riep ik terug. ‘Dat gaat niet met een meisje van zes erbij.’ ‘Jawel,’ zei Matilde. ‘Ik zal kijken wie de vlugste is en ik zal in mijn handen klappen en ik ga nu ook mijn fietsje pakken.’ Ze huppelde blij bij het vooruitzicht.
18
Even later fietsten we lusteloos op de landweg met achteraan een vrolijk fietsend en zingend meisje. Het vlaggetje op haar bagagedrager fladderde vrolijk. De zijwieltjes ratelden op de weg. Onderweg zagen we in de verte Albert fietsen in tegenovergestelde richting. Waarschijnlijk ging hij weer om een broodje. Hij zag er even nors en dreigend uit als altijd. Ik voelde weer een rilling over mijn rug lopen. We fietsten in de richting van het Bosje bij de camping en parkeerden onze fietsen vlak bij de ponyweide. Het bordje PONY’S TE KOOP was verdwenen, net als bijna alle pony’s. De enige pony die overbleef was Speedy. Het dier herkende me onmiddellijk. Er kwam een donkere wolk in mijn hoofd. Als de vier andere pony’s zo snel verkocht waren, zou het niet lang meer duren voordat ook Speedy, de allerliefste, zou weggaan. Ik wist ook wel dat mijn ouders het geld niet hadden voor een pony. Je hebt een stuk grasland nodig en een stal waar het dier kan overnachten. En dat hadden we niet. Matilde begon te zwaaien. ‘Speedy, hier ben ik.’ De pony likte haar hand. ‘Hoe ken jij Speedy?’ vroeg ik.
19
‘Ik ben hier al geweest,’ zei ze, ‘een keer met Victor en een keer met Ellie.’ ‘Wat deden Victor en Ellie hier?’ vroeg Joppe. Er kwamen denkrimpeltjes boven de ogen van Matilde. ‘Ik mag het niet zeggen. Het is een geheim.’ ‘Welk geheim?’ vroeg ik. ‘Het geheim van het tuinhuis. En het geheim van Albert.’ ‘Ken jij Albert?’ vroeg Joppe en zijn stem klonk ongelooflijk. Ze knikte. ‘Ik krijg van Albert altijd snoepjes. Hij is lief.’ Ik schrok me te pletter. Albert was een misdadiger, een kinderlokker, misschien zelfs wel een viervoudige moordenaar. ‘Matilde je mag nooit meer iets aannemen van Albert. Wil je dat beloven?’ Mijn zusje haalde haar schouders op en ging voort met het aaien van Speedy. Ik zag dat Joppe me wenkte. Hij stond voor de caravan van Albert. ‘Blijf even hier Matilde,’ zei ik. ‘We zijn zo dadelijk terug.’ De deur van de caravan was niet op slot en met bibberende knieën gingen we naar binnen. ‘We hebben maar een minuutje de tijd,’ fluisterde Joppe. ‘Hou jij de weg in het oog? Dan doorzoek ik de kastjes. Ik keek door het raampje naar buiten, geen Albert te zien. Joppe opende een hoge smalle kast. Onderaan stond een stel gummilaarzen. Er hingen een regenjas en een overall aan een haakje. Joppe duwde de kleren opzij. Er stond een geweer, een tweeloop, een erg gevaarlijk wapen. Vlug deden we de kast weer dicht.
20
Links was nog een kastje. Toen we het openden rolde er een bal uit; we schrokken ons te pletter. De bal was half gesmolten. In de kast lag nog een pop. De helft van haar gezicht was ook gesmolten en ze leek even griezelig als Albert. Haar jurkje was zwaar verbrand. Ook de puzzels en de gezelschapsspelen waren voor een deel verbrand. Ik keek Joppe aan, zijn gezicht was krijtwit.
‘Viervoudige moordenaar,’ fluisterde ik. Mijn vriend knikte: ‘Ze zijn omgekomen bij een brand.’ Toen vonden we onderaan een map die dichtgestrikt was. Natuurlijk konden we onze nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ik opende de kaft; hij was gevuld met krantenknipsels. 21
Ik las hardop de krantenkoppen voor: • • • •
Wie is de moordenaar van een moeder en haar drie kinderen? Moordenaar nog steeds op vrije voeten. Brandstichter doodde vrouw en drie kinderen. Vrouw en drie kinderen omgekomen bij een moedwillige brand.
En zo ging het maar door. Als een flits schoot de waarheid door mijn hoofd. ‘Joppe, we hebben hier het bewijs dat Albert de moordenaar is. Kijk naar het verbrande speelgoed, kijk naar de krantenartikelen.’ Onderaan in de kaft lagen ook enkele foto’s. Hier en daar was er een hoekje verbrand. Het waren foto’s van drie vrolijke kinderen en een mooie vrouw. Opeens hoorden we een stemmetje. En nog een stem. Die van een man. ‘Albert is terug!’ siste ik. ‘Matilde! Ik moet naar haar toe! Ze is in gevaar!’ ‘Misschien doet hij haar geen kwaad,’ zei Joppe, maar ik zag dat hij zijn eigen woorden niet geloofde. Als twee bange hazen slopen we de caravan uit en lieten ons plat op onze buik vallen. Albert mocht ons niet zien. Een beetje verder zetten we het op een lopen, tot bij de ponyweide. Matilde was nergens te zien. ‘Joppe, wat moeten we doen?’ vroeg ik en de angst klopte in mijn keel. ‘We moeten op zoek gaan, heel voorzichtig!’ antwoordde Joppe. Hij keek om zich heen.
22
‘Kijk, Lou! Daar! Albert heeft Matilde bij de hand. Ze gaan het Bosje in, waar het tuinhuis staat.’ ‘Hij heeft haar meegelokt!’ riep ik. Er zaten tranen in mijn stem. Ik was wild van angst. ‘We moeten onze ouders waarschuwen. Die kunnen dan de politie bellen. Voor het te laat is.’ Dat laatste zei ik heel stil. We renden naar onze fietsen en fietsten als gekken over de landweg. Niemand had ons kunnen inhalen, zo snel waren we. ‘Het komt goed, Lou,’ probeerde mijn vriend me gerust te stellen. ‘Nee, het komt niet goed,’ snikte ik. ‘Ik heb haar alleen gelaten, ik heb niet voor haar gezorgd. Mijn ouders gaan vreselijk boos zijn, en ongerust. En het is allemaal mijn schuld! Ik wilde zo graag de held uithangen.’ Opeens remde Joppe. ‘Lou, we zijn iets heel belangrijks vergeten! We moeten terug om die krantenknipsels te halen! Dat is het bewijs! Anders zal niemand ons geloven!’ Joppe had gelijk. Ze zouden ons niet geloven. Mijn moeder vond al dat ik te veel fantasie had. Weer slopen we op onze buik door het gras. Tussen de bomen zagen we Albert lopen. Hij had een zware hamer in zijn hand. Matilde was nergens te zien. ‘We moeten vlug zijn,’ fluisterde ik. ‘We moeten alles meenemen voor hij terug is.’ Als twee muizen glipten we de caravan in. Snel namen we de kaft uit de kast. Joppe stompte me aan. ‘Albert komt eraan! We kunnen niet meer weg! Vlug, we moeten ons verstoppen!’
23
Ik keek rond. Probeer je maar eens te verstoppen in een caravan. Joppe kroop in de smalle opening onder het bed. Ik opende het deksel van de tweezitsbank en perste me tussen de kussens en de lakens die daar opgeborgen lagen. Het deksel sloot niet meer goed boven mijn hoofd. In mijn kleine gevangenis rook het muf. De paniek deed mijn benen daveren. Een held voelde ik me allesbehalve. Toch waren we op dit eigenste moment een heldendaad aan het doen. We probeerden Albert te ontmaskeren. Aan de wereld bewijzen dat hij schuldig was aan viervoudige moord. En aan kinderen kidnappen. Weer schoot Matilde door mijn hoofd. Albert naderde de caravan. Hij hoestte een paar keer en mompelde: ‘Wat moest ik weer doen? Ah ja, eerst naar de weide. Daarna terug naar het kleine meisje. Water mag ik niet vergeten. En oud brood. Ze moet stevig vastgebonden worden, zodat ze er niet vandoor gaat.’ Albert stond klaar om binnen te komen. Ik durfde niet te ademen. Door de kier keek ik naar buiten. Hij zal me zien! Hij zal me vinden! dacht ik de hele tijd. Ik moest steeds aan die woorden denken: ‘Water en oud brood voor haar’ en ‘ze moet vastgebonden worden zodat ze niet wegloopt.’ Maar Albert kwam niet naar binnen. Ik hoorde zijn voetstappen weggaan. We durfden ons nog steeds niet te verroeren. De seconden leken uren. Opeens was hij daar weer en we hoorden het klikklakken van hoeven. Had hij Speedy mee?
24
‘Blijf hier staan,’ zei Albert. ‘Waar zijn die drommelse kereltjes? Ik zag hen toch? Daar liggen hun fietsen. Sst, ja, straks krijg je een wortel, Speedy. Jongens! Waar zijn jullie?’ riep Albert bars. Hij duwde de deur verder open. ‘Vreemd, ik had de deur toch dichtgedaan? En nu staat hij halfopen. Ik zal het slot eens moeten nakijken. Ik kreeg ademnood. Niet alleen omdat ik dubbel zat maar ook omdat een punt van die harde kaft in mijn borst drukte. Albert trok een kastje open. ‘Ha, hier is het. Keihard brood. Hoe harder het brood, hoe meer plezier ze eraan zal beleven.’ Ik slikte en slikte en dacht aan mijn kleine zusje die ergens gevangen zat en straks keihard, oud brood moest eten. Albert verliet de caravan. We telden tot honderd, het leek een miljoen en toen verlieten we onze benarde situatie. ‘We moeten naar huis,’ zei Joppe. ‘Ik ga niet voor ik mijn zusje heb teruggevonden,’ zei ik. ‘Lou, je bent een held,’ zei mijn beste vriend en op dat ogenblik kon het me geen barst schelen of ik nu een held was of niet. Ik wilde Matilde terug. We slopen van de caravan naar een gammele barak en dan verder naar een oude hut. Toen bereikten we het oude tuinhuis waar we eerder Victor hadden gezien. Er klonk een stemmetje. Het was Matilde! Ze zong! Wat een moedige kleine meid, dacht ik.
25
Zacht duwden we de deur open, voorzichtig uitkijkend of Albert in de buurt was. Verbaasd keken we naar binnen. Speedy stond er te kauwen op oud brood. Matilde zat op haar knietjes bij een mand en aaide de kleine poesjes die lagen te spinnen bij mama kat. Ze was niet eens vastgebonden. De truc met de poesjes! Daar dacht ik aan. Kidnappers lokken kinderen met kleine poesjes. ‘Matilde, waar is Albert? Je mocht niet meegaan met hem. Je moest bij Speedy blijven!’
‘Jullie bleven zo lang weg. En toen begon het te regenen en toen kwam Albert en die zei dat ik mocht schuilen bij de poesjes.’ ‘Waar is Albert?’ ‘Die was jullie aan het zoeken. Ik mag een poesje hebben van Albert,’ zei Matilde glimlachend. ‘Nu gaan we eerst naar huis,’ zei ik zacht en ik stond zelf verstomd van hoe rustig ik klonk. ‘En mijn poesje dan?’ ‘Later komen we terug om het te halen. Nu moet het nog wat drinken bij mama poes.’ 26
Daar kon Matilde mee leven. Ze sprong recht en aan mijn hand huppelde ze mee naar buiten. Toen we thuiskwamen, was mijn moeder naar de winkel. We rangschikten de foto’s uit de kaft op het bed. De drie kinderen waren tussen 4 en 12 jaar oud. Ze keken telkens blij naar de fotograaf. Ze wuifden. Naar wie? Naar hun vader? Naar hun moordenaar? Op de achterkant stond telkens hun naam en hun leeftijd neergeschreven. Dirk, Joke en Hilde heetten ze. De foto’s waren al zeker meer dan twintig jaar oud. De kleuren waren een beetje vervaagd. Toen vonden we nog een krantenartikel dat we eerder niet hadden opgemerkt.
In de nacht van 20 op 21 augustus heeft zich een drama voltrokken in het dorpje Overwijk in de Kempen. Een gezin met drie kinderen logeerde in een houten buitenverblijf. Omstreeks middernacht brak er brand uit. Het gezin kon onmogelijk uit de vuurzee ontsnappen. De brandweer stelde vast dat het om brandstichting ging. De vader Albert Vervliet heeft geprobeerd zijn drie kinderen en zijn echtgenote uit het brandende huis te redden. Hij liep daarbij zelf zware brandwonden op. Twee kinderen stierven door de rookontwikkeling. Zijn jongste dochter en zijn vrouw overleden in het ziekenhuis. De heldhaftige man die met gevaar voor eigen leven alles heeft geprobeerd om zijn gezin te redden, is de directeur van circus Alberto. Zijn specialiteit was het africhten van pony’s. De brandstichter en de viervoudige moordenaar zijn tot op heden nog niet gevonden.
27
We keken elkaar aan, met grote ogen en open mond. ‘Albert is geen moordenaar,’ zei Joppe zacht. ‘En geen kinderlokker,’ zei ik. ‘Maar wat deed Victor daar? En welk geheim deelde hij met Ellie?’ Even later kwam mijn vader thuis. Hij had rode verf aan zijn handen. ‘Aha … de held!’ zei hij lachend toen hij me zag. ‘Hoe was je zoektocht?’ ‘Welke zoektocht?’ vroeg ik. ‘Je zoektocht naar een held,’ zei hij. ‘Heb je er al een gevonden?’ Op dat ogenblik kwam mijn moeder binnen. ‘Nu zijn er weer dingen verdwenen. Mijn snoer met belletjes dat in de gang hing.’ Ze keek Matilde en mij onderzoekend aan. Matilde zei niets. Ze was aan tafel een poes aan het tekenen met kleine poesjes erbij. ‘Ik heb lekker niets verklapt,’ zei ze raadselachtig. ‘Misschien heeft Victor ze meegenomen,’ zei ik. ‘Victor heeft wat anders te doen dan belletjes te stelen,’ zei vader beslist. Ik kon maar aan één ding denken. Die kaft met de dierbare foto’s moest terug naar Albert gebracht worden. ‘Ik …ik moet nog even weg,’ zei ik. ‘Maar Lou, we gaan zo eten,’ pruttelde mama. ‘Ik ben zo terug!’ Met de kaft op mijn bagagedrager fietste ik zo snel als ik kon naar het Bosje. De fiets van Albert stond er niet, dus dat betekende dat hij niet binnen was. Stil sloop ik naar binnen en opende de hoge smalle kast. ‘Wel alle duivels! Wat doe jij in mijn huis?’
28
Ik schrok me een ongeluk. Daar stond Albert. Albert, de held, met zijn verbrande gezicht en zijn stijve been. ‘Eh … sorry … we dachten dat u een … we wilden niet … hier zijn de foto’s van uw kinderen terug …U… u bent een held! Het spijt me, ik was verkeerd. Ik had dit niet mogen meenemen.’ Ik stotterde, ik verslikte me en ik geraakte niet uit mijn woorden. Albert nam de kaft aan, niet begrijpend. ‘Ik vind het moedig dat je ze komt terugbrengen,’ zei hij. ‘Iemand die fout is geweest en dit toegeeft, vind ik een hele held. Ga maar vlug naar huis, ze wachten op je. En doe de groetjes aan je zusje. Het is een schatje!’ Even later zat ik aan tafel en er kwam geen woord meer over mijn lippen. Toen kwam Victor binnengestormd. ‘Is alles in orde?’ vroeg mijn vader. ‘Alles is in orde,’ zei Victor en hij knipoogde. Hij bleef raadselachtig doen. Die avond kon ik moeilijk slapen. De hele tijd dacht ik aan die arme Albert die zijn gezin op een gruwelijke manier had verloren en die ik had verdacht van moord en kinderontvoering. De volgende dag werd ik gewekt door ‘Happy birthday to you’. Iedereen stond aan mijn bed. Ik was mijn eigen verjaardag vergeten. Nu was ik elf jaar! ‘Kleed je vlug aan, Lou. We hebben een verrassing voor je.’
29
Toen gaf papa me een enveloppe. Hoe? Geld voor mijn verjaardag? Het viel me wat tegen. In de enveloppe stak een briefje: Afspraak om 10 u. bij de ingang van camping Heideroos. Ik had nog precies een uur. Stipt tien uur stond ik aan de camping, samen met de rest van mijn familie. Alleen Victor was er niet. Een minuut later zag ik Joppe en zijn ouders komen aanfietsen. Ellie was er niet bij. Ook Joppe had een enveloppe voor zijn verjaardag gekregen. We waren immers op dezelfde dag jarig. Hadden onze ouders samengespannen? Het leek wel zo. Opeens kwam Albert er doodleuk aangewandeld. Nog steeds met stoppels op zijn kin, maar hij zag er al minder dreigend uit nu ik meer wist over hem. ‘Volg me maar,’ zei hij en hij wenkte Joppe en mij. Ik had nog snel de kans om tegen Joppe te fluisteren dat de kaft met foto’s veilig terug was. We stapten recht naar het tuinhuis. ‘Tetteretet! Tetteretet!’ Victor zwaaide de deur open. Naast hem stond Ellie. ‘We hebben er maanden aan gewerkt,’ zei mijn broer. ‘En ervoor gespaard,’ zei Ellie. ‘Het is een geschenk dat jullie moeten delen.’ ‘Iedereen heeft meegeholpen,’ zei papa en ik zag weer de rode verf aan zijn handen. ‘En Albert bewaakte ons geheim,’ zei de mama van Joppe. ‘En ik heb niets verklapt,’ riep Matilde. We stapten binnen en konden onze ogen niet geloven.
30
Daar stond Speedy, versierd met belletjes en pluimpjes, voor een kleine, rode huifkar. Er waren twee zitjes in gemaakt. Met de verdwenen kussens uit de logeerkamer. We wisten niet wat zeggen. Speedy? Voor ons? Met een huifkar erbij?
‘Victor, ik dacht dat jij een dief was,’ zei ik verlegen. ‘Weet ik,’ zei Victor lachend en hij keek Ellie lief aan. Die twee waren verliefd, zag ik. We reden naar huis in onze huifkar, getrokken door Speedy. Zijn weide werd het grasveld achter Joppes tuin en papa zei dat hij een deel van zijn werkhuisje zou ombouwen tot stal. 31
Albert ging met ons mee. ‘Ik ben blij dat Speedy een goed onderkomen krijgt. Nu kan ik eindelijk naar het rusthuis gaan.’ Thuis maakten we Speedy vast achteraan in onze tuin. Binnen aten we friet en daarna taart. Opeens hoorden we een grote bons en iets dat kletterde. Het geluid kwam van de achtertuin. Speedy had zich losgemaakt en had onder het zeil de emmer met spruiten gevonden. Die was omgevallen en de pony smulde van de spruitjes. ‘Hoe komen die daar terecht?’ vroeg mama af. ‘Ik weet alvast één ding,’ zei papa lachend. ‘Jullie pony zal voor behoorlijk wat wind zorgen, als jullie uit rijden gaan.’ Hij wuifde onder zijn neus en iedereen lachte.
32
Mijn broer Victor doet raar de laatste tijd. Ik betrap hem op uitstapjes naar camping Heideroos. Daar woont Albert, een geheimzinnige man die een geheim met zich meedraagt. Maar wat voor geheim?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Vera Smeulders Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.