ducatieve uitgaven
BIEB
Weglopen Gerda Van Erkel
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
3
Weglopen
Waar is Imke? 1 ‘Imke!? Heeft iemand Imke gezien?’ De chauffeur heeft de bus gestart, ze trilt onder het ronken van de motor. Ze hadden al vijf minuten geleden moeten vertrokken zijn en Christels stem klinkt geïrriteerd. De rest van hun groep heeft al een plaatsje bemachtigd, de snelsten aan het raam, maar die moeite hadden ze zich kunnen besparen. Op de terugweg wordt gewisseld, eerlijk duurt het langst. Elias heeft het zitje naast hem vrijgehouden. Voor Imke. Ze is de mooiste, tofste, liefste van de hele groep. Iedere keer dat hij aan haar denkt, en dat is om de haverklap, gaat zijn hart overkop. Waar blijft ze nu? Christel, met de namenlijst in haar hand, loopt opnieuw door het gangpad om te tellen. Ze wijst met haar vinger om niemand over te slaan. Bert, de andere leider, staat buiten op uitkijk, met zijn handen in zijn zakken en zijn gezicht op onweer.
1
‘Ik wil wel gaan zoeken,’ biedt Elias aan, terwijl hij prompt een vuurrood hoofd krijgt. Hij is al opgesprongen en trekt zijn schouders op tegen het gegrinnik in zijn rug. Oenen, denkt hij. Niemand van hen heeft gezien dat Imke ongelukkig is. Hij wel, vanaf de allereerste oogopslag. Zoals de Noordzee, zo’n ogen heeft ze, en hij kan dat weten want hij woont in Nieuwpoort. Imke kijkt altijd een beetje alsof ze kan gaan huilen. Ze zegt niet veel, soms fluistert ze. Zoals een schelp aan je oor. Christel heeft instemmend geknikt en Elias loopt voorbij Bert terug het huis binnen, waar ze logeren. Maandag zijn ze aangekomen, op kamp in de Ardennen. Nu is het donderdag. Het is een avonturenkamp, helemaal zijn ding, alleen het ver kunnen kijken mist hij, de horizon. Het bos sluit je in. Vandaag gaan ze naar de grotten van Remouchamps. Misschien is Imke bang en heeft ze zich verstopt, gisteren op het hoogteparcours kreeg ze het ook moeilijk. Eerst hadden ze haar met zijn allen aangemoedigd, maar daarna waren er een paar ongeduldig geworden. Ze hadden haar maar net niet uitgelachen, dat was hun geraden ook of ze kregen met hem te maken! Hij kijkt eerst in de toiletten of ze daar misschien is. Hij roept haar naam maar krijgt geen antwoord. Daarna spurt hij met twee treden tegelijk de trappen op naar de slaapvertrekken, waar ze met de rug naar hem toe op haar bed zit te lezen.
2
In gedachten verzonken draait ze een lange blonde haarlok rond haar vinger. Ze schrikt van zijn voetstappen en kijkt verdwaasd op van haar boek. ‘Oeps! Is het al zo laat?’ Als ze leest, vergeet ze de rest van de wereld. Ze glimlacht verontschuldigend en Elias knikt alsof hij het begrijpt. Hij heeft niets met boeken, hij beleeft het liever allemaal zelf. Hij pakt alvast haar rugzak op, terwijl zij haastig een trui over haar hoofd trekt. Het kan fris zijn in de grotten. ‘Heb je je regenjas?’ vraagt hij. ‘Ja, nee … Ik weet het niet …’ Hij hangt aan de kapstok. ‘Zo stom van me,’ mompelt ze met haar hoofd naar de grond. ‘Welnee. Je zat gewoon mijlenver weg.’ Maar in de bus gaat ze naast hem zitten, ze mag aan het raampje, en het is niet erg dat ze niets zegt en alleen maar naar buiten kijkt. Hij zou toch niets kunnen terugzeggen, zijn hart doet van honkietonk.
3
2 Elias had gehoopt dat ze zoals soldaten op hun armen en buik door nauwe, donkere gangen zouden moeten kruipen. Tijgeren heet dat, met een helm en een lamp op hun hoofd. Maar ze kunnen gewoon rechtop lopen, op sommige plaatsen, waar het smal is of op steile trappetjes die in de steen zijn uitgehouwen, wel achter elkaar. Hij zorgt ervoor dat hij in Imkes buurt blijft. Als het nodig is, zal hij een hand naar haar uitsteken, maar op een manier dat niemand het hoeft te zien. Tot hiertoe redt ze het echter prima. Soms blijft ze achter, maar alleen omdat ze niet uitgekeken raakt op het kantwerk van druipstenen. Hij wacht geduldig en verdringt de gedachte dat Bert hun straks op hun kop zal geven. Imke lijkt betoverd, en ze betovert hem. Zonder iets te zeggen leert ze hem met nieuwe ogen kijken, naar de stalagmieten en de stalactieten, en naar haar gezicht, hoe alles onder de speciale belichting de meest sprookjesachtige kleuren aanneemt. Naast hen gaapt een afgrond. Helemaal in de diepte blinkt het koolzwarte water van de ondergrondse rivier. Als je stil bent en je oren spitst, kun je de golven horen klotsen als ze door een van de bootjes gekliefd worden. Daarmee moeten ze terug, heeft Bert gezegd. Ze moeten voortmaken, de anderen zijn niet meer te zien.
4
‘We moeten verder,’ fluistert hij en tikt even haar elleboog aan. Ze draait zich glimlachend naar hem om. ‘Nu heb je alweer op me gewacht,’ zegt ze. ‘En ik dacht nog wel dat je zo stoer kon doen.’ Elias bloost maar wat, wat moet hij antwoorden? Ze versnellen hun pas, maar een eind verder botsen ze op een groep waar ze achter blijven hangen. Hij bestaat uit een allegaartje van leeftijden, van een kromme overgrootmoeder tot peuters op te korte beentjes die elke traptrede in twee stappen moeten nemen. Hun tong gaat tien keer sneller dan hun voeten. Wanneer ze eindelijk bij de aanlegsteiger komen, staat alleen Christel nog op hen te wachten. De rest is al vertrokken. Ze kijkt veelbetekenend op haar horloge en deze keer klinkt haar stem onverzoenlijk. ‘Waar bleven jullie? Dat is al de tweede keer vandaag!’ snauwt ze, ongewoon voor haar doen. Meestal is ze goedlachs. Waar zouden we gebleven kunnen zijn, denkt Elias en hij knipoogt naar Imke. Intussen is Christel in een discussie verwikkeld geraakt met de man van de bootjes. De plaatsen zijn vooraf bepaald, ze moeten wachten tot ze bij een kleiner gezelschap kunnen aansluiten en dat maakt Christel nog bozer. Imke excuseert zich, maar achter haar neergeslagen wimpers glimmen pretlichtjes. Het was de moeite waard, zeggen ze, en daar is Elias het absoluut mee eens, al biedt hij ook zijn excuses aan.
5
Christel bekijkt hem met gefronste wenkbrauwen, maar kan zelf haar gezicht amper in de plooi houden. ‘Komediant!’ zegt ze. ‘Leugenaar! Doe maar normaal! Ik had eigenlijk ook best langer willen blijven. Zo prachtig!’ Er hangt een maar in de lucht die achterwege blijft, maar ongetwijfeld Bert heet. Daar durft Elias zijn kop op te verwedden. Zonder nadenken flapt hij het eruit. ‘Je moet niet aldoor doen wat Bert wil. Hij gedraagt zich alsof hij alleen de baas is.’ ‘Zo, vinden jullie dat? Jij ook, Imke?’ ‘Hij is een pietje-precies. Alles moet volgens het programma. En volgens de klok.’ ‘De chronometer,’ doet Elias nog een extra duit in het zakje. Christel tuit haar lippen en kauwt lang op een antwoord. ‘Hij bedoelt het niet slecht,’ verdedigt ze hem. ‘Hij wil dat alles goed verloopt. Hij voelt zich verschrikkelijk verantwoordelijk voor jullie.’ ‘Dat wel, natuurlijk,’ beaamt Imke schoorvoetend. ‘Verschrikkelijk, dat is het juiste woord,’ mort Elias. Hierop gooit Christel hem een meewarige blik toe en haar toon klinkt zelfs een tikkeltje spottend. ‘Ach, scheetje toch! Nu moet je niet overdrijven!’ zegt ze. Maar als ze daarbij ook nog door zijn haar wil graaien, alsof het allemaal niet zo slecht bedoeld is, weert hij haar nukkig af.
6
‘Laat dat!’ ‘Oké, sorry man. Mij geeft het in ieder geval een gerust gevoel dat Bert de touwtjes in handen heeft. Iemand moet de boel organiseren en ik heb helaas een hoofd vol confetti.’ Daarmee wordt de zaak afgesloten, althans voorlopig toch. Ze kunnen eindelijk aan boord en omdat ze nu eenmaal geen acht ogen hebben zoals spinnen, rolt hun hoofd alle kanten op om vooral niets te missen, terwijl Elias’ pink de hele tijd als een lepeltje tegen die van Imke ligt. Veel te vlug leggen ze aan bij de steiger en daarna is het nog slechts even stappen tot bij de parking en de bus, waar Bert hen zoals verwacht op een donderpreek van jewelste onthaalt. Ze ondergaan hem gelaten en beloven met gekruiste vingers dat het niet meer zal voorvallen. Snel schuiven ze op naar hun plaats, onder de veelbetekenende blikken en het gegniffel van de anderen. Het kan Elias geen eurocent schelen. Ja, hij is verliefd, en dan? Dat zou zelfs de fanfare mogen rondbazuinen!
7
Stoer tegen slim 1 Met tweeëntwintig zijn ze, allemaal elf- en twaalfjarigen, uit alle uithoeken van Vlaanderen. Dertien jongens en negen meisjes, maar het is niet omdat de meiden in de minderheid zijn dat ze niet hun mannetje staan. Ze willen niet voor de jongens onderdoen. De concurrentie is bikkelhard en de felste van allemaal is zonder twijfel Fadoua. Thuis is ze het enige meisje met vijf broers die de plak over haar proberen te zwaaien. Proberen. Vanaf het eerste uur heeft ze hen gewaarschuwd. Wie het riskeert haar op de kop te zitten, zal het geweten hebben. Ze heeft grote pikzwarte ogen, Fadoua. Niemand heeft het geriskeerd. Je kunt haar beter als medestander in je team hebben, hoewel ze klein en tenger is en het in krachtmetingen moet afleggen. Zeer tegen haar zin overigens, maar dat compenseert ze ruimschoots met snelheid en lenigheid. Als het daarop aankomt, wint ze met lengtes voorsprong. Fadoua is populair. Op Imke daarentegen zit niemand te wachten. Imke is te stil. Imke is te soft, ze staat te vaak te dromen. Als Elias haar erbij haalt, krijgt hij de rest van de ploeg op zijn nek. Dan is het niet haar, maar zijn schuld dat ze verliezen. Eerlijk gezegd wil hij ook zelf graag winnen … Meestal kiest hij de lafste weg, dan vermijdt hij het om haar aan te kijken.
8
Meestal blijft ze als laatste over, zij en Joachim, maar van hem ligt Elias geen seconde wakker. Joachim maalt niet om wat anderen van hem denken, het interesseert hem ook geen donder of ze winnen of verliezen. Altijd uitdagen, treiteren. Niemand die hem moet, nog minder dan Imke. Zij wordt tenminste nog opgevist wanneer ze ’s avonds na het eten gezelschapsspellen spelen of quizzen. Ze is slimmer dan zij allemaal samen. In haar plaats zou Elias hen ook laten stikken, maar Imke glimlacht en lost bescheiden de vragen op. Zelf heeft Elias niet zo’n denkhoofd. Uwe zegt dat zijn verstand in zijn handen zit, precies zoals bij hem. Later wordt hij ook visser, op garnaal of kabeljauw, maar liever op kabeljauw. Dieper de zee op. Uwe heeft nog maar één hand. Eén arm en één hand, maar die zijn slim voor twee. 2 En dan heb je nog Wieteke. Wieteke is een geval apart. Ze is zowel stoer als slim en ze kan geweldig hard rennen, maar je weet nooit goed of je haar moet geloven of niet. Ze beweert dat ze een heks is, dat was haar overleden grootmoeder ook. Elke eerste nacht van de volle maan komt ze klokslag twaalf op de rand van Wietekes bed zitten, uit het niets en zo geruisloos als het maanlicht zelf, en dan babbelen ze over alles en nog wat maar toch vooral over heksenzaken. Soms voorspelt haar oma de toekomst, ze leert het aan Wieteke.
9
Sven schudt ongelovig zijn hoofd. ‘Dat fantaseer je!’ zegt hij. Toch klinkt er twijfel in zijn stem. ‘Heksen bestaan helemaal niet.’ Wieteke haalt onverschillig haar schouders op. ‘Je bekijkt het maar,’ zegt ze. ‘Maar kom achteraf niet klagen dat ik je niet gewaarschuwd heb.’ ‘Gewaarschuwd waarvoor dan?’ klinkt het ongerust uit verschillende monden. ‘Voor we terug naar huis vertrekken, vloeit er bloed.’ ‘Zei je oma dat echt?’ wil Paulien weten. ‘Denk je dat ik zoiets zou verzinnen of er grapjes over zou maken? Daarbij, geesten liegen niet.’ ‘Geesten niet, maar jij wel,’ spot Joachim. Wieteke springt verongelijkt op en houdt een gebalde vuist voor zijn neus, haar groene katogen gloeien. ‘Dat neem je terug!’ eist ze. ‘Of wat?!’ snauwt hij. ‘Ik ben geen leugenaar!’ ‘Oh nee? Kun je het bewijzen? Leugenaar, leugenaar!’ ‘Jongen!’ Bert springt tussenbeide en probeert de gemoederen te bedaren. ‘Hou al maar op, ja! Straks heeft een van jullie een bloedneus en in dat soort bewijs heb jij vast geen zin.’ ‘Dit is niet grappig,’ zegt Wieteke. ‘Ik hoop dat ik ongelijk krijg.’ ‘Wieteke, jij ook genoeg!’ eist Bert streng.
10
Elias, die ongewild een rilling over zijn rug voelt lopen, probeert Imkes blik op te vangen. Ze staat met haar rug naar de tafel gekeerd en kijkt door het raam, waarachter de schemering gevallen is. ‘De maan is bijna vol,’ zegt ze. Ze draait zich om naar Wieteke. ‘Denk je dat je oma hiernaartoe zal komen?’ ‘Morgen.’ ‘Mooi,’ zegt Christel snel, voor Bert helemaal ontploft. ‘Dan kan ze meedoen met ons nachtspel. En nu allemaal als de bliksem tanden poetsen en naar bed.’
Mountainbiken 1 De volgende ochtend, na het ontbijt en nadat de laatste post van thuis is rondgedeeld, gaan ze mountainbiken. Christel gaat niet mee, zij blijft achter om het nachtspel voor te bereiden. ‘Maak jullie borst al maar nat,’ zegt ze geheimzinnig. ‘Het wordt heel spannend! Reken maar!’ In haar plaats fietst Vasil mee, de kok van de kampplaats. Hij komt uit Servië, jaren geleden gevlucht voor de Balkanoorlog; zelf spreekt hij nog altijd van Joegoslavië. Zijn vrouw Dunja onderhoudt het huis en helpt in de keuken. Goran, hun zoon van zestien en expert in fietsen herstellen, zal de groep ook vergezellen.
11
Hij is bijna even groot als zijn vader, die een kolos is, maar voorlopig is Goran nog smaller in de schouders. Hun haar is opgeschoren tot tegen de schedel en hun huid heeft de kleur van olijfolie. Dunja daarentegen is klein en rond en haar gezicht verdwijnt in een oerwoud van ravenzwarte krullen, zonder het kleinste spoortje grijs. Alle drie spreken ze Frans met een bizar accent, waar je rien du tout of helemaal niets van verstaat. Het is snikheet, boven het asfalt pruttelt de lucht zoals kokend water. Gelukkig duikelen ze na een halfuurtje het bos en de schaduw in. De wegen versmallen tot paadjes, vol kuilen, bulten en keien, of zanderig en met uitstekende boomwortels. Het licht dwarrelt in vlekken door de kruinen van de bomen. Op meer open plekken, waar de zon vrij spel heeft, is het zand stoffig en rul en is het zelfs met de mountainbikes uitkijken om je niet vast te rijden en tegen de vlakte te gaan. Goran rijdt op kop, met Fadoua in zijn wiel. Na hen volgt een uitgerekte sliert. Elias rijdt vlak achter Imke in de achterhoede, klaar voor het geval ze het moeilijk zou krijgen. Ze is helemaal niet sportief aangelegd, maar ze moest hiernaartoe van haar vader. Meer wou ze daar niet over kwijt. En verder was ze dol op haar pa, dus geen medelijden, oké?
12
2 Elias kijkt naar haar rug, naar de smalle schouders. Ze zit in het zadel zoals een rodeorijder op een snuivende stier, denkt hij, even verbeten. Ze geeft geen krimp en voorlopig houdt ze het tempo goed aan. Bijna vindt hij dat jammer. Hij zou graag zijn hand tussen haar schouderbladen leggen en haar vleugels geven. Nog maar een dag, dan vertrekken ze terug naar huis, hij naar Nieuwpoort, zij naar Sint-Truiden. Hij wist het zweet van zijn voorhoofd, gloeiend heet is het. Als hij een slok water uit zijn veldfles neemt, begint zijn fiets te slingeren en kan Paulien maar nipt afremmen of ze was op hem gebotst. ‘Kun je niet een beetje uitkijken!’ snauwt ze geschrokken. ‘Sorry.’ ‘Naar de achterkant van de maan met je sorry!’ Vasil, die de rij sluit, mompelt iets van pauze. Hij steekt zijn hand op, vijf vingers.
13
3 ‘Is het nog ver?’ (Paulien) ‘Nog een uurtje.’ (Vasil) ‘En dan hetzelfde stuk terug?’ (Imke) ‘Een andere weg, maar ja, ongeveer even lang.’ (Vasil) ‘Eerst picknicken en …’ (Bert) ‘Ssst! Dat is een verrassing!’ (Goran) 4 De tweede en langere stop is bij een open plaats in het bos, bij zowel een riviertje als een parkeerplaats. Tot hun verrassing staat Dunja hen op te wachten met koelboxen vol lekkers. Er is zelfs een gemetste barbecue waarop ze hun worstjes, hamburgers, paprika’s en maiskolven kunnen grillen. Op dit moment hebben ze echter meer dorst dan honger. Liters kunnen ze op. IJskoud. Bert preekt dat ze toch maar zuinig met de cola aan moeten doen, of ze hebben straks een klotsende plas in hun maag. Bert zegt veel, hij klokt toch ook zijn drankje in een paar teugen naar binnen? Als dessert zijn er frisco’s, waterijsjes of aardbeien. Ze zitten op een omgevallen boomstam of gewoon op de grond en wie uitgeteld is én niet benauwd voor muizen ligt gewoon languit. Het zijn kleine grijze muizen en ze ritselen heen en weer tussen de dode beukenbladeren. Na verwoede pogingen slaagt Wieteke erin om er eentje te vangen.
14
Ze houdt hem in het kommetje van haar handen en loopt er enthousiast de hele groep mee af. ‘Ik dacht altijd dat heksen op katten vielen,’ spot Joachim. Wieteke beloont hem met een vernietigende blik. ‘Pas maar op dat ik je niet in een wrattenpad verander,’ zegt ze fijntjes. Hij grijnst en vraagt hoe het nog met de voorspelling zit, met dat bloed dat toch moest vloeien. Of het nog wel voor vandaag is. Uit Wietekes blik verdwijnt het laatste pretlichtje. ‘Ik zeg het voor de allerlaatste keer,’ waarschuwt ze ijzig. ‘Het is serieus. Gevaarlijk ook.’ ‘Ik doe het bijna in mijn broek …’ ‘Och, jongen!’ Ze draait zich bruusk om en stampt weg tussen de bomen. Imke springt op en gaat achter haar aan. Even houdt het niet op met te stil te zijn, dan zegt Bert dat ze dammetjes gaan bouwen. ‘Iedereen schoenen en sokken uit! We gaan de rivier verleggen!’ Rivier? Beekje, zal hij wel bedoelen. Maar op zijn minst breekt het de spanning en met vereende krachten bouwen ze een kanjer van een dijk, met zelfs drie heuse watervallen. Valletjes.
15
5 Elias mist de meiden. Hij kijkt voortdurend in de richting van de bomen waartussen Wieteke en Imke verdwenen zijn. Hij heeft een vreemde, nare kriebel in zijn buik. De angst in de blik van Wieteke was echt. Zoals Uwe kijkt als hij na een storm het strand afschuimt en vertelt hoe hij zijn arm verloor. Dat is al meer dan veertig jaar geleden, maar zoals hij het vertelt, lijkt het pas gisteren.
Het was het zwaarste noodweer van de eeuw. De wind brieste uit al zijn neusgaten, de golven zwiepten met hun geschubde staarten in het rond en de regen sloeg hem bijna overboord. Zijn boot kraakte en kreunde in al zijn ribben. Uwe, die alleen aan boord was, had zich vastgebonden aan de mast, die geknakt was als een lucifer. Zo was het gebeurd. ‘Ik heb de dood gezien,’ zegt Uwe. ‘Ze rijst op uit het schuim van de zee en voor je het weet, heeft ze je te grazen.’ Maar dat kon hem niet tegenhouden om recht uit het ziekenhuis opnieuw het ruime sop te kiezen en zijn netten uit te werpen. Ook Elias zal het niet tegenhouden. De zee loopt door zijn aders. Waar blijven die meisjes toch?
16
6 Imke heeft zich een weg tussen de struiken gebaand. Het heeft even geduurd voor ze Wieteke in het oog kreeg, die ineengedoken tegen de stam van een boom zat. Ze hield haar handen voor haar gezicht en snikte onderdrukt. Imke was naast haar neergeknield. Omdat ze niet goed wist wat te zeggen, zweeg ze maar; soms hielp dat nog het best. Met haar armen rond haar knieën wacht ze. De woorden komen wel, op hun tijd. Intussen luistert ze naar een geritsel, waarschijnlijk opnieuw van een muis. Het is zo windstil dat de bladeren zelfs niet ruisen en zo heet dat de vogels te loom zijn om te fluiten. Geleidelijk wordt het snikken van Wieteke minder heftig. Ze snuit haar neus, boent haar gezicht droog en tovert van heel ver een glimlach tevoorschijn. ‘Jullie verklaren me stapelgek,’ zegt ze. ‘In de middeleeuwen werd je gek verklaard als je beweerde dat de aarde rond was,’ antwoordt Imke droogjes. Wieteke glimlacht een beetje meer. ‘Ik heb dat vaak, weet je, zo een voorgevoel dat dan nadien uitkomt. Het is vreselijk eng.’ ‘Dat zal best wel.’ ‘En ik kan echt met mijn oma praten, ze begrijpt alles en ze geeft me goede raad. Mijn ouders zijn altijd maar bezig.
17
En in de vakantie moet ik op kamp, van het ene naar het andere. Ik vergeet nog eens hoe mijn eigen kamer eruitziet. En jij? Jij lijkt je hier ook niet super te amuseren?’ Imke haalt berustend haar schouders op. ‘Mijn vader wilde graag een zoon. Dapper en sportief en zo.’ ‘En hij kreeg jou?’ ‘Mijn moeder vindt mij prima.’ ‘Ik ken nog iemand die jou prima vindt. Elias …’ Imke krijgt een kleur tot in haar haarwortels. Ze springt snel overeind. ‘We moesten maar eens terugkeren,’ hakkelt ze. ‘Straks moeten ze alweer op me wachten …’ Ze trekt Wieteke recht en die haakt haar arm onder de hare.
18
7 Daar zijn ze, dat heeft lang geduurd! Onwillekeurig ontsnapt Elias een zucht van opluchting. ‘We verleggen de rivier,’ roept hij van ver, trots de woorden van Bert herhalend alsof ze bezig zijn de wereld opnieuw te scheppen. Nieuwsgierig komen ze dichterbij. Wieteke raapt meteen twee stenen op, waarvan ze er een aan Imke geeft. ‘Dan kunnen wij niet achterblijven,’ zegt ze en knipoogt. ‘Ik weet wel een en ander dat ik graag zou veranderen.’ ‘Ja! Zullen we een wens doen?’ ‘Denk goed na,’ antwoordt Wieteke die haar ogen tot spleetjes knijpt om de perfecte plaats voor haar steen uit te kiezen. Als ze hem gevonden heeft, balanceert ze op één been en reikt met haar arm zo ver uit als ze kan. Op de oever kan Joachim niet nalaten te spotten: ‘Zoveel moeite voor een kiezel!’ ‘Heb hem maar eens in je schoen,’ antwoordt Imke. Daar heeft hij niet van terug. 8 Omstreeks halfdrie vatten ze de terugtocht aan. Het is nog altijd drukkend warm, niet het minste zuchtje wind waait er. De hemel is dichtgetrokken en heeft de kleur van koude as, als het kampvuur is gedoofd. Vasil speurt met een hand boven zijn ogen nauwlettend de lucht af.
19
‘Denk je dat het gaat onweren?’ vraagt Bert ongerust. ‘Nog niet meteen. Daarvoor vliegen de vogels nog te hoog. Maak je geen zorgen, we raken droog weer thuis.’ De weg is minder hobbelig dan in het heenrijden en ze kunnen ook gemakkelijk met twee naast elkaar fietsen. Als je babbelt en lacht, vergeet je de vermoeidheid en de pijnlijke spieren, zal Vasil wel gedacht hebben. Hij heeft alleen één ding over het hoofd gezien: de weg loopt bijna ongemerkt maar gestaag omhoog; een vals plat, zoals men in het wielrennen zegt. Bovendien zijn hun drinkbussen zo goed als leeg en het water dat er nog in zit, is zo warm geworden dat je er een ei in zou kunnen koken. Zoals er zat aan te komen, krijgt Imke het moeilijk. Elias schuift wat dichter en legt een hand tegen haar rug. Hij gaat een beetje slingeren. Imke kijkt benauwd. ‘Pas op dat we niet in elkaar haken,’ zegt ze. ‘Niet bang zijn, ik rijd altijd met één hand. Ik duw je wel.’ Maar dat valt zwaarder uit dan hij had gedacht. Na een tijdje raakt hij zelf haast niet meer vooruit. Ze zijn niet de enigen. Paulien en Brecht hebben het ook lastig. Er wordt vaker pauze gehouden, maar dat verandert weinig aan hun dorst en cafeetjes zijn er niet onderweg.
20
Vasil, Goran en Bert proberen de moed erin te houden. Eindelijk klinkt er bemoedigend nieuws. ‘De laatste kilometer!’ Helaas is dat er voor Imke één te veel, ze zit te zwijmelen op haar fiets en moet noodgedwongen afstappen, maar zelfs te voet kan ze nog amper op haar benen staan. Ze laat zich neervallen in het gras, het huilen staat haar nader dan het lachen. De krampen in haar dijbeen doen pijn. Bert, die naast haar is gestopt, buigt zich bezorgd over haar heen. Als ze haar ogen sluit, draait de wereld als een achtbaan. ‘Goran blijft hier bij jou,’ zegt Bert. ‘Dunja zal je komen oppikken met de auto. Ik vraag dat ze water en chocolade meebrengt, daar knap je vast snel van op.’ Imke knikt, te uitgeput om te praten. Zelfs in de chocola heeft ze geen zin, maar Bert is wel lief. Dat had ze van hem niet verwacht. Elias, die ook is afgestapt, kijkt nors toe. Hij protesteert. Waarom mag hij niet bij haar blijven? Wat moet ze met die Goran? Ze verstaan elkaar niet eens … ‘Hij is ouder,’ zegt Bert kortaf. ‘Niet zeuren, joh! Opstappen en doorrijden.’ Stomkop, denkt Elias. Driedubbele stomkop. Je zeurt zelf.
21
Het nachtspel 1 De grootste vermoeidheid is weggespoeld onder de douche en het avondeten (frikandellen met krieken) heeft hen verder opgekikkerd. Nu hebben ze tot halftien verplichte rust, in afwachting van het nachtspel. Ze hoeven niet te slapen. Lezen of een gezelschapsspel spelen mag ook, zolang ze het maar rustig houden. Er geldt ook een absoluut verbod om buiten te gaan rondsnuffelen. Spionnen mogen straks niet meedoen en zullen bovendien genadeloos worden gestraft! Bert en Christel doen erg geheimzinnig, maar niemand die zich echt bang laat maken. Alleen Wieteke blijft in onrustige gedachten verzonken. Imke is verdiept in een dik boek en hoort of ziet niets of niemand. Elias, die zich verveelt, bladert lusteloos in een strip. Hij haat niets doen en wilde dat ze begonnen. Dan zou snel genoeg duidelijk worden dat al dat eng gedoe van Wieteke alleen inbeelding was. Geesten bestaan niet. Toch?
22
2 Bert verdeelt hen over vier groepen, telkens per vijf of zes. De blauwe groep moet straks de blauwe pijlen volgen, de rode groep de rode. Klaar als een klontje. Om kwart voor tien krijgen de eerste twee groepen het startsein, één van elke kleur. De tweede lichting moet tien minuten wachten vooraleer ook zij mogen vertrekken. Elias en Imke zitten in de eerste rode groep, samen met Wieteke, Sven en Fadoua. ‘Ik ben blij dat Joachim niet bij ons zit,’ zegt Wieteke. ‘Hij doet altijd zo neerbuigend, alsof ik stom ben of geschift of zo.’ Elias knikt instemmend, Imke doet er het zwijgen toe, Sven bromt maar wat en Fadoua haalt onverschillig haar schouders op. ‘Hij weet niet beter,’ zegt ze. ‘Of hij is bang van magie, daarom doet hij zo. Er zijn witte en zwarte geesten. Van de witte hoef je niet bang te zijn.’ ‘Ik ben ook niet bang van mijn oma,’ zegt Wieteke verongelijkt, ‘maar van iets hierbuiten waar zij me voor wil waarschuwen.’ Ze huivert en kijkt naar de donkere lucht, waar geen ster in te zien is. Ook de maan gaat schuil achter de wolken, die in de loop van de avond zijn komen opzetten. Het is niet meer zo warm, er is wind opgestoken die de takken van de bomen tegen elkaar doet knarsen. Overal rondom is geritsel en gekraak.
23
Elias knipt zijn zaklamp aan. ‘Let’s go!’ zegt hij zo stoer als hij kan, voor die meiden hem nog meer kippenvel bezorgen. Onmiddellijk trekt het licht zwermen insecten aan. ‘Doe maar weer uit,’ zegt Fadoua. ‘Het donker went wel.’ Daar was hij zelf ook al achter, ze moet niet zo bazig zijn.
24
3 De rode pijlen leiden hen dwars door het bos naar een in onbruik geraakte steengroeve. Soms moeten ze doorheen kreupelhout of braamstruiken ploeteren, waar ze hun blote benen aan schrammen. Sven vloekt, Elias en Fadoua houden zich stoer. Alleen Wieteke en Imke zijn zo verstandig geweest om een jeansbroek aan te trekken. De nacht is nog lang, het onweer dreigend. De wind neemt in kracht toe. Ergens oehoet een uil. De hele tijd klinkt het geklater van het riviertje min of meer vlakbij, maar in de buurt van de steengroeve valt het geluid plotseling helemaal weg. Ze veronderstellen dat ze bij de bron zijn aangekomen, waar het water onder de grond verdwijnt. Zonder het vertrouwd geworden gemurmel is de stilte overweldigend en zelfs onheilspellend. De onverwachte schreeuw of de geelgroene ogen van een nachtdier kunnen elk van hen een gil of nerveus gegiechel ontlokken. Ze maken elkaar gek en vervolgens proberen ze elkaar gerust te stellen. ‘Dit is een spel. Doe normaal, joh!’ ‘Doe zelf normaal!’ Bij de ingang van de steengroeve moeten ze, insecten of niet, hun zaklampen toch weer aanknippen. De grond is te oneffen, er zijn onverwachte putten, ze zouden kunnen struikelen of wie weet zelfs te pletter storten.
25
Tegen de rotswand hangt een roestig bord met halfvergane, zwarte letters: betreden op eigen risico. In het Frans, maar zoveel begrijpen ze wel, al was het maar door de doodskop die het gevaar nog eens onderstreept. ‘Zijn jullie zeker dat dit de bedoeling is?’ vraagt Sven. Zijn stem trilt. ‘Moeten we hier echt naar binnen?’ Fadoua richt haar lamp op de rode pijl die met een stukje ijzerdraad aan een tak is vastgebonden. Hij wijst naar een rotsspleet die zo nauw is dat ze op de smalste plaatsen met hun armen de wanden raken. Die zijn vochtig en hier en daar begroeid met plakken mos. Soms maakt in de lichtbundel van een lamp een vette spin zich ijlings uit de voeten. Misschien hangen er ook boven hun hoofd, of zijn er vleermuizen. Het lijkt of boven hen de wanden zich naar elkaar toe buigen, elkaar bijna raken; er is nog slechts een flinterdunne streep lucht te zien, waar plotseling en voor heel kort een sikkel van de maan tussen de wolken doorbreekt. Als een bleke, valse grimas, denkt Elias en hij krijgt kippenvel. Prompt wordt hij boos op zichzelf. Hij laat zich door dat geestengedoe te veel opjagen. De maan is de maan. Punt amen en uit. Toch wilde hij ergens dat hij niet op kop was gaan lopen. Hij moest weer stoer doen, altijd hetzelfde. In elk geval hoeven de anderen niet te merken dat hij er niet helemaal gerust op is. Hij is geen Sven.
26
De rotsspleet loopt dood, dat is althans zijn eerste indruk, voor hij schuin links achter hem een opening naar een andere gang ontdekt. Je moet je bukken om onder het gewelf door te kunnen. Hier dringt geen spatje licht meer naar binnen. Het ruikt er muf, zoals in een natte kelder. Na een paar stappen kan hij gelukkig weer rechtop lopen en hij roept de anderen, die hij opdracht had gegeven even te wachten, dat ze achterna kunnen komen. ‘De kust is veilig!’ roept hij. Even denkt hij aan de oude Uwe, die hij met kapitein moet aanspreken en die van trots een krachtige straal speeksel in het zand zou spuwen. Alles onder controle, kapitein! De gang daalt gestaag, ze lopen steeds dieper de aarde in. Je vraagt je af vanwaar de lucht blijft komen. Of ze zal blijven komen. Af en toe pletst een ijskoude druppel neer op je hoofd of, wat nog onaangenamer is, in je nek om glibberig over je ruggengraat verder te glijden. De grond zit vol hobbels en bobbels. Soms stap je in een plas die je niet tijdig hebt gezien en één keer schrikt Elias zich rot als hij op een dood beest trapt. Hij waarschuwt de anderen dat ze moeten uitkijken, maar zelf knijpt hij zijn ogen dicht. Hij griezelt. Het is koud hier beneden, zelfs met hun dikke trui en de regenjas die ze intussen hebben aangetrokken. Aan het eind van de gang botsen ze andermaal op een muur. Tegen de muur is een laddertje bevestigd van ijzeren staven, daar moeten ze op. Hoog en steil.
27
‘Pas op dat je niet uitglijdt,’ roept hij achterom. Het slijk aan hun schoenen maakt het vet en glibberig. Hij voelt Imke pal achter hem, hoort haar ademhaling. Verder is het stil. ‘Volgt iedereen nog?’ roept hij. De echo weergalmt. Van verder weg klinkt een meisjesstem, Wieteke of Fadoua? ‘Sven wil terug, hij is bang.’ ‘Onmogelijk. Trouwens, we zijn er bijna, we gaan weer klimmen.’ ‘Dat zeggen wij hem ook, maar hij wil geen voet meer verzetten.’ ‘Verdorie!’ ‘Kom jij het hem dan zeggen!’ ‘Imke is ook al hier. Wie van jullie loopt waar?’ ‘Sven eerst, dan Wieteke, dan ik.’ ‘Goed, ik kom eraan.’ En dan moet hij terug naar beneden en Imke zeggen dat ze in de wat ruimere grot op hen moet wachten. Vervolgens loopt hij dat hele roteind terug, alleen om Sven te overtuigen hem een hand te geven en achter hem aan te komen. Voetje voor voetje. Hij voelt hem beven tot in zijn eigen vingerkootjes. Bij de trapladder geeft hij hem een schouderklop, al zou hij hem honderd keer liever een klap voor zijn kop geven. Maar hij is de kapitein. De bemanning moet op hem kunnen vertrouwen. ‘Het is niets. Dat kan iedereen overkomen,’ zegt hij grootmoedig. ‘Zou het nog ver zijn?’
28
Fadoua deelt kauwgom uit, voor ieder een halve reep. Wieteke hoeft niet. ‘Het komt dichterbij,’ fluistert ze. ‘Wat is het?’ fluistert Imke terug. ‘Ik weet het niet.’ ‘De geesten,’ zegt Fadoua. Elias kan die meiden wurgen. Straks doet Sven het hier in zijn broek en mag hij het weer oplossen. Aan de knoop in zijn eigen darmen wil hij niet denken. Hij kruipt voor de tweede keer de trapladder op. Als hij bovenkomt, slaakt hij een kreet die door merg en been gaat en de anderen doet verstijven. ‘Wat is er?’ roept Imke ontdaan. Stilte. Nu schreeuwen de anderen ook, allemaal door elkaar. ‘Niets. Het is niets.’ Hij lacht schril. ‘Die idioten hebben hier een wit laken opgehangen. Het flapperde tegen mijn gezicht. Kom maar, ik trek het opzij. Ginder zie ik daglicht.’
Zoals Uwe, denkt hij. Zoals Uwe uit koers geslagen, na uren door de muur van zwarte wolken eindelijk het licht van de vuurtoren zag opdoemen. Hij vermande zich en trok het touw, waarmee hij zich eerst aan de mast had vastgemaakt en nadien de wonde had afgebonden, met zijn tanden strakker aan. Zijn hemd was donker van het bloed en hij stond wankel op zijn benen, zijn schouder gloeide. Intussen was de ergste wind gaan liggen. Hij verbeet de helse pijn en wendde het roer naar de havengeul. In het oosten kwam de zon op. Hij ging niet dood.
29
4 Wanneer ze op hun horloge kijken is het pas twintig over tien. Ze waren ervan overtuigd geweest dat het al veel later zou zijn. Ze staan opnieuw in de open lucht, tussen de bomen, waar het warmer is. Na een paar minuten stoppen ze met rillen. Misschien was het ook niet zozeer van de kou. Even rijst er opnieuw iets van paniek als ze niet meteen de volgende rode pijl ontdekken. Fadoua vindt een wit-rood gestreept plastic lint, misschien is dat ook een aanwijzing? ‘We kunnen het proberen,’ zegt Wieteke weifelend. Iedereen kijkt Elias aan. Hij weet het ook niet, maar er wordt blijkbaar verwacht dat hij de knoop doorhakt. ‘Goed,’ beslist hij ten slotte. ‘Maar ik probeer het eerst alleen. Jullie blijven hier staan, zodat ik kan terugkeren als het een dood spoor blijkt te zijn.’ Bij het derde lint hangt een briefje met een opdracht. Het is ook een viersprong van wegen, paadjes om precies te zijn. Je moet het raadsel oplossen om te weten welk van de vier je moet inslaan. De beginletter van het antwoord bepaalt de richting: R = rechts L = links D = doorgaan (rechtdoor dus) ‘Geen kat in een kuil,’ leest Fadoua hardop. ‘Wat mag dat betekenen?’
30
‘Het is een spreekwoord,’ weet Sven. ‘Geen kat in een zak kopen. Je niet iets waardeloos laten aansmeren, maar om daar nu één duidelijk woord op te plakken …’ ‘Er staat wel kuil, niet zak,’ verbetert Fadoua kribbig. ‘Praat dan wat duidelijker! Je mond zit vol kauwgom.’ Ze blaast een bel en laat die springen in zijn gezicht. Ze grijnst als hij zijn hoofd wegtrekt. ‘Als jullie ook nog gaan ruzie maken, komen we er nooit uit.’ zegt Wieteke. ‘Volgens mij is het een cryptogram,’ laat Imke zich eindelijk ook horen. ‘In gewone mensentaal graag,’ vraagt Sven. ‘Een cryptogram is een soort codetaal die je moet ontcijferen. Zoals een trager lichaamsdeel bijvoorbeeld. Dat wordt dan langzamerhand.’ ‘Ik snap het,’ zegt Sven. ‘Wat is geen kat maar toch …’ ‘Tijger!’ zegt Fadoua gretig. ‘Poema, panter, leeuw, luipaard …’
31
‘Dat zijn er met een L!’ gilt Sven enthousiast. ‘En leeuwenkuil. We moeten links. Links, links, links.’ Hij staat te trappelen om te vertrekken, hij heeft het gehad met deze tocht. Wieteke is stil, ze kijkt en luistert en voelt het knagen in haar buik. ‘We moeten het antwoord sms’en naar Bert en Christel om te horen of het juist is,’ zegt Elias. ‘Als het niet juist is, verliezen we twee minuten. Dat zou ons straks de overwinning kunnen kosten …’ Ze beraadslagen nog even, maar beslissen dan eensgezind dat ze er niet naast kunnen zitten. Op het berichtje dat ze doorsturen komt geen antwoord. ‘Misschien heb je een verkeerd nummer ingetoetst,’ oppert Sven. ‘Ja, probeer het nog een keer,’ dringt Fadoua aan. Wieteke schudt haar hoofd. Ze voelt zich ellendig, met krampen in haar buik, en ziet akelig bleek. ‘Bespaar je de moeite. Het is dat het, ik voel het …’ In de verte klinkt de eerste donderslag, gevolgd door een bliksemschicht die als een heksenbezem door de lucht klieft, opgezwiept door een spotlachende wind. Kort daarna vallen de eerste druppels, voor de hemelsluizen wagenwijd worden opengegooid. ‘We moeten het erop wagen,’ zegt Imke klappertandend, als er ook na de tweede poging geen reactie op hun sms komt.
32
5 Na ongeveer honderd meter botsen ze op een boodschap die, gelukkig in een plastic hoesje, tegen een boom is gesjord, opnieuw aan een tweesprong. Ze zijn opgelucht, waarschijnlijk betekent het dat ze tot hiertoe juist zitten! Imke veegt de druppels van het plastic en leest: ‘Vanaf nu vinden jullie het wel zelf …’ Sven sakkert, maar staat er even verloren bij als de anderen. En nu? Elias en Fadoua schijnen de omgeving af. Bos, bos en nog eens bos, zo ver ze kunnen zien. Tot ze plots, rechts van hen, beneden, de oude spoorlijn ontdekken die vroeger de steengroeve met het dorp verbond. Als ze die volgen, komen ze vanzelf terecht! Ze steken hun handen op voor een high five. Er is niets gebeurd. Alleen Wieteke deelt niet in de opluchting, maar dat wil ze niet laten blijken om de anderen niet opnieuw ongerust te maken. Wanneer ze de spoorlijn een goed halfuur gevolgd hebben, zien ze doorheen het gordijn van regen de eerste lichtjes blinken. Daar is het dorp, de kampplaats. Een warme douche en droge handdoeken, en straks misschien de overwinning als blijkt dat zij de snelsten waren ... Ze lachen, het leed is geleden. Wat overblijft en met elke stap nog aandikt, zijn hun heldendaden.
33
Paniek 1 Wieteke is de eerste om te begrijpen dat er iets grondig mis is, maar voorlopig bijt ze op haar tong en hoopt ze alsnog dat ze zich vergist. Het is helledonker in het huis, achter geen enkel venster brandt licht. Wanneer ze nog dichterbij komen, valt het ook de anderen op. De grote dubbele houten voordeur staat wijd open, op de vloer ligt een plas. De rukwinden hebben de regen naar binnen geslagen. Toch gelooft niemand van hen dat het ook de wind is die de stoelen in de woonkamer omver heeft gegooid. Ze hebben het licht aangeknipt en staan verbijsterd aan de grond genageld. Een theemok ligt aan scherven in een bruinig plasje. Imke vreest dat ze zelfs bloeddruppels ziet, een spoor dat vanuit de keuken naar buiten loopt. ‘Het is niet de wind,’ fluistert Wieteke schor. ‘Het zijn de geesten,’ huivert Fadoua. ‘Er is gevochten,’ zegt Sven. Hij wappert met een briefje dat hij op tafel gevonden heeft. ‘Wat staat erop?’ vraagt de rest in koor. Hij leest met onvaste stem; zijn handen, die het papier vasthouden, trillen. Het is een getypte boodschap.
34
Als jullie Bert en Chri
terugzien, verzamel
stel levend willen
dan tegen klokslag middernacht al jullie spaargeld. Eén van jullie komt naar de au to van Christel. Met opgestoken handen, het geld omhoog in een envelop. Slechts één iemand. En geen politie, ook je ouders niet, Vasil of Dunja ni et, niemand. Of er zouden doden kunnen vallen, begrepen?
2 Natuurlijk staat er geen afzender onder, de ontvoerder – maar waarschijnlijk zijn het er meer dan één – zou wel gek zijn. Verslagen kijken de vijf elkaar aan, verlamd. Hun hart dendert als een trein door hun keel. Een donderslag knettert en doet hen opnieuw in elkaar krimpen, achter het venster splijt een bliksemschicht de nacht. Onmiddellijk volgt een tweede knal, alsof hij vlakbij is ingeslagen, gevolgd door een stilte die hun oren doet suizen. ‘Wat als die inbrekers hier nog ergens in huis zijn?’ fluistert Imke met een benauwde stem. ‘Dat geloof ik nooit, hoelang is het al niet geleden dat we dat bericht hebben gestuurd en geen antwoord kregen?’ reageert Fadoua. 35
‘Nee, die lui hebben al lang de benen genomen. Wat wij moeten doen, is op de anderen wachten en een plan beramen. We moeten een strategie hebben.’ Ze klinkt hoogstwaarschijnlijk flinker dan ze zich voelt. ‘Rondkijken kan toch geen kwaad,’ vindt Imke. ‘Wat vind jij ervan, Elias?’ Ze draait zich om naar waar hij zo-even nog stond, maar hij is verdwenen. Niemand heeft hem zien weggaan, niemand heeft iets zien gebeuren. Niemand weet waar hij is. Ze roepen zijn naam, maar het antwoord blijft uit. Wieteke loopt met haar hand voor haar mond naar de wc. Imke staat in tweestrijd. Moet ze haar achterna gaan of Elias gaan zoeken? Maar dan klinken er buiten stemmen en besluit ze nog even af te wachten. Ze wil liever niet op haar eentje gaan zoeken … 3 Zijn hoofd wist niets meer, zijn benen hebben voor hem beslist. Zij hebben hem weggeleid, gedragen, de eindeloos lange gang door en de wankele keldertrap af, terwijl de anderen met dat briefje bezig waren. Hij wilde het allemaal niet horen. Hij weet niet hoe ze hem hebben kunnen dragen, zijn benen. Ze trillen nog nu hij in de verste hoek is weggekropen. Licht heeft hij niet aangestoken, noch de schakelaar noch zijn zaklamp.
36
Hij heeft zich beholpen met het schermpje van zijn gsm, nog half afgeschermd met zijn hand. Hij is bang dat het licht zijn schuilplaats verraadt. Zijn hart bokst tegen zijn ribben. Hij hoort hoe de anderen zijn naam roepen, maar durft niet te antwoorden. Tegelijk voelt hij zich schuldig, want ze zullen nog ongeruster zijn. Hij worstelt met zichzelf; de angst is te groot, te overweldigend. Het scherm van zijn gsm wordt donker en hij laat het zo. Hij vouwt zijn armen rond zijn knieën, legt zijn hoofd erop en sluit zijn ogen. Dan begint hij te tellen. Hij kan tot een miljoen en verder als het moet. Zolang hij telt, denkt hij aan niets anders.
37
De ontvoerders laten zich zien 1 Zoals verwacht komt de eerste blauwe groep aangewaaid. Letterlijk en figuurlijk: doorweekt en opboksend tegen windstoten die hen ei zo na omver blazen. Het stormt. Onderweg zijn ze maar net aan vallende takken ontkomen. Ze ratelen, tot Fadoua hen kortaf de mond snoert. ‘Bert en Christel zijn ontvoerd.’ Ze geloven het niet en denken zelfs dat het bij het spel hoort. Alsof het één grote grap is. Zwijgend laat Sven het briefje rondgaan. Het geroezemoes verstomt. ‘En Elias is ook spoorloos,’ zegt Imke. ‘Misschien waren die gijzelnemers nog niet weg en hebben ze hem ook te pakken …’ ‘Zijn er sporen? Hebben jullie al rondgekeken?’ vraagt Joachim. ‘Er lagen stoelen op de grond, een gebroken theekop …’ antwoordt Sven. ‘Je had alles moeten laten liggen voor de politie. Voor vingerafdrukken. Idioten dat jullie toch zijn!’ ‘Beetje dimmen, Joachim! Je hebt gelezen wat ze schrijven. Geen politie of er rollen koppen!’ ‘Jong!’ Hij maakt een geërgerd gebaar. ‘Ik wil niet alleen gaan zoeken,’ zegt Imke. ‘Ik ga wel mee,’ biedt Wieteke aan. Ze kijkt Joachim ijskoud aan. Ik waarschuwde je toch dat er iets zou gebeuren … Maar ze zegt het niet hardop.
38
Het is niet het moment om ruzie te maken. Hij draait zijn hoofd weg en ontwijkt haar blik. ‘We kunnen ons beter in groepjes verdelen en samen zoeken,’ stelt Paulien voor. ‘En twee van ons moeten hier blijven om de anderen op te vangen.’ 2 Hij klappertandt, het is ijskoud in de kelder, maar zijn natte kleren maken het nog dubbel zo erg. Hij denkt dat hij ze wellicht beter kan uittrekken, maar doet het niet. Zonder kleren is hij nog kwetsbaarder. Dat is niet echt zo, maar zo lijkt het wel. Hij wil niet doodgeschoten worden. Zijn hoofd doet pijn en hij voelt zich misselijk. Maar hij kan de beeldenstroom in zijn hoofd niet stoppen. Hij pakt zijn gsm en toetst met trillende vingers het nummer van thuis in. Hij wacht, er wordt niet opgenomen. Vervolgens probeert hij het met een bericht en een mail, maar opnieuw kan hij geen verbinding maken. Bijna gooit hij zijn telefoon tegen de muur, maar hij bedenkt zich nog net en klemt hem tegen zijn borst. Zijn schouders beginnen te schokken en hij huilt. Tussen de snikken door kreunt hij om zijn moeder, zijn vader, om Uwe die zegt dat je gevaarlijkste vijand op zee de angst is. Geen storm of zeestroming maar je eigen angst die je gek maakt en van je verstand berooft. Maar Elias weet niet hoe hij niét bang moet zijn.
39
3 Geschrokken draaien ze zich om en staren de binnenkomers aan als geesten, die uit het niets in het deurgat verschenen zijn. Joachim is de eerste die zijn spraak terugkrijgt. ‘Zijn jullie kunnen ontsnappen?’ vraagt hij. Christel schudt haar hoofd en Bert begint iets te stamelen. ‘Ja nee ja … kijk, het zit zo …’ Hij en Christel wisselen een ongemakkelijke blik. ‘Het is allemaal wat uit de hand gelopen,’ geeft Bert onwillig toe. ‘Maar nu is alles gelukkig in orde,’ schiet Christel hem te hulp. ‘Eind goed, al goed, toch?’ Ze glimlacht dunnetjes. Fadoua is de eerste tot wie de betekenis van hun woorden doordringt. ‘Er was helemaal geen ontvoering!’ haalt ze wit van woede naar hen uit. ‘Jullie hebben dat verzonnen!’ Als Paulien en Sven haar niet in bedwang hadden gehouden, was ze hen te lijf gegaan. ‘Is dat waar?’ vraagt Wieteke ongelovig en vol afschuw. ‘Het was deel van het nachtspel,’ bekent Christel. ‘Het was niet de bedoeling om zo’n paniek te zaaien,’ zegt Bert. ‘We hadden jullie niet zo snel hier verwacht, anders waren we wel vroeger teruggekeerd.’ ‘En tevoorschijn gesprongen.’
40
‘Boeh, zeker! Hier zijn we! Hoe kinderachtig!’ gromt Sven. ‘Teruggekeerd? Waar waren jullie dan?’ vraagt Paulien. ‘En die sms waarop geen antwoord kwam … Was dat ook deel van het spel?’ snauwt Joachim. Christel knikt alsof ze elk moment in tranen kan uitbarsten en veegt voortdurend haar handen af aan haar broek, Bert klemt zijn kaken op elkaar. ‘O god, ik krijg opnieuw krampen,’ kreunt Wieteke en met haar handen voor haar buik rent ze opnieuw naar de wc. De rest kruist zijn armen en werpt de twee leiders vernietigende blikken toe. Wel? ‘We waren hiernaast, bij Vasil en Dunja. Ze hadden gevraagd om iets bij hen te komen drinken, als afscheid,’ biecht Christel op. ‘Niet dat het hun schuld is, natuurlijk, maar …’ ’Zeg nu niet dat je horloge stil is blijven staan,’ spot Joachim. Ze schudt haar hoofd. ‘Het spijt me,’ zegt ze. ‘Echt.’ ‘Mij ook,’ zegt Bert. ‘Ineens was het later dan we dachten. Te laat,’ geeft hij toe. ‘We zagen dat er al licht brandde.’ ‘We hebben ons gehaast,’ fluistert Christel stilletjes. ‘Niet hard genoeg. Elias is verdwenen,’ zegt Imke. Hoewel ze fluistert, klinkt het keihard. ‘Hoezo, verdwenen? Tijdens de tocht? Hij is toch niet in de steengroeve …?’ ‘Nee, nee …’
41
Bert vloekt. ‘Ik vergeef het mezelf nooit als hem iets is overkomen.’ ‘Ook te laat om daaraan te denken,’ sneert Joachim. ‘Jaja … Wanneer verdween hij dan wel?’ ‘Toen we jullie briefje vonden,’ zegt Imke. ‘Hij stond naast mij en het volgende ogenblik was hij verdwenen. We moeten hem gaan zoeken.’ ‘De politie bellen,’ zegt Fadoua. ‘Kom, kom … Zo’n vaart zal het wel niet lopen. Hij heeft zich vast ergens verstopt,’ probeert Christel te sussen. ‘We splitsen ons op en …’ Maar dan vallen kort na elkaar de laatste twee groepen binnen en moet het hele verhaal eerst nog eens opnieuw worden verteld. Terwijl Christel zich daarmee bezighoudt, probeert Bert de zoekactie op poten te krijgen. Een deel zoekt boven, een ander deel beneden, beslist hij. Hijzelf zal Vasil en Goran optrommelen om buiten te gaan zoeken met de honden.
De ontknoping 1 Hij hoort de stemmen, het gestommel boven zijn hoofd. Hij schat dat hij onder de keuken zit. Dat zullen de anderen zijn die ook zijn toegekomen, denkt hij. Hoe laat zou het zijn? Hij kijkt op zijn gsm, het licht maakt hem angstig. Bijna middernacht. Nog een paar minuten. De ontvoerders zullen ondertussen op hun geld staan wachten.
42
Er komt een dikke brok in zijn keel die hij amper krijgt weggeslikt. Het plopt in zijn oren. Hij vraagt zich ook af wie het geld zal brengen, wie genoeg lef heeft. Opnieuw schaamt hij zich voor zijn lafheid, maar het is sterker dan hemzelf. Joachim. Of Fadoua misschien. Misschien loten ze erom. In gedachten gaat hij het rijtje af. Wieteke. Wieteke en haar geestengedoe. Nu lacht hij om de stomme angst van daarstraks. Geesten zijn verzinsels. Het is van mensen van vlees en bloed dat je soms bang moet zijn. Hij probeert voor de zoveelste keer een bericht te versturen, maar ook nu lukt het niet. Hij zou ook dringend moeten plassen. Hij wil het niet in een hoek doen en knijpt zijn billen tegen elkaar. 2 Wieteke zit dubbel geplooid van de pijn op de wc. Het is zo erg dat de tranen over haar wangen stromen. Kwaad is ze ook, verdrietig, ook nog altijd bang al is er niets meer om angstig voor te zijn. Ze weet het allemaal niet meer. Straks lachen ze haar allemaal vierkant uit met Joachim op kop. En oma laat zich ook niet meer horen of zien, net nu ze haar het meest nodig heeft. Ze laat haar in de steek. Dat is wat Wieteke tegen de stilte zou willen uitschreeuwen. Plotseling klinkt haar stem dan toch.
43
‘Je weet dat ik er ben,’ zegt oma. ‘Ik zal er altijd voor je zijn. Maar niet zoals vroeger, niet met echte armen van vlees en bloed, al zou ik niets liever willen dan je nu heel dicht tegen me aantrekken en over je hoofd strelen en nog duizend dingen meer. Ik ben dood, Wieteke.’ ‘Maar je kunt toch … En al die keren dan bij volle maan … Ik heb je toch gezien, gehoord, gevoeld! Je hebt mijn zakdoek nog voor me gezocht, hij was in mijn kussensloop gesukkeld, en …’ ‘In je hoofd, Wieteke. En in je hart, in je verlangen. Je zag me omdat je me wilde zien. Ik heb geen lichaam meer, daarbij … ik was zo ziek, dat weet je toch nog? Hoeveel pijn ik had?’ ‘Maar je moet me vasthouden! Wat moet ik zonder jou?’ De stem van haar oma klinkt nu heel zacht, zoals je over iemands haren streelt. ‘Als je stopt met me te missen en je begint met me te herinneren,’ zegt ze, ‘alles wat we deden, dan ga ik nooit meer weg. Nooit van je hele leven.’ Daar moet Wieteke over nadenken. Het huilen wordt minder heftig, ook de buikpijn is verdwenen. ‘Er is op de deur geklopt,’ zegt de vertrouwde stem in haar hoofd. ‘Moet je niet gaan kijken? Ik denk dat ze zich zorgen over je maken …’ ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen …’ ‘Jawel hoor, best wel.’
44
3 Elias heeft zijn vingers in zijn oren gestoken en zijn ogen zo dichtgeknepen als een mosselschelp. Ook aan zijn volle blaas wil hij niet denken. Hij is niet hier, geen rat in de val. De geur vult zijn neusgaten en laat een zilte smaak na op zijn lippen. Hij denkt dat hij zelfs kleine zandkorrels proeft. Westenwind op kop, denkt hij. Boven zijn hoofd klinkt een hele troep meeuwen. Ze hangen boven de vissersboot en azen op het afval. Dat kunnen ze krijgen, maar van de vangst blijven ze af. ‘Hoor me die herrieschoppers nu eens,’ zegt Uwe, maar hij glimlacht en draait een kwartslag aan het roer. Dan vraagt hij of Elias wil overnemen. ‘De havengeul binnenvaren?’ vraagt hij. ‘Kan ik dat dan?’ ‘Ooit moet de eerste keer zijn,’ zegt Uwe.
45
Elias aarzelt, dat weet hij nog zo niet. ‘Hoe oud was jij dan?’ wil hij weten. ‘Ook elf. Elf, zes maanden en zeventien dagen. Mijn vader lag buiten westen met een gesprongen blindedarm, maar dat hoorde ik pas later, in het ziekenhuis. Hij was er ernstig aan toe. Ik had geen keus, er was niemand anders aan boord.’ ‘En was je dan niet bang?’ vraagt Elias. ‘Als hel, jongen. Als hel. Maar de boot had geen schrammetje. Kom nu maar naar hier.’ 4 Imke heeft niet op de anderen willen wachten. Het duurde haar te lang. Maar ze wilde dat ze een idee had waar ze best kon beginnen zoeken. Ze denkt niet dat hij naar buiten is gegaan, dat zou zij toch niet doen als ze veronderstelde dat daar gangsters zaten. Op het gelijkvloers is hij waarschijnlijk ook niet, dan had iemand hem wel al gezien of gehoord. De slaapvertrekken? Ze ziet daar nergens een plaats waar hij zich zou kunnen verstoppen … Als ze logisch nadenkt, blijft er maar één mogelijke plek over. De kelder. Hij zal zich wel opgelaten voelen als de waarheid aan het licht komt, denkt ze, dus kan hij die maar beter van haar dan van de anderen horen. Zachtjes, om hun aandacht niet te trekken, duwt ze de klink naar beneden, opent ze de deur en sluit ze weer achter zich. De traptreden kraken en het is pikkedonker. ‘Elias!’ fluistert ze. ‘Elias, ik ben het. Hierheen!’
46
Verdikkeme, ze ziet geen hand voor ogen. Het is hier nog donkerder dan in de steengroeve. Ze vist haar gsm uit haar broekzak en knipt de zaklamp aan. 5 Uwes hand ligt op zijn schouder, zijn eigen handen liggen op het roer. Elias knijpt zijn ogen tot spleetjes en tuurt in het donker. De nacht is gevallen of er is zwaar weer op til, misschien zelfs beide. Hij kan het houten staketsel van de havengeul maar moeilijk onderscheiden. Bij de gedachte dat hij het elk ogenblik kan rammen, breekt het zweet hem uit. De ergste vijand is je eigen angst, echoot het in zijn hoofd. Hij moet zich vermannen, maar had hij de lichten van de vuurtoren al niet moeten zien? Daar! Eindelijk! ‘Kom maar hier!’ lijkt het schijnsel te zeggen. ‘Hierheen, Elias! De kust is veilig!’ Hij herademt. Iets tussen een snik en een lach borrelt op uit zijn keel. ‘Aye aye, kapitein!’ zegt hij. 6 ‘Kapitein?’
47
7 Hij zou door de grond kunnen zinken. Hij wilde dat hij het kon. Later, als Imke hem alles verteld heeft, wil hij niet terug naar boven. Hij wil in de kelder blijven zitten voor minstens een paar uur. ‘Dat ze zich maar poepbenauwd zoeken,’ zegt hij kwaad. ‘Dat zou hun verdiende loon zijn,’ beaamt Imke. ‘Maar?’ ‘Moet ik dat echt voorzeggen?’ vraagt ze. Hij haalt onwillig zijn schouders op, maar weet dat ze gelijk heeft. ‘De anderen, zeker?’ vraagt hij toch nog. ‘Sven, Paulien, Fadoua …’ ‘Vergeet Joachim niet.’ ‘Wieteke met haar geesten …’ Hij schudt zijn hoofd en moet dan lachen, ondanks alles. ‘Wieteke …’ herhaalt hij. ‘Bijna was ik daar ook nog mee weg …’ ‘Ze mist haar oma,’ zegt Imke. ‘En jij, Elias? Waar loop jij van weg?’ Hij zucht en aarzelt. ‘Het is een lang verhaal,’ zegt hij ontwijkend, maar daar laat Imke zich niet door afschepen. ‘Zo heb ik ze het liefst,’ antwoordt ze. ‘Waar gaat het over?’ ‘Over Uwe die zijn arm verloor.’ ‘Over Uwe dus,’ verbetert ze. ‘Ja,’ zegt Elias opgelucht. ‘Over Uwe.’
48
Elias gaat op kamp. Daar maakt hij allerlei nieuwe vrienden zoals de mooie Imke, de felle Fadoua en Wieteke die beweert dat ze in geesten gelooft. Bijna iedereen vindt haar knettergek, totdat het nachtspel begint …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Katrien Van Schuylenbergh Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.