Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5 leerjaar - Kijker 3 - Thema 7 - N3 - Wolventijd

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Wolventijd Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

3


Wolventijd

Schoten in de lucht ‘Pang! Pang! PANG!’ Marko legde zijn handen op zijn oren. Hij wilde het schieten niet meer horen. Hij vond het vreselijk als er op dieren werd gejaagd. Maar niemand had oren naar wat hij ervan vond. ‘Marko, Het is weer de tijd van de wolven,’ had zijn vader gezegd. ‘Altijd in de week van Kerstmis hoor je de wolven.’ Marko zag in de verte de jagers de heuvel opgaan. Het was moeilijk voor hen, want het had de hele week gesneeuwd. Hun laarzen maakten diepe putten in de verse sneeuw. De jagers droegen het geweer niet over hun schouder, maar hielden het stevig vast, klaar om te schieten. En weer klonken er knallen. Enkele kraaien vlogen boven de witte bomen uit. Marko keek over zijn schouder de kamer in. Was hij de enige die een hekel had aan schieten?

1


Zijn moeder was het deeg voor het brood aan het kneden. Dat deed ze iedere dag, want er was geen bakker in de buurt. Ze woonden in een huis dat hoog in de heuvels lag. Marko keek naar Lola. Zijn zusje van zeven jaar speelde met haar pop en leek geen last te hebben van de harde knallen. Wat verder in de kamer zat Otto. De tweejarige peuter. Hij brabbelde in zichzelf en speelde met zijn houten diertjes. Vader had voor hem een paar schaapjes en een kerstkindje uit hout gesneden. Niemand kon zulke mooie beelden uit hout snijden als hij. Otto brabbelde: ‘Saapje, saapje, klein, klein saapje.’ Marko ging weg van het raam en knielde bij zijn broertje neer. ‘Otto, het is niet saapje, maar schaapje. Zeg het eens na.’ Otto bleef saapje zeggen. Opeens ging de deur open. Vader kwam binnen en samen met hem was de ijskoude wind voelbaar. Hij klopte de sneeuw van zijn jas en hing hem aan de kapstok. Daarna schudde hij de sneeuw uit zijn haar. ‘Het is zelfs geen weer om een hond door te jagen.’

2


3


Marko keek op. Wat zei zijn vader over jagen? ‘Vader?’ Marko ging vlak bij hem staan. Vader trok zijn laarzen uit en zette ze naast de kachel. ‘Vader, hebben de jagers al een wolf geschoten?’ Vader schudde zijn hoofd, terwijl hij zijn handen warmde boven de kachel. ‘Marko, wolven zijn slimme dieren. Ze ruiken de jagers en ze zijn veel te vlug voor hen,’ zei hij. Marko zuchtte opgelucht. Een wolf was het mooiste dier. Hij kon niet begrijpen dat er iemand was die op een wolf wilde jagen. Vader plofte vermoeid in een stoel en keek bezorgd door het raam. ‘Ik denk dat we morgen een probleem hebben,’ zei hij somber. Buiten werd het donker en de sneeuw leek blauw in plaats van wit. ‘Wat bedoel je?’ vroeg moeder, terwijl ze thee inschonk. ‘Ik moet morgen naar de stad om de houten schapen voor de kerststal te brengen. Ik heb het aan meneer pastoor beloofd,’ antwoordde vader. Vader dronk van zijn thee en veegde met een hand zijn snor droog. ‘We kunnen niet met de auto naar de stad. Er wordt nog meer sneeuw verwacht,’ zei hij. ‘We zullen met de arrenslee moeten gaan.’ ‘In deze kou?’ vroeg mams bezorgd.

4


Ze trok haar vest dichter alsof ze de kou nu al kon voelen. ‘Er is geen andere manier,’ sprak vader. ‘We zullen de kinderen warm aankleden zodat ze …’ Een luide knal onderbrak hem. ‘Dat was raak,’ zei vader, en Marko kromp ineen. In de verte klonk het huilen van een wolf in nood. De volgende morgen was het nog donker toen ze zich klaarmaakten voor een koude reis die zeker twee uur zou duren. Ze moesten een langere weg nemen, over de heuvels en door de bossen. Het had geen zin om over de weg naar de stad te gaan. Er was nog meer sneeuw gevallen en ze konden er met de auto niet doorheen. Marko was nog erg moe, want de hele nacht had hij het gehuil van een wolf gehoord. Het had zo droevig geklonken, vond hij. Ze kregen een stevig ontbijt. Eieren met spek en bruin brood. Daarna deden ze hun dikste jassen, warmste mutsen en wollen wanten aan. Vader spande de twee paarden voor de arrenslee. Bles en Isa waren twee stevige paarden die de rit wel zagen zitten. Ze waren het gewend om een arrenslee te trekken. Met hun hoeven schraapten ze over de sneeuw en ze hinnikten. Ze hadden geen last van de kou, want ze hadden een dikke vacht. De arrenslee was een hoge slee waarin bankjes zaten en achteraan was er nog plaats over om spullen neer te zetten.

5


6


Vader vervoerde zijn houten beelden vaak met de arrenslee. In de zomer werden de houten latten onderaan vervangen door wielen. Bij mooi weer nam hij liever de kortste en ook de mooiste weg door het bos. Vader legde de beelden in een kist achterin de slee. Moeder maakte tussen de bank en de kist een bed van schapenvachten, zodat Otto tijdens de reis kon slapen. Marko en Lola zaten op de bank en moeder gaf hen extra dekens. Aan hun voeten legde ze warme kruiken. Zo zouden ze het eerste uur geen last hebben van koude tenen. Moeder had ook hete aardappels meegenomen. Een hete aardappel tussen je wanten was goed tegen koude handen. Vader keek naar de lucht. ‘Ik hoop dat we de stad bereiken voor het begint te sneeuwen,’ zei hij. Toen ze vertrokken, was het nog steeds donker. De hoge bomen wierpen lange, donkere schaduwen op de witte sneeuw. De sparren leken op zwarte reuzen die hun armen uitstaken om iedereen te pakken. Marko voelde in zijn borst een dreigende spanning. Alsof er iemand op zijn hart was gaan staan. Er hing gevaar in de lucht, hij kon het voelen tot in de toppen van zijn tenen!

7


De belletjes van de paarden maakten een vrolijk geluid. Marko hoorde hun ademhaling. Lola praatte zacht tegen haar pop en Otto lag heerlijk op de vachten. In zijn handjes hield hij een schaapje en het kerstkindje vast. Marko keek naar zijn ouders, zijn zusje en zijn broertje. Iedereen glimlachte. Was hij dan de enige die het gevaar voelde? Na een uur rijden begonnen ze de eerste kou te voelen. De kruik aan hun voeten was afgekoeld en de hete aardappels hadden ze opgegeten. De kleine Otto hield nog een aardappel in zijn hand. Marko hoorde hem praten tegen het schaapje. ‘Saapje moet eten, saapje moet eten. Hap, hap, hap.’ Otto ging rechtop zitten. Hij had totaal geen zin in een dutje. Niet nu hij de schapen van vader in de kist had ontdekt. Kleine houten beeldjes waarop moeder plukjes wol had gekleefd. Een voor een haalde de peuter de beeldjes tevoorschijn. Toen ze de eerste heuvel opreden, gleed de arrenslee steeds langzamer op de besneeuwde weg. De paarden moesten een zware lading trekken. De lucht klaarde op en nu kon Marko goed om zich heen kijken. De sneeuw was verblindend wit en glad. Opeens zag Marko afdrukken van poten in de sneeuw. Het waren de sporen van een wolf.

8


Gehuil in de heuvels Marko zweeg toen hij de sporen zag en durfde het niet hardop te zeggen. Hij zag ook nog een ander spoor. Alsof er iets was meegesleept door de sneeuw. Marko wist dat wolven in deze tijd van het jaar heel gevaarlijk waren. Als het had gesneeuwd, was er weinig voedsel te vinden in de heuvels. Dan durfden de wolven de heuvel afdalen tot bij de boerderijen. Hoe vaak was het al niet gebeurd dat een boer de volgende ochtend een schaap van zijn kudde miste? Zou het nu ook zijn gebeurd? Toen ze over de eerste heuvelrug waren gegleden, ging het weer iets sneller. De bomen langs de kant gleden langs hen heen. Marko keek naar de sneeuw langs de weg. De sporen van de wolf liepen in dezelfde richting als hun slee. Hadden zijn ouders dit ook gezien? Zijn vader keek naar de weg en lette op de paarden. Zijn moeder was ingedommeld. Lola hing tegen Marko aan om het warmer te krijgen. Otto praatte nog steeds tegen de schapen in de kist. Marko slikte een paar keer. Moest hij zijn vader vertellen dat er wolven in de buurt waren? Tegen de bank van zijn ouders waren leren lussen bevestigd. Daarin stak het grote geweer van vader.

9


Voor het eerst voelde Marko zich opgelucht, al had hij een hekel aan het geweer. Hij boog zich naar voren en tikte zijn vader op de schouder. Vader draaide zijn hoofd een beetje. Marko zag dat er ijs in zijn snor zat. Zacht sprak hij in het oor van zijn vader. ‘Vader, heb jij de sporen in de sneeuw gezien? Kijk daar, tussen de bomen!’ Zijn vader knikte en legde één vinger op zijn mond. Marko begreep hem meteen. Hij moest erover zwijgen om mama, Lola en Otto niet bang te maken. Uit de hemel vielen kleine vlokjes sneeuw en vader keek bezorgd naar de grijze lucht boven zijn hoofd. ‘Lieve hemel! Niet nu,’ zuchtte hij. Het was met sneeuw veel moeilijker om het pad in de bossen te vinden en de kleuren in de lucht kondigden nog heel wat meer sneeuw aan. Moeder schonk voor iedereen een kop hete thee in. Dat was fijn want zo werden ze weer een beetje warm. Otto kreeg een flesje warme melk. Hij zeurde even, want het liefst dronk hij nog aan mama’s borst. Maar moeder vond dat het tijd werd dat hij dronk uit een flesje of uit een kopje. De vlokken sneeuw werden dikker, en vader vloekte. Dat deed hij anders nooit. Hij keek naar links en naar rechts alsof hij iets verdachts had gezien.

10


Marko keek naar de bomen langs het pad maar zag niets. Op dat ogenblik hoorde hij het gehuil tussen de bomen. Het klonk heel akelig en Marko had dit nog nooit gehoord. Het was veel erger dan vannacht. Toen had hij hetzelfde droevige gehuil gehoord maar veel meer verderop. Moeder keek in de richting van het gehuil. ‘Was dat een wolf?’ vroeg ze met een bange stem. Ook Lola zei met een trillende stem: ‘Ik ben bang.’ Marko legde zijn arm om zijn zus heen. ‘Je moet niet bang zijn, Lola,’ zei hij. ‘Wolven zijn lieve dieren en ze doen mensen geen kwaad.’

11


Ze schudde haar hoofd en antwoordde: ‘Wolven eten wél mensen op. Roodkapje en haar oma zijn ook opgegeten door een wolf.’ ‘Dat was een wolf uit een sprookje,’ zei Marko. ‘Er bestaat ook een spookwolf,’ antwoordde Lola. Marko voelde de angst in zijn hart groter worden. De spookwolf! In het dorp geloofden veel mensen nog in de spookwolf. Het was een soort monster dat in één hap wel tien kinderen kon oppeuzelen. Hij keek naar zijn ouders. En hij zag dat zij zich ook zorgen maakten. Vader spoorde de paarden aan om sneller te lopen. De damp steeg uit hun warme lijven en het klingelen van de belletjes klonk niet vrolijk meer.

Een moeilijke reis Ze kwamen bij de tweede heuvel aan. Hier stonden nog veel meer grote bomen. Het huilen van de wolf kwam dichterbij en Marko zag hier en daar nieuwe sporen. ‘Waarom blijft de wolf huilen? Heeft hij honger?’ vroeg hij aan zijn vader. Zijn vader fluisterde: ‘Ik denk dat het een wolvin is. Ze huilt niet van de honger, dit klinkt anders.’ ‘Waarom huilt ze zo?’ vroeg Marko zacht. ‘Ik denk dat ze haar welpen kwijt is,’ sprak vader. ‘Ze is op zoek naar hen.’

12


Marko dacht aan de vorige dag. Toen waren er jagers in de heuvels geweest. Ze hadden de hele tijd geschoten. Hadden zij de welpen van de wolvin gedood? Naast het huilen van de wolf klonk alleen het vrolijke stemmetje van Otto. Het klonk als een lichtend sterretje in een donkere nacht. De peuter praatte nog steeds in zijn brabbeltaaltje tegen het houten schaapje en het kindje. Lola kroop dicht tegen Marko aan. ‘Marko, is het de Witte Wolf uit het spookverhaal die hier in de buurt is?’ Hij sloeg een arm om haar heen en stelde haar gerust. ‘De Witte Wolf is een verzinsel, Lola,’ zei hij in de hoop om haar gerust te stellen. Maar Lola had hem nog banger gemaakt met haar vraag. Hij wilde niet geloven in spoken. En zeker niet in het verhaal van de Witte Wolf. Dat verhaal werd al meer dan honderd jaar door de mensen verteld. Men zei dat er een witte wolf door de bossen zwierf. Niemand kon de wolf raken, want hij was een geest. De wolf was op zoek naar kinderen die stout waren. Zo probeerden de mensen hun kinderen zoet te houden. Gelukkig hadden zijn ouders dat nooit gedaan. Maar Marko en Lola kenden het verhaal omdat het een legende was geworden. In de stad was er zelfs een herberg die ‘De Witte Wolf’ heette. En op de muur van het stadhuis hing een afbeelding van een witte wolf.

13


Boven aan de tweede heuvel was de weg heel slecht. Een storm had veel takken van de bomen gerukt. Ze lagen kriskras verspreid op de weg. Vader moest de paarden aansporen om langzaam te lopen, zodat de arrenslee er niet overheen zou gaan. Het lukte niet altijd en af en toe reed de arrenslee toch over een tak. Dan wipte iedereen omhoog, en Marko hield Lola stevig vast zodat ze niet uit de slee zou vallen. Otto vond het heerlijk, want bij elke wip van de arrenslee kraaide hij van plezier. Hij denkt zeker dat hij op de kermis is, dacht Marko. Maar hij was blij dat zijn kleine broertje niet bang was. Het huilen van de wolvin klonk nu vlakbij. Even dacht Marko dat hij iets tussen de bomen zag. ‘Zal ik het geweer pakken?’ vroeg moeder aan vader. Vader schudde zijn hoofd. ‘De wolvin zal ons volgen, maar ze zal ons niet aanvallen. Ze is op zoek naar haar welpen.’ Het gehuil van de wolvin was nu zo vlakbij dat Lola begon te huilen. Eigenlijk had Marko daar ook wel zin in, maar hij deed het niet. Hij was tien jaar en hij moest het goede voorbeeld geven aan zijn zusje.

14


De sneeuwvlokken werden dikker en er stak ook een ijskoude wind op. Vader mopperde omdat het moeilijk werd om de takken op de weg te zien. De arrenslee gleed over een tak en iedereen wipte weer omhoog. Otto riep: ‘Saapje! Mijn saapje weg!’ Marko draaide zich om en zei: ‘Straks zal ik je schaapje zoeken, Otto. Nu moet je slapen.’ Otto bleef zeuren omdat hij zijn schaapje kwijt was. ‘Otto wil saapje. Otto wil niet slapen. Otto bang van donker,’ riep hij. Hij wilde rechtop gaan staan, maar Marko duwde hem terug naar beneden. Hij draaide de schapenvacht om de buik van Otto steviger vast. Otto leek door de dikke vacht zelf op een schaapje. Moeder begon te zingen omdat Otto altijd rustig werd van een liedje.

15


Otto stopte met zeuren over het verdwenen schaapje. De sneeuwvlokken werden zo dik dat Marko bijna niets meer zag. In stilte gleden ze verder. Het huilen van de wolf, zo vlakbij, deed iedereen zwijgen. Iedereen verlangde naar de stad. Ze waren nu bijna in het dal waar de stad lag. Marko dacht aan de grote winkels met verlichte ramen. Hij dacht aan warme melk met suiker en broodjes uit de oven. Straks zouden ze veilig zijn, weg van het nare wolvengehuil. Zijn moeder dacht er hetzelfde over. Ze zei tegen vader: ‘Misschien kunnen we vannacht in de stad blijven overnachten. Dan gaan we morgen terug als het niet meer zo hard sneeuwt.’ Vader knikte. Hij was er duidelijk ook niet gerust op. Opeens, zonder duidelijke aanleiding, stopte de wolf met huilen. Marko hoorde alleen maar het knarsen van verse sneeuw onder de slee. Opgelucht haalde hij adem. Eindelijk zagen ze het dal liggen. De vele lichtjes van de huizen straalden. Lola begon te lachen en te roepen: ‘Ik wil speelgoed kopen en pannenkoeken eten!’ ‘Stil Lola, Otto slaapt en we zijn er nog niet,’ sprak moeder. Maar Lola was niet tegen te houden.

16


Ze wipte op en neer en haar pop wipte mee. ‘Nadat we de houten schapen aan meneer pastoor hebben gegeven, gaan we pannenkoeken eten,’ beloofde vader. Het was genoeg om Lola’s snater te laten houden. Hoe dichter ze de stad naderden, hoe minder koud het leek. Marko wreef even over zijn neus die gevoelloos was geworden door de ijzige wind. Hij moest lachen toen ze de verlichte hoofdstraat inreden, want zijn ouders en zijn zus zagen eruit als sneeuwpoppen. Zou hij er even gek uitzien? Lola keek haar ogen uit naar de verlichte winkelramen en wees naar het speelgoed dat ze zag. Marko rook de geur van broodjes, wafels en gepofte kastanjes. Hij had die ochtend niet veel gegeten en zijn buik gromde als een beer. Nee, dacht hij, mijn buik gromt als een hongerige wolf. Wat voelde hij zich opgelucht en wat was hij bang geweest tijdens de reis! Moeder zwaaide naar de mensen die ze kende, en de mensen zwaaiden terug. Lola zong een liedje, Otto was nog altijd stil. Hij was diep in slaap en hij had niets meer gezegd over het verdwenen schaapje. Vader stopte voor de kleine kerk.

17


De straten waren helemaal ondergesneeuwd en de mensen droegen sneeuwschoenen. Op het plein bij de kerk stond een grote kerstboom die versierd was met lichtjes. Morgen is het kerstavond, dacht Marko. Pakjesavond. Wat zal er in mijn pakje zitten? dacht hij. Hij hoopte op een grote slee, maar met een paar nieuwe schaatsen zou hij ook blij zijn. Lola geloofde nog in de kerstman en Marko wist dat vader voor haar een poppenwiegje had getimmerd. Moeder had poppenkleertjes genaaid voor Lola’s pop. Meneer pastoor stond hen al op te wachten alsof hij geweten had dat ze nu zouden aankomen. Vader stapte als eerste uit en klopte de paarden op hun rug. Bles en Isa kregen een paar suikerklontjes die ze zeker hadden verdiend. ‘Was het een moeilijke reis?’ vroeg de pastoor. Vader knikte en zei: ‘We zijn de hele weg gevolgd door een wolvin.’ De pastoor knikte: ‘Ik weet dat er een gevaarlijke wolvin in de bossen rondloopt. Zij heeft zelfs mensen uit de boerderijen aangevallen. Daarom heeft de burgemeester de jagers eropuit gestuurd.’ ‘Ja, ik heb de jagers in de heuvels gezien,’ zei vader. ‘Maar de wolvin was hen te slim af,’ vervolgde de pastoor.

18


‘De jagers hebben wel haar welpen kunnen vangen en meegenomen. Een welp werd door een kogel geraakt. Maar de drie andere welpen worden nu verzorgd in het asiel. Later gaan ze naar de dierentuin. Wellicht is de wolvin daarom zo overstuur. Ze zal niet rusten tot ze haar welpen heeft gevonden.’ Marko had veel medelijden met de wolvin.

19


Een vreselijke ontdekking Marko stapte uit en vader vroeg hem of hij de paarden vast wilde houden. Terwijl vader en de pastoor verder praatten over de wolf, stapte Lola uit en ze rende naar een winkel in de buurt. Ze had geen last meer van de kou en drukte haar neus plat tegen het grote raam. Overal was speelgoed te zien. Marko aaide de paarden over hun neus. Hij voelde dat de dieren nog schichtig waren. Zij waren vast ook erg geschrokken van de wolvin. Vader liep naar de kist achteraan om de houten schaapjes eruit te halen. Meneer pastoor popelde om ze te zien. Zijn kerststal zou er veel mooier uitzien met de beeldjes. ‘Komen jullie even binnen voor een kom warme soep?’ vroeg hij. Iedereen knikte en moeder trok Lola weg van het uitstalraam. Daarna liep ze naar de slee om de slapende Otto wakker te maken. Otto had blijkbaar niets van de wolf gemerkt, want het was nog steeds stil op het achterbankje. Toen hoorde Marko een ijzige gil. Marko keek op en zag het witte gezicht van zijn moeder. Haar ogen waren wijd open en haar mond trilde. Ze wees naar de plaats waar ze Otto had neergelegd. De plaats was leeg.

20


Binnen een uur stond het plein vol met mensen. Het bericht was heel snel door de stad gegaan. Iedereen wist nu dat er een kleine jongen werd vermist. Men vermoedde dat hij uit de arrenslee was gevallen. Marko zweeg en door de tranen in zijn ogen kon hij niet goed zien. Hij voelde zich vreselijk schuldig, omdat hij niet goed op zijn broertje had gepast. Otto was tijdens de reis zijn schaapje verloren en hij had aan Marko gevraagd om het voor hem te zoeken. Marko kon het zich maar al te goed voorstellen wat Otto had gedaan. Misschien was het schaapje wel in de sneeuw gevallen. Misschien had Otto zich over de kist gebogen om te zien waar het schaapje lag. Misschien was hij toen ook uit de slee gevallen. Marko wilde niet verder nadenken. Hij zag steeds die gevaarlijke wolvin voor zich. De burgemeester riep alle jagers uit de stad bij elkaar. In een grote groep reden ze te paard de heuvels in. Ze hadden allemaal een geweer bij zich. Ondertussen bleef het maar sneeuwen. Moeder huilde omdat ze wist dat de sneeuw het zoeken moeilijk zou maken. Lola huilde omdat ze mama zag huilen.

21


Marko hield zijn lippen stijf op elkaar, maar het huilde binnen in hem. Kon hij nu maar mee gaan zoeken. Maar vader had gezegd dat hij bij moeder en Lola moest blijven. De vrouw van de burgemeester bakte pannenkoeken voor hen. Maar het smaakte niet. Marko kreeg geen hap door zijn keel. Hij moest steeds maar aan zijn broertje denken. Later in de middag werden moeder, Lola en Marko met de auto van de burgemeester terug naar huis gebracht. De auto had sneeuwkettingen om de banden zodat ze langs de gewone weg terug naar huis konden rijden.

22


De zoektocht Hun huis lag er donker bij en alles voelde somber en leeg aan zonder Otto. Alsof de nacht de donkerte als een kil deken over hun huis had gelegd. Moeder stak alle lichten aan en staarde steeds maar naar buiten. Toen Lola zeurde dat ze honger had, warmde Marko de soep op en sneed het brood in stukken. Hij kon zijn moeder nu beter met rust laten want die wilde niet weggaan van het raam. ‘Mama, zie je al iets?’ vroeg hij voor de honderdste keer. Moeder schudde haar hoofd, ze snikte, en Marko zag haar schouders schokken. Soms hoorden ze een luide knal en dan stoven Lola en Marko ook naar het raam. Maar ze zagen niets, want buiten was het nu helemaal donker. En het bleef maar sneeuwen. Voor de eerste keer in zijn leven haatte Marko de sneeuw en hij moest weer denken aan het gevoel dat hij die ochtend had gehad. Er hing toen iets dreigends in de lucht. Zijn nare voorgevoel was uitgekomen. Midden in de nacht kwam vader thuis samen met twee jagers. Moeder keek hem vragend aan. Haar angstige ogen waren gevuld met hoop.

23


Vader schudde zijn hoofd en hij liet zich op een stoel aan de tafel vallen. De jagers vertelden hoe ze overal sporen hadden gezien. Maar nergens hadden ze de wolvin ontdekt. ‘Ze lijkt van de aardbodem verdwenen,’ sprak de man met de donkere snor. ‘Overal waren er sporen van haar. Maar nergens een spoor van de kleine jongen,’ zei de andere jager. ‘We hebben wel iets anders gevonden,’ zuchtte vader. Hij opende zijn grote hand. Daarin lag het houten schaapje van Otto. ‘Het lag op de plaats waar de arrenslee over een grote tak is gegaan,’ zei hij. Er klonk een snik in zijn stem. Marko keek met grote ogen zijn vader aan. Hij kreeg geen woord over zijn lippen. ‘Toen moet Otto uit de slee zijn gevallen.’ Zijn grote handen aaiden het kleine schaapje. Morgen zouden de jagers weer gaan zoeken, vertelde vader. ‘We mogen de hoop niet opgeven,’ zei hij, maar in zijn ogen leek de hoop uitgedoofd. Moeder had de hele tijd niets gezegd. ‘We moeten blijven zoeken!’ sprak de jager. ‘Er mag geen minuut verloren gaan in deze koude.’ Marko dacht aan Otto. Waar was hij? Had hij het koud? Natuurlijk had hij het koud! Misschien was hij wel doodgevroren. Misschien had de wolf hem …

24


De mannen uit de stad werden in twee groepen opgedeeld. De ene groep zou overdag zoeken en de andere groep ’s nachts. Vader was bij de twee groepen aanwezig. Hij wilde overal bij zijn. Het kon zijn dat Otto ergens onder was gekropen om zich te beschermen tegen de kou. Kleine kinderen zijn soms slimmer dan we denken, had de burgemeester gezegd. Maar diep in hun hart geloofde niemand dat. Hoelang kan een kind in deze kou overleven? Marko had voorgesteld om mee te gaan zoeken, maar hij mocht niet mee. ‘Iemand moet voor moeder en Lola zorgen,’ zei vader. Marko kon niet slapen. In gedachten hoorde hij steeds het stemmetje van Otto. ‘Otto wil saapje. Otto wil niet donker. Otto bang van donker.’ Hij gleed zijn bed uit en liep naar beneden. Moeder lag op de bank en kreunde in haar slaap. Ze had haar nachtpon niet aangetrokken want ze wachtte tot de deur zou opengaan en Otto binnen zou komen. Otto zou niet komen, wist Marko. Moeder hield haar ogen dicht en haar hand omklemde een zakdoekje. Sliep ze? Of hield ze gewoon haar ogen dicht omdat ze zoveel verdriet had? ‘Je moet mams helpen,’ had vader gezegd.

25


Marko schoof een stoel naast de bank waar moeder lag en hij streelde zacht haar hand. Ze opende haar ogen en glimlachte flauw. Haar ogen waren rood en dik van het huilen. ‘Mama, zal ik koffie voor je maken?’ vroeg hij zacht. Ze schudde het hoofd, ging rechtop zitten en liep naar het raam. ‘Het is zo donker en zo koud!’ zei ze zacht. ‘Otto zal nooit de weg naar huis vinden. Het is te donker en hij is nog zo klein.’ De woorden ‘donker’ en ‘klein’ bleven in Marko’s hoofd nazinderen. Opeens wist hij wat hij moest doen. Hij moest erin blijven geloven. Otto moest de weg naar huis terugvinden!

26


Licht in het donker Hij zocht in het hele huis naar glazen potjes en restjes van kaarsen. In de schuur vond hij een doos met lege jampotjes. Daarin plakte hij katoenen draadjes die als lontje moesten dienen. Vervolgens smolt hij alle stukjes kaars in een pannetje op het vuur. Daarna goot hij het vloeibare kaarsvet in de glazen potjes. Hij wist precies hoe hij het moest doen, want vader had het hem geleerd. Zijn moeder kwam kijken waar hij mee bezig was. ‘Mams, ik wil heel veel brandende kaarsjes aan het hek en in de bomen hangen,’ zei Marko. ‘Misschien ziet Otto de lichtjes en weet hij waar hij heen moet lopen.’ Moeder knikte maar het duurde een tijdje voordat ze zijn woorden begreep. Toen hielp ze met lusjes in ijzerdraad te maken, zodat ze de potjes buiten konden ophangen. In de stilte van de nacht werkten ze samen aan de lichtjes. De geur van het gesmolten kaarsvet deed Marko aan Kerstmis denken. Toen alle potjes klaar waren, gingen ze naar buiten. Ze hingen de brandende kaarsjes in de bomen en aan het hek. Het hele erf zag er opeens vrolijk uit. Overal waar je keek, zag je dansende lichtjes. Marko had zelfs met de hulp van een ladder hoog in de boom lichtjes gehangen. Hij leek nu op de grote kerstboom op het plein in de stad.

27


Moeder glimlachte en zei: ‘Nu kan Otto de weg naar huis vinden.’ Marko zei maar niets, hij wilde het ook zo graag geloven. Maar als hij naar het donkere bos keek, wist hij dat het niet mogelijk was. Het was nog veel kouder geworden. Geen mens kon dit overleven, laat staan een kindje van twee jaar. Otto zou nooit meer naar huis komen. Hij zette de ladder weer weg en keek naar het gezicht van zijn moeder. Het kaarslicht verlichtte haar gelaat. Ze weende niet meer maar keek hoopvol naar de witte heuvel vlak voor haar. In de verte klonken er weer schoten. Hadden de jagers de wolf geraakt? Zou de wolf Otto hebben gevonden? Marko durfde de vraag niet hardop te stellen maar hij zag dat zijn moeder hetzelfde dacht. Weer knalde het in de lucht. De schoten waren deze keer dichter bij huis. Moeder pakte hem bij de schouders. ‘Kom, we gaan naar binnen. Daar is het veiliger dan hier.’ De klok sloeg drie uur en de nacht leek opeens minder donker door de kaarsjes buiten. Moeder was nu klaarwakker. Het leek wel alsof het maken van de lichtjes haar nieuwe hoop hadden gegeven. ‘Marko, we gaan koekjes bakken,’ zei ze. Om drie uur ’s nachts koekjes bakken? Marko vond het vreemd, maar hij voelde dat het goed was dat mams iets om handen had.

28


‘Otto is gek op kruidenkoekjes,’ zei moeder. Ze zette alles wat ze nodig had op tafel en ze bond haar schort voor. Marko voelde zich slaperig, maar geen haar op zijn hoofd dacht eraan om te gaan slapen. Hij moest bij mama blijven en voor haar zorgen. Mams brak de eieren en Marko klopte het eiwit tot sneeuw. Het zag er precies uit zoals de sneeuw buiten. Marko beet op zijn onderlip. Misschien lag Otto nu in de sneeuw. Misschien had de verse sneeuw van de voorbije nacht de kleine jongen helemaal toegedekt. Dan zouden ze hem zeker niet kunnen vinden. Dan zouden ze Otto pas vinden als het lente werd en de sneeuw gesmolten was. Marko wilde er niet aan denken en hij verbeet zijn tranen. Een uurtje later rook het hele huis naar kruidenkoekjes. Buiten klonken er weer schoten. Ze waren zo dichtbij dat het leek alsof ze in de tuin aan het schieten waren. ‘De wolf is in de buurt,’ zei moeder zacht. ‘Blijf weg van het raam, de jagers zijn niet zo ver van ons huis verwijderd.’ Nu zag haar gezicht zo wit als sneeuw.

29


Zo wit als sneeuw Opeens werd de deur met een slag opengesmeten. Vader kwam binnen met Karel en Victor, de twee andere jagers die eerder hier waren geweest. Ze waren bijna niet te herkennen door de sneeuw in hun haren en op hun kleren. Hun gezichten waren rood van de kou. Moeder gaf hen koffie en kruidenkoekjes. ‘Koekjes voor Otto,’ zei ze. ‘Proef maar eens, ik heb er genoeg. Genoeg voor Otto als hij weer naar huis komt.’ Even was het stil, papa beet op zijn onderlip en durfde moeder niet aan te kijken. Marko wachtte tot de mannen van de koffie hadden gedronken. ‘Waarom branden er zoveel kaarsjes op het erf en in de boom?’ vroeg vader. Marko gaf als eerste antwoord. ‘Ik kon niet slapen, want ik moest steeds maar aan Otto denken. Hij is bang in het donker. Toen ben ik potjes gaan zoeken en heb ik de kaarsjes gemaakt.’ Marko keek eerst naar zijn moeder en dan naar zijn vader. ‘Ik hoop dat Otto terugkomt, maar ik vrees dat we te laat zijn,’ zei hij zacht. De tranen prikten achter zijn ogen. Mams stond met een ruk op en riep: ‘Otto komt terug. Ik weet het! Ik voel het! Marko, ik wil niet dat je zegt dat we te laat zijn!’ Vader stond op en legde zijn hand op haar schouder maar ze schudde die van zich af.

30


31


Hij ging weer zitten en keek triest naar buiten. Het enige geluid in de kamer was het tikken van de klok. Vijf uur. Niemand at nog van de kruidenkoekjes. Niemand dronk zijn koffie leeg. Op wat werd er gewacht? Marko keek van de ene naar de andere. ‘We hebben de wolvin gezien!’ zei Karel opeens terwijl hij zijn snor krulde. Karel was de waard van de herberg ‘De Witte Wolf’. ‘Ik heb altijd geweten dat de Witte Wolf bestond,’ zei hij en hij klopte met een vuist op tafel. Victor knikte en vertelde verder. ‘De wolvin die we hebben gezien, was zo wit als sneeuw. Daarom was het zo moeilijk om haar te raken.’ ‘Is ze dood?’ vroeg Marko. De mannen schudden hun hoofd en vader zei: ‘Eerst dachten we dat het raak was, maar toen we haar zochten, vonden we haar niet. Er was nergens bloed te zien. Ik denk dat er nog één welp in leven is, want we hoorden ook het huilen van een welpje. Als we haar hol vinden, vinden we de wolvin en haar welp.’

32


Moeders gezicht was nog steeds zo wit als de sneeuw buiten. ‘Denken jullie dat de wolvin Otto te pakken heeft gekregen?’ Vader schudde het hoofd. ‘Van Otto hebben we geen spoor gevonden. Maar we geven het niet op. Er zijn nu nog steeds vier jagers op zoek naar onze kleine jongen. Wij gaan een uurtje rusten en daarna zoeken we verder.’ Toen het ochtend werd, kwamen de andere jagers naar het kleine huis onderaan de heuvel. Ze waren met lampen op zoek geweest en nu was het hun beurt om even te rusten en zich bij het vuur op te warmen. De jagers gingen bij de haard zitten. Marko hielp zijn moeder bij het ronddelen van warme koffie. Iedereen at uiteindelijk toch van de kruidenkoekjes. Straks zou er geen een meer over zijn, dacht hij, maar moeder zei er niets van. Marko zag aan haar gezicht dat ze niet meer dacht dat Otto nog leefde. Maar Marko wilde de hoop niet opgeven. Zonder dat iemand het merkte, nam hij het bord met de laatste kruidenkoekjes en zette het in de kast. Je wist maar nooit. Buiten waren alle kaarsjes opgebrand.

33


Witte Wolf Marko sliep tot ’s middags, zo moe was hij geweest. Hij was kwaad op zichzelf dat hij niet was meegegaan met de jagers. Hij bekeek het kaarsvet en zag dat hij de potjes nog één keer kon vullen. Deze keer hielp Lola hem. Marko keek naar de kerstboom in de huiskamer. Vanavond was het kerstavond, maar er zou geen feest gevierd worden. Lola en Marko werkten de hele dag door aan de kaarsenpotjes. Die dag werd het al om vier uur donker. Marko haalde ook het snoer met lichtjes uit de kerstboom en maakte het vast aan het hek. De kerstboom zouden ze vandaag toch niet nodig hebben. Met de kerstverlichting aan het hek, leek het erf opeens op een kermis. Toen hoorde hij de schoten vlakbij. Hij tuurde naar de heuvel en eerst kon hij zijn ogen niet geloven. Daar, pal voor hem, op nauwelijks vijftig meter van hem verwijderd, stond de witte wolvin. Ze staarde hem aan met haar gloeiende ogen. Ze zat half in de sneeuw en keek naar het verlichte huis en naar hem. Marko durfde geen stap meer te verzetten. Ook de jagers hadden het dier gezien. Marko hoorde zijn vader roepen: ‘Marko, ga naar binnen! Vlug!’ Maar Marko durfde zich niet meer te bewegen.

34


35


De wolvin kwam langzaam van de heuvel af. Alsof ze zich niet druk maakte om de mannen die hun geweer aanlegden. Toen klonk er een luide knal. De sneeuw bij de wolvin stoof op. De wolvin viel neer maar krabbelde weer recht. Het was gekwetst. De wolf sleepte zich in de richting van het huis. Steeds dichter naderde ze het verlichte erf. Steeds dichter naderde ze Marko. De mannen op de heuvel richtten hun geweer een tweede keer op de witte wolf. Opeens klonk een spervuur van schoten. De wolvin maakte een hoge sprong. Toen viel ze met een zware plof neer en bleef roerloos liggen. Moeder en Lola keken door de ramen naar buiten, met hun hand voor hun open mond gedrukt. Marko durfde zich nog steeds niet te bewegen. Daar, op vijftig meter van hem lag de wolvin. Een kolossaal, maar prachtig wit dier. Er verschenen rode vlekken in de sneeuw. Voorzichtig liepen de mannen naar voren. ‘Marko, blijf stilstaan,’ riep vader. ‘Een gewonde wolf kan nog steeds aanvallen!’ Marko bewoog niet, maar keek naar de wolvin die op haar zij lag. Haar ogen stonden open, net als haar bek. Ze hijgde. De mannen kwamen op hun tenen dichterbij. Er was niets meer te horen. De wolf bewoog nog steeds.

36


Ze keek Marko aan. Dat zou Marko nooit vergeten. Er klonk nog een schot uit vaders geweer. Het dier bewoog niet meer. De jagers liepen aarzelend naar de wolvin. Marko stond nog steeds stil en keek met grote ogen. Zijn hart bonsde in zijn lijf. Uit de bek van het dier vloeide bloed en de dode ogen blonken dof in het maanlicht. Toen hoorde Marko een vreemd geluid.

37


Wolfsmelk Hij begreep het niet, de wolf was toch dood? Waar kwam dat vreemde geluid vandaan? ‘De wolvin ligt op haar welp!’ riep Karel. ‘De welp leeft nog! We moeten het redden!’ Niemand durfde een stap te zetten. Toen hoorden ze een huilende stem en er verscheen vanonder de witte pelsvacht een kinderhandje. In een paar stappen stond vader bij het dier en begon uit alle macht te trekken. Wat was het dier zwaar! Met drieën kregen ze de wolf weggeschoven. Daar lag Otto, vuil en vol schrammen, nog half in een schapenvacht gewikkeld. Hij lachte toen hij zijn vader zag en strekte zijn armen uit. In zijn hand hield hij een houten beeldje vast: het was het houten kerstkindje. Het werd het grootste kerstfeest dat er in de stad ooit was gevierd. Otto was de held van de dag. De kleine jongen vertelde in peutertaal zijn verhaal. Hoe zijn schaapje was gevallen op de sneeuw. Hoe hij zijn schaapje terug wilde hebben. Hoe hij uit de arrenslee was gevallen toen hij zijn schaapje wilde pakken. Hoe de arrenslee was weggereden, de heuvel af. Hoe hij had geroepen en gehuild. Hoe de witte wolf was gekomen en hem had meegesleurd naar zijn hol.

38


39


Het hol was donker en hij was zo bang geweest. Hij had zo hard gehuild, maar de wolf had zijn tranen gelikt. Hij had het zo koud, maar de wolf had hem warm gehouden. En toen hij honger en dorst had, had hij mogen drinken bij de wolf. Het was niet zo lekker als de melk van mama of als de melk van zijn flesje. Witte Wolf was warm en lief. Witte Wolf had pijn, maar hij mocht geen pijn hebben, zei hij. Er stonden tranen in zijn ogen. Marko gaf hem de laatste kruidenkoekjes en Otto at ze snel op. Op kerstdag werd de witte wolvin begraven onder de boom in de tuin. En toen de lente kwam, bloeide er op die plaats een plant. De mensen hadden die plant nog nooit gezien. Hij had groene bloemen met in het hart een klein geel bloemetje. Net als een moeder die haar kindje draagt. Alleen de vader van Marko wist hoe het plantje heette. Het heette wolfsmelk.

40


Op weg naar de stad raakt de kleine Otto zijn familie kwijt. De wegen liggen bezaaid met sneeuw en het is ijskoud. Het is ook nog eens wolventijd … Zal Otto zijn familie terugvinden voor het te laat is?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Maarten Zerelik Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5 leerjaar - Kijker 3 - Thema 7 - N3 - Wolventijd by die Keure - Issuu