ucatieve uitgaven
De nachtegaal van Funen
BIEB
Noëlla Elpers
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
2
De nachtegaal van Funen
Hans Christian Andersen In de kleine stad Odense in Denemarken kwam op een grillige dag in april de ooievaar langs. In de stutbalken van de voorname1 vakwerkhuizen2 waren engelen, duivels en apostelen uitgehouwen, maar de huizen van de arme mensen waren klein en scheefgezakt. Werden de sluizen net op dat moment geopend en stroomde het water weg uit de rivier toen die vogel voorbijvloog? Daar beneden stopten de drie waterraderen van de molen met wentelen. Het water liep weg uit de rivierbedding en de vissen spartelden in de diepere kuilen. Had de ooievaar een zilveren vis zien opspringen? In elk geval dropte hij het kindje in een huisje vlak bij de rivier. In plaats van de boreling3 schepte de witzwarte vogel een vis op met zijn rode snavel. Hij vloog voort met vastberaden vleugelslagen. De sluisdeuren werden geopend en het water bruiste weer zoals voordien. De ouders van het kindje waren zo arm dat ze niet eens een bedje voor hem hadden. De vader, die schoenmaker was, timmerde een plank die overdag tegen de muur overeind werd gezet. 1
Overdag lag de kleine Hans Christian achter een gordijn in het bed van zijn ouders. Hij hoorde de vrouwen klagen als ze voor hun opgelapte schoenen moesten betalen. Hij hoorde de buurman spotten: ‘Ben je zeker dat die jongen jouw zoon is? Hij lijkt op de ooievaar met die lange beentjes en met die spitse neus.’ Toen Hans Christian drie jaar oud was, kwamen de Spaanse hulptroepen van Napoleon naar Odense. Ze sliepen op strobedden in de half afgebrande kerk. De jongen keek verwonderd naar de kleurrijke soldaten die door de straat marcheerden. De grootmoeder van Hans Christian maakte een vestje van kleurige zijde voor haar kleinzoon. Hans Christian stapte er fier mee over straat. Hij besefte niet dat hij er nu nog vreemder uitzag. Van lappenrestjes maakte hij kleertjes voor de poppen die zijn vader speciaal voor hem uit een stukje hout had gesneden.
2
Zijn grootmoeder stopte zijn hoofd vol vreemde ideeën. Háár familie was niet armtierig zoals die van Hans Christians moeder, zij was een dame van een rijke familie. Het was nooit de bedoeling geweest dat haar zoon schoenlapper zou worden. Dat zag je toch aan zijn boekenplank? Dat hoorde je toch als hij Hans Christian voorlas? Maar de familie Andersen had pech gehad: hun herenboerderij was afgebrand en alles was verloren gegaan. Nu moest grootvader de houten figuurtjes verkopen die hij zo kunstig kon snijden. Nu moest grootmoeder zelf mooie kleren naaien voor die arme Hans Christian. De jongen was dol op zijn grootmoeder, ze vulde zijn hoofd met fantastische verhalen. Op een dag trokken Duitse toneelspelers in optocht door de straten. Hans Christian vond dat prachtig, hij wilde onmiddellijk meedoen! Hij ging met zijn ouders naar de schouwburg om naar de voorstelling te kijken en was diep onder de indruk. Terug thuis maakte hij een theatertje voor zijn poppen en speelde het hele stuk na. ‘Jij moet later bij het toneel gaan!’ zei zijn vader. De moeder van Hans Christian besefte dat haar zoontje een dromer was. In het jaar 1811 stond Hans Christian met zijn ouders op een heuvelrug en zag hij een komeet aan de hemel verschijnen. Samen keken ze naar die vuurbal met zijn lange staart … ‘Er zijn verschrikkelijke dingen op til!’ zei zijn moeder verschrikt.
3
En het onheil kwam. Hans zijn vader was de armoede zat en werd tegen betaling soldaat bij het leger van Napoleon. Hans Christian bleef alleen achter met zijn moeder en grootmoeder. Zijn vader kwam terug uit de oorlog als een gebroken man. Hij was ziek en moest in bed blijven. Die winter vroor het dat het kraakte. Er stonden ijsbloemen op de ruiten. Zijn vader wees naar een ijsbloem die op een vrouw geleek. ‘Kijk eens, de ijsjonkvrouw komt me halen!’ zei hij schertsend4. Zelfs nu hij doodziek was, lachte hij nog om de bijgelovige prietpraat5 van zijn vrouw. Niet lang daarna stierf de vader van Hans Christian. Na de dood van zijn vader ging zijn moeder weer aan het werk als wasvrouw. Haar handen werden ruw van het schrobben en ze dronk weer vaker een glaasje. In de herfst nam zijn moeder hem mee om hop te plukken op het platteland. ‘s Avonds zat Hans Christian in de schuur tussen het boerenvolk bij de gloed van een brandend vat. Hij luisterde ademloos naar hun verhalen over spoken en voortekens6. Hij luisterde ook naar de sprookjes die de oude vrouwen vertelden.
4
De gedachte dat hij beroemd wilde worden, liet Hans Christian niet los. Maar hoe moest een arme jongen zoals hij dat aanpakken? Zijn moeder had geen geld en hij ging naar een school voor arme kinderen. Hans Christian begon verhalen te vertellen aan iedereen die het wilde horen om zijn talent als toneelspeler en danser te bewijzen. Zijn grootmoeder en andere vrouwtjes luisterden geamuseerd toe. De rijkere dames en heren wilden ook wel een keer horen wat die gekke jongen allemaal uitkraamde. Zelfs de mensen in de voorname huizen luisterden, Hans Christian gaf hen geen keuze. Hij kon prachtig zingen en in de zomer schalde zijn stem over de rivier. Vaak zaten de belangrijke mensen op dat moment in hun tuin thee te drinken en ze moesten hem wel horen.
5
‘Luister eens, dat is de nachtegaal van Funen!’ zeiden ze lachend tegen elkaar als ze die magere jongen hoorden zingen. Steeds meer mensen wilden de nachtegaal van Funen wel eens horen zingen. Ze lieten hem halen en gaven hem koekjes en geld. Een rijke heer nam hem zelfs een keer mee naar het kasteel van Odense. Daar ontmoette hij prins Christian, de latere koning van Denemarken. De prins zei dat het wel fijn was dat een jongen zoals Hans Christian zo mooi kon zingen, maar dat hij daar geen brood mee kon kopen. Als Hans Christian bereid was een vak te leren, wilde de prins wel voor die studie betalen. Maar Hans Christian wilde helemaal geen vak leren! Hij vertelde aan iedereen dat hij een beroemd danser en toneelspeler wilde worden. Toen hij veertien was, maakt hij zijn spaarpot leeg en vertrok hij naar Kopenhagen. Ook in Kopenhagen trok Hans Christian door zijn uitbundige gedrag de aandacht van danseressen, rijke mensen en schrijvers. Hij wilde danser worden maar de theaterdirecteur weigerde hem aan te nemen: die jongen was veel te lang en te dun. Daarna klopte hij aan bij het huis van de Italiaanse dirigent van het theaterkoor, de heer Sobini. Het dienstmeisje kreeg medelijden met hem en liet hem binnen. Hans Christian zong voor de gasten van Sobini. Ze klapten en zamelden geld in.
6
Van Sobini mocht hij zes maanden meedoen aan de koorrepetities. Maar toen kreeg Hans Christian jammer genoeg de baard in de keel7 en werd hij weggestuurd. Hij weigerde met hangende pootjes naar huis terug te keren en droeg voor en zong voor wie het maar wilde horen. Hij raakte bevriend met een danser en kon zo de dansrepetities bijwonen. Met zijn lange armen en benen zag hij eruit als een hoppende sprinkhaan, dus meedansen mocht hij niet. Als figurant8 schraapte hij geld bijeen en op die manier kon hij alle voorstellingen bekijken vanuit de coulissen9. Plots kreeg hij het idee om zelf toneelstukken schrijven. Hij schreef er drie en stuurde ze op naar het theater. De stukken stonden vol taalfouten en werden afgewezen, maar na het derde toneelstuk werd hij uitgenodigd door theaterdirecteur Jonas Collin. Die zei dat je geen toneelstukken kon schrijven als je niet kon spellen. Hans Christian was zeventien en met zijn lange armen en benen zat hij nu op de schoolbanken tussen leerlingen die vijf jaar jonger waren. Opstellen schrijven was het enige wat hij goed kon. Hans Christian werd vaak belachelijk gemaakt door meester Meisling. Hij bad elke nacht dat die strenge meester ‘s morgens dood zou zijn.
7
Maar het werd nog erger: meester Meisling verhuisde en Hans Christian moest mee. Hij voelde zich als een gevangen vogel die niet meer mocht zingen. Hij schreef een droevig gedicht en daarna voelde hij zich opgelucht. Hans Christian werd alsmaar bekender als dichter en oogstte veel bijval10 met zijn sprookjes. Hij had verwacht dat het geweldig zou zijn om beroemd te zijn: iedereen zou hem prijzen en bewonderen. Maar de werkelijkheid viel tegen, beroemd zijn was lang niet zo aangenaam als hij had gedacht. Hij kreeg veel kritiek op zijn werk, niet alleen van zijn vijanden, maar ook van zijn vrienden. Hij wilde aan iedereen zijn gedichten voorlezen, maar dat werd niet altijd op prijs gesteld. Sommige mensen lachten hem nog steeds uit.
8
In het huis van Jonas Collin werd hij altijd hartelijk ontvangen, maar ook hij spaarde zijn kritiek niet. Hans Christian kon grappig zijn, maar wilde altijd in het centrum van de belangstelling staan en geprezen worden. Hij werd verliefd op Louise, een van de dochters van Jonas Collin, maar zij trouwde met een ander. Zijn hele leven lang wilde Hans Christian bevriend zijn met Edvard, de zoon van Collin, maar die bleef afstandelijk. Daar was Hans Christian vaak ongelukkig om. Het pad van de beroemde dichter ging dus niet bepaald over rozen. Andersen kreeg een beurs van de koning en vertrok op reis naar Italië, naar een land van kleur en zonneschijn om zijn verdriet te vergeten. Al wat hij onderweg schreef, stuurde hij op naar Edvard. Die verbeterde de spelfouten en zorgde voor zijn geldzaken. Dat bleef hij trouw doen, tot op het einde van Hans Christians leven. Hans Christian maakte tijdens zijn leven zevenentwintig langdurige reizen doorheen Europa, Turkije en de noordkust van Afrika. Hij werd uitgenodigd voor chique diners en logeerde in kastelen bij hertogen, graven en baronnen. Hij reisde per koets, per schip en per trein. Reizen was in die tijd een gevaarlijke onderneming. Hij was bevreesd voor vreemde ziekten en was voortdurend bang dat hij bestolen zou worden. In Kopenhagen woonde hij in gehuurde kamers en verlangde hij om weg te vliegen. En als hij weg was, wilde hij niets liever dan terugkeren.
9
Maar toch, elk jaar vertrok hij weer uit Kopenhagen met zijn paraplu, zijn hoge hoed en een touw om langs omlaag te glijden in het geval er brand uitbrak in het hotel. Hij ontmoette beroemde dichters, schilders en componisten en werd overal als een beroemdheid ontvangen. Toen Hans Christian Andersen tweeënzestig was, werd hij in zijn geboortestad Odense uitgeroepen tot ereburger. De burgemeester haalde hem persoonlijk op en het stadhuis was vol feestelijk uitgedoste mensen. Er kwamen berichten van zijn vrienden en van de koning zelf. Toen Hans Christian Andersen voor het open raam verscheen, zag hij dat het plein met fakkels verlicht was en vol mensen stond. Spijtig genoeg had Hans Christian op dat moment verschrikkelijk veel kiespijn en kon hij er niet van genieten. Op het einde van zijn leven was Hans Christian Andersen wereldberoemd, maar ook daar heeft die eenzame vogel niet ten volle van genoten.
10
Hans Christian Andersen schreef 156 sprookjes. Ik heb ‘Het dennenboompje’ gekozen omdat het sprookje mijn gevoel voor taal wakker maakte. Het boompje doet me denken aan de schrijver zelf, maar natuurlijk zit Hans Christian Andersen verstopt in al zijn sprookjes. Ik koos het sprookje ook omdat ik het elk jaar zielig vind om de kerstboom na Kerstmis weg te gooien. Met dank aan alle kerstbomen volgt hier het verhaal ‘Het dennenboompje’.
11
Het dennenboompje Door Hans Christian Andersen Bewerkt door Noëlla Elpers
Op een open plek in het woud stond een lief dennenboompje. Het stond in de zon en er was lucht genoeg. Rondom stonden zijn vrienden: grote dennenbomen en sparren. De kleine dennenboom wilde zo snel mogelijk groot zijn. Hij dacht niet aan de warme zon en de open lucht. Hij had geen plezier in het gebabbel van de boerenkinderen die in het gras en de struiken naar aardbeien en bosbessen zochten. Met een schaaltje vol bosaardbeien zetten ze zich neer bij de kleine dennenboom. Ze regen de aardbeien aan een strootje en stopten ze zo in hun mond. ‘Wat een lief, klein dennenboompje is dit,’ zei een meisje en ze aaide een van zijn takjes. Maar de dennenboom wilde dat helemaal niet horen! Hij wilde niet lief zijn en zeker niet klein. In het volgende jaar was hij al een takkenkrans groter geworden, en het jaar daarop kreeg hij nog een krans van takken bij. Bij een dennenboom kun je immers aan de kransen zien hoe oud hij is. ‘Ach, was ik maar net zo groot als de andere bomen,’ zuchtte het kleine boompje. ‘Dan kon ik mijn takken ook zo ver uitspreiden en met mijn mastentop de wijde wereld zien. De vogels zouden hun nest in mijn takken kunnen bouwen en als de wind waait, kan ik net zo deftig knikken als mijn buren!’
12
Het boompje had helemaal geen plezier meer in de zonneschijn, de vogels en in de rozerode wolkjes die ’s morgens en ’s avonds boven zijn hoofd zweefden. In de winter, toen er rondom glinsterende sneeuw lag, kwam er vaak een haasje voorbij dat zo maar over hem heen hupte! O, wat ergerde het dennenboompje zich daar aan … Er gingen twee winters voorbij en in de derde winter was het boompje zo groot, dat het haasje een ommetje moest maken. Het boompje was blij. Groeien, groeien en groot en oud worden, dacht hij. Dat is het enige geluk in de wereld! In de herfst velden de houthakkers altijd een paar van de grootste bomen. Het jonge boompje dat nu al flink gegroeid was, beefde: de krachtige bomen vielen kreunend en krakend op de grond. De takken werden van hun stam gehakt en de bomen zagen er kaal, lang en smal uit. Je herkende ze niet meer! Dan werden ze op een kar geladen die door paarden uit het woud werd getrokken. Waar gingen zij heen? Wat stond hen te wachten? In het voorjaar, toen de zwaluwen en de ooievaars terugkwamen, vroeg het boompje: ‘Zeg eens, waar zijn de grote bomen naartoe? Waar zijn ze heen gebracht? Zijn jullie ze tegengekomen?’ De zwaluwen wisten van niets, maar de ooievaar dacht diep na en knikte met zijn kop: ‘Tja,’ zei hij, ‘ik geloof dat ik het weet.
13
Ik kwam veel nieuwe schepen tegen toen ik uit Egypte kwam. Er stonden prachtige masten op. Ik zou erom durven wedden dat zij het waren. Zij geurden naar dennenhout.’ ‘O, was ik maar groot genoeg om over de zee te varen,’ zuchtte het boompje. ‘Zeg eens, vadertje ooievaar, wat is dat eigenlijk: de zee, hoe ziet die eruit?’
‘Tja, dat is te ingewikkeld om uit te leggen, daar is geen beginnen aan,’ zei de ooievaar en hij wandelde deftig weg. ‘Wees toch blij dat je jong bent,’ zeiden de zonnestralen. ‘Wees blij dat je zo fris groeit en geniet van je jeugd zo lang het kan! De wind kuste het boompje en de dauw weende van tederheid om zijn jonge leven, maar dat begreep het dennenboompje niet, hij dacht aan andere dingen.
14
Rond kersttijd werden er heel jonge bomen geveld. Bomen die niet eens zo groot waren als de kleine dennenboom. Die jonge boompjes waren de mooiste van allemaal en ze mochten hun takken houden. Ze werden ook op een kar gelegd en vlugge paarden brachten ze het bos uit. ‘Waar gaan die naartoe?’ vroeg de dennenboom. ‘Ze zijn niet groter dan ik en ze mogen hun takken houden! Waar rijden ze heen?’ ‘Wij weten het,’ kwetterden de spreeuwen. ‘In de stad hebben wij door de vensters gepiept. Wij weten wel waar ze naartoe gaan. Ze worden in een tobbe met zand geplant en worden dan prachtig versierd, onvoorstelbaar! Wij hebben het gezien. Daar stonden ze dan, midden in een warme kamer. Tussen hun takken glansden vergulde appeltjes, honingkoeken en honderden lichtjes!’ ‘En dan?’ vroeg het boompje met trillende takken van opwinding. ‘En dan? Wat gebeurde er toen?’ ‘Tja, dat hebben we niet gezien en dat kunnen wij dus ook niet vertellen. Maar wat we gezien hebben, zag er fantastisch uit!’ ‘Als ik toch eens bestemd was voor zo’n schitterend lot,’ zuchtte het dennenboompje. ‘Dat zou nog veel beter zijn dan over zee te varen. Ach, was het maar Kerstmis! Ik ben nu groot genoeg, en even fris als de anderen die het vorige jaar werden meegenomen. Lag ik maar op die kar en stond ik alvast in die warme kamer met al die pracht en heerlijkheid tussen mijn takken. En dan … Dan komt er vast nog iets beters … Waarom zouden ze mij anders zo mooi versieren? Er moet nog iets komen! O, ik beef van verlangen, ik weet niet wat er met mij aan de hand is …’
15
‘Wees toch blij met ons,’ fluisterde de lucht en het zonlicht sprak: ‘Schep genoegen in je frisse jeugd en in de vrijheid.’ Maar de dennenboom was niet blij. Toch groeide hij alle dagen een beetje en winter en zomer stond hij daar, met zijn donkergroene kransen. De mensen, die hem zagen, zeiden: ‘Wat een prachtige boom!’ Tegen kersttijd werd de dennenboom als eerste omgehakt … De bijl sneed diep door het merg. De dennenboom viel met een zucht op de grond. Hij voelde een snijdende pijn en kon helemaal niet aan geluk denken. Het enige wat hij dacht, was dat hij nu van huis zou gaan, weg van zijn vertrouwde plek waar hij zo weelderig opgegroeid was. Hij bedacht dat hij zijn oude makkers, de struiken en de bloemen, nooit meer zien zou, misschien zelf de vogels niet meer! Weggaan was dus helemaal niet zo vrolijk als hij het zich had voorgesteld. De dennenboom kwam weer tot zichzelf toen hij op een binnenplaats lag tussen andere dennenbomen. ‘Deze hier is recht en mooi,’ hoorde hij een man zeggen. ‘Die willen we hebben!’ Twee nette bedienden droegen de dennenboom een mooie zaal binnen. Aan de muren hingen fraaie schilderijen, en naast de tegelkachel stonden enorme Chinese vazen met leeuwen op het deksel. Er stonden zijden sofa’s en grote tafels in de kamer. De tafels lagen vol prentenboeken en speelgoed. De dennenboom werd rechtop in een grote tobbe gezet die met zand gevuld was. Niemand kon zien dat het maar een tobbe was, want zij werd aan alle kanten met dennengroen behangen en ze stond op een kleurig tapijt. De dennenboom beefde van geluk! Wat zou er toch gaan gebeuren?
16
Dat merkte hij snel genoeg. De mevrouw van het huis sierde hem op, samen met de bedienden. Aan zijn takken hingen ze kleurige papieren zakjes die gevuld waren met suikergoed. Vergulde appels en walnoten werden aan zijn takken vastgemaakt alsof ze ermee vergroeid waren! Honderden rode, blauwe en witte kaarsjes werden vastgepind in zijn kroon. Poppen die precies op mensen leken zweefden in het groen. De dennenboom had nog nooit zulke poppen gezien: ze zagen eruit als echte mensen! Hoog in zijn top werd een ster van klatergoud bevestigd. Het was schitterend, echt schitterend! ‘Vanavond,’ zei iedereen, ‘vanavond zal hij pas echt mooi zijn!’ O, dacht de boom, was het al maar avond … Zullen ze dan eindelijk de lichtjes aansteken? En wat gebeurt er dan? Zullen de andere bomen uit het woud naar mij komen kijken? En de spreeuwen? Zullen zij met hun bek tegen het raam tikken als ze mij zo zien? Zal ik hier vastgroeien en winter en zomer zo mooi opgesierd blijven staan?
17
Eindelijk werden de kaarsjes aangestoken. Wat een warme glans, wat een pracht! De boom trilde van vreugde, hij beefde zo dat een van de kaarsjes het groen in brand stak en hem lelijk schroeide. De vrouw des huizes schrok en blies de vlam haastig uit. Nu durfde de boom zich niet meer te verroeren, zo bang was hij om vuur te vatten of om iets van zijn glans te verliezen. De dubbele deuren gingen open en een bende kinderen stormde de kamer in, zo snel alsof ze de boom omver wilden lopen. De grote mensen kwamen rustig achter hen aan. De kleintjes kwamen nu ook dichterbij en keken met glanzende ogen naar al dat moois. Maar dat duurde niet lang! Ze juichten en huppelden en dansten rondom de dennenboom. Het ene geschenk na het andere werd uit zijn takken gerukt. Wat doen ze nu? dacht de boom angstig. En wat gaat er nog gebeuren? De kaarsjes brandden op tot op de takken en telkens als er één opgebrand was, werd het haastig uitgeblazen. Toen alle kaarsjes gedoofd waren, mochten de kinderen de boom leegplukken. De takken van de dennenboom kraakten. Als de top van de boom, met de gouden ster erop, niet aan het plafond was vastgemaakt, dan zou de dennenboom zeker omgevallen zijn door al dat jong geweld. De kinderen dansten met hun schat van speel- en suikergoed in het rond. Geen kind keek meer om naar de boom.
18
Enkel de oude kindermeid speurde tussen de takken om te zien of er nog een vijg of een appel vergeten was. Zij vond er nog maar twee en het waren niet eens de beste. Toen begon de kindermeid te vertellen. Ze vertelde en ze bleef maar vertellen. Het ene verhaal na het andere. Zulke verhalen vertelden de vogels in het woud niet. De dennenboom luisterde er met verstomming naar. Hij verzonk diep in gedachten. Dat was niet erg, want niemand keek nog naar hem om. ’s Morgens kwamen de knecht en de meid de kamer in. Nu begint de pret opnieuw! dacht de boom. Maar dat was niet zo. De knecht en de meid sleepten hem de kamer uit, de trap op, helemaal tot op de zolder. Ze zetten de dennenboom in een hoek waar het daglicht nauwelijks doordrong. Wat betekent dat nu weer? dacht de boom. Wat moet ik hier? En wat zal ik hier te zien en te horen krijgen? Hij leunde droevig tegen de muur en piekerde en piekerde … Hij had tijd genoeg om na te denken want vele dagen en nachten gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. Hij stond daar maar te suffen. En eindelijk kwam er toch iemand! De dennenboom veerde op, hij dacht dat ze hem kwamen halen. Maar nee, ze schoven enkel een grote kast tot in de hoek. De dennenboom stond nu helemaal achter die kast verscholen ...
19
Ach, nu is het buiten winter, dacht hij. De aarde is hard en met sneeuw bedekt. De mensen kunnen mij nu niet planten. Ze bewaren mij vast tot in het voorjaar! Dan zijn ze toch nog bezorgd om mij ... O, als het hier maar niet zo donker was en zo eenzaam. Er komt niet eens een haasje voorbij. Als er sneeuw lag en de hazen huppelden, dan sprongen ze gewoon over mij heen! Dat kon ik toen niet uitstaan, maar nu zou het mij juist opvrolijken. ‘Piep, piep!’ zei een kleine muis. Ze trippelde over de houten vloer. En kijk: daar was er nog één! De muisjes snuffelden aan de boom en kropen tussen zijn verdorde takken. ‘Het is hier v-v-verschrikkelijk k-k-koud,’ zeiden ze. ‘Het is me n-nogal wat, nietwaar oude d-d-dennenboom?’ ‘Ik ben helemaal niet oud!’ bromde de dennenboom. ‘In het woud staan bomen die veel ouder zijn dan ik.’ ‘Hoe kom je dan hier t-t-terecht? Wat is dan jouw v-v-verhaal?’ zeiden de muisjes nieuwsgierig. ‘Kom op! V-v-vertel ons wat je van de wereld gezien hebt. Ben je in de v-v-voorraadkamer geweest, waar de k-k-kaas ligt en de hammen hangen?’ ‘Daar weet ik niets van!’ zei de boom. ‘Maar ik kan over het bos vertellen. Over het woud waar de zon schijnt en de vogels zingen.’ En toen vertelde de dennenboom over zijn jeugd. Hij vertelde en hij bleef maar vertellen. Het ene verhaal na het andere. Zulke verhalen hadden de kleine muizen nog nooit gehoord. Ze luisterden en zeiden: ‘Wat heb jij v-v-veel gezien, en hoe g-ggelukkig ben jij g-g-geweest!’ ‘Ik?’ zei de dennenboom verbaasd. Hij dacht eens na over wat hij verteld had. ‘Ja!’ zei hij toen tegen zichzelf: ‘Daarbuiten beleefde ik vrolijke dagen …’
20
En daarna vertelde hij over die kerstavond, toen hij met speelgoed en koek en lichtjes versierd was. ‘O!’ riepen de muisjes uit. ‘Wat ben jij t-t-toen g-g-gelukkig geweest, oude d-d-dennenboom!’ ‘Ik ben nog niet oud!’ antwoordde de boom knorrig. ‘Deze winter ben ik pas uit het bos gekomen!’ Maar dankzij het gezelschap van de muisjes voelde hij zich toch wat minder eenzaam. De volgende nacht brachten de twee muizen zes andere mee om naar de dennenboom te luisteren. Ook die muisjes luisterden met plezier naar wat de boom vertelde. En hoe meer de dennenboom vertelde, hoe duidelijker hij zich alles herinnerde. Het waren toch echt vrolijke dagen, dacht hij. Ik hoop dat ze nog eens terugkomen.
21
Maar op een nacht had hij niets meer te vertellen. De sprookjes, de verhalen uit zijn jeugd, de verhalen die hij van de kindermeid had gehoord: ze waren op. En toen bleven de muisjes één voor één weg. De dennenboom zuchtte: ‘Het was toch zo aardig toen die beestjes zo lief naar mij luisterden. Maar nu is dat ook alweer voorbij. Ik hoop maar dat ik in het voorjaar nog eens buitenkom.’ Tja, maar wanneer zou dat gebeuren? Het werd alle dagen warmer, het was bijna zomer en de dennenboom begon te wanhopen. Hij stond nog steeds in die hoek achter de kast! Op een morgen was het eindelijk zover! De meid en de knecht kwamen de zolder schoonmaken. De kast werd opzijgezet en de boom kwam tevoorschijn. De knecht smeet hem ruw op de grond en dat deed pijn! Maar zo kwam hij toch een keer uit die schuilhoek vandaan. De meid en de knecht droegen hem naar beneden, maar ze lieten hem vallen. Zijn takken krakten toen hij de trap af tuimelde, maar hij was eindelijk buiten! Nu begint het leven opnieuw! dacht de boom. Hij voelde de frisse lucht, hij zag de zonnestralen. Ja, nu was hij weer buiten in de tuin! Het ging allemaal zo snel, de dennenboom had te weinig tijd om rond te kijken. De tuin lag naast een andere tuin waar alles in bloei stond. Daar ruiste de wind zo fris en geurig. De hoge lindebomen bloeiden en de zwaluwen vlogen vrolijk gierend voorbij.
22
Nu ga ik eindelijk weer leven! dacht de dennenboom, en hij probeerde zijn takken uit te spreiden. Maar ach, ze waren gebroken en verdroogd. Zijn naalden waren bruin en hij was stoffig. Hij had veel te lang in die hoek gestaan tussen het ongedierte en de spinnenwebben. In de tuin speelden een paar kinderen die met Kerstmis rondom de boom hadden gedanst. Een kleine jongen rukte de gouden ster van de boom. ‘Zie eens,’ zei hij, ‘dat zit nog aan die lelijke oude dennenboom!’ En hij trapte op de takken tot die kraakten onder zijn laarsjes. De dennenboom keek naar al die geurige bloemen en naar de frisse kinderen in de tuin en toen keek hij naar zichzelf. Hij wenste bijna dat hij maar in die donkere hoek was blijven staan, zo beschaamd was hij. Hij dacht weer aan zijn jeugd in het bos. Wat had hij ernaar verlangd om er weg te komen! ‘Het is voorbij,’ zuchtte de dennenboom, ‘allemaal voorbij. Ach had ik maar van mijn jeugd genoten toen het nog kon! Maar die tijd komt nooit terug.’ Kort daarna kwamen er twee houthakkers. Ze zaagden en kapten de dennenboom in kleine stukjes. Ze staken de boom in brand. De kinderen sprongen rondom het vuur en speelden. Ze deden het zuchten en snikken van de vlammen na. Bij iedere zucht dacht de stervende boom nog aan een zomerdag of aan een winternacht, daarbuiten in het bos. Hoe de sterren flonkerden en hoe hij in de kerstnacht voor het laatst dat vrolijke, verre twinkellicht gezien had.
23
Woorduitleg 1 2
voornaam = belangrijk vakwerkhuis = een huis gebouwd uit houten balken en met witte leem ingevulde vlakken 3 boreling = pasgeboren kindje 4 schertsend = voor de grap 5 prietpraat = onzin 6 voorteken = voorspellend teken 7 de baard in de keel = stemverandering in de pubertijd bij jongens 8 figurant = acteur die een heel kleine rol speelt 9 coulissen = beweegbaar zijstuk van het toneeldecor 10 bijval oogsten = succes hebben
24
Heb je ooit al gehoord van Hans Christian Andersen? De Deense schrijver schreef 156 sprookjes, waaronder ‘Het dennenboompje’. Lees en ontdek waarom de mensen hem de nachtegaal van Funen noemden …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Hanne Holvoet Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.