ucatieve uitgaven
Het geheim van kamer 6
BIEB
Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
2
Het geheim van kamer 6
1
Op één dag was alles verhuisd. Dozen en nog eens dozen. Meubels en tuingerief. Kleren, speelgoed, huisraad1, boeken en nog veel meer. Mon had nooit gedacht dat een mens zoveel dingen kon hebben. Vaarwel huis in de Nachtegalenstraat! Dag nieuw huis in de Duinenlaan! Mon moet nog aan het idee wennen. Hij woont nu in een huis niet zo ver van het strand en hij weet nog steeds niet of hij leuk vindt of niet. Het nieuwe huis is oud, supergroot en het is nog van oma en opa geweest. Pa heeft er zijn jeugd doorgebracht. Er zijn zoveel kamers dat Mon de tel is kwijtgeraakt. ‘Ooit was dit een klein familiehotel,’ zei zijn vader. ‘Er konden hier zes gezinnen op vakantie komen.’ Ook de tuin is reusachtig groot en voor de hond is het een paradijs. Elke dag stoeit Lobbes tussen de bomen. Maar voor Mitte en Mon is alles nieuw: Mitte is al begonnen met haar speelgoed uit de dozen te halen. Op de vloer liggen haar knuffels en poppen verspreid. Ook haar kleurkrijtjes en schilderdoos liggen er tussen papier en prentenboeken. Mon heeft nog geen zin om zijn dozen uit te pakken. Het huis voelt raar aan. En hij verlangt naar zijn vorig huis.
2
Het is hier veel kouder en veel guurder dan in de stad. Als Mon naar buiten kijkt, ziet hij in de verte de duinen liggen. Daar achter strekt de zee zich uit. Ze ligt er grijs en verlaten bij. De zomer is voorbij en heeft het heldere blauw van lucht en licht met zich meegenomen. Alleen de wind is achtergebleven. Vandaag raast hij om het huis en doet de luiken voor de ramen klepperen. De wind lacht. Het is een griezelig geluid. De takken zwiepen tegen de ramen. ‘Het lijkt wel spookweer,’ zegt Mon. ‘Mon, je zult het hier snel gewend zijn,’ zegt Ma terwijl ze de gordijnen bovenaan vastmaakt. Pa knikt: ‘Nog enkele maanden geduld en dan is het weer zomer. Dan kunnen we de roeiboot uit de garage halen en dan gaan we samen vissen op zee.’ Mon knikt en denkt aan een heerlijk boottochtje met pa op zee. Hij durft het niet te zeggen tegen ma en pa. Hij is bang. Bang voor de wind en bang voor het nieuwe huis. Bang voor de gesloten kamers boven waar de wind nog meer tekeergaat. Niemand mag weten dat hij een broekschijter is. Stel je voor: een jongen van bijna 11 jaar die bang is.
3
Vooral zijn zusje mag het niet weten, want zij is veel jonger dan hij. Mitte loopt zingend door het huis. Ze houdt van de nieuwe woning. Net als ma en pa. Ze lopen glimlachend door het grote huis. Deze zomer zal het hotel weer opengaan. Ze geraken er maar niet uit welke naam ze het zullen geven. Pa wil het hotel ‘Zeezicht’ noemen en ma is meer voor de naam ‘Duinenrust’.
4
Er is echter nog heel veel werk te doen. Beneden is alles nog in goede staat, maar boven moeten de kamers helemaal worden heringericht. Hier en daar moeten er dingen gerepareerd worden. Pa heeft hen uitdrukkelijk gezegd niet in de gesloten kamers te komen. Het is er veel te gevaarlijk! Waarom, zegt hij niet. Mon moet weer denken aan een verhaal dat opa een tijd geleden had verteld. Over een vrouw die hier rondspookte. Het is raar, maar Mon is bang voor de gesloten kamers boven. Het lijkt wel alsof de wind daar nog harder giert dan beneden. Vooral kamer 6. De deur klappert en er komen geluiden uit de kamer die hij niet kan thuisbrengen. Deze morgen moest hij van ma een doos naar boven brengen en ergens in de gang neerzetten. Hij legde zijn oor tegen de deur van kamer 6 en luisterde met een kloppend hart. Hij hoorde alleen het lied van de huilende wind. Of was het de geest van de vrouw?
5
6
Mon loopt met gefronste wenkbrauwen door het huis. Waar is Smirna? Hij heeft de poes de hele dag nog niet gezien. Ze heeft haar kommetje melk laten staan. Ze is ook niet komen bedelen om een stukje vlees. Hij roept: ‘Smirna?’ Misschien is ze er wel vandoor. Weggelopen. Terug naar het vorige huis. Het zou best kunnen, dat gebeurt soms met poezen. ‘Heb jij Smirna gezien?’ vraagt hij aan Mitte. Ze schudt haar hoofd en speelt verder. Mon weet dat hij nu het best niets aan zijn ouders vraagt. Alles moet worden uitgepakt. Alles krijgt een nieuwe plaats. ‘Er is nog veel te doen,’ zegt ma. ‘Ik kom handen tekort.’ Misschien heeft pa Smirna gezien. Pa is in de zitkamer aan het werk. Hij geeft de boeken een plaatsje op de hoogste plank. Alles wordt netjes op volgorde gezet. Soort bij soort en op alfabet. ‘Pa, Smirna is al drie dagen weg.’ Pa antwoordt niet. Zijn hoofd is even verdwenen tussen de boeken op de plank. Zijn benen trillen op het wankele trapladdertje.
7
Hij neemt een dik boek en wrijft het stof van de kaft. Hij kijkt verstrooid naar Mon. ‘Heb je echt overal gezocht?’ Mon knikt en geeft enkele dikke boeken aan. Hij vertrouwt het wankele laddertje niet. Opeens tikt een tak tegen de ruiten. Mon schrikt. ‘Ik hou er niet van als de wind zo tekeergaat,’ zegt hij meer in zichzelf dan tegen pa. ‘Ik vind het akelig. Het lijken wel stemmen. Stemmen van geesten of spoken.’ Nu kijkt Pa wel naar Mon. Voorzichtig komt hij van het laddertje. Voetje voor voetje. Hij glimlacht. ‘Mon, kun jij een geheim bewaren?’ Mon knikt. Natuurlijk kan hij dat. Mitte niet, zij praat altijd onmiddellijk haar mond voorbij. ‘Toen ik zo oud was als jij, hoorde ik ook de stemmen van de wind. Mijn broers lachten me uit. Daarom zweeg ik erover.’ Mon kijkt verwonderd naar pa. ‘Was jij bang van de wind?’ Pa knikt. ‘Ik was ook bang van het donker. Maar dat kwam natuurlijk ook door wat er is gebeurd in het hotel. En wat opa erover vertelde.’ ‘Wat deed je als je bang was?’ vraagt Mon.
8
Pa fluistert: ‘Ik kroop stilletjes in de bezemkast onder de trap. Daar kun je de wind niet horen. Met mijn zaklamp erbij natuurlijk.’ Pa grinnikt en Mon grinnikt mee. Hij ziet het voor zich: die grote sterke vader van hem in de bezemkast! Ze moeten er beiden om lachen. Hun geheimpje! Pa neemt de volgende doos met boeken. Maar Mon moet de hele tijd denken aan die woorden: ‘… dat wat er is gebeurd in het hotel. En wat opa erover vertelde …’ ‘Wat vertelde opa dan?’ ‘Ach, die toestand met die vrouw. Ik was nog klein toen het gebeurde,’ zei pa. ‘Vertel!’ Mon wil het weten. Pa komt van de ladder af en zet zich op een stapel boeken. ‘Ik was zes jaar toen het gebeurde. Een man en een vrouw logeerden in dit hotel. Ze hadden ook een grote hond mee. Een vreselijk, harig monster die naar iedereen gromde en zijn tanden liet zien. De mensen hadden voor een week geboekt. In plaats van te genieten van het strand, de zon en de zee, maakten ze de hele dag ruzie in hun kamer.’
9
‘En dan?’ vraagt Mon. Hij zet zich ook op een stapel boeken. ‘Op een dag was de vrouw verdwenen,’ zegt Pa. ‘Ze kwam ‘s morgens niet ontbijten en ook bij de andere maaltijden was ze niet te zien. “Ze voelt zich niet lekker,” zei de man. Maar het kamermeisje mocht de kamer niet binnen om het beddengoed te verversen. Er was iets aan de hand. Iedereen voelde het.
10
Toen de week om was, verliet de man met zijn hond het hotel zonder vrouw. Hij droeg twee koffers naar de auto. Van de vrouw was geen spoor te zien.’ ‘En wat gebeurde er toen?’ vraagt Mon. Ook al maakt het verhaal hem nog banger, hij wil alles horen. ‘Toen deden we een akelige ontdekking,’ zegt pa. Het kamermeisje vond tijdens het poetsen van de kamer een opgerold laken in de kast. Het was helemaal bebloed.’ Mon schrikt en houdt een hand voor zijn mond. ‘Zo eng,’ zegt hij. Pa heeft nog niet gedaan. ‘Enige tijd later, toen we naar de stad verhuisden, deed opa een griezelige ontdekking. Tijdens het schilderen van de kamers vond hij dat er een kamer was die erg slecht rook. Hij dacht eerst dat het de muizen waren. Maar hoe hij ook schrobde, de geur ging niet weg. Integendeel. Toen liet hij de kamer openbreken. Onder de plankenvloer vond hij het skelet van een vrouw. ‘Vermoord?’ vraagt Mon. Hij rilt een beetje. Pa knikt. ‘Men heeft de moordenaar nooit gevonden.’ ‘Heeft men nog naar hem gezocht?’ vraagt Mon. ‘Ja. Blijkbaar behoorde de man tot een bende die net een overval had gepleegd. Hij, zijn vrouw en nog twee andere boeven. De politie vertelde dat de man hoogstwaarschijnlijk zijn vrouw heeft omgebracht omdat hij de buit niet wilde verdelen met haar. En met de twee anderen. Het geld heeft men nooit teruggevonden.
11
Maar we kregen wel af en toe bezoek van ongure types die onverwacht in onze tuin opdoken of in ons hotel rondspookten op zoek naar iets. Had de man hier een deel van de buit verstopt? We weten het niet. De mensen in het dorp noemden dit hotel: Moordhotel. Opa kreeg er genoeg van om hier in dit hotel te wonen. Toen zijn we verhuisd.’ Mon denkt na, met kloppend hart. ‘Maar waarom zijn we dan naar hier teruggekomen?’ ‘De man heeft men niet gevonden,’ zegt pa. ‘Maar wel zijn twee handlangers. Ze zitten veilig opgesloten in de gevangenis. Ze kregen dertig jaar.’ ‘Dertig jaar?’ vraagt Mon en hij telt. ‘Dan zijn ze nu weer op vrije voeten?’ fluistert hij. ‘Daar maak ik me niet druk meer over,’ zegt pa. ‘Het is zo lang geleden, iedereen is het vergeten en dit hotel zal erg leuk worden. Je zult het zien, Mon. Wacht maar tot het zomer wordt.’ ‘Pa, in welke kamer is de vrouw vermoord?’ ‘Kamer 6,’ zegt pa. ‘Waarom?’ ‘Zomaar,’ zegt Mon. Wat verder zit Mitte te spelen. Ze is zo bezig dat ze blijkbaar niets heeft gehoord van het verhaal van Pa. Pa kijkt door het raam naar buiten.
12
‘Er zit sneeuw in de lucht,’ zegt hij. ‘Hoor de wind maar waaien! Ik denk dat er een sneeuwstorm op komst is.’ Op dat ogenblik komt ma de kamer binnen. Ze slaat met haar hand op haar voorhoofd. ‘Oeps, bijna vergeten! We moeten vandaag nog naar de architect2. We moeten de tekeningen voor onze nieuwe keuken gaan bekijken.’ Pa zucht en gluurt nog steeds door de natte ruiten naar buiten. ‘Ik heb geen zin om met dit weer weg te gaan,’ zegt hij. ‘Er moet trouwens iemand thuisblijven. Oom Peter brengt vandaag enkele spullen die we kunnen gebruiken.’ Ma kijkt vragend naar Mon. ‘Kun jij even alleen thuisblijven, Mon? En de deur openmaken voor oom Peter?’ Mon knikt met zijn hoofd maar in zijn hart klinkt het: NEE! ‘We zullen Mitte meenemen,’ zegt Ma. ‘Ik wil niet mee,’ roept Mitte vanuit de hoek van de kamer. Ze heeft het daar gezellig gemaakt met haar knuffels en poppen. ‘Ik wil hier blijven spelen,’ zegt ze beslist. Pa kijkt naar Mon.
13
‘Zal het je lukken om een uurtje of twee alleen te blijven met Mitte?’ Mon knikt. ‘Pa, ik word morgen elf jaar. Ik kan echt wel op kleine meisjes babysitten.’ ‘En ik kan best op mezelf passen, hoor!’ zegt Mitte. Ze heeft een donkere blik in haar ogen. Ze lijkt boos. Mon doet net alsof zij een klein meisje is. En ze is al zes! Ma geeft Mitte een dikke kus. ‘Natuurlijk ben jij al groot, Mitte.’ Pa trekt zijn winterjas aan. ‘We komen vlug terug.’ Mon ziet buiten de schemering vallen. Het liefst wil hij roepen: ‘Ik wil niet alleen blijven in dit akelige moordhotel!’ Maar Mon zwijgt. De deur valt met een klap dicht. Pa en ma zijn weg. Nu is hij alleen. Met een klein meisje en een vreselijk verhaal in zijn hoofd. Voor het eerst alleen, in het grote huis waar de stem van de vrouw klinkt in de wind. Nu moet hij bewijzen dat hij best op zijn zusje kan passen. ‘Mitte, heb jij Smirna gezien?’ Mitte antwoordt niet. ‘Mitte, speel je mee mens-erger-je-niet?’ vraagt Mon. Ze schudt haar hoofd en antwoordt met een pruillip.
14
‘Nee, jij wint toch altijd.’ Ze is nog niet vergeten dat Mon haar steeds als een klein meisje behandelt. ‘Ik wil liever verder spelen,’ zegt ze. Zingend speelt ze verder. Zingend speelt de wind verder. Hij speelt met de luiken aan de vensters. Ze klapperen. De wind laat het hout kraken. Het klinkt alsof een skelet zijn knoken in stukjes breekt.
15
Mon probeert zijn angst te verbergen. Hij zingt uit volle borst een liedje. Maar het doet zijn angst niet verdwijnen. Hij wordt boos op zichzelf. Hoe kan dat nu? Hij is bang en zijn zusje niet. Zij speelt rustig verder en hoort niet eens dat er een storm rond het huis raast. De wereld lijkt wel op zijn kop te staan. ‘Mitte, ben jij niet bang?’ Ze schudt haar hoofd terwijl ze ondertussen haar knuffels netjes op een rij zet. ‘Mon, wil je alstublieft niet meer zingen? Jij zingt vals, mijn beren kunnen er niet van slapen.’ Met een zwaar gevoel in zijn benen verlaat Mon de kamer. Wat moet hij nu doen? Een boek lezen? Zijn dierenpuzzel van duizend stukjes verder maken? Playstation? Televisiekijken? Hij heeft nergens zin in. Langzaam, verveeld gaat hij de trap op. Elke trede kraakt. Op de overloop waait een venster open. Het gordijn bolt op, net als het witte zeil van een zeilboot. De wind komt ongevraagd binnenwaaien. Samen met een wirwar van afgevallen herfstblaadjes.
16
Mon probeert het venster te sluiten, maar gemakkelijk gaat het niet. Het is nog maar vijf uur, maar in een mum van tijd is het donker geworden. In het licht van de straatlantaarns ziet hij de eerste natte sneeuwvlokken vallen. Hij zou blij moeten zijn. Maar deze sneeuw maakt hem niet gelukkig. Het is de eerste sneeuw van het jaar. Geen zachte sneeuw, geen poedersneeuw, geen suikersneeuw, maar natte stormsneeuw. Niets leuks aan. Mon slentert door het huis. Waren zijn vrienden maar hier, om samen het hele huis te verkennen en er gekke verhalen bij te fantaseren. Elkaar lekker bang maken, zonder echt bang te worden. Geen verhaal over vermoorde vrouwen, maar verhalen over ufo’s of draken of vampiers. Over dingen die in het echt nooit waar kunnen zijn. Mon staart door het raam. De sneeuwvlokken worden steeds dikker. Het gras is veranderd in een wit tapijt. Het licht in de kamer werpt buiten gele vlekken op de witte sneeuw. De kale bomen krijgen lange blauwe schaduwen. Alles lijkt zo akelig. De wind doet de takken van de bomen heen en weer bewegen. Ze lijken op mensen in het donker. Skeletten met magere, zwaaiende knoken.
17
18
Opeens hoort Mon een geluid, hij spitst zijn oren. Het lijkt op het klaaglijk miauwen van een poes. Smirna! Waar is ze? Mon zoekt overal. Nergens is Smirna te vinden. En toch hoort hij haar fijne gemiauw. Het is het geluid van een dier in nood en het komt van buiten. Ergens in de tuin zit Smirna om hulp te miauwen. Misschien is ze wel vastgeraakt of in een put gevallen. Misschien heeft ze wel een pootje gebroken zodat ze niet meer kan lopen. Hij moet op zoek gaan! Mon voelt het kloppen van zijn hart. Het lijkt wel alsof er iemand op de trommels slaat. Zo voelt het wanneer je bang bent. Ik moet mijn angst overwinnen, denkt hij. Ik moet bewijzen dat ik alleen mijn mannetje kan staan. Ik wil bewijzen dat ik ook moedig kan zijn. Waren pa en ma maar hier, denkt hij met een klein hartje. Dan konden we samen gaan zoeken, Mon besluit om in de tuin op zoek te gaan. Ook al is het donker en ook al is hij bang. Hij trekt zijn jas en winterlaarzen aan en gaat nog even naar Mitte. Ze moet weten dat hij naar buiten gaat. In de kamer ziet hij zijn zusje liggen.
19
Ze is in slaap gevallen tussen haar knuffels, met haar duim in haar mond. Mon wil haar niet wakker maken. Ze ligt daar zo gezellig op haar bontgekleurde kussens, tussen haar poppen en zachte beren. Slapend lijkt ze een beetje op Doornroosje. Op zijn tenen sluipt hij de kamer uit. Het licht in de gang blijft aan. Een straal licht verlicht het pad. Mon laat de voordeur op een kier staan. Lobbes komt kwispelend naar de gang gelopen. Dat doet hij altijd als er iemand de deur opendoet. ‘Kom Lobbes, je mag mee naar buiten!’ Hij aait de vacht van de hond. Met Lobbes erbij is het buiten minder eng. Onmiddellijk voelt Mon de gure wind. Wat is het ijzig koud! Zijn wangen worden strak van de kou. Oei, zijn wollen handschoenen liggen nog binnen. Dan maar zonder. Buiten is er geen enkel ander geluid te horen dan de wind. Zelfs de golven van de zee zijn niet meer te horen. Mon voelt het kraken van de eerste sneeuw onder zijn voeten. Hij roept met een hand aan zijn mond. ‘Smirna! … Smirna! …’ Geen antwoord. Mon gaat steeds verder de tuin in.
20
Lobbes loopt voor hem uit en hapt af en toe naar de vallende vlokken. Hij heeft geen last van de snerpende3 wind. Zijn dikke vacht houden de natte sneeuwvlokken vast. Dan lijkt hij voor even op een witte ijsbeer. Soms schudt hij zijn witte bontjas uit.
21
In de tuin brandt nergens licht. Hoe verder Mon gaat, hoe donkerder het wordt. En hoe banger hij wordt. Zijn hart gaat tekeer. Waarom moet alles er zo anders uitzien in het donker? Hij nadert het bosje van de dennenbomen. De sneeuw is op hun groene armen blijven liggen. Zou hij verder durven gaan? Mon kijkt om zich heen. Nergens zijn er sporen van een dier in de sneeuw. Hij spitst zijn oren. Het lijkt wel alsof de wind opeens minder waait. Hij voelt het aan zijn wangen en hij ziet het aan de bomen. Kan de wind moe worden van het waaien? Zoals een mens moe kan worden van hardlopen? Of van atletiek en voetballen? De wind is eindelijk uitgeraasd en Mon neemt opgelucht adem. Hij probeert uit te zoeken vanwaar het geluid van de poes kwam. Was het niet dichter bij huis? Hij keert terug en in de sneeuw ziet hij zijn eigen voetafdrukken. Jeetje, heeft hij al zulke grote voeten? Hij ziet ook de pootafdrukken van Lobbes naast die van hem. Mon volgt zijn eigen voetsporen terug naar huis. Zijn vingers tintelen.
22
‘Eigen schuld, dikke bult!’ zou pa zeggen. ‘Wie gaat er in dit weer nu zonder handschoenen naar buiten?’ Hij nadert het huis en in de verte ziet Mon de rode achterlichten van een auto. Zouden ma en pa al terug zijn? Mon tuurt in de verte. Nee, het is een bestelwagen die vertrekt. De rode lichten lijken op twee vurige ogen in een wolk van sneeuwvlokken. Op de oprit is de auto van zijn ouders niet te zien. Opeens hoort Mon een slag. Het is ergens in de buurt. Zelfs Lobbes blijft stokstijf stilstaan en gromt. Mon ziet in het donker zijn tanden schitteren. Lobbes gromt anders nooit. Het geluid klonk vlakbij. Mon loopt langzaam terug naar het huis. Zijn angst wordt weer groter. Waar kwam dat harde geluid vandaan? Het leek wel op een schot van een jager. Mon heeft nog nooit een jager horen schieten. In ieder geval niet in het echt. Hij herkent het geluid van een geweer uit de film op televisie. Opeens verstijft Mon. Bij de voordeur zijn voetstappen in de sneeuw te zien. Supergrote voetstappen, kriskras door elkaar. Ook al heeft Mon het koud, het angstzweet breekt hem uit.
23
Het lijken de voetstappen van een man. En het zijn er heel veel. Misschien wel van twee mannen? Met een geweer? Lobbes jankt. Opeens glipt een gedachte als een mes door hem heen. Mannen die na dertig jaar weer op vrije voeten zijn. En die nu op zoek zijn naar de buit. Mon nadert de voordeur en ziet wat er is gebeurd. De deur is dicht. Daarstraks had hij de deur op een kier laten openstaan. Achter het kleine raampje van de deur is geen licht meer te zien. Hij weet zeker dat hij het ganglicht had aangelaten. Zo zeker als honderd plus honderd tweehonderd is. Iemand, met supergrote voeten, heeft de voordeur dichtgedaan. Of twee mannen met supergrote voeten? Ze zijn binnengeraakt omdat de deur openstond. Ze zijn bij Mitte! Mon sluipt naar de voorkant van het huis en probeert naar binnen te gluren. Ma heeft de gordijnen dichtgeschoven. Door een kiertje schijnt licht naar buiten. Hij kan nog net een stukje van de tafel en de stoelen zien. Maar Mitte is nergens te zien.
24
Het enige wat hij ziet, is een donkere schaduw achter het gordijn. Daarbinnen sluipt iemand! Een man of twee mannen? Wat zoeken ze? Wat zullen ze doen als ze de slapende Mitte zien? Mitte is in gevaar! Natuurlijk! Dat hij daar niet eerder aan heeft gedacht. Hij moet bellen naar pa. Jeetje! Zijn gsm ligt binnen. Wat nu? Zou hij bij de buren kunnen bellen? Maar die wonen zeker tweehonderd meter verder. Zo ver durft hij niet te lopen. Er zit niets anders op dan voorzichtig naar binnen te sluipen. Mon gluurt nog één keer naar binnen. De grote donkere schaduw is nergens meer te zien. Zouden ze Mitte hebben vastgebonden. Zoals hij al eens heeft gezien in een film?
25
Zouden ze een prop in haar mond hebben gestoken zodat ze niet om hulp kan roepen? Mon sluipt terug naar de voordeur. Heel voorzichtig tilt hij het klepje van de brievenbus op. In de gang is het donker en Mon kijkt naar binnen. Zijn ogen wennen langzaam aan het duister. In het donker staat iets dat nog donkerder is. Het is groot en zwart en Mon kan niet zien wat het is. Maar opeens moet hij denken aan het harige monster dat de man van de vermoorde vrouw bij zich had. Zouden de twee boeven ook zo’n hond bij hebben? ‘Lobbes!’ fluistert hij. ‘Er zit een monsterlijke hond in de gang! Durf jij naar binnen?’ Mon denkt niet meer aan Smirna, hij denkt alleen nog maar aan Mitte. Hij heeft beloofd om voor haar te zorgen en nu staat hij hier buiten. Bibberend en verkleumd4 van de koude sneeuw en de ijzige wind. Twee moordenaars met een geweer in huis en een gruwelijk monster in de gang. Wat nu? Mon denkt na. Het is stil, doodstil om hem heen. De sneeuw dwarrelt vrolijk naar beneden. Mon voelt zich belabberd. Kwamen ma en pa nu maar thuis.
26
Hij kijkt op zijn horloge. Pa en ma zijn nog maar één uurtje weg. Ze zouden twee uurtjes wegblijven, hadden ze gezegd. Maar hij kent ze. Een babbeltje en nog een babbeltje, vragen over de nieuwe keuken, en nog veel meer. Ik moet mijn zusje redden uit de handen van de moordenaars, denkt hij. Maar hoe? Langs de achterdeur kan hij niet naar binnen want die is op slot. Opeens denkt Mon aan de fietsenberging. Die is tegen de achtergevel van het huis gebouwd en het deurtje is nooit op slot. In de berging is een deur die uitkomt in de keuken. Heel stil sluipt Mon naar de achterkant van het huis. Hij mag geen lawaai maken. Hij moet Mitte redden uit de klauwen van de moordenaars. De sneeuw kraakt onder zijn voeten. In de fietsenberging is het stikdonker. Er hangt een geur van lijm en verf. Mon struikelt over enkele dozen. In zijn val neemt hij enkele verfblikken met zich mee. Het klettert in het hok. Kling! Klang! Kletter! Oh, jeetje! Een vogel schrikt en vliegt klapwiekend van het dak.
27
Nu zullen die boeven hem vast en zeker hebben gehoord. Er kleeft iets aan zijn voet. Mon kan niet zien wat het is, daar is het veel te donker voor. Hij voelt een stekende pijn in zijn hand. Zou hij zich gesneden hebben? Mon klautert over de fietsen die omver zijn gevallen. Ook hier staan dozen die nog moeten worden uitgepakt. Eindelijk bereikt hij de deur naar de keuken. Voorzichtig luistert Mon met één oor tegen de deur. De moordenaars mogen niet weten dat hij in aantocht is. Zijn hand bloedt en de snee doet pijn. Mon zoekt om zich heen; hij moet iets vinden. Hij kan toch niet met lege handen binnengaan? Hoe kan hij Mitte en zichzelf verdedigen? Op de tast zoekt hij in het wandrek. Hij voelt enkele schilderborstels, een kapotte fietsband, ma’s strandparasol en strandstoelen. Dan vindt hij wat hij zoekt: de oude honkbalstok van pa. Mon duwt de keukendeur voorzichtig open. Het licht in de keuken is uit. De deur van de koelkast staat op een kier. Die heeft Mitte zeker weer open laten staan toen ze een glaasje melk wilde pakken.
28
29
Mitte laat de koelkast altijd openstaan. Maar nu is Mon blij met het streepje licht in de donkere keuken. Zo zacht als hij kan, sluipt hij de keuken in. Er is nergens een geluid te horen. Nu moet hij nog naar de woonkamer zien te geraken. Eerst luistert hij aan de deur naar de gang. Niets te horen. De monsterlijke hond houdt zich gedeisd. Klaar om te springen als er iemand binnenkomt. De deur kraakt een beetje als Mon naar binnen gaat. In de woonkamer is het stil. Er brandt alleen een lamp in de hoek waar Mitte heeft gespeeld. Alle knuffels, poppen en beren liggen warm onder een dekentje toegedekt. Ze slapen met hun ogen open. Het lijkt wel alsof ze ook bang zijn. Op de kleine tafel staat een glaasje melk, half opgedronken. Er liggen kruimeltjes koek naast. Voetje voor voetje nadert hij de tafel en gebukt loopt hij van stoel tot stoel. Zijn zusje is nergens te zien! Mon durft niet te roepen. Hij moet haar vinden voor pa en ma terug thuis zijn! Hij is verantwoordelijk voor haar. Misschien is ze boven? Oei! Dan moet hij door de gang!
30
Waar het harige monster ligt. Groot en gevaarlijk, grijnzend en gruwelijk. Mon sluipt door de woonkamer. Hij is opeens niet meer bang voor het donker. Hier in het donker kan niemand hem zien. Heel even is het donker veilig nu. Aandachtig luistert hij naar de geluiden in het huis. De wind is stil. In de verte ruist de zee. Zijn ogen zijn nu gewend aan het halve donker. Op de tafel ligt het grote tekenboek van Mitte. Haar kleurpotloden liggen kriskras door elkaar. Een onafgewerkte tekening trekt de aandacht van Mon. Mitte heeft een groot monster met harige vacht en scherpe hoektanden getekend en met twee vuurrode ballen in plaats van ogen.
31
Mon voelt de rillingen over zijn rug gaan, alsof iemand ijskoude sneeuwballen in zijn trui heeft gestoken. Opeens hoort hij boven een zacht geritsel, als iemand die op fluwelen pantoffels loopt. Iemand die niet gehoord wil worden. Iemand die niet gezien wil worden. Iemand die Mitte gevangenhoudt. Hij moet naar boven! Snel knipt Mon de lamp uit. In het donker sluipen is het allerbeste. Muisstil opent hij de deur naar de gang. Het donkere monster ligt op de vloer. Groot en log als een blok. Het beweegt niet. Mon durft nauwelijks te kijken. Voetje voor voetje sluipt hij in de richting van de trap. Met zijn rug tegen de muur. Nog één stap … en hij is bij de trap! De derde trede kraakt een beetje. Mon draait zich om en houdt zijn adem in. Het monster heeft zich niet bewogen. Het monster heeft niets gehoord.
32
Eindelijk is hij boven. Hij klemt de honkbalstok stevig in zijn handen. Opeens hoort hij de stem van Mitte! Heel zachtjes klinkt ze, nauwelijks hoorbaar. Alsof ze in zichzelf aan het praten is. Mon kijkt nauwlettend om zich heen. Hij heeft licht nodig. De schakelaar in de gang doet het nog niet. Dan maar naar zijn kamer! In de onderste lade van zijn kast ligt een zaklamp. Hopelijk werken de batterijen nog. Ja, gelukkig! Het licht is niet zo scherp maar het is beter dan het pikdonker. Stil loopt hij naar de kamer van Mitte en schijnt naar binnen. Overal dozen. Overal kleren en speelgoed. Wat een rommel heeft Mitte weer gemaakt! Maar … geen Mitte. Mon spitst zijn oren. Het geluid komt van verder op de gang. De kamer waarvan de vloer is versleten, zoals pa had gezegd. De kamer met het venster dat niet goed sloot! Kamer 6! Mon verstijft. Wat nu? Hij legt zijn oor tegen de deur. Mitte is hier binnen! Zouden de boeven haar hier gevangenhouden?
33
Hij luistert nog eens. Bang klinkt ze niet. Hij hoort haar zelfs lachen. Mon voelt aan de klink. De deur van kamer 6 is niet op slot. Heel voorzichtig opent hij de deur. Hij schijnt met de zaklamp naar binnen. Mitte zit gebogen in een hoekje. Mon slaakt een kreet. ‘Mitte!’ roept hij, ‘wat is er met jou gebeurd?’ ‘Ssssst!’ Mitte houdt haar vinger tegen haar lippen. ‘Waar zijn de boeven?’ fluistert Mon. ‘Ssssst!’ Doet Mitte weer. In het licht van de zaklamp ziet Mon de boze blik in haar ogen. Mon sluipt dichterbij en verbaasd zet hij grote ogen op. Nergens boeven te zien, geen bloeddorstige moordenaars, geen jagers met een jachtgeweer. Alleen zijn kleine zusje en vlak bij haar ligt Smirna op een stuk karton. Ze kijkt niet naar Mon. Ze kijkt niet naar Mitte. Ze heeft alleen aandacht voor het kleine hoopje tussen haar poten. Een zwart poesje nog nat van de geboorte. Smirna likt het kleine lijfje schoon.
34
‘Dat is Snoesje,’ fluistert Mitte. Mon bukt zich en knipt de zaklamp uit. Nu weet hij waarom Smirna was verdwenen. Ze zocht een goed plekje om haar jong te krijgen. Een plekje in het donker. Een veilig plekje. Een plekje waar ze alleen kon zijn. De twee kinderen wachten vol spanning op wat er verder zal gebeuren. Smirna duwt met haar achterpoten zachtjes het pasgeboren poesje van haar weg. Ze sluit haar ogen en haar snorharen trillen. Ze ronkt. Haar zwarte buik gaat op en neer. Er gaan golfjes doorheen. Zoals het strandwater golft over het strand. Het is donker, de kinderen kunnen niet alles zien. Maar Mon weet het al, er moeten nog poesjes komen. Ze zijn muisstil. Ook al is het koud in de kamer, hun wangen zijn rood van opgewonden spanning. ‘Ja, Smirna! Flink, Smirna,’ zegt Mon. ‘Duw maar! Straks is alles voorbij! Dan krijg je lekkere brokjes.’ ‘En een beetje melk,’ zegt Mitte. Daar floept opeens het tweede poesje eruit.
35
Het is een lichtgrijs tijgertje. Smirna likt het pasgeboren poesje op alle plekjes. Zouden er nog meer poesjes op komst zijn? Smirna miauwt even en duwt met haar kopje tegen de hand van Mon. Zoals ze altijd doet als ze honger en dorst heeft. Mon fluistert in het oor van Mitte: ‘Ik loop vlug even naar beneden voor een kommetje melk.’ Mitte knikt. Ze aait de vacht van de poes. Mon is de boeven helemaal vergeten. Ook zijn angst is weg. Het is fantastisch! Jonge poesjes! In het donker roffelt hij de trap af naar beneden. Plots staat hij weer oog in oog met het grote zwarte monster. Het ligt nog steeds op de loer in de gang. Alsof het er altijd heeft gelegen. Vreemd, zijn angst is verdwenen. Mon draait de lichtschakelaar om. Dan proest hij het uit. Zijn lach klinkt gierend in de gang. Moest hij hiervoor bang zijn? Wat is hij toch dom geweest! Mon blijft zo hard lachen dat hij er de hik van krijgt. Voor hem staat een tafel met stoelen erop. Het zijn de spullen die oom Peter heeft gebracht. Er ligt een donker deken over heen.
36
Nu wordt alles pas echt duidelijk. Hij heeft zich holderdebolder laten meeslepen door zijn eigen angst. Geen boeven op zoek naar de verborgen buit. Geen harig monster dat naar iedereen gromt en zijn tanden ontbloot, klaar om toe te happen. De voetstappen bij de voordeur waren van oom Peter. De rode lichten kwamen van zijn bestelauto. En omdat er schijnbaar niemand thuis was, heeft oom Peter alles in de gang gezet en een briefje achtergelaten.
Ik had haast en kon niet langer wachten. Veel geluk in het nieuwe huis. Oom Peter Mon knipt de lamp aan en gaat de woonkamer in. Onderaan de tekening van Mitte heeft ze KAT geschreven. Wat ben ik dom geweest, denkt Mon! Terwijl hij in de keuken een kommetje melk uitschenkt, hoort hij de stemmen in de gang. ‘Joehoe! Kinderen, we zijn weer terug!’ De stemmen van pa en ma waaien binnen, samen met een ijskoude lucht. ‘Is alles goed gegaan?’ vraagt ma. Mon knikt.
37
Over de boeven en het monster zegt hij niets. ‘Ja hoor! Mitte was in slaap gevallen. Ik was Smirna kwijt en ik ben ze even buiten gaan zoeken. Maar toen is oom Peter gekomen en heeft hij de spullen naar binnen gebracht. Toen ik weer binnen was, merkte ik dat Mitte naar boven was, naar de gevaarlijke kamer. Ze zit er nog steeds.’ ‘Gevaarlijke kamer?’ vraagt Pa. ‘Ze mag er niet komen! Het hout is vermolmd5 en het raam sluit niet goed.’ ‘Niet bang zijn, pa,’ zegt Mon. ‘Mitte zit op een veilig plekje in de hoek en ze beweegt niet.’ Ma kijkt een beetje ongerust. ‘Hoe? Wat bedoel je met ze beweegt niet? Er is toch niets gebeurd?’ ‘Neen hoor, Ma, alles is in orde. We moeten naar kamer 6.’ Pa fronst zijn wenkbrauwen. ‘Kamer 6? Dat is toch de kamer van …’ Mon knikt. ‘Volg maar,’ zegt hij en hij gaat de gang weer in. Met in zijn hand het kommetje melk. Hij legt zijn vingers op zijn lippen en wenkt hen naar boven. Voor kamer 6 blijft hij staan.
38
Met hun drietjes gaan ze naar binnen. In de lege kamer waarvan het venster niet goed sluit en waar enkele vermolmde planken de vloer onveilig maken. Mitte zit nog steeds bij Smirna. Glunderend. ‘Het derde poesje is geboren,’ roept Mitte blij. Smirna likt het natte diertje. Het is wit. Zo wit als de sneeuw buiten.
39
Woorduitleg 1 2 3 4 5
40
huisraad = alle spullen in huis architect = iemand die gebouwen ontwerpt snerpend = scherp, bijna pijnlijk verkleumd = stijf van de kou vermolmd = zonder stevigheid, deels verrot
Mon verhuist met zijn ouders en zijn zusje naar een nieuw huis met een griezelige geschiedenis. Dan moet hij alleen op zijn zusje letten. Maar het gaat fout. Zijn zusje verdwijnt en er gebeuren allerlei rare dingen …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.