Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 2 - Thema 4 - N2 - Verkleurmannetjie

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Verkleurmannetjie Clara Vanuytven

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

2


Verkleurmannetjie

1


De trui ‘Ik ga niet mee! Ik blijf bij mama!’ Ze ziet hoe zijn gezicht vertrekt. ‘Toe, Hanne! Doe nu niet moeilijk …’ dringt papa aan. ‘Wij twee gaan op reis. Ver weg. Naar Afrika … Het wordt een fijne tijd.’ Ze slikt. Afrika? Met z’n tweetjes? Dan bedenkt ze iets. ‘Moet je daar werken? Foto’s maken?’ Hij recht zijn rug. ‘Euh ... Ja ...’ Dus toch geen vakantie, denkt ze. Papa moet altijd werken. Klik, klik! Foto’s van ministers, van stakers of presidenten. Voor kranten of tijdschriften. Flash! Flash! Och, papa zonder flits bestaat niet. Net zoals ze hem altijd in een flits ziet. Nu eens is hij er, dan moet hij weer weg. ‘Wij twee, samen op avontuur ...’ sust hij. Hij kijkt als een puppy. Even gelooft ze hem. Maar wat zal mama doen zonder haar? Papa pakt haar kleren in. ‘Je zal het leuk vinden,’ belooft hij. Zij wil niet weg. Ze wil naar het speelplein gaan. En daarna naar huis rijden waar mama en papa met het eten op haar wachten. Allebei, in één huis. Niet apart.

2


Ze is nog nooit weggeweest zonder mama. Vorig jaar zaten ze nog aan zee, in een huisje niet ver van het strand. Ze weet nog hoe ze door de duinen kropen en papa het zand tot achter haar oren schopte. Mama keek lachend toe, maar ze zat ook dikwijls voor zich uit te staren. Of ze wou uitwaaien op de pier. Zonder dat papa meeging. En toen ze naar huis vertrokken, had mama dikke, natte ogen. Spijt om wat voorbij was, zei ze ... Hanne heeft nog nooit gehuild na een vakantie. ‘Mag deze trui in de rugzak?’ ‘Hanne!?! Die is veel te groot en veel te warm!’ Ze streelt met haar hand over de lange mouwen. Ze snuift aan de kraag en ruikt mama’s geur. ‘Hij moet mee!’ beslist ze dan. De valies groeit dicht. Met shorts, slipjes, kousen en T-shirts. En in haar rugzak steekt mama’s trui.

3


Vang dat beest! Afrika is mooi! De lucht kleurt in het mooiste blauw dat Hanne ooit heeft gezien. Bij het hotel ligt een immens zwembad en een grote tuin. Plotseling valt Hannes oog op iets vreemds. Langs de stam van een boom zit een beestje. Het lijkt op een hagedis maar dan met een gekrulde staart en een fijne kam op het lijf. Het beestje beweegt niet. Alleen zijn oogjes rollen als dikke knikkertjes in een groene vlek op zijn kop. Links. Rechts. Maar niet tegelijk. Hanne aarzelt. ‘Pak het dan!’ zegt een stem in haar hoofd. Maar hoe? Nee, ze is niet bang. Hoeveel poten heeft dit beest? Geen acht. Dus? Sta stil, berispt ze zichzelf. Mik op het beest. Grijp. En doe je ogen dicht als je iets in je handen voelt. Handen bij elkaar en niet loslaten, ook al kriebelt het … Het lukt. ‘Een kameleon?’ zegt papa verbaasd als ze hem het beestje toont. Het beestje kruipt op hoge poten en tastende tenen over haar handpalm. Zijn lijf is nu blauwgroen, met zwarte vlekken en een witte streep boven zijn gebogen voorpoten tot op zijn bolle achterlijf. Hanne koestert de kameleon in de palm van haar hand. Alleen de staart glipt uit het holletje tussen haar handen. ‘Wacht, ik haal mijn fototoestel!’ Papa rent al weg.

4


‘’n verkleurmannetjie,’ zegt een stem naast haar. De zwarte tuinman wijst naar het beestje in haar hand. ‘Waar het jy dit gevind?’ Ze begrijpt wat hij zegt. Het Afrikaans klinkt net als haar taal, alleen lijken de gebroken stukjes verkeerd aan elkaar gelijmd. ‘Verkleurmannetjies wissel kleur as daar onraad es.’ Hoe mooi, denkt ze. ’n Verkleurmannetjie wissel kleur ... Klinkt alsof hij een ander pakje kan aantrekken. Hanne voelt de pootjes en de geschubde huid. Papa is terug, met zijn camera met telelens1. ‘Papa, dit is een verkleurmannetjie,’ herhaalt ze trots. Ze opent voorzichtig haar hand. De kameleon verandert langzaam van felgroen naar gelig bruin. Even houdt ze hem dichterbij om hem goed te kunnen zien. Klik! Ze schrikt van het geluid. Maar de kameleon doet niets. Klik, klik. Papa draait zijn lens wat bij en drukt weer af. Klik.

5


Telefoon ‘Dit is ...’ ‘Mama?’ ‘... het antwoordapparaat van ...’ Hanne wordt boos. Ze wijst naar de hoorn. ‘Mama is niet thuis. Hoe kan dat nu?!?’ Ze stampt boos op de grond omdat de stem die zij hoort haar niet kan verstaan. Stom apparaat! ‘Spreek een boodschap in,’ zegt papa. Hij scheert zijn stoppelbaard weg. ‘... na de biep,’ zegt de dove mama aan de andere kant van de lijn. ‘Mama? Ik heb een kameleon gevangen. Hij zit nu in een doos op mijn kamer. Hij eet sprinkhanen en vliegen en ... mama?’ Haar stem breekt in twee. Papa grijpt in. ‘Annelies? Met Bert. Alles oké. We zijn goed aangekomen. We bellen nog terug. Daag.’ Hij legt de telefoon neer. Pas dan ziet hij de tranen op haar gezicht. ‘Hanneke toch!’ Hij trekt haar tegen zich aan. Hij streelt haar haren. ‘Niet huilen. Mis je mama zo erg?’ De tranen vloeien langs haar wangen. Ze weet niet meer wat zij voelt. Maar ze ziet de gekwetste blik in zijn ogen en ze raadt wat hij denkt. ‘Nee,’ sust ze hem.

6


Hij glimlacht. ‘Nee ...’ Ze is zelf verbaasd. Haar stem verkleurde net zo hard als de rug van de kameleon. En papa keek niet eens verrast.

Pieker-pieker-piekernacht Hanne ligt in haar bed. Moe. Doodmoe. Maar slapen kan ze niet. Haar ogen zijn wel dicht. Maar haar gedachten gaan niet liggen. Die scharrelen rond in haar hoofd en dwarrelen op en neer. Waar zou mama zijn? Wat zou mama doen zonder haar? Op papa is ze boos. Wat was dat een onzin, daarnet in het restaurant? Hij praatte de hele tijd met Karolien, een Nederlandse vrouw. Een journaliste. Pfff! Ze leken wel twee tieners die alleen oog hadden voor elkaar. Echtscheiding, hoorde ze hem zeggen. Hoe? Ze gaan er toch niet mee door? Hij en mama? Scheiden? Hanne zag hoe Karolien bloosde toen papa iets liefs tegen haar zei. Belachelijk. Karolien is niet zo mooi als mama. Ze is lelijk in een jurk. Dat was ze al vóór het glas limonade omviel op de witte stof . ‘Hanne toch!’ riep papa verveeld. Hoezo Hanne toch? Ze kon er niets aan doen. Ze was doodmoe. Ze zag niet eens het verschil meer tussen een glas en een stoel.

7


Zijn armen droegen haar daarna weg. Eigenlijk was ze veel te zwaar om gedragen te worden. Maar ze hield haar ogen stijf dicht. Zo bleef het fijne gevoel dat ze zijn armen op kon vullen. De trui op de stoel naast haar bed lijkt veraf. Maar Hanne kan er net bij. Ze ruikt aan een mouw. Als ze haar ogen sluit, lijkt het alsof mama bij haar is. Mama die naar haar kijkt.

8


De list ‘Goeiemorgen, Hanne!’ Karolien houdt de deur naar het ontbijtbuffet voor haar open. ‘Oh! Dag, Karolien.’ ‘Vandaag samen op safaritocht! Zijn jullie klaar voor een mooie dag?’ ‘Ik wel. Papa hangt nog aan de telefoon.’ Karolien knikt. ‘Dat ken ik. De krant. Er is altijd wel iemand die iets dringends van je wil.’ Hanne twijfelt, maar ze zet door. Ze knippert niet eens met haar ogen. ‘Nee, hij praat met mama.’ ‘Oh?’ zegt Karolien. ‘Ja. Ik weet dat hij mama erg mist.’ ‘Ik hoorde dat je ouders gescheiden zijn ...’ ‘Gescheiden?!?’ Hanne proest het uit. ‘Dat is een grapje van papa!’ Karolien fronst haar fraaie wenkbrauwen. Hanne geeft niet op. ‘Dat zegt hij altijd als we zonder haar op reis zijn ...’ Hanne kiest een kaartje uit een rek. Karolien zucht. ‘Gebeurt het vaker?’ ‘Ja. Mama heeft ook een belangrijke job. Ze kan niet altijd weg van huis. Daarom neemt papa mij deze zomer mee, maar mama komt ons achterna.’ ‘Komt ze naar hier?!?’

9


De verbaasde stem pept Hanne op. ‘Aan het einde van de week,’ knikt ze. ‘Mama heeft haar werk verzet. En ze komt ...’ Haar stem klinkt net zo triomfantelijk als dat was bedoeld. ‘Als haar tickets in orde zijn. Het regelen kost tijd.’ Karolien kijkt haar ongelovig aan. ‘Maar ...’ Hanne grijpt in, nog vóór Karolien haar zin echt begint. ‘Weet je ...’ fluistert ze zacht. ‘Papa had mij beloofd om deze reis met z’n tweetjes te maken. Maar het is zo saai zonder mama. Dus komt ze ook.’ ‘Doe je papa de groeten,’ zegt Karolien. ‘Ik moet nu echt weg.’ Hanne kijkt haar na. Zo, denkt ze, dat ging goed. Na hun ontbijt ligt er een briefje voor papa aan het onthaal.

Bert, Het lukt me toch niet om mij vandaag vrij te maken. Je zal de safaritocht zonder mij moeten doen. Veel plezier. Groetjes, Karolien

10


Papa lijkt verbaasd als hij het briefje leest. ‘Papa!’ Hanne rolt met haar ogen. ‘Pappaa!’ Hij schrikt. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ze komt niet. Wat doen we nu?’ ‘Alleen gaan?’ Hij twijfelt. Hij zet zijn tas met fotogerief op de grond. Zijn bril zakt af. Hij prikt die terug op zijn neus. ‘Goed ...’ Even overlegt hij met de man aan de balie. Die geeft hem een map, de sleutels van een auto en een hoop instructies. ‘Kan het? Wij twee?’ ‘Ja, Hanne. Wij twee. Kreeg de kameleon al iets te eten? Want vóór vanavond zijn we niet terug van onze tocht!’ Ze lost de mouwen van zijn hemd. Zou ze nog proberen om mama te bellen? Papa en ik gaan op safari, wil ze tegen haar zeggen. Met een jeep. Natuurlijk zullen we heel voorzichtig zijn. Papa zorgt voor mij. Ja, hij mist jou ook ... Ze denkt even aan de kameleon. Hoe hij van kleur veranderde omdat het even moeilijk werd. Hoogrood. Nee, toch maar beter nu niet bellen.

11


Alleen op safari ‘Ik lees de kaart wel,’ belooft Hanne. ‘Kan je dat dan?’ Ze knikt. Niet omdat ze gelooft dat ze het kan maar omdat niets zo moeilijk is als het kleine meisje zijn. Het eerste deel van de rit leidt naar de ingang van het park. Die weg vindt papa zonder haar. Zie je wel, het komt wel goed. Net voor de toegangspoort houden ze halt. Papa vult het blad voor parkbezoekers in. Ze rijden door de poort, de ‘gate’. Het bord zegt dat die sluit om 18 u. ‘Geen probleem, dan zijn we al lang terug,’ belooft papa nog. Hanne speurt de weg af. Ze wil olifanten zien. Niet zoals in de zoo, maar echte beesten die op hen afstuiven met klokkende lijven en flapperende oren. Op de kaart staan lijnen, namen en tekens. Het kost Hanne moeite om die te volgen want de jeep schudt haar vinger telkens naar een andere plek. ‘Hier naar rechts ...’ Ze wijst naar een pad. ‘Ben je zeker?’ ‘We gingen toch naar dit meer?’ Papa stopt en neemt de kaart over. ‘Hanne! Je houdt het plannetje verkeerd. Het noorden ligt daar! Zie je dat dan niet?’

12


Ze zucht. Alle lijnen lijken op elkaar. ‘Geef maar hier.’ Plotseling is ze weer klein en ongerust. Geen olifanten. Geen leeuwen. Geen giraf hebben ze gezien. Ondertussen hebben ze het wildpark al urenlang doorkruist. Enkele impala’s2 kwamen dichterbij. Bavianen staken de weg over en droegen kleintjes op hun rug. Ze waren niet eens schuw. Soms roerde er iets in de struiken. Dan kwam er een patrijs3 of een wrattenzwijn tevoorschijn. Papa gromt.

13


‘Verdorie toch!’ zucht hij. ‘Nog geen goed onderwerp gezien. Ik wacht al uren op het goeie moment, op het juiste licht, en vooral op een wild beest.’ Hanne heeft er geen zin meer in. Die leeuwenwelpen waarop ze had gehoopt, krijgt ze vandaag toch niet te zien. ‘Gaan we naar het hotel?’ ‘Nu al?’ ‘Ik wil gaan zwemmen en mama bellen.’ Papa kijkt een beetje boos. Begrijpt hij dan niet dat mama zich nu vast aan het vervelen is? Of … Misschien mist mama haar helemaal niet. Misschien gaat ze vaak weg. Nee, niet aan denken nu. Zolang ze het niet zegt, is er niets aan de hand. Papa kijkt verlangend naar de lucht. ‘We hebben nog wat tijd vóór de poorten sluiten. Het licht zit nu echt goed,’ dringt hij aan. ‘Voor de zon ondergaat, trekken dieren altijd naar een waterpoel ...’ ‘En wij dus ook?’ Haar vraag eindigt met een grote zucht. Oké, zegt die zucht. ‘Wij ook!’ juicht papa. ‘Daar gaan we.’ De jeep schiet vooruit, klauwt met zijn wielen op het pad. Ze hobbelen voort.

14


‘Zijn we verdwaald?’ ‘Tuurlijk, niet! Het meer is hier ergens.’ Maar Hanne ziet geen meer, geen water, geen beesten. Nog maar één uur. Dan gaat de poort van het reservaat dicht. ‘Dáár!’ Ze schrikt van de verrassing in zijn stem. ‘Daar! Daar! Daar is hij!’ Hanne zoekt met de verrekijker naar de plek. Ze ziet vluchtende vogels. Een krachtige kop spietst het hoge gras in twee, een rossig lijf volgt. Met scheve schouders slentert de leeuw dichterbij. Even aarzelt hij ... Klik! Klik! Papa schiet plaatjes bij de vleet. De leeuw stapt traag door de lage begroeiing heen. Hij poseert zelfs netjes voor de lens. Zo lijkt het toch. Zijn machtige manen vangen de zon. Driftig mept zijn staart de brutale insecten van zijn rug. Hij schudt zijn kop, kijkt ingespannen naar een punt boven hun hoofden. Dan opent hij zijn muil. Hij brult. Een waanzinnig geluid dat alle klanken uit de omgeving verplettert. Hanne schrikt. ‘Niet bang zijn. Hij is niet op jacht ...’ Hanne legt de verrekijker weg. Zo lijkt de leeuw niet zo dichtbij.

15


Traag wandelt het majestueuze4 dier naar een boom. Daar legt hij zich neer. Zijn goudgele lijf verdwijnt in het dorre gras. Papa is enthousiast. ‘Ongelofelijk! Heb je die kleur van dat beest gezien? Ik heb prachtige foto’s.’ ‘Papa? Het is tijd. We moeten terug. Weet je waar we zijn? Als de poort sluit? Komen ze ons dan zoeken?’ ‘Ons zoeken? Weet je hoeveel poorten er zijn aan het reservaat? Dit wildpark is zo groot als ... als ...’ Maar dan schudt hij zijn hoofd. ‘De poort is vlakbij.’ Papa legt zijn fototoestel op de achterbank en start de motor van de jeep.

Verdwaald ‘Verdorie!’ De gsm heeft geen signaal. Geen bereik. ‘Hoe laat is het?’ ‘Twintig over zes.’ Papa bestudeert de kaart. ‘Ik denk dat ik weet waar het mis ging ...’ Hij wijst naar een stom punt naast stomme lijnen op een stomme kaart. Ze weet niet wat hen overkomt. Zijn ze nu in gevaar?

16


‘Je hoeft niet bang te zijn. We vinden wel een schuilplaats,’ sust hij haar. Ze knikt. En dan valt plotseling de nacht. ‘Daar ...’ De jeep valt stil. Ze knijpt haar ogen fijn. Een dikke straal licht komt dichterbij. Die tast de omgeving af en schijnt binnen in de jeep. Dan pas ziet Hanne de mannen in donkere uniformen staan. Ze zijn niet blij met hun komst. Eén van hen eist hun papieren. De andere schuift zijn wapen hoger op zijn rug. ‘Parkwachters,’ legt papa uit. ‘Ze bewaken het domein tegen stropers5.’ ‘Tegen stropers?’ Papa toont zijn pasje van persfotograaf. Hij overlegt met de man met het geweer. Pas na veel gepraat lijken de bewakers akkoord met wat papa zegt. ‘Papa, wat gebeurt er nu?’ ‘Zij verwittigen de mensen aan de poort en ook het hotel. Maak je geen zorgen. We slapen vannacht hier.’ ‘Slapen? Hier?’ Papa antwoordt niet. De parkwachter reikt hen een zaklamp en een sleutel aan. Hij opent twee hekkens, wijst naar een zwart punt in de donkere nacht. Papa knikt. De jeep volgt het pad. Hij slalomt tussen kleine hindernissen. Papa’s stem rijst mee op en neer.

17


‘Dit zijn kampplaatsen voor de parkbezoekers. Ze staan nu leeg ...’ De koplampen werpen lichtvlekken op het pad. Ze verspringen en tasten telkens naar een ander gat in het niets. Minutenlang staart Hanne voor zich uit. In een bocht wijst de jeep naar de zijkant van de weg. Achter de metalen draad lichten rode vlekken als vuurkooltjes op. Zijn dat ogen van beesten? Papa heeft ze ook gezien. ‘Wilde honden,’ legt hij uit. Alsof dat haar geruststelt!

18


‘Daar! Daar is een hut.’ ‘Wat?’ Hanne weet niet goed wat ze ziet. ‘Als ik de jeep wat draai, dan hebben we meer licht. Ik rij wat dichterbij.’ ‘Een tent op palen?’ ‘Hanne? Blijf in de jeep ... Ik kijk eerst rond.’ Papa kruipt uit de auto en stapt weg. Hanne hoort hem rammelen met een slot. ‘Oké. De deur is open. Pak je rugzak mee.’ Papa’s zaklamp wijst waar Hannes voeten moeten gaan. ‘Een opstapje. Langs hier ...’ De lichtbundel priemt in het rond, raakt een muur, het puntdak en een stoel. En valt dan op een tafeltje. Terwijl papa naar iets grijpt, wijst de zaklamp naar de andere kant en Hanne wordt weer een schim. Ze hoort hoe hij een lucifer afstrijkt. Een vlammetje likt aan een wiek. Pas dan brandt de blauwige walm van een lamp een gat in het donker. Langs de zijkanten van de hut ziet ze twee bedden, laag boven de grond. Er is ook een wasbak en een smalle kast. ‘Wil je iets eten?’ Uit zijn rugzak haalt papa wat fruit. ‘Mmmm, lekker!’ Ze eet de banaan al staande op. ‘Ben je moe, Hanne?’ Hij zit op het linkerbed. Ze zakt naast hem neer en kruipt dicht tegen hem aan.

19


‘Bang?’ vraagt papa lief. ‘Nee. Niet echt.’ ‘Spinnen slapen ’s nachts,’ sust hij haar. ‘Spinnen? Pfff. Ik ben niet bang voor …’ Gelukkig schijnt de lamp niet op haar gezicht want ze voelt een gloedrode kleur. Even blijft het stil. Ze kruipt wat dichter tegen zijn vel. ‘Pap-pa? Hou jij nog van mama?’ Hij zucht. Zegt niets. Niet ja, niet nee. ‘Waarom ging je weg?’ ‘Hanne,’ zucht hij, ‘dat hebben we je verteld ...’ Ze weet wel wat hij bedoelt. Dat was dat vreselijke gesprek ...

De dag dat papa haar moest ophalen van school. Net die middag stond haar fiets niet in het rek. Pas toen iedereen uit school vertrokken was, vond ze de plek waar hij stond. Superlaat kwamen ze thuis. Mama werd meer dan kwaad. ‘Was je weer te laat om Hanne op te halen? Je wist toch dat ik vroeg wou eten? Ik moet nog weg.’ ‘Ik was er toch ...’ ‘Maar niet op tijd. Ik sta er altijd alleen voor.’ Papa zei niet dat het zijn schuld niet was. Dat de fiets niet stond waar die moest staan. Hij keek alleen verslagen en gekwetst. ‘Ik ben het beu.’

20


‘Dan kom je toch wat later op die afspraak? Maakt dat zo’n verschil?’ ‘Ja! Voor mij wel! Jij bent er nooit als ik je nodig heb!’ Papa probeerde haar te sussen. Maar zijn antwoord maakte mama overstuur. Weer eens. Maar deze ruzie was anders want alles eindigde met die vreselijke zin: ‘Zeg jij het haar maar! Je besluit staat toch al vast!’ Wat? Wat bedoelden ze, vroeg ze zich af. Ze huilde. Om de fiets op de verkeerde plek. Om haar boze ouders … Pas na een tijdje zagen ze haar staan. Mama probeerde haar te troosten. Papa keek triest. Toen moest ze nog meer huilen. Daarna werd er urenlang gepraat. Hanne zei niets, mama zei niet wát en papa zei niet hóe. Na dat gesprek was niets meer als voordien. Papa ging weg. En er kwam ruimte in de kast. Hanne ziet aan papa’s gezicht dat hij er ook aan denkt. Dit is haar kans, denkt ze. ‘Waarom komen jullie niet terug bij elkaar?’ Zijn gezicht betrekt. ‘Hanne, meisje. Mama en ik houden heel veel van jou. Jij bent een deel van haar en een deel van mij. Maar mama en ik, wij horen niet meer bij elkaar.’

21


Ze slikt. Het is net of ze verdrinkt. Ze hapt opnieuw. Ze krijgt lucht maar drijft in een zee van spijt. ‘Ik wil dat het terug als vroeger wordt.’ De rimpel tussen zijn ogen wordt een groef6. ‘Dat kan niet. Echt niet.’ Troostend schuift hij dichterbij. ‘Hanne? Vergeet dit nooit: wij willen het beste voor jou.’ Ze trekt zich los en rolt zich op tot een bol. Hij buigt zich diep. Hij ruikt aan haar haren en kriebelt haar onder de oksels. ‘Eih! Papa!’ Ze rukt zich los uit zijn greep. Hij kijkt haar opgelucht aan. Ze zucht, ze voelt opeens hoe moe ze is. ‘Ga maar slapen,’ raadt papa haar aan. ‘Dit was genoeg voor vandaag.’ Ze geeuwt. Protesteren lukt toch niet meer.

Wij willen het beste voor jou, zei hij. Dan komen ze toch terug samen? Hanne vraagt zich af ... Komen de ruzies niet door háár? Ze doet niet altijd wat mama vraagt. En ze zeurt wel vaker dat ze papa te weinig ziet. Het donker drukt haar ogen toe.

22


Terug in het hotel Bij klaarlichte dag vinden ze de weg naar de poort gemakkelijk terug. In het hotel haast Hanne zich naar haar kamer. Eerst bellen ... ‘Mama?’ ‘Hanne! Oh! Wat ben ik blij dat ik je hoor! Is alles goed met je? Is het een leuk hotel?’ Hanne lacht.

23


‘Mama? Ik heb een kameleon gevangen.’ ‘Slaap je wel genoeg? Eet je op tijd?’ ‘Ja. Ik ga straks spinnen en vliegen zoeken.’ ‘Spinnen? Vliegen?’ ‘Voor de kameleon! Mijn nieuwe vriendje. Hij heeft nog geen naam. Hij zit nu nog in een doos, met wat takjes en gras. Hij is niet groot, hij past in mijn hand. Maar zijn staart is groter dan zijn lijf.’ ‘Is hij niet vies?’ ‘Nee, nee. Grappige pootjes dat hij heeft! En kleine handjes met vingertjes die aan elkaar kleven.’ ‘Handjes?’ Waarom begrijpt mama het nu niet? ‘Wat heb je gisteren gedaan?’ vraagt ze. Hanne trekt een bedenkelijk gezicht. Maar dat ziet mama niet. Hanne aarzelt … ‘We zijn op safaritocht geweest.’ ‘Blijf niet te lang in de zon! En smeer je op tijd in! Gaat alles goed?’ ‘Tuurlijk!’ ‘En papa?’ Ze dacht dat het nooit kwam. ‘Papa is een schat. Hij heeft ...’ Nu moet ze opletten. Niks zeggen over de tocht, over de poort, over Karolien ... ‘Zorg dat je genoeg slaapt! Heb je me al gemist?’ De kans is weg. ‘Heel erg ...’ zucht Hanne.

24


Het gesprek is vlug voorbij. Het lijkt wel of er een lange draad tussen hen hangt, eentje met daarin een dikke knoop. ‘Geef je papa nog even door?’ Ja! Zie je wel! Mama heeft hem toch gemist. De rest van de dag zingt er een stemmetje in haar hoofd. Het komt goed! Het komt goed. Na de reis wordt alles weer als voordien. Ze heeft toch eindelijk met papa gepraat? Hij snapte het, dus hij draait wel bij. Daar zorgt zij, Hanne, wel voor.

25


Het verkleurmannetjie In het vroege licht heeft de kameleon de kleur van natte varens. Hanne draagt hem voorzichtig op haar hand, op weg naar buiten. De zwarte vrouw in de gang laat haar kar met beddengoed in de steek als ze Hanne ziet. ‘Hello, missy.’ De vrouw wijst naar zichzelf. ‘Queenie.’ Queenie is net zo lief als haar naam. Ze lacht haar mooie tanden bloot. Haar plastic handschoenen propt ze in haar knalgele schort als ze ziet wat Hanne vasthoudt. ‘Ach … ’n verkleurmannetjie.’ Queenie zet de kameleon op haar hand. Ze ratelt een boel zinnen na elkaar en wandelt naar de hal. Onder de glazen koepel spuit een fontein waterstraaltjes in een reservoir. Queenie houdt de kameleon vlakbij. Zijn bolle ogen vangen de lichtspetters op. Zijn tong schiet uit en likt een druppel weg … ‘Drinkt hij niet uit een kommetje?’ ‘Kommetjie? Nee, ek gee hom druppels.’ Queenie houdt de kameleon dichter bij een plant. Hij zit roerloos. Maar zijn oogjes draaien rond. De één naar links, de andere rechts. Los van elkaar. Griezelig mooi! En dan schiet zijn tong uit. Hanne schrikt als ze ziet hoe lang die wel is.

26


Het insect op het groene blad maakt geen kans. Het plakt aan het kleverig puntje van de tong en rolt mee op naar binnen. De kameleon slikt. Queenie zet hem daarna terug op Hannes hand. Ze schommelt weg maar zwaait hen met de stofdoek na. ‘Bye bye missy! Bye Lucky!’ Bye Lucky? Lucky! Een kameleon die Lucky heet? Jep! Denkt Hanne. Lucky, jij brengt me vast geluk. Dat zal ik wel nodig hebben. Buiten gaat ze op zoek naar beestjes, naar spinnen en verse vliegen.

De bom barst Het fototoestel is weg. Dat mocht mee op tocht met papa en Karolien. Hanne niet. Die wou zelfs niet mee. ‘Ek hou wel een ogie in die seil,’ beloofde Queenie. Na het ontbijt mag Hanne mee naar de moestuin. Daar wemelt het van ongedierte: lekker kameleonvoer voor Lucky. Maar Lucky’s tong blijft opgerold, die floept niet uit zijn mond. Nee, Lucky eet nauwelijks. Queenie schudt haar bruine hoofd. ‘Verkleurmannetjie es siek.’ Queenie heeft gelijk. Lucky’s huid is vaal7. Hij verbergt zich in het verste hoekje van de doos.

27


Hanne wil hem aaien maar ze ziet hoe hij dan nog meer schrikt. Wat moet ze doen? Hulp vragen? Bellen? Ja, mama geeft haar vast wel raad. Het duurt even voor de verbinding lukt. ‘... of je kan de boodschap inspreken na de biep.’ Het huilen staat Hanne nader dan het lachen. Is mama dan nooit thuis? Waar is ze naartoe? En wat moet zij, Hanne, nu doen? Lucky kwijnt weg en er is niemand die haar helpt. Wanneer houdt dit op, zegt een stem in haar hoofd. Plotseling lijkt het wel of ze niemand meer heeft. Alsof ze, opgesloten in een doos, keer op keer tegen de hoge wanden botst. Net als Lucky. Hij treurt ook. Hij kruipt onder de takjes, tussen het groen. Tranen druppen uit Hannes ogen. Ze veegt ze weg. Maar er komen steeds nieuwe te voorschijn. Je bent alleen, zegt een stem in haar hoofd. Je ouders hebben andere dingen aan hun hoofd. Jullie horen niet meer bij elkaar. Hanne snikt. Haar schouders schokken. Boos schopt ze tegen een stoel, stampt tegen de kast. De stoel valt wel om maar de kast geeft niet mee. In een opwelling grijpt ze de doos met de kameleon. En dan vertrekt ze. Achter haar vliegt de kamerdeur met een klap dicht.

28


29


Weg! Weg! Op dit uur van de dag is het bloedheet. Zo ver Hanne kan zien, is er niets dan dor gras en laag struikgewas. Bij elke stap blazen haar voeten wat stof omhoog. Het roodaarden poeder kruipt tussen haar tenen en onder de lederen bandjes van haar sandalen. Ze raakt maar traag vooruit. De warmte put haar uit. Een brede boom werpt wat schaduw op de rotsen rondom hem. Doodmoe zakt Hanne neer. De doos met Lucky kantelt bijna om, die redt ze nog net. Voorzichtig raakt ze Lucky aan. Hij kruipt niet eens weg. Het lijkt wel of hij het opgeeft om zich te verbergen achter zijn kleur. Alles doet nu pijn: haar keel, haar hoofd, haar armen. Haar schouders voelt ze nog het meest. Die zon brandt gaten in haar huid, zo lijkt het wel. Ze sproeit wat water uit het flesje op haar hand. ‘Drink, Lucky! Drink! Geef niet op! Je mag niet dood!’ Maar de tong van Lucky blijft opgerold. Zijn ogen zitten diep in zijn kop. ‘Raak ik alles kwijt?’ vraagt ze in paniek. ‘Jou? Papa? Mama?’ Ze huilt.

30


‘Mama denkt niet aan mij. Ze heeft andere dingen aan haar hoofd. Mama heeft een andere man. Ze kiest voor hém, niet voor ons. Nu ja, misschien wel voor mij. Maar tussen haar en papa wordt het nooit meer als voordien ...’ Ze heeft dit wel al duizend keer bedacht maar nu ze de woorden uitspreekt, lijkt het alsof ze eindelijk terug in haar eigen vel zit. Lucky weet niet waarover ze het heeft. Hij kijkt net zo dom als zij toen ze ontdekte dat hun gezin van drie niet meer bestond. Hanne neemt een besluit. Voorzichtig zet ze Lucky op de rots. Hij ligt eerst stil maar dan richt hij zich op. Traag ... Op hoge poten waggelt hij weg. Hanne volgt hem nog even met haar blik maar stapt dan resoluut weg. ‘Dag Lucky! Dag ...’ Niet één keer kijkt ze om. Ze moet Lucky laten gaan. Hij neemt haar geheim wel met zich mee. Huilen doet ze nu niet meer. Alle tranen zijn op. Ze is iets kwijt, weet ze. Alleen weet ze niet goed wat. Maar telkens ze eraan denkt, schuurt er iets over de zere plek. Dag Lucky. Dag …

31


Waar is het hotel? Niemand kruist haar pad, niemand die haar zoekt. Waar ben ik? denkt ze. Haar hoofd barst. Haar huid voelt steeds warmer aan. Het liefst wil ze nu wat rusten want de zon brandt en zuigt haar leeg. Er is geen hotel. Of toch? In de verte verschijnt een vorm. De lucht boven het gras trilt. Rilt en trilt en trilt en rilt. Een bibberend beeld. Meer niet. En dan houdt het beven op.

32


Te veel zon Ik ben Hanne. Ik wil naar huis. Ik wil geen herrie elke dag. Geen stiekem gedoe over de telefoon. Ik wil papa vaak zien. En mama knuffelen. Ik hou van hen allebei. En ik ben boos op allebei. Razend. Ik wil dat dit stopt. Ik wil niet doen alsof. Ik mag toch verdrietig zijn? Of blij. Ik ben wie ik ben. Steeds aanpassen lukt niet meer. Ik beken geen kleur. Ik ben toch geen verkleurmannetjie? Ze hoort een stem. Queenie? Is dit een bed in het hotel? Iemand praat. ‘Dis my skuld.’ Daarna wordt het weer stil. Hanne probeert de dingen in haar hoofd te sorteren. Het lukt niet. Is papa terug? Heeft hij al naar mama gebeld? Dan komt alles terug goed. Want mama raakt vast in paniek. En papa sust haar wel. En zo beseffen ze dan toch dat zij, met zijn drieën, bij elkaar horen. Iemand praat zachtjes tegen haar. Zij begrijpt niet alles wat de stem zegt. ‘Denk je dat Lucky het redt?’ ‘Verkleurmannetjie es baie sterk. Hy sal wel oorleef. Moe nie worrie nie.’ De stem stelt haar gerust. Hanne doezelt weg. Het volgende wat ze ziet, zijn twee heel verschrikte ogen die dichterbij komen. Papa’s ogen.

33


En dan hoort ze de stem van Queenie die tegen hem zegt: ‘Praat. Praat met haar.’ ‘Hanne? Hanne! Hoe voel je je nu?’ Haar huid brandt. Haar kop ziet rood, dat weet ze wel zeker. De natte doeken op haar voorhoofd doen wel deugd. Alleen de zoute smaak in haar mond is raar. Het duurt een tijdje vooraleer ze alles scherp ziet. ‘Waarom liep je weg? Waarom, Hanne?’ Ze praat met papa over Lucky die gered moest worden. Over hoe eenzaam hij was. En dat zij zich ook zo voelt. Ze vertelt papa over zijn hoge rug. En over de ‘aan-uitknop’ op zijn buik. Die knop die opstaat als hij haar ziet. Als hij haar knuffelt en koestert. Die knop die afstaat als hij werkt en door de lens van een fototoestel kijkt. Waardoor hij alles rondom zich vergeet. Papa zwijgt een hele tijd. En zij kraamt onzin uit. Ze voelt wel dat die hele woordenstroom rammelt en botst. Maar het moet gezegd want soms wil ze gillen. Hard roepen dat dit niét is wat ze wil. Dat het moet ophouden want dat ze het niet meer redt.

34


‘Stil maar, Hanne. Ik weet het. Je hebt gelijk. Vanaf nu maak ik meer tijd voor jou. Ik meen het.’ Zij vertelt over Lucky’s slappe lijf, zijn doffe huid. Dat ze wist hoe hij zich voelde. Dat ze hem moest laten gaan. En dat ze niet eens zeker weet of hij nog leeft! Leeft hij nog? ‘Papa?’ ‘Slaap maar! Rust wat uit …’

35


Slapen? Heeft ze dat gedaan? Papa zit nog steeds naast haar bed als ze haar ogen opent. Hij kust haar zachtjes op de neus. Baardstoppels prikken in haar lip. Hij vertelt over de foto’s die hij nam. Die van haar en Lucky zijn heel goed gelukt. Hij recht zijn rug. ‘Misschien moet ik wel ingaan op het voorstel van Karolien.’ ‘Wat!?!’ Hanne schrikt, wil rechtop schieten in bed. Maar ze zakt weer neer, want haar hoofd veert niet mee. ‘Papa?!?’ Ze smeekt. Wat zegt hij nou? ‘Nee nee!’ sust hij. ‘Rustig, Hanne.’ Hij aait haar hand. ‘Ik leg het uit: Karolien kent een bedrijf waar ik aan de slag kan als fotograaf. Vaste werkuren. Minder reizen. Ik zie dat wel zitten. Want dan kan ik jou meer zien.’ Praat hij nu weer tegen zichzelf? ‘Jij en Karolien ...?’ vraagt ze. ‘Ja. Nee. Het gaat me om de job! Dan heb ik veel meer tijd voor jou.’ Hanne weet wat hij doet. Zij deed het al zo vaak. Als een kameleon past hij zich aan en verandert hij even van kleur. ‘En Karolien?’ ‘Hanne!’ Hij bromt. ‘Karolien zei al dat jij je dingen in je hoofd haalde. Of ik wel genoeg aandacht voor je had, vroeg ze bezorgd ...’

36


Hanne hoort de rest niet meer. Plotseling schiet haar iets te binnen. ‘Papa, is mama ook op reis?’ fluistert ze. Ze wacht. Ze wil niet meer doen alsof. Of zich verstoppen achter een andere kleur. Er komt niets uit papa’s mond. Geen woord, geen zucht. Even wordt ze bang. Want dat betekent dat het antwoord ‘ja’ is! ‘Alleen? Is ze alléén op reis?’ Nu loopt hij vast. Hij doet het weer. Zijn rug kromt terwijl zijn hoofd leegloopt tussen zijn knieën. Dan herpakt hij zich. Hij richt zich op met een verwrongen lijf. Het geheim barst uit Hannes mond: ‘Is ‘hij’ mee?’ ‘Hij?’ Papa’s mond beeft even, zijn ogen worden nat. Hij zucht. ‘Weet je het dan?’ vraagt hij stilletjes. Hanne duwt de pijn dit keer niet weg. ‘Dat mama iemand anders heeft?’ Zijn gezicht vertrekt. Nu heeft ze spijt van wat ze zei. Mama heeft iemand, iemand anders dan papa. Iemand. Welke naam past hier? Niets. Niets zit goed, elk woord doet pijn. Onnozel wicht, verwijt ze zichzelf. Natuurlijk weet hij het. Dacht ze echt dat hij niet wist waarom mama zo vaak weggaat. Hij aarzelt even. ‘Weet je het al lang?’ ‘Ja.’

37


Hij streelt zachtjes over haar haren. ‘Kunnen we dit ...?’ Haar schuddend hoofd doelt op het bed en op haar rode kop. ‘Moéten we mama dit vertellen …?’ Hij weet wel wat ze bedoelt, ze ziet het aan de grijns op zijn gezicht. Mama besterft het als ze hoort dat Hanne wegliep om een kameleon los te laten. Nee, dit voorval wordt een geheimpje van hun twee. ‘Papa?’ Ze houdt haar hoofd wat schuin, trekt een pruilsnoet. Daarvoor heb je een pruillip en een engeltjessnoet nodig. Het werkt altijd. Papa’s gezicht klaart op. Hij grijnst. Zie je wel dat hij het snapt ... ‘Nee,’ zegt hij dan. ‘Nee, Hanne. Mama moet weten wat jou overkwam. Want mama en ik zorgen sámen voor jou. En dat blijft zo! Altijd! Wat er ook in ons eigen leven gebeurt. Ook al gaan we onze eigen weg.’ Hanne schrikt. Wat zegt hij nu? ‘Hanne? Geen geheimpjes voor haar!’ Ze knikt. ‘Denk je dat Lucky het overleeft?’ ‘Hij redt het vast. In die doos had hij te veel stress, dat deugde niet.’ Papa knuffelt haar. En voor het eerst in lange tijd beseft ze dat het haar ook wel zal lukken.

38


Ze kan terug naar mama of ze blijft bij papa, zonder dat ze zich moet verschuilen onder een dik vel. Zonder geheim dat haar verstikt. ‘Voortaan verander ik niet meer van kleur,’ denkt ze hardop. ‘Tenzij ik groen word van jaloezie. Of blauw van de kou …’ ‘Je ijlt8,’ hoort ze papa zeggen. Maar ze ijlt niet. Ze is geen kameleon meer. Alleen die hoogrode kleur die ze nu heeft, die moet ze nog kwijt.

39


Woorduitleg 1 telelens = hulpmiddel om foto’s te nemen van dingen of personen die ver van de camera staan 2 impala = sierlijke bruingele of rode antilope 3 patrijs = kleurige vogel die op een fazant lijkt 4 majestueus = indrukwekkend, bijna koninklijk 5 stroper = iemand die zonder toestemming jaagt op het terrein van een ander 6 groef = diepe rand 7 vaal = bleek, zonder kleur 8 ijlen = verward praten

40


Met papa op vakantie naar Zuid-Afrika? Zonder mama. Hanne heeft haar twijfels over de reis. Een bijzondere vangst in de tuin van het hotel fleurt haar helemaal op. De kameleon wordt haar nieuwe vriendje. Maar het ‘verkleurmannetjie’ lijkt net zoveel moeite te hebben met veranderingen in zijn leven als zij.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 2 - Thema 4 - N2 - Verkleurmannetjie by die Keure - Issuu