ucatieve uitgaven
BIEB
Kriebelbeestjes Kolet Janssen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
2
Kriebelbeestjes
1
1 Insecten: wat zijn dat voor beestjes? Oneindig veel Vraag eens aan de kinderen uit je klas welk dier hun lievelingsdier is. Wedden dat er niemand een insect kiest? Dat is eigenlijk niet helemaal eerlijk, want meer dan de helft van alle dieren op aarde zijn insecten! Keuze genoeg dus. Voor elke mens op aarde lopen, kruipen of vliegen er minstens een miljard insecten rond. Wetenschappers hebben al meer dan een miljoen verschillende soorten insecten beschreven. En elke soort wordt dan weer onderverdeeld in kleine groepen met ongeveer dezelfde kenmerken. Dat zijn de ordes.
2
Ontdekkingsreiziger Sommige kinderen vinden het jammer dat er op onze aarde niet zo veel meer te ontdekken valt. Alle werelddelen en landen zijn bekend en in kaart gebracht. Het lijkt wel alsof je op onze planeet geen echte avonturen meer kunt beleven. Maar de insectenwereld heeft nog steeds ontdekkingsreizigers nodig. Want naar schatting zijn er nog honderdduizenden niet ontdekte soorten! Werk genoeg dus voor een entomoloog1, want zo heet iemand die alles weet over insecten. Misschien iets voor jou? Lief of lastig? Misschien denk je bij het woord ‘insecten’ eerst en vooral aan een heleboel niet zo leuke dingen. Wespen en muggen kunnen je gemeen steken. Sommige sprinkhanen en kevers vreten de hele oogst op. Er zijn vliegen en muggen die gevaarlijke ziektes overbrengen. Maar insecten zijn ook heel nuttig! Zonder insecten zou er vaak helemaal geen oogst zijn, want de meeste voedingsgewassen hebben bestuiving2 nodig om vruchtjes te laten groeien. En die bestuiving gebeurt in veel gevallen door insecten. Insecten zijn ook de grote schoonmaakploeg van de natuur: zij zorgen voor de verwerking van dode planten- en dierenresten. Veel andere dieren leven dan weer op een menu van insecten. Mensen eten honing, die door bijen – insecten dus – verzameld is. En wetenschappers doen allerlei proeven om van insecten een goede voedingsbron te maken voor mensen. Misschien griezel je nog een beetje, als je eraan denkt dat je insecten zou moeten eten. Maar het kan wel een oplossing zijn voor het probleem van de honger in de wereld. Want insecten zijn er meer dan genoeg!
3
Hallo, ik ben een insect!
Wanneer ben je een insect? Zijn alle kleine kriebelbeestjes insecten? Nee hoor. Er zijn een paar voorwaarden om bij de club te mogen horen. Alle insecten hebben een lijf dat uit drie delen bestaat: een kop, een borststuk en een achterlijf. Insecten hebben ook altijd drie paar poten, dus in totaal zes poten. Spinnen hebben bijvoorbeeld vier paar of acht poten, en zijn dus geen insecten. Alle kleine beestjes die vliegen, zijn insecten. Maar er zijn ook insecten die niet vliegen of alleen in sommige fases van hun leven. Vlinders bijvoorbeeld vliegen niet als ze nog rupsen zijn. En ook niet alle kevers kunnen vliegen, hoewel het wel insecten zijn.
4
Succesverhaal Dat er zo veel insecten zijn, is het bewijs dat het een succesvolle diersoort is. Dat komt omdat ze klein zijn en dus op plekken kunnen leven waar andere dieren niets aan hebben. Ze hebben vaak een stevig pantser dat hen beschermt. Elke insectengroep lust andere dingen: plantjes of dode restjes. Dus is er altijd wel voedsel voorhanden voor een of andere groep insecten. Veel insecten kunnen vliegen en ze verspreiden zich daardoor snel. En insectenkindjes kweken gaat heel wat sneller dan de voortplanting van de meeste andere dieren. Niet zo vreemd dus dat er veel insecten zijn.
2 Hoe zit een insect in elkaar? Insecten zitten heel anders in elkaar dan mensen. Ze hebben geen longen, geen lever en nieren, geen stelsel van bloedvaten. Insecten hebben ook geen beenderen. Hun bloed ziet er niet rood uit. Ze ademen, bewegen, eten en voelen met heel andere organen dan wij. Drie delen De meeste volwassen insecten kun je verdelen in drie grote stukken: de kop, het borststuk en het achterlijf. De kop zit vooraan. In de kop zitten de hersenen, de mond, de ogen en de voelsprieten. Het midden van het insect is het borststuk. Daaraan zitten de vleugels en de poten vast. Er zijn altijd drie paar poten en een of twee paar vleugels. Aan de achterkant van het insect zit het achterlijf. Daarin gebeurt alles voor de spijsvertering en voor de voortplanting. Soms hebben insecten een angel aan hun achterlijf om zich mee te verdedigen.
5
De drie delen van het lijf van de zwarte mier zijn duidelijk zichtbaar.
Een harnas Mensen en zoogdieren zoals katten of muizen hebben een stevig lichaam omdat er binnenin een geraamte van botten zit. Insecten hebben geen beenderen in hun lijf. Wel hebben ze een soort pantser of harnas om hun hele lijf heen. Hun skelet zit dus eigenlijk aan de buitenkant. In hun pantser zitten ook gewrichten waarmee ze hun poten of vleugels kunnen bewegen. Dat lichte, stevige omhulsel beschermt het insect en geeft steun aan zijn lichaam. Het probleem met een skelet aan de buitenkant is dat het niet kan meegroeien zoals de botten binnen in je lichaam. Het pantser van insecten wordt dus regelmatig te klein. Dan ‘vervellen’ ze. Dat betekent dat ze uit hun oude pantser kruipen en dat er zich een nieuw en groter pantser om hun lijf heen vormt. Als een insect pas verveld is, verstopt het zich vaak, want dan is het erg kwetsbaar. Elke groep insecten heeft een vast aantal vervellingen tot ze volwassen zijn. Daarna groeien ze niet meer.
6
Ademen Insecten ademen niet door hun mond, maar door kleine openingen op hun lijf die we ‘stigma’s’ noemen. Die zitten aan de zijkant van het borststuk en het achterlijf. Die stigma’s leiden naar luchtbuizen die de zuurstof naar overal in het lichaam brengen. Bloed Het hart van een insect is een gespierde buis die bloed naar de kop pompt. In dat bloed zitten voedingsstoffen. Het haalt ook de afvalstoffen weg. Anders dan bij mensen zit er in het bloed van insecten geen zuurstof. Insectenbloed is niet rood, maar kleurloos of waterig groen of geel. Spijsvertering Het spijsverteringsstelsel van een insect is een lange buis die dwars doorheen zijn hele lijf loopt. Het eerste stuk is de voordarm: daar wordt het voedsel in kleine stukjes gemalen en gedeeltelijk verteerd. In het tweede stuk, de middendarm, worden de voedingsstoffen uit het voedsel in het bloed opgenomen. Alles wat niet verteerd wordt en alle afvalstoffen gaan naar het derde stuk of de einddarm. Daar wordt het afval uit het lijf van het insect verwijderd. Hersenen Er zitten hersenen in de kop van het insect, maar er zitten ook nog kleine stukjes hersenen in de rest van zijn lijf. Daarom kunnen insecten soms nog verder lopen of vechten ook als ze in een gevecht hun kop al verloren hebben. De informatie die binnenkomt via de ogen en de voelsprieten wordt verwerkt door de hersenen in de kop. Maar het aansturen van poten en vleugels gebeurt door de stukjes hersenen in het borststuk.
7
Ogen Veel insecten hebben grote ogen. Bij mensen zit er in elk oog één lens. Insecten hebben vaak samengestelde ogen of facetogen3. Die bestaan uit een heleboel lenzen naast elkaar. Met die ogen zien ze een heleboel kleine beelden naast elkaar. Mensenogen zien waarschijnlijk een scherper beeld. Maar insectenogen zijn beter om bewegende beelden te kunnen zien. Libellen kunnen zo bijvoorbeeld beter zwevende muggen vangen, ook als het al bijna donker is. Insecten zien minder kleuren dan mensen. Ze zijn wel gevoelig voor ultraviolet licht. Dat is een kleur die mensen niet kunnen zien. Daarom zijn er heel wat bloemen die vlak bij het hart van de bloem, waar de honing zit, een tekening in ultraviolet hebben. Dat heet het ‘honingmerk’. Zo trekken ze de aandacht van insecten, die dan op de honing afkomen en tegelijk het stuifmeel4 verspreiden en er zo voor zorgen dat er uit de bloem vruchtjes kunnen groeien.
De facetogen van een vlieg.
8
Oren en voelsprieten De oren van insecten lijken niet op die van ons. Veel insecten kunnen geluiden horen. Hun oren zitten niet altijd op hun kop. Krekels hebben oren op hun poten, sprinkhanen op hun buik. Voelsprieten zijn bijzonder handige instrumenten. Insecten kunnen ermee ruiken, voelen en proeven. Soms zitten er piepkleine haartjes op de voelsprieten, waardoor ze zelfs luchtbewegingen kunnen voelen. Als er een ander dier in de buurt komt, zijn ze op tijd gewaarschuwd. Best handig, zo’n stel voelsprieten! Lopen Misschien heb je al eens gezien hoelang een baby moet oefenen voordat hij rechtop kan lopen. Lopen op twee benen is niet zo gemakkelijk, want om verder te stappen moet je telkens een been in de lucht steken en zo dreig je je evenwicht te verliezen. Voor insecten is het op dat gebied een stuk eenvoudiger. Ze hebben namelijk zes poten, waarvan ze er altijd drie op de grond houden. Dus afwisselend staan ze met één poot links en twee poten rechts op de grond en zetten ze de overige poten een stap verder. Daarna blijven twee poten links en één poot rechts op de grond en zetten de andere poten een stap vooruit. Insecten verliezen dus minder snel hun evenwicht. Omdat ze zo licht zijn en soms lange poten hebben, kunnen ze vaak best snel lopen. Elke poot is bovendien verdeeld in vijf stukken die met gewrichten aan elkaar zitten. Net zoals wij een elleboog of een knie kunnen bewegen, kunnen insecten hun poten op nog veel meer plaatsen bewegen.
9
Er zijn ook insecten die hoog kunnen springen. In de achterpoten van de sprinkhaan zit daarvoor een speciaal mechaniekje, waardoor ze hoog in de lucht kunnen schieten. Ondersteboven Veel insecten kunnen net zo vlot omhoog als omlaag lopen. Je ziet ze zelfs ondersteboven over het plafond lopen. Dat komt omdat ze soms piepkleine klauwtjes aan de uiteinden van hun poten hebben. Vliegen hebben kleine, harige kussentjes onder hun klauwtjes, waarin een plakkerige stof zit. Zo kunnen ze ook op gladde oppervlakken, zoals ramen, snel heen en weer lopen zonder uit te glijden. Vliegen Er zijn niet zo veel soorten dieren die kunnen vliegen. Alleen vogels, vleermuizen en insecten kunnen zich door de lucht verplaatsen met behulp van vleugels. De vleugels van vogels bestaan uit veren, die van vleermuizen uit huid. Insectenvleugels zijn gemaakt van dezelfde stof als hun pantser, maar dan niet meer dan twee heel dunne laagjes. De meeste insecten hebben twee paar vleugels. Dat is zo bij bijen, wespen, libellen en vlinders. Bij kevers die een deel van hun leven onder de grond doorbrengen, is een paar vleugels vaak harder geworden en vormt op die manier een soort dekschild. Toch kunnen de meeste kevers nog steeds vliegen: als het nodig is, openen de twee helften van hun dekschild zich en daaronder komt het tweede, dunne vleugelpaar tevoorschijn. Je ziet dat bijvoorbeeld heel goed als een lieveheersbeestje opvliegt.
10
De dekschilden gaan open en daaronder zitten de vleugels.
11
3 Hoe groeit een insect? Voordat een insect volwassen is, doorloopt het verschillende fases. Hoe het insect er tijdens die fases uitziet, hangt af van de groep waartoe het insect behoort. Nimfen en larven Alle insecten komen uit een ei. Er zijn soorten waar het piepjonge insectje al een soort miniversie is van het volwassen insect. Een beetje zoals bij mensen, waar baby’s duidelijk al sterk lijken op volwassen mensen, maar dan een heel stuk kleiner. Zo’n insectenbaby heet een nimf. Voorbeelden daarvan zijn kakkerlakken, oorwormen en sprinkhanen. Bij andere insecten komt er een baby uit het eitje, die er totaal anders uitziet dan zijn vader of moeder. Het lijkt wel een andere diersoort. Zo’n klein insectje heet een larve. Die vreet zich rond en groeit en groeit, totdat hij op een dag langzamer wordt en zich ergens gaat verstoppen. Vaak bouwt de larve een cocon van zijde die hij zelf maakt, of van zand, planten of dierenharen. Op die veilige en beschutte plek gaat hij verpoppen. Daar zie je aan de buitenkant niets van. Maar binnen in de cocon gebeurt er van alles. Het lichaam van de larve verandert in het lichaam van het volwassen insect. Hij blijft in de cocon, totdat het volwassen insect klaar is om uit de pop te komen. Een bekend voorbeeld daarvan is de vlinder, die als ‘baby’ een rups is.
12
Eerst rups, dan pop, dan vlinder.
Eten zonder stoppen De larve is een raar wezentje. Vaak is het eerste wat hij doet, de eischaal opvreten waaruit hij zopas gekomen is. Een larve heeft als voornaamste opdracht in het leven om elke dag opnieuw zijn buikje vol te vreten. Zijn mama heeft de eitjes meestal al speciaal op een plek gelegd waar het juiste voedsel ligt. Op de plant waarvan hij moet eten of in de rottende resten waarmee hij zijn buikje kan vullen. De larve hoeft dus weinig te bewegen, omdat zijn eten vlakbij is. Vaak heeft hij bijvoorbeeld nog geen vleugels. Die krijgt hij pas als volwassen insect. Bij wespen en bijen hebben de larven zelfs geen poten. Volwassen wespen en bijen brengen het voedsel tot bij de larven. Door al dat eten groeien de larven supersnel.
13
Op het menu Larven van kevers kunnen allerlei soorten voedsel eten. Dat hangt af van de soort kever. Larven van lieveheersbeestjes eten levende prooien. Zij eten wel tientallen bladluizen per dag! De larven van de kelderkever eten dode resten van planten en dieren. Best nuttig in de natuur om zo’n opruimploeg in de buurt te hebben! De larven van de snuitkever eten planten. Zij boren zich al etend helemaal naar binnen in de plant. Je hebt misschien al eens een appel met een worm erin gezien. Dat is de larve van het fruitmotje, die – net als wij – houdt van appels. Zijde De zijdevlinder doet iets waar mensen erg in geïnteresseerd zijn. Net als andere vlinders legt de zijdevlinder eitjes waaruit een larve komt. Na een dag of tien waarin ze blaadjes van de moerbeiboom eet, spint deze larve een cocon van zijdedraad. Al eeuwenlang worden deze vlinders precies daarom gekweekt in China. Want als de pop op het juiste moment gedood wordt, kun je de draad helemaal afwikkelen, zo’n 300 tot 900 meter lang. Zijdedraad is heel dun. Voor een kilo zijde heb je ongeveer 5.000 cocons nodig. De zijdedraad wordt gebruikt om zijden stoffen van te weven.
4 Hoe overleeft een insect? Insecten zijn klein en vaak nogal kwetsbaar. Vogels met scherpe ogen zijn hun vijanden. En er zijn ook heel wat insecten die andere insecten opeten. Hoe verdedigen insecten zich tegen al die gevaren?
14
Eerst en vooral door met heel veel te zijn! Het is onmogelijk om alle insecten uit te roeien. Maar elk insect apart doet ook zijn best om te overleven. Ik ben weg! De meeste insecten zijn geen vechtjassen. Als er gevaar dreigt, vluchten ze zo snel als ze kunnen. Ze vliegen of springen weg en ontsnappen zo aan de vijand die hen wil oppeuzelen. Kakkerlakken rennen weg naar een veilige plek zodra ze verstoord worden. Ze kunnen in de kleinste spleetjes wegduiken, zodat niemand ze nog kan deren. Verstoppertje spelen Soms zie je aan de stengel van een plant een plukje schuim zitten. Dat kan ook een manier zijn om roofdieren te slim af te zijn. In dat schuimplukje kunnen de larven van sommige sprinkhanen zich perfect verstoppen. Ze maken dat schuim zelf van plantensappen. Pas op, ik ben gevaarlijk! Sommige insecten spelen een beetje vals: ze doen alsof ze gevaarlijk zijn, terwijl dat helemaal niet het geval is. Zo leiden ze vogels of andere insecten die het op hen gemunt hebben, om de tuin5. Heel wat vlinders hebben bijvoorbeeld op hun opengeklapte vleugels twee grote donkere cirkels, die eruitzien als starende ogen. Vogels trappen daarin en vallen zo’n insect niet aan. Zweefvliegen hebben gele en zwarte strepen op hun lijf, zodat ze op wespen lijken. Wespen hebben een angel waarmee ze kunnen steken en daar passen veel andere dieren dus voor op. Zweefvliegen hebben helemaal geen angel, maar vogels zien het verschil niet en laten hen met rust dankzij hun wespenstrepenpakje.
15
De ‘ogen’ op de opengeklapte vleugels van de dagpauwoog.
Ra, ra, waar ben ik? Er is nog een andere heel goede manier om ervoor te zorgen dat je niet wordt opgegeten. Sommige insecten hebben kleuren en motieven waardoor je ze bijna niet kunt onderscheiden van hun omgeving. Zo kunnen vogels of andere insecten hen heel moeilijk zien. Er zijn rupsen die bijvoorbeeld op vogelpoep lijken. Andere insecten lijken op de blaadjes waarop ze zitten. Wandelende takken zijn bijna onzichtbaar omdat ze ongelooflijk sterk op takjes lijken. Sommige motten zie je pas na lang zoeken op de boombast waarop ze leven.
16
Een wandelende tak tussen ‘echte’ takken.
Giftig? Heel wat rupsen of kevers hebben felle kleuren om roofdieren te waarschuwen dat ze niet lekker of zelfs giftig zijn. De rode, blauwe of gele kleuren schrikken andere dieren af. Dat is ook een manier om ervoor te zorgen dat je niet wordt opgegeten!
Deze rups ziet er voor vogels niet erg smakelijk uit.
17
5 Samen sterk De meeste insecten brengen hun tijd alleen door. Ze houden niet zo van gezelschap. Alleen als er moet gezorgd worden voor nieuw nageslacht, zoeken ze elkaar op. Voor de rest van hun leven zijn ze perfect gelukkig in hun eentje. En zelfs van de jongen die uit hun eitjes komen, trekken ze zich meestal bijzonder weinig aan. Die moeten het, net zoals hun ouders, maar op hun eentje rooien. De grote uitzondering op die regel zijn de zogenaamde ‘sociale insecten’. Sociale insecten Sociale insecten zijn insecten die in grote groepen leven. Die insecten zijn er allemaal een beetje familie van elkaar. Zo’n groep kan een paar tientallen leden hebben, maar bij sommige insectensoorten loopt dat op tot miljoenen diertjes. Niet makkelijk om dan al je neven en nichtjes bij naam te kennen! Insecten die in groepen of kolonies leven zijn: mieren, termieten, bijen, wespen en hommels. In zo’n kolonie werken de insecten samen om een nest te bouwen, om voedsel te verzamelen en om de kleintjes groot te brengen. Het lijkt wel een kleine stad waarin van alles gebeurt! Iedereen zijn eigen klus In een kolonie insecten zijn de taken meestal verdeeld. In een bijennest bijvoorbeeld heb je drie types van bijen: de werksters, de darren en de koningin. De koningin, die soms vele jaren oud wordt, regeert het nest. Zij alleen legt de eitjes. Zij produceert een stof waardoor de werksters onvruchtbaar blijven en dus zelf geen eitjes kunnen leggen. De werksters zorgen voor de bouw en het onderhoud van het nest. Zij voeden ook de larven. De darren zijn mannetjes. Zij paren met de jonge koninginnen, die dan een nieuw nest gaan stichten.
18
Hoe praten insecten met elkaar? Insecten gebruiken niet in de eerste plaats geluid om met elkaar te praten. Bij hen gaat dat veel beter met geuren. Als ze elkaar iets willen duidelijk maken, scheiden ze geurstoffen of feromonen6 af. Zo’n geur wordt door andere insecten van het nest snel opgepikt, ook als het maar om een heel klein beetje gaat. Soms merken ze die geur zelfs op over enkele kilometers afstand. Insecten gebruiken hun geurzin om voedsel op te sporen.
Werksterbijen aan de slag: in de dichte hokjes stoppen ze honing als voedselvoorraad.
19
Maar door de feromonen kunnen ze ook heel goed signalen geven aan elkaar over dreigend gevaar of over een interessante route naar een voedselvoorraad in de buurt. Als er bijvoorbeeld een mier vertrapt wordt, komt er meteen een geur vrij die de andere mieren vlakbij heel boos en agressief7 maakt. Die zullen dan stevig om zich heen beginnen te bijten! Werksterbijen maken elkaar met verschillende dansjes duidelijk waar er in de buurt lekkers te vinden is. Ze kunnen door hun bewegingen de precieze afstand en richting aangeven en ook om hoeveel honing het gaat.
6 De nieuwe generatie8 Insecten doen er vaak een hele tijd over voordat ze volwassen zijn. Maar daarna leven ze meestal niet zo erg lang. Ze moeten dus gauw aan de slag om kleintjes op de wereld te zetten. Daarvoor hebben ze meestal een partner nodig met wie ze gaan paren. Baltsen9 Om de aandacht van een partner te trekken, gaat het mannetjesinsect allerlei speciale dingen doen. Dat heet ‘baltsen’. Vlindermannetjes voeren bijzondere dansjes uit rondom een vlindervrouwtje. Krekels en sprinkhanen schrapen op hun pootje aparte muziekjes. Vuurvliegjes zenden lichtsignalen uit. Bij het ‘vliegend hert’ (een soort kever) vechten de mannetjes onder elkaar een hevige strijd uit om met een vrouwtje te kunnen paren. Elk insect doet het dus op zijn eigen manier.
20
Paren Het vrouwtje dat onder de indruk is van het baltsgedrag van een mannetje, gaat dan op een blad of een andere rustige plek zitten. Dat is het teken dat het mannetje met haar kan paren. Hij brengt zijn zaad in het lijfje van het vrouwtje. Zo worden de eitjes bevrucht. Het vrouwtje legt de eitjes dan op een goede plek, bijvoorbeeld op een blad of aan een plantenstengel. Sommige insecten kleven de eitjes vast aan een blad, andere begraven ze of laten ze zomaar op de grond vallen. Als alles goed gaat, hebben de jongen die uit het ei komen meteen hun eten vlakbij.
De paring van twee sprinkhanen.
Eitjes De meeste insecten kijken niet meer om naar hun eitjes. De larfjes moeten maar voor zichzelf zorgen en meestal lukt dat prima. Het eerste wat larfjes meestal doen is het opeten van hun eigen eierschaal: die is rijk aan eiwitten en zo kunnen de kleintjes meteen met hun eerste maaltijd hun buikje rond eten. De wantsen10 zorgen wel voor hun eitjes. Bij de reuzenwaterwants plakt het vrouwtje alle eitjes op haar rug.
21
Het mannetje blijft bij haar en bewaakt de eitjes tot de jongen uitkomen. Daarna moeten de jongen op eigen houtje zien te overleven en te groeien.
7 Schadelijk of nuttig? Een zwerm sprinkhanen die in een mum van tijd de hele oogst opeten, of muggen die een gevaarlijke ziekte overdragen, daar zitten mensen natuurlijk niet op te wachten. Geen wonder dat insecten dan ‘schadelijk’ worden genoemd en dat mensen ze met alle mogelijke middelen proberen uit te roeien. Dat is meestal niet zo gemakkelijk, want insecten passen zich snel aan. Het gif dat mensen tegen hen gebruiken, werkt in de volgende generatie soms al niet meer. Malaria11 Insecten die bijten en steken of je huis inpalmen, zijn niet echt leuk. Maar de muggen in ons land bezorgen je hoogstens een beetje jeuk. Muskieten die de ziekte malaria overbrengen zijn heel wat gevaarlijker. Mensen die naar een warm land reizen waar deze beestjes rondvliegen, moeten heel voorzichtig zijn. Ze slapen best onder een muskietennet of nemen alvast medicijnen om de ziekte tegen te houden. Kevers Een Coloradokever is mooi om te zien, met zijn oranje kop en gestreepte rug. Maar een vrouwtje legt per jaar wel drieduizend eitjes, dus zijn er al gauw veel te veel Coloradokevers.
22
De beestjes leven van de bladeren van de aardappelplant en zorgden in het verleden vaak voor grote rampen in de aardappeloogst. Eerst leefden deze kevers alleen in NoordAmerika, maar halverwege de 19e eeuw werden ze per ongeluk overgebracht naar Europa en andere werelddelen. Lekker? Zin in een hapje geroosterde sprinkhanen of mieren met ketchup? De meeste mensen griezelen bij het idee om insecten op te eten. Toch eten ze zonder problemen garnalen, kreeft of krab, die in de verte nog familie zijn van insecten en er ook niet zo lief Smakelijk! uitzien. Misschien moeten we gewoon nog even wennen? Insecten zijn immers een prima voedselbron: boordevol eiwitten en arm aan vet. Een plaats in het geheel Net als alle levende wezens hebben insecten in de natuur een eigen onvervangbare plaats. Telkens als ze honing uit een bloem halen, nemen ze stuifmeel mee en bevruchten zo de volgende bloem. Op die manier krijgen veel planten zaad en kunnen ze voortbestaan. De meeste planten kunnen insecten dus echt niet missen. Planten en dieren gaan aan de lopende band dood en dat zorgt voor heel wat afval in de natuur. Insecten gebruiken die resten als voedsel en zorgen op die manier dat alles opgeruimd wordt. En ook in de voedselkringloop nemen insecten een belangrijke plaats in voor alle dieren (bv. vogels) die hen als voedselbron gebruiken. Onze wereld zou er zonder insecten heel anders uitzien!
23
Woorduitleg 1
entomoloog = een wetenschapper die insecten onderzoekt en bestudeert 2 bestuiving = het overbrengen van stuifmeel 3 facetoog = een oog met veel vlakken en lenzen 4 stuifmeel = poeder in bloemen, waarmee ze zich voortplanten 5 iemand om de tuin leiden = iemand misleiden of foppen 6 feromonen = lokstof die dieren uitscheiden voor de andere dieren van hun soort 7 agressief = aanvallend 8 generatie = groep wezens die rond dezelfde tijd geboren zijn 9 baltsen = een paringsdans uitvoeren 10 wants = een insect dat een soort snaveltje heeft 11 malaria = een ziekte waarbij je hoge koorts krijgt
24
Zonder insecten zou onze wereld er heel anders uitzien! Insecten zijn sterk, slim en ontzettend talrijk. Lees dit boek en maak van insecten voortaan je lievelingsdieren!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Foto’s: Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.