ucatieve uitgaven
BIEB
Mimi en Nini Aag Vernelen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
2
Mimi en Nini
Aan de rand van ons dorp woonden, nog geen half jaar geleden, twee oude vrouwtjes. Het leek wel of ze er al eeuwen woonden, in een piepklein huisje, midden in de velden. Onze ouders hebben het nooit anders geweten. En als wij ons niet hadden gemoeid, woonden ze daar nu misschien nog. Als die vreselijke middag bij het meer er niet was geweest. Maar het liep anders. De vrouwtjes gingen allebei dood. Vóór die ene middag bij het meer zagen wij ze geregeld in het dorp. Dat is niet zo raar, want wij hangen na schooltijd altijd rond bij het winkeltje van meneer Beretti, en daar deden de vrouwtjes hun boodschappen. Wij, dat zijn Stijn, Toon, Lana en ik. Vier handen op één buik. Stijn en Toon zijn tweelingbroers, maar ze lijken in niks op elkaar. Stijn is een leiderstype en een wereldverbeteraar, Toon loopt meestal als een schaap achter zijn broer aan. Lana en ik vinden dat niet erg, want ze zijn allebei leuk om te zien. Stijn met zijn sluike, blonde haren en Toon met zijn dikke, zwarte krullen.
1
Het winkeltje van meneer Beretti is onze lievelingsplek. Je kunt er bijna alles kopen. Zoals snoep genaamd smoelentrekkers. Daar doen we wedstrijdjes mee: om het meest smoelentrekkers eten, tot je tong gevoelloos is en je mond in brand staat van het zuur. Maar genoeg over ons. Eerst moet ik je wat meer vertellen over de twee vrouwtjes. Misschien begrijp je dan waarom we deden wat we deden, die middag bij het meer. Het ene vrouwtje was groot en dik, en liep fier rechtop. Het andere vrouwtje was klein en mager, en liep zo krom als de neus van mijn pa. En dat is heel erg krom. De grote heette Mimi en de kleine heette Nini. Hun echte namen waren Maria en Dominique, weet ik nu. Ze hadden ook een hondje, een poedelmormel met een roze jasje, dat Lolo heet. Het was een heus spektakel om hen samen te zien. Het leek wel een circusparade. Eerst denderde Mimi voorbij, met grote, wijde passen. Daarachter trippelde Lolo, en aan het staartje bengelde Nini, met snelle muizenpasjes. Het leek alsof Nini, net als Lolo, met een lijntje aan Mimi vasthing. Een ingebeeld lijntje. Als ze halt hielden, werd het een droevig spektakel.
2
Mimi deelde lieve woorden en aaitjes uit aan Lolo, en rotopmerkingen en boze blikken aan Nini. Echt waar. Dat beest kon niks verkeerds doen en het kleine vrouwtje kon niks goeds doen. Zo ging het, jaar in, jaar uit. Nooit zei het kleine vrouwtje wat terug. Elk jaar ging ze krommer en krommer lopen. Als ik er tegen mijn moeder over begon, haalde ze haar schouders op. ‘Wat doe je eraan?’ zei ze dan. ‘Ze kiezen ervoor om bij elkaar te zijn.’ De mensen uit het dorp schudden meewarig hun hoofden als de vrouwtjes langskwamen, maar niemand deed er wat aan. Omdat ze voor elkaar hadden gekozen. Echt iederéén zei het. Maar wij konden het niet geloven. We zagen wat we zagen.
3
We hadden het trouwens al zo vaak gezien. Maar deze winter werd het Stijn opeens te veel. Stijn met zijn hart van goud. We stapten zoals elke dag bij meneer Beretti naar binnen. Het piepkleine winkeltje stond overvol. Ook Mimi en Nini stonden in de rij. Ze waren bijna aan de beurt. ‘Wat eten we vanavond, Lolo liefje?’ zei Mimi met haar allerliefste stem. Ze keek omlaag naar Lolo, die meteen begon te kwispelen. Mimi glimlachte. Met die zoete glimlach om haar mond zag ze er bijna aardig uit. Maar wij wisten wel beter. ‘Ik heb zin in pannenkoeken,’ zei Nini zo zacht als een windzuchtje. Mimi riep luid: ‘Zwijg, stom mens.’ Je kon een speld horen vallen. Iedereen staarde Mimi en Nini aan. Mimi tilde Lolo van de grond en aaide zijn kopje met haar wang. ‘Hoor je dat, Lolo? Pannenkoeken!’ Haar stem sloeg aan het zingen. ‘Is ze nou helemaal betoete-woeterd? Pánnenkoeken. Die pannenkoeken van haar zijn niet te vreten. Wij laten ons niet vergiftigen, hé, lieverd?’ Meneer Beretti stond met zijn mond wijd open achter de toonbank. Niemand bewoog of zei iets. En toen zag ik Stijn. Ik gaf Lana een stomp en wees zijn richting uit. Zijn hoofd was vuurrood.
4
Hij hapte naar adem en deed zijn mond open om iets te zeggen. Op dat moment schraapte Meneer Beretti zijn keel. ‘Zegt u het maar,’ piepte hij tegen Mimi. Stijns mond klapte terug dicht. ‘Geef me maar een kilo lasagne,’ zei Mimi. ‘Daar gaan we van smullen, hé Lolo? Meneer Beretti kan wél lekker koken!’ ‘Euh, dank u wel,’ stamelde meneer Beretti. Met trillende handen deed hij de lasagne in een schaaltje. ‘Had u verder nog wat gewenst?’ vroeg hij. ‘Ja, een dagje verlost zijn van dit onding hier.’ Mimi wees met haar duim over haar schouder, waar Nini aan haar nagels stond te prutsen. ‘Maar daar kan u me niet mee helpen zeker, nee, dat kan niemand.’ Ze liep met Lolo onder haar arm naar buiten. Nini knikte verlegen naar niemand in het bijzonder en volgde Mimi aan haar denkbeeldige lijntje. Toen ze de deur uit waren, begonnen de mensen in de winkel meteen weer te praten. ‘Heb je dát gehoord? Dat arme vrouwtje.’ Stijn leunde met één schouder tegen het raam en keek de vrouwtjes na. Opeens werden zijn ogen zo groot als pingpongballen. ‘Zag je dat?’ riep hij. Lana, Toon en ik schudden ons hoofd. ‘Meekomen!’ zei Stijn en hij beende naar buiten.
5
We liepen achter hem aan. Op de stoep ontplofte hij. ‘Dit slaat alles, dit … is … gewoon …’ Hij hapte naar adem. ‘Rustig maar, Stijn,’ zei ik. ‘Wat heb je gezien?’ ‘Die dikke vrouw gaf dat kleine vrouwtje een keiharde mep! Recht in haar gezicht!’ ‘Ben je daar zeker van?’ vroeg ik. ‘Ja! Tenminste, ik denk het wel.’ Hij dacht even na. ‘Ja, ik ben er zeker van!’ ‘Je zult je wel vergissen,’ zei Lana. ‘Oude vrouwtjes slaan elkaar toch niet?’ ‘Ik weet toch wel wat ik gezien heb?’ snauwde Stijn. ‘Mijn broer is niet gek, Lana,’ zei Toon. ‘Niet ruziemaken, jongens,’ zei ik. Stijn balde zijn vuisten. ‘Waarom houdt niemand dat monster tegen?’
6
‘Omdat het Nini’s eigen keuze is om bij Mimi te zijn,’ zei ik. ‘Wát?’ blafte Stijn met bliksemende ogen. ‘Dat zeg ík niet,’ piepte ik snel. ‘Dat zegt mijn moeder, dat zegt het hele dorp.’ ‘Jij hebt Mimi toch óók niet gestopt?’ zei Lana. Stijn haalde zijn schouders op en schopte een blikje weg. Zijn mooie ogen werden donker. Een paar dagen later was het wafelverkoop. Elk jaar, vlak voor de kerstvakantie, bakken we samen met de meester of juf wafels. Die verkopen we dan deur aan deur voor het armoedeproject. Elk kind krijgt één straat om te doen, en omdat de ene straat veel meer huizen telt dan de andere, loten we. Wij stonden met z’n vieren bij elkaar toen we onze papiertjes openvouwden, want wij gaan altijd samen op ronde. Het kan ons niet schelen dat het dan vier keer zo lang duurt, het is ook vier keer zo gezellig. De vorige jaren toch. Toen Stijn de straat op zijn papiertje las, werd zijn gezicht zo bleek als pap. ‘Wat is er?’ vroeg ik. Hij liet ons meelezen: ‘Nollekensstraat’ ‘Super, toch?’ zei Toon. ‘Er staat maar één huis.’ ‘Ja, sukkel,’ zei Stijn, ‘dat van Mimi en Nini.’ ‘En dan?’ vroeg Lana.
7
Stijn balde zijn vuisten. ‘Als ik die Mimi zie, ik doe haar iets.’ Ik rolde met m’n ogen en lachte. ‘Jaja, alsof jij een oud vrouwtje gaat slaan.’ Stijn klakte met zijn tong. ‘Zij slaat er toch ook op los?’ zei hij. ‘Dat weet je niet zeker,’ zei ik voorzichtig. ‘Toch?’ Stijn haalde zijn schouders op. ‘Jij gelooft me ook al niet,’ zei hij droevig. De rest van de middag was hij opvallend stil. Zo stil dat ik me zorgen maakte. ‘Het waait wel weer over,’ zei Lana toen ik er wat van zei. Daar was ik nog niet zo zeker van. Een dag later gingen we op pad met een mand vol wafels. Er lag een dik pak sneeuw in de straten. We hadden warme jassen aan en wollen mutsen op, en nog rilden we van de kou. We liepen arm in arm, vier op een rij. Overal in de straten en de huizen brandde kerstverlichting. De sneeuw kraakte onder onze voeten. Kerstmis hing in de lucht. Toch was het niet echt gezellig. Stijn hing stil tussen Lana en mij in, en wat we ook probeerden om hem op te vrolijken, het hielp niet. We werkten door en in een mum van tijd was ons mandje zo goed als leeg. We hadden nog tien wafels over voor Mimi en Nini. Hun huis hadden we gespaard tot op het laatst.
8
Het stond helemaal achteraan in de Nollekensstraat. Je moest een flink eind door de velden lopen om er te komen. De hele weg ernaartoe fantaseerden we hoe het zou zijn als Mimi straks de deur voor ons opendeed. We griezelden onszelf moed in. ‘Mimi buldert ons vast van haar stoep af,’ zei Lana. ‘Bulderen?’ grinnikte Toon. ‘Volgens mij haalt ze haar geweer boven en blaast ons vol hagel!’ ‘Of ze verandert in een negenkoppig monster dat kindertjes als toetje lust!’ riep ik. ‘Wat denk jij, Stijn?’ Stijn haalde zijn schouders op. Even later stonden we klappertandend voor het witgeverfde hekje van Mimi en Nini. Zwijgend liepen we door het hekje, over het grindpad naar de voordeur. Daar bleven we staan. De schoorsteen van het huisje rookte, door het raam zagen we de lichtjes van een kerstboom en we vingen de geur op van versgebakken cake. Het zag er allemaal heel vredig uit. ‘Duw jij op de bel, Toon?’ vroeg Lana. ‘Nee, doe jij maar.’ ‘Volgens mij heeft Stijn zin om aan te bellen.’ Lana keek met een halve glimlach naar Stijn. Die schudde zijn hoofd. Ik zuchtte luid en drukte op de bel. Lana, Stijn en Toon keken me verschrikt aan.
9
‘Wat?’ zei ik. ‘Jullie durfden toch niet?’ De deur ging langzaam open. Het was Nini. Ze droogde haar handen aan een keukenhanddoek en keek ons versuft aan, alsof we haar uit een dagdroom hadden opgeschrikt. Toen verscheen er een glimlach op haar gezicht. ‘Dag kinderen,’ zei ze zacht. ‘Waarmee kan ik jullie helpen?’ Lana tilde de mand in de lucht en dreunde haar tekstje op. ‘Wij verkopen wafels voor de arme mensen. Met elke wafel kunt u een mens in nood helpen. Ze kosten 50 cent per stuk.’ Nini keek bang over haar schouder, het huis in. ‘Ik heb nu geen geld,’ fluisterde ze. ‘Maar kom morgen na school terug, dan verzin ik wel wat.’ Ze wilde de deur weer dichtdoen, maar Stijn schraapte zijn keel. ‘Mevrouw,’ zei hij plechtig. ‘U verdient beter.’ Nini keek hem met een scheve glimlach aan. ‘Je moet begrijpen …’ zei ze. En toen zweeg ze. Volgens mij was haar zin af. Maar daar dacht Stijn anders over. ‘Wat moet ik begrijpen?’ vroeg hij. Achter Nini’s rug dreunde de stem van Mimi: ‘Wie is daar?’ ‘Ik moet nu gaan!’ Nini gooide de deur dicht. ‘Ik heb je gezegd voor niemand open te doen, mal mens!’ schreeuwde Mimi.
10
En toen hoorden ze een harde klap en een snik. De snik klonk zacht en aarzelend, maar over de klap was geen twijfel: dat waren Mimi’s harde vingers tegen Nini’s zachte wang. Met grote ogen keken we elkaar aan en zetten het op een lopen. We liepen en liepen, gleden een paar keer uit in de sneeuw, en we stopten pas toen het huisje achter een bocht verdwenen was. In een vervallen schuurtje bij een wei gingen we uithijgen. ‘Zie je wel dat ik gelijk had!’ riep Stijn. ‘Wat een onmens,’ hijgde Lana met rode wangen. ‘Niet te doen,’ zei ik verontwaardigd. ‘Man, man,’ zei Toon. Zijn ogen waren groot. ‘Morgen gaan we terug,’ zei Stijn beslist. ‘We laten ons niet wegjagen door die bulldozer.’ ‘Maar Stijn,’ zei Lana, ‘misschien brengen we Nini in de problemen.’ ‘Dat mens moet een lesje krijgen,’ siste Stijn.
11
Er liep een rilling over mijn rug. ‘En hoe had je dat dan willen doen?’ vroeg Lana, op een toon van ja, ja, zal wel, maar ik hoorde dat ze niet zeker van haar stuk was. Stijn haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik nog niet,’ zei hij. Hij keek door ons heen met een wazige blik. ‘Ik verzin wel wat,’ zei hij. ‘Oude vrouwtjes mag je toch geen kwaad doen?’ vroeg Toon bang. ‘Nee, flapdrol,’ zei Stijn langzaam, ‘maar deze verdient het.’ Stijn ging het schuurtje uit en liep de wei in. Toen pas zag ik dat er verderop een meertje was, waarin een roeibootje dobberde. Stijn liep langzaam naar het meertje toe, met zijn handen op zijn rug. Bij het bootje bleef hij staan. Hij keek er een tijdje naar en liep een paar keer langs het meertje heen en weer. ‘Wat doe je?’ riep Lana. ‘Stt,’ deed Toon. ‘Hij denkt na.’ Tien minuten later kwam Stijn terug het schuurtje in. ‘Ik weet hoe we die grote klein kunnen krijgen,’ zei hij. ‘Vertel!’ zei Toon. Stijn keek ons één voor één recht in de ogen. ‘We moeten haar raken met wat haar het liefst is.’ We keken elkaar verschrikt aan.
12
‘Toch niet …’ zei ik. ‘Nee ...’ zei Toon. ‘Je gaat toch niet …’ stamelde Lana. Stijn knikte met zijn ogen dicht. ‘Juist ja, dat schoothondje van haar.’ ‘Dat kan je niet maken,’ zei ik. ‘O, nee?’ zei Stijn. ‘Wacht maar.’ Ik snapte er niks van. Het was niets voor Stijn om ook maar een vlieg kwaad te doen, laat staan een hond. Maar deze keer was hij niet te stoppen. Het kleine vrouwtje had zijn hart veroverd. Een paar dagen later stond Stijns plan op punt. Hij legde het ons uit met gedempte stem. Drie keer per dag liep Lolo zonder toezicht in het tuintje van Mimi en Nini rond. Hooguit tien minuutjes, tot hij een hoopje had gelegd. Dan ging hij aan de deur krabbelen en werd weer binnengelaten. Zo ging het elke dag. Dat wist Stijn, want hij had het huisje van Mimi en Nini drie dagen op rij bespioneerd als een echte detective. Stijn zou Lolo uit de tuin ontvoeren, terwijl wij voor afleiding zorgden aan de voordeur. Met onze wafels voor de arme mensen. We gingen meteen aan de slag. Toen Lana en ik voor de tweede keer bij het kleine huisje aanbelden, deed Nini open.
13
Mimi duwde haar opzij. ‘Zijn jullie daar weer!’ riep ze. ‘Wat moet je?’ Tegen zoveel gebulder waren we niet opgewassen. Onze monden vielen open en hoofden leken leeg. Wat hadden we ook weer afgesproken? ‘Eh, eh, eh,’ stamelde Lana en ze keek me hulpeloos aan. ‘Komt er nog wat van?’ gromde Mimi. Ze zette haar handen in haar zij. Lana deed haar mond open en dicht als een vis, maar er kwam niks uit. Zelfs geen blub. Mimi wierp een blik in onze mand met wafels. ‘Die wafels zijn al drie dagen oud. Bedriegers!’ Ze gooide de deur dicht in ons gezicht. ‘Wacht!’ riep ik.
14
‘Wat nu?’ gilde Lana. ‘Stijn is nog niet klaar!’ ‘Nog eens bellen?’ Ik zette mijn vinger al op de bel. Net op dat moment kwam Toon de stoep op. Dat was het afgesproken teken. Stijn had Lolo te pakken! We zetten het op een lopen. Ik moest er niet aan denken wat Mimi zou doen wanneer ze ontdekte dat haar hartendiefje was verdwenen. Ze zou ons op z’n minst tot moes slaan en in stukjes hakken. Buiten adem kwamen we aan op de afgesproken plaats, in de wei met het kleine meertje, op amper tweehonderd meter van Nini’s en Mimi’s huisje. Stijn wachtte ons op in het schuurtje. Ik wees naar een kartonnen doos die in de enige hoek van het schuurtje stond. ‘Zit Lolo daar in?’ Stijn knikte. Lolo jankte kort en krabbelde met zijn nageltjes aan de doos. Daarna was hij weer stil. Lana fronste haar voorhoofd. ‘Kan hij wel ademen?’ vroeg ze. ‘Ja,’ zei Stijn. ‘Ik heb een gat in de doos gemaakt.’ En toen legde hij eindelijk deel twee van zijn plan uit. Hoe we ook hadden gezeurd en gesmeekt, eerder wilde Stijn ons niet vertellen wat hij van plan was. En ik begreep al snel waarom: het vervolg van het plan vroeg meer moed van ons dan we hadden.
15
‘Dat had je wel wat eerder mogen zeggen,’ mopperde ik. ‘Ik doe niet meer mee,’ zei Lana. ‘Ik wist het!’ Stijn gooide zijn armen in de lucht. ‘Op meisjes kan je dus niet rekenen als het om moed gaat. Toni, jij doet toch mee?’ Toon keek naar de punt van zijn schoen die een geultje groef in de zanderige vloer van het schuurtje. ‘Ik weet niet …’ zei hij met een pruillip. ‘Uh,’ deed Stijn. Zijn hele lijf schokte. ‘Weet je wat?’ Ga maar samen met de poppen spelen, ik doe het wel alleen. Ik ben tenminste geen lafaard.’ Hij schopte tegen het schuurtje. ‘Rustig maar, Stijn,’ suste ik. ‘Het is niet dat we je niet willen helpen. Alleen, je overvalt ons een beetje.’ ‘Willen jullie soms dat dat kleine vrouwtje klop blijft krijgen van dat monster? Wil je dat op je geweten hebben?’ Zijn stem schoof uit. Lana en ik keken elkaar even aan en we knikten. ‘We doen het,’ zei ik. ‘Voor jou,’ zei Lana. ‘Mooi zo,’ grijnsde Stijn. Hij gaf een tik tegen de krullenbol van Toon. ‘En jij doet ook mee hé, broertje.’ Het was geen vraag, dus Toon gaf geen antwoord.
16
Met knikkende knieën liepen Toon, Lana en ik terug naar het huisje van Nini en Mimi. ‘Lolo? LOOOO-LOOOO?’ hoorden we al van ver roepen, smeken bijna. Ik had bijna medelijden met het grote vrouwtje. Maar dat mocht niet. We bleven aan het tuinhek staan kijken hoe Mimi de kleine tuin doorzocht. Toen kreeg ze ons in de gaten. ‘GA WEG!’ brieste ze. Maar we gingen niet weg. ‘Wél?’ Ze kwam dreigend op ons af. ‘Wij weten waar uw hondje is,’ zei Lana zacht. Maar Mimi had haar duidelijk gehoord. Ze greep Lana bij haar jasje en tilde haar over het hekje heen de lucht in. ‘Spreek op!’ brulde ze. Mimi’s speeksel spetterde in Lana’s gezicht. Lana knipperde ervan. ‘U moet allebei meekomen,’ zei ze rustig. Ik wist niet dat Lana zo moedig was. Ik had in haar plaats al lang in mijn broek gedaan. Nini was er ondertussen stilletjes bij komen staan. ‘Laten we maar meegaan,’ zei ze zacht. ‘Jij moet zwijgen!’ schreeuwde Mimi. Maar ze zette Lana weer op de grond. ‘Wacht hier!’ beval ze iedereen. ‘Even een jas aantrekken.’ Nini wilde haar achterna lopen, maar Mimi hield haar tegen. ‘Jij blijft bij dat grut! Anders gaan ze ervandoor.’
17
Even later schuifelden we door de sneeuw: Lana, Toon, ik, Mimi in een dikke bontjas en daarachter, aan het denkbeeldige lijntje, Nini zonder jas. Ze had alleen een oude bloemetjesjurk en een oud bloemetjesschort aan om zich warm te houden. Haar magere lijf rilde steeds harder. Ik wilde tegen haar aan lopen en haar opwarmen, zo had ik met haar te doen. Maar ik durfde niet. Mimi hield me in bedwang met haar ogen. Ik had al lang spijt dat we ons door Stijn hadden laten ompraten. Hij zat veilig, maar wij liepen binnen armbereik van die bulldozer. Stijn dobberde met het roeibootje in het midden van het meertje. Het was een heel klein meertje, hooguit een meter of vijftig breed. Er lag een dun laagje ijs op, waar je makkelijk doorheen kon varen. ‘Wat moet dat?’ riep Mimi zodra ze het bootje in de gaten kreeg. Stijn zat op een plank in het midden van de boot. Hij hield Lolo in zijn armen. Toen Lolo zijn baasje zag, begon hij luid te blaffen. Stijn pakte het beestje bij zijn nekvel en tilde hem met één hand in de lucht. Vanop de kant zagen we dat Lolo rilde, ondanks het onnozele hondenjasje dat hij droeg. Stijn zette hem naast zich neer en maakte een toeter met zijn handen. ‘Beste Mimi, beste Nini. Luister goed!’ riep hij naar de oever. Het klonk belachelijk plechtig.
18
Mimi snoof luid. ‘Wat gaan we nu krijgen?’ ‘U krijgt uw hondje van mij terug,’ ging Stijn verder. ‘Natúúrlijk geef je Lolo terug!’ riep Mimi. ‘En wel nu meteen!’ ‘Op één voorwaarde,’ zei Stijn. Mimi zette haar handen in haar zij, waardoor ze nóg groter leek. ‘Ga jij mij de les spellen, snotneus?’ brulde ze. Maar haar ogen schoten angstig heen en weer. ‘Als je je hondje levend en wel terug wil, moet je doen wat ik zeg.’ Mimi hapte naar adem. ‘Ten eerste zeg je sorry tegen Nini.’ Mimi keek met een donkere blik naar Nini. ‘Heb jij hier wat mee te maken?’ Nini sperde haar ogen wijd open en schudde haar hoofd. ‘Vooruit! Zeg dat het je spijt,’ riep Stijn. Mimi deed haar armen over elkaar. ‘Ik vertik het!’
19
Stijn pakte Lolo opnieuw bij zijn nekvel en hield hem naast het bootje, vlak boven het ijskoude water. ‘Ik hoop maar dat hij goed tegen de kou kan …’ ‘Zet hem terug neer!’ riep Mimi. Stijn ging ijzig kalm verder. ‘Vooruit, bied je verontschuldigingen aan!’ Mimi keek wild om zich heen. Stijn liet zijn arm zakken, zodat Lolo met zijn pootjes in het water trappelde. ‘Al goed, al goed!’ riep Mimi. Meteen tilde Stijn Lolo weer op. ‘Ik luister?’ ‘Sorry,’ perste Mimi tussen haar lippen vandaan. Haar wangen waren knalrood. ‘Ik kan je niet horen,’ riep Stijn. ‘SORRY, OK!’ brulde Mimi nu. ‘Sorry wie?’ ‘Sorry, Nini! En nu wil ik Lolo terug!’ Stijn zette Lolo terug in het bootje. Het beestje rilde van angst. ‘Niet zo vlug,’ ging Stijn verder. ‘Ten tweede beloof je PLECHTIG dat je Nini vanaf nu goed zal behandelen, dat je haar niet meer zal slaan en dat je vanaf vandaag altijd aardig tegen haar zal zijn.’ Mimi’s hoofd werd zo rood als een overrijpe tomaat. ‘Waar bemoei jij je mee!’ gierde ze. ‘Beloof het!’ Hij greep Lolo weer bij zijn nekvel. ‘Nooit! NOOIT, HOOR JE DAT!’ schreeuwde Mimi.
20
En toen ging het helemaal mis. Mimi’s ogen gingen op een vreemde manier rollen. Alleen het wit ervan zag je nog. Er kwam schuim op haar lippen en toen ging ze tegen de grond. Nini vloog op haar af. ‘Mimi!’ riep ze. Ze viel op haar knieën en tikte met haar vingertoppen op Mimi’s wangen. ‘Mimi! Word wakker! Mimi!’ Stijn stond rechtop in het bootje en keek vol schrik toe. Hij had Lolo losgelaten. Die kefte als een gek en rende wild heen en weer in het bootje. Toen sprong hij het water in. Stijn probeerde Lolo nog in de lucht te vangen. Hij verloor zijn evenwicht, zwaaide wild met zijn armen en viel in het ijskoude water. ‘Stijn!’ gilden Lana en ik tegelijkertijd. Van de kou vergat Stijn hoe hij moest zwemmen. Hij ging kopje onder, kwam boven om naar adem te happen en ging weer kopje onder. We stonden met grote ogen toe te kijken, waar eerst wisten we niet. Onze beste vriend die vocht tegen het koude water, Mimi, stuiptrekkend op de grond, Nini op haar knieën ernaast, huilend en smekend, Lolo die naar de kant was gezwommen en onophoudelijk naast Mimi zat te keffen. Lana gaf Toon een duw. ‘Ga hulp halen!’ En Toon rende.
21
Vanop de kant moedigden Lana en ik Stijn aan. ‘Vooruit! Je kan het!’ riepen we. ‘Blijven trappelen!’ Ondertussen was zijn lichaam wat gewend aan de koude en herinnerden zijn hersenen zich plots hoe hij moest zwemmen. Eerst kwam hij snel onze richting uit. Maar hoe dichter hij kwam, hoe trager hij zwom. Wij gilden de longen uit ons lijf, alsof we hem zo vooruit konden duwen. Maar Stijn was net een muziekdoosje dat langzaamaan stilviel. Op den duur leek het of hij ter plaatse trappelde. Ik zweeg. Die haalt de kant niet meer, dacht ik. Mijn darmen sloegen in een knoop. Ik keek opzij naar Lana, die half voorovergebogen met haar vuisten zwaaide en ‘Komaan, superman! Je kunt het!’ brulde. Blijkbaar waren dat de juiste woorden. Stijn glimlachte, heel even maar, en zwom toen het laatste stukje naar ons toe. We trokken hem de kant op, want dat kon hij zelf niet meer. Zijn lippen waren blauw en hij rilde en klappertandde aan één stuk door. Ik vroeg me af wat er zou gebeurd zijn als het meertje iets groter was, maar probeerde gauw aan iets anders te denken. Ik schoot mijn jas uit en sloeg die rond hem. Lana en ik gingen elk aan een kant tegen hem aan staan en we gooiden onze armen rond hem.
22
Mijn hele voorkant werd nat van zijn doorweekte kleren. Maar het werkte. Stilaan ging hij wat minder rillen en klapperen. Toen keken we naar Mimi. Ze lag doodstil op de grond. Haar hoofd lag in een vreemde knik op haar borst. Lolo likte haar gezicht en jankte zacht. Nini zat op haar knieën naast Mimi en hield haar hand vast. Ze keek hulpeloos onze richting uit. ‘Kan iemand van jullie eerste hulp bieden?’ smeekte ze. Lana en ik stonden nog altijd met onze buiken tegen Stijn aan, alsof we twee helften van een okkernoot waren. We keken elkaar aan en schudden ons hoofd. ‘Toon is hulp gaan halen,’ zei Lana. ‘Ze kunnen hier élk moment zijn.’ Ik hoorde dat ze het zelf niet geloofde. ‘Waar blijven ze toch?’ zei ze zo zacht, dat alleen Stijn en ik het konden horen. Nini liet haar voorhoofd op Mimi’s borstkas rusten. Ze snikte zachtjes.
23
‘Wat heb ik gedaan …’ mompelde Stijn bijna onhoorbaar. Hij was lijkbleek en keek slaperig uit zijn ogen. Ik voelde hoe hij zich steeds meer liet hangen. ‘Stt,’ suste ik. ‘Eerst terug warm worden.’ En ik drukte me zo dicht mogelijk tegen hem aan. Toen zakte hij door zijn benen, en wij zakten mee, met onze knieën in de sneeuw en Stijn als een baby tussen ons in. We probeerde hem wakker te houden met flauwe mopjes, maar dat werd steeds moeilijker. Na een tijd kregen wij het ook koud. Alle warmte was uit onze lijven verdwenen. En toen kwam het oorverdovende geloei. Het leek wel of de wereld verging. Zelfs Stijn schoot er wakker van. Eerst kwam een grote ziekenwagen aangereden, dan een kleine, en toen nog een grote en een kleine. Vijf seconden later volgden een brandweerbusje en een auto met een bootje. Ze denderden allemaal het gras op. Toen werd het een chaos. Uit alle ziekenwagens sprongen dokters en verplegers die door elkaar begonnen te lopen. Uit de auto met het bootje op het dak kwamen twee mannen in een rood duikerspak met gele zwemvliezen aan en duikbrillen op, klaar om in het water te springen. Een dokter in het wit en een verpleger in het groen stortten zich op Mimi en begonnen haar te reanimeren.
24
Twee verplegers probeerden Nini bij haar weg te trekken, maar ze stribbelde tegen en begon hartverscheurend te huilen. Twee andere verplegers plukten Stijn tussen ons uit en begonnen zijn natte kleren uit te knippen met een schaar. Een verpleger sloeg dekens rond Stijn, eerst een paar gewone, en dan één dat eruitzag als zilverpapier. Hij tilde hem op en legde hem op een brancard. Van een andere verpleger kreeg hij een masker op. Lana en ik keken elkaar met grote ogen aan. ‘Maak je geen zorgen,’ zei een kleine verpleger. ‘Ze geven hem gewoon wat zuurstof. Alles komt goed met je vriend.’ Nini had haar verzet opgegeven. Ze kreeg net als Stijn dekens omgeslagen en werd met een zuurstofmasker op een brancard gelegd. Ze zag er breekbaarder uit dan ooit, en staarde met doffe ogen voor zich uit. Ik wilde haar toefluisteren dat alles goed kwam, maar mijn keel zat dicht van spijt. En trouwens, hoe kon ik iets beloven dat ik zelf niet eens geloofde? ‘En met de oude vrouwtjes, komt met hen ook alles goed?’ vroeg ik aan de kleine verpleger. ‘Met dit vrouwtje komt alles in orde,’ zei hij en hij wees naar Nini. ‘Over die andere vrouw kan ik nog niks zeggen. Dat zullen we moeten afwachten.’
25
De dokter en de verpleger waren nog druk in de weer met Mimi. De kleine verpleger gaf ons elk een deken, en een kop thee, want ook wij rilden van de kou. Terwijl we van onze hete thee nipten, hoorden we een koffer dichtklappen. We draaiden ons om. De kleine ziekenwagen waar Mimi in lag, vertrok met piepende banden. Tegelijkertijd kwam er een grijze auto aangereden. Het waren de ouders van Stijn. Stijns moeder stapte uit nog voor de auto stopte en keek doodsbang om zich heen. Toen zag ze Stijn en vloog op hem af. Toon en Stijns vader volgden haar op de voet. Het was een weerzien met veel geknuffel en gehuil. Even later vertrokken ook de ziekenwagens met Stijn en Nini. Stijns moeder en Toon reden met de ziekenwagen mee. Wij werden naar mijn huis gebracht door Stijns vader, die meteen doorreed naar het ziekenhuis. Wij mochten niet mee.
26
‘Laat je wel weten hoe het gaat met Stijn en met Mimi en Nini?’ vroeg ik. Dat beloofde Stijns vader, voor hij plankgas naar het ziekenhuis vertrok. Een paar dagen later mochten we bij Stijn op bezoek. Op de gang kwamen we zijn moeder tegen met een kop koffie. Ze liep met ons mee. ‘Ik hoop dat jullie hem kunnen opvrolijken,’ zei ze zacht. ‘Hij is zo droevig de laatste dagen.’ Ik zag meteen wat ze bedoelde. Stijn glimlachte niet eens toen we binnenkwamen. Hij lag bleek in zijn bed en staarde voor zich uit. ‘Hallo,’ zei hij toonloos. Toon zat op een stoel aan het raam op een spelcomputertje te spelen. ‘Hey!’ zei hij vrolijk. We gingen elk aan een kant van Stijns bed staan. ‘We hebben een zak smoelentrekkers voor je gekocht,’ zei ik. ‘Ja,’ grinnikte Lana, ‘maar aan je zure gezicht te zien heb je ze niet nodig.’ ‘Lana!’ zei ik half geschrokken. Maar Stijn moest er heel even om glimlachen. ‘Ik ben zo stom geweest …’ zei hij zacht. ‘Wij allemaal toch?’ zei ik. ‘We deden het om Nini te helpen,’ zei Lana.
27
‘Mooie hulp,’ gromde Stijn. ‘Nu zit ze opgescheept met een vrouw die dag en nacht verzorging nodig heeft.’ ‘Wij wilden allemaal het beste voor Nini,’ zei ik. ‘We konden toch ook niet weten dat Mimi aan epilepsie leed en een beroerte zou krijgen?’ Stijn haalde bedrukt zijn schouders op. ‘Ze lééft nog, dat is toch al iets?’ vroeg Lana. ‘Ja, wauw,’ zei Stijn scherp. ‘Ze kan zich niet eens bewegen.’ ‘De dokter zei toch dat ze waarschijnlijk na een tijdje voor een deel weer kan herstellen?’ opperde Lana. ‘Na een héél lange tijd,’ zuchtte Stijn. ‘Als we nu eens naar Nini gaan en onze excuses aanbieden?’ stelde ik voor. Stijns moeder had zich tot dan toe op de achtergrond gehouden, maar zei nu plots: ‘Dat is een prima plan!’ ‘Ja maar,’ zei Toon, ‘gaat Nini niet boos zijn op ons?’ Hij keek er heel benauwd bij. ‘Ben je soms bang dat ze op je billen gaat slaan?’ giechelde Lana. ‘Als jullie echt spijt hebben,’ zei Stijns moeder, ‘dan neem je dat risico erbij. Ze gaat jullie heus niet opeten.’ ‘Nee,’ zei Stijn. ‘Zo is Nini niet. En ze verdient op zijn minst een sorry.’ Hij zat nu rechtop in zijn bed.
28
‘Misschien kunnen we haar helpen!’ zei Lana enthousiast. ‘Boodschappen doen, of poetsen …’ ‘Kom, we gaan meteen,’ zei Stijn. Hij wilde uit zijn bed komen, maar zijn moeder hield hem tegen. ‘Rustig aan, jij,’ zei ze. ‘Ik ga eerst even een rolstoel halen.’ Even later duwden we Stijn om beurten door de gangen van het ziekenhuis. Maar bij Nini’s kamer wilde hij zelf rechtstaan. Stilletjes gingen we naar binnen. Nini lag op haar rug, met haar ogen dicht, het witte laken tot haar kin opgetrokken. ‘Oei, ze slaapt,’ fluisterde Toon. We wilden de kamer weer uitgaan, maar toen kreunde ze heel zacht. We draaiden ons om. Nini keek ons met kleine, heldere oogjes aan. ‘Dómme, dómme kinderen,’ zei ze traag. ‘Het … het spijt me … ons … het spijt ons zo,’ hakkelde Stijn. ‘Het had nooit mogen gebeuren. Als er iets is dat ik … dat we kunnen doen om het goed te maken…’ ‘Poetsen of zo!’ riep Lana. ‘Of boodschappen doen!’ Nini keek ons één voor één lang en doordringend aan. De stilte was te snijden. Ze is woest, dacht ik. Ze gaat het ons nooit vergeven.
29
‘Nu ja,’ zei Stijn na een hele tijd. ‘Ik begrijp wel dat u boos bent. Misschien kunnen we beter weggaan.’ Maar toen verscheen er een glimlach op Nini’s gezicht. Het was een prachtige, brede glimlach. ‘Lieve, lieve kinderen,’ zei ze zacht. ‘Blijf nog even.’ ‘U … u bent niet boos?’ zei Stijn verbijsterd. Ze schudde haar hoofd. ‘Hoe kan ik boos zijn? Jullie wilden mij redden.’ Ze wees naar een foto van Mimi die op het nachtkastje stond en grinnikte. Echt waar. Ze grinnikte! Stijn keek naar de grond van schaamte. ‘Sorry …’ ‘Ach,’ zei ze. ‘Als je zou weten hoeveel ik van haar hou.’ ‘Maar …’ Stijn schudde zijn hoofd. ‘Ik begrijp het niet. Ze deed u zoveel pijn. Ze vernederde u.’ ‘Jongen toch.’ Ze zweeg en keek droevig voor zich uit. ‘We hebben goeie jaren gehad. Maar ouder worden doet iets met een mens. Sommige mensen worden zachter, anderen …’ Ze zuchtte. ‘Dat hoefde u toch niet te pikken?’ zei Stijn. ‘Ik weet het, jongen,’ zei Nini zacht. ‘Maar ik kan niet zonder haar. Ik zou doodgaan van eenzaamheid.’ Daar werden we allemaal stil van. Ik pakte Stijns hand en kneep erin, want hij keek zó droevig.
30
‘Als we kunnen helpen, boodschappen doen, poetsen, wat dan ook …’ zei Lana. ‘Dat is lief,’ zei Nini. ‘Maar … Neem het niet verkeerd op … Als je écht iets wil doen voor Mimi, blijf dan bij ons weg.’ Ze nam het fotootje in haar handen, keek ernaar en glimlachte teder. ‘Mimi is nogal … temperamentvol, zie je. Ze zou een nieuwe aanval kunnen krijgen als ze jullie ziet.’ En dat beloofden we. Had ze ons gevraagd elke dag om vier uur ’s ochtends ondersteboven in hun tuin te staan, dan hadden we dat ook gedaan. We waren al lang blij dat we íets konden doen. Maar later die dag gebeurde wat niemand meer verwachtte: Mimi ging dood. De dokters drukten ons op het hart dat het niets te maken had met wat er bij het meer was gebeurd. Mimi was gewoon oud en versleten, zeiden ze. Een week later stierf ook Nini. Hoe dat kwam, wisten we wel, dat had ze ons zelf verteld. Ik wist alleen niet dat je van eenzaamheid zó snel kon doodgaan.
31
Ondertussen is het alweer volop lente. Nog even, en we hebben zomervakantie. Wel gek hoor, voor ons is alles hetzelfde gebleven, maar Mimi en Nini zijn er niet meer. Gisteren legden Stijn en ik bloemen neer op hun graf. Maria Van Acker en Dominique Raversijde staat op hun grafsteen. Het regende pijpenstelen, maar we ging toch. We namen Lolo mee, die woont nu bij mij thuis. Toon en Lana waren er niet bij, ze vinden het een beetje overdreven om elke week naar het graf te gaan. Maar Stijn en ik kunnen het niet laten. ‘Was het mijn schuld, Saar?’ vroeg Stijn me voor de honderdste keer. ‘Was het onze schuld, bedoel je?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Nee, Stijn. Ik denk het niet. Hoop ik.’ En toen gebeurde er iets wonderlijks. De hemel brak open en een zonnestraal viel recht op de grijze grafsteen van Mimi en Nini. En plots zat er een zwarte merel luid te kwetteren, boven op de grafsteen. Hij keek ons aan met zijn zwarte kraaloogjes. Het leek wel of hij speciaal voor ons een lied zong. Het was een vrolijk kwetterlied, waar we niks, en tegelijk alles van begrepen. Ik pakte Stijns hand en hij lachte naar mij. Het was een lieve lach, ik werd er vanbinnen warm van. Hand in hand liepen we naar huis, met Lolo aan zijn lijntje achter ons aan.
32
Mimi en Nini zijn onafscheidelijk. De twee vrouwtjes gaan nooit ergens heen zonder elkaar. Niemand begrijpt waarom. Want Mimi is altijd kwaad op Nini. Op een dag kan het niet erger. Daarom grijpen Stijn en zijn vrienden in. Maar is dat wel een goed idee?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Jan Heylen Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.