ucatieve uitgaven
BIEB
Splash! Joris Denoo
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
8
Splash! (Tsunami in de Peperstraat)
De lucht boven de stad zag zo grijs als een olifantenvel. Vele liters hemelwater waren daarnet naar beneden gesausd. Het regende nu nog wat na. De straten lagen er glimmend als spiegels bij. Auto’s passeerden op pletsende banden. Voor de voetgangers was het daardoor soms uitkijken. Mensen hupten over plassen heen. Zo’n onverwachte douche was helemaal niet leuk. In de winkelstraten was het een ballet van paraplu’s geweest. Nu verdwenen die een na een in het niets, als bellen die stukspatten.
1
‘Radjen, de bui is over! Het regent bijna niet meer. Vergeet het lamsgehakt niet te halen!’ riep ma. ‘De centen liggen klaar op het tafeltje naast de paraplubak!’ ‘Nee, ma! Ja, ma!’ ‘Weet je waar je moet zijn?’ ‘Ja, ma!’ ‘Uitkijken als je oversteekt! De middagdrukte komt eraan!’ ‘Ja, ma!’ ‘En doe een sjaal om!’ ‘Ja, ma!’ ‘Geen, grote omwegen!’ ‘Nee, ma!’ ‘Hou je niet te lang bezig onderweg!’ ‘Nee, ma!’ ‘We eten om kwart voor één!’ ‘Ja, ma!’ ‘En doe de groeten aan slager Omar!’ ‘Doe ik, ma!’
2
3
Een flink eind verderop in dezelfde straat … ‘Niet te lang wegblijven, Sawan.’ ‘Nee, ma.’ ‘Niet zonder handen fietsen, hé!’
4
‘Nee, ma.’ ‘Dat is veel te gevaarlijk.’ ‘Ja, ma.’ ‘Je bent een meisje, hé!’ ‘Weet ik, ma!’ ‘Je mag je banden ook wel eens oppompen.’ ‘Ja, ma. Morgen, ma.’ ‘Uitkijken op het kruispunt!’ ‘Ja, ma.’ ‘Doe een sjaal om; het is koud.’ ‘Ja, ma.’ ‘Op tijd thuis voor het middageten!’ ‘Ja, ma.’ ‘Halféén.’ ‘Ja, ma.’ ‘Ga nu maar.’ ‘Dag ma.’
De dure meneer Stik stapte door de Peperstraat. Zijn zwarte paraplu danste op en neer. Zijn schoenen blonken. Dat kwam niet alleen door de regen. Hij droeg een chic1 kostuum dat vast ook peperduur was. Zonder overjas. Hij was zo deftig dat hij de koude wind niet wou voelen. Zijn haren waren netjes achterover geharkt. Die glommen ook, maar dat kwam ook niet door de regen. Meneer Stik liep zo dicht mogelijk tegen de huizen aan. Hij wou niet besproeid worden door auto’s of fietsers. Bah, dat vies hemelwater ook! Gelukkig regende het niet meer hard. Maar er waren wel nog plassen waar je voor uit moest kijken. Soms botste hij bijna tegen iemand anders op. Dan bleef hij staan. Tot die tegenligger zelf opzij gegaan was om hem door te laten. Voorrang voor de dure meneer Stik!
5
6
Voor het raam van speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek bleef hij even staan. Het regende niet meer, dus kon hij zijn paraplu opvouwen. Hij zwierde het ding enkele keren in het rond, zodat de druppels eraf spatten. ‘Hé zeg, kijk uit, man!’ mopperde een haastvrouw in het voorbijgaan. ‘Je bent niet alleen op de wereld, hoor! Kijk toch uit verdorie!’ ‘O, excuseer. Dat rotweer ook … Ik had je niet gezien.’ ‘Ik heb vandaag al een douche genomen!’ riep ze nog, even boos achteromkijkend. Meneer Stik haalde zijn schouders op. Hij glimlachte zelfs een beetje. En dat gebeurde niet vaak. Een glimlach van meneer Stik was ook peperduur. Hij was er bijzonder zuinig op. En gewoonlijk was een glimlachje van hem een spotlachje.
7
Er waren altijd wel leuke dingen te zien in de etalage van de speelgoedwinkel. Vooral als het pakjes- of bimbambeierentijd2 was. Zelfs grote mensen konden daar niet zomaar voorbijstappen. Kijk: daar kwam een leuk treintje af. Het reed onder een brugje door en verdween tussen de piepkleine huizen en de minibomen. De lampen voor op zijn snuit brandden zelfs. Ha, ha, zo leuk! Dat wou hij zelf wel hebben thuis. In de vrije logeerkamer bijvoorbeeld. Daar was nog veel plaats. Daar zou hij ongestoord met zijn treintje kunnen spelen. En zingen van ‘In een klein stationnetje … hakke-hakketuut-tuut …’ Meneer Stik wachtte tot het treintje nog eenmaal tevoorschijn kwam. Daar kwamen de lampen weer … De punt van zijn neus raakte het koude vensterglas. Toen draaide hij zich weer om en …
8
In de Peperstraat zette Radjen zijn fiets in het rek. Daarna keek hij naar de vreselijke troep in het uitstalraam van Het Gloeiend Fornuis. Dat was vlak naast speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek. Er lagen stukken rundstong die verzopen in tomatensaus. Verdronken gehaktballen dreven in … alweer tomatensaus. En daar was nog iets onherkenbaars dat HELP! riep vanuit een grote kom tomatensaus.
Radjen vond dat er drie afschuwelijke dingen op de wereld waren: tomatensaus, tomatensaus en tomatensaus. Bah, bah en nog eens bah! Die winkel zou beter Het Bloedend Fornuis heten. Het water kwam Radjen in de mond. Nou: bijna uit de mond. Dat kon je namelijk ook hebben als je aan vreselijke dingen dacht: melk met vellen op, spruiten, rodekool, en vooral tomatensaus. 9
Nu had hij echt wel speeksel te veel. Hij schraapte zijn keel. Hij zette enkele passen opzij, draaide zich om en mikte een kwakje speeksel op … ‘Hé, kijk uit je doppen, verhippeltjes! Wat is dat nu! Wat doe je, kereltje?’ ‘Oei!’ schrok Radjen. Hij staarde met ogen als schoteltjes3 naar beneden. Op de linkerschoen van meneer Stik lag een kwakje speeksel. ‘Zeg, leer jij voor lama misschien? Of dromedaris? Je loopt toch rechtop, op twee benen? Ja? Wat zijn dat nu voor manieren!?’
10
Verbijsterd4 keek meneer Stik naar zijn dure linkerschoen. Een lok van zijn glimmende haardos viel over zijn voorhoofd. Daarna wees hij met de punt van paraplu dreigend naar de dader. Radjen schudde zijn hoofd. Zo stom. Hij kreeg een hoofd zo rood als een biet. ‘Nee, meneer. Eh… ja, meneer.’ ‘Doe je dat thuis ook? Op de mensen hun schoenen spuwen?’ Meneer Stik wees nu met de punt van zijn paraplu naar beneden. ‘Maar ik …’
11
Dat vond Radjen een bijzonder domme vraag. Natuurlijk spuwde hij thuis niet op iemands schoenen. Wat dacht die meneer wel. Meneer Stik opende zijn mond weer, maar daar kwam nu met vrolijk belgerinkel een meisje aanfietsen. Het leek op de zilveren geluiden van windklokjes. Radjen keek op. ‘Hei, Sawan!’ riep hij blij. Gered door de fietsbel! ‘Radjen! Hallo!’ Hopla! Sawan rukte aan haar stuur. Haar stalen ros5 hupte gezwind op de stoep. Net als een vrolijk huppelpaardje. Kwiek als een cowgirl6 op een paard bolde ze nog tien meter door. Dan mikte ze haar voorste wiel in de middelste gleuftegel voor speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek. Er waren drie zulke gleuftegels om je fiets in vast te zetten. Ernaast was nog plaats om het uitstalraam te bekijken.
SPLASH!!
12
13
Smerig regensop spatte alle kanten op. De gleuftegel stond boordevol vuil hemelwater. De peperdure meneer Stik kreeg de volle laag. Zijn mooie pak was nu helemaal bespikkeld. Ook het raam van Tjoek-Tjoek werd besproeid. Net kogelgaten. Dit was oorlogsgebied! ‘Maar potverdorie toch!’ riep de man boos. ‘Kijk wat je nu gedaan hebt! Weet je wel hoeveel dit pak kost, kind? Kunnen jullie niet uitkijken, zeg! De stad lijdt aan een kinderplaag!’ ‘O! O!’ piepte de fietsamazone7. Ze bleef half op haar fiets zitten. Enkele mensen stopten om toe te kijken. Ze waren best wel nieuwsgierig. Het waren eigenlijk ramptoeristen8. Ze probeerden hard om niet te lachen. Dat merkte je aan de kreukels om hun mond. Wat ze hier zagen, gebeurde wel eens in stripverhalen of stomme films.
14
‘Maar ik heb er toch niet om gedaan,’ zei Sawan nu. ‘Kijk: ik ben zelf ook een beetje ...’ ‘Eerst word ik bespuugd en daarna word ik besproeid!’ mopperde meneer Stik. ‘Twee keer! Waar zijn jullie dan wel opgevoed?! In een apenkooi misschien? In de jungle? Hé?’ ‘Maar meneer toch … !’ protesteerde een vrouw hardop. ‘Dat zijn geen aardige manieren! Dat zeg je toch niet!’ ‘Het zijn kinderen hoor,’ suste een man. Enkele andere mensen knikten heftig. ‘Het … het … het zijn kinderen die hinderen!’ pruttelde meneer Stik. Hij was zo boos dat hij begon te hakkelen. ‘Ha, ha, ha!’ lachte iemand spottend. ‘Een boze dichter!’ ‘U bent toch ook jong geweest?’ merkte een vrouw op. ‘U stond zelfs naar dat speelgoedtreintje te kijken. Dat heb ik daarnet gezien. U stond met uw neus tegen het venster gedrukt. Ik dacht zelfs dat u het raam even kuste. O, kijk: daar is het weer.’ ‘In een klein stationnetje… ‘ ‘Hakke-hakke-tuut-tuut … ‘ ‘Ha, ha, ha!’ ‘En de lichtjes branden! Zo leuk!’
15
Meneer Stik haalde nu een zakdoekje boven. Hij maakte aanstalten9 om op zijn dure verpakking te beginnen wrijven. ‘Niet doen!’ riep een vrouw die vooraan stond. Ze greep hem even bij de arm. ‘Zo wordt het alleen maar erger. U kan uw mooie pak dan wel weggooien. Zonde van het geld. Het moet zo naar de stomerij, hoor. U blijft er echt wel beter af.’ ‘Hm.’ Tegen zijn zin stak hij het zakdoekje weer weg. ‘Maar Sawan heeft er echt niet om gedaan, meneer!’ zei Radjen nu op zijn beurt. ‘En ik heb er ook niet …’ ‘Om gedaan! Om gedaan!’ riep de man. ‘Houd jij maar je mond, kereltje, want er komt alleen maar speeksel uit. En nog iets: wie zal dat hier betalen, hé? Wie betaalt de rekening voor het schoonmaken van mijn pak? Daar hebben jullie niet aan gedacht, hé!?’ Meneer Stik maakte een strijkorkestje met zijn duim en zijn wijsvinger. Hij keek daarbij bijzonder boos. Hij wreef zo hard dat er bijna vuur uit zijn vingers sprong. Hij zag er plotseling veel minder duur uit. Goedkoop, zeg maar. Hij werd ook wat roder in zijn gezicht en zijn hals. ‘Het meisje kan daar toch niks aan doen,’ zei een vrouw. ‘Een tsunami10 is veel erger hoor, meneer! Denkt u daar maar eens aan. Hebt u de vreselijke beelden gezien van enkele jaren geleden?
16
Die overstroming? Dat was nog eens iets anders dan die kleine douche hier.’ ‘Ja! Ja!’ Enkele toeschouwers knikten instemmend11. Het groepje nieuwsgierigen was ondertussen groter geworden. Je moest er met een flinke boog omheen als je wilde passeren. Er stopte zelfs even een auto, waarvan het raam omlaag zoemde. En niet lang daarna stond er een kleine file. ‘Zij moet niet op voetpaden fietsen!’ blafte meneer Stik. ‘Waarom hebben we fietsstroken, hé? En fietspaden? Hé? Vertel me dat eens? Zijn fietsers misschien overal de baas? Het zijn … Het zijn … Het zijn de cowboys van deze tijd!’ ‘Maar waarom zijn er hier dan gleuftegels!? Dat is toch voor fietsen bedoeld?’ ‘Eh ...’ deed Stik verrast. Verbluft keek hij de vrouw aan. Plotseling wist hij het niet meer. Nog meer mensen troepten nu samen. Ze dachten dat er iets ergs gebeurd was. Ook de klanten van Het Gloeiend Fornuis kwamen naar buiten.
17
De deur van Tjoek-Tjoek ging nu plotseling open. Een volslanke12 man met een leuke ruitjespet op zijn hoofd verscheen. Hij droeg ook een rode halsdoek met witte bollen op, zodat hij op een machinist van een locomotief leek. ‘Dat is nu al de tweede keer deze week,’ gromde hij. ‘Verdomd rotklimaat hier. Altijd vieze, smerige regen en dolgedraaide wind. We lijken hier wel in een carwash te leven. Ik poets om de twee dagen zowat door de ramen heen. Weet je wat? Ik verhuis naar Honolulu in Hawaï. Met de hogesnelheidstrein.’ Hij schudde treurig zijn ruitjeshoofd.
18
‘Ja, ja, allemaal goed en wel,’ klaagde de bespikkelde meneer Stik, ‘maar wie betaalt hier de rekening voor de wasserij?’ ‘Was jij dat, jongen? Is dat jouw fiets?’ vroeg de treintjeswinkelier. Hij wees naar Radjen. ‘Maar het is toch een meisjesfiets,’ merkte een man op. ‘Eh …’ Hij knikte even naar Sawan. ‘O… ja, juist,’ zei de winkelier. ‘Treinen zijn meer mijn specialiteit, hé. Van fietsen ken ik niets. Van jou, meisje?’ Sawan knikte. ‘En hoe heet je?’ ‘Sawan, meneer.’ ‘Mooie naam.’ ‘Ja, die fiets daar!’ snauwde meneer Stik. ‘Het was … Het is haar fiets. Natuurlijk is het haar fiets. En hij … hij hier heeft ook geen manieren. Die spuwde zomaar op mijn schoen!’ Radjen knikte en haalde zijn schouders op. Zijn hart sloeg vlugger nu. Maar hij had ook net zoveel zin om hardop te lachen. ‘Ik kreeg een krop in mijn keel toen ik naar uw mooie etalage stond te kijken, meneer,’ zei hij. ‘Zulke prachtige treintjes! Maar die krop moest er echt even uit. O, en ik mag het lamsgehakt niet vergeten. Ik moet hiernaast nog iets kopen, bij Omar. Kijk: mijn fiets staat daar in het rek.’
19
‘Ah, ja, begrijpelijk. Hoe heet jij, jongen?’ ‘Radjen.’ ‘Kennen jullie elkaar dan?’ ‘We zijn vrienden uit dezelfde straat.’ ‘O. Zo. Tja,’ zei de winkelier. Hij krabde zich op zijn geruite petje. ‘Voor lamsgehakt moet je hiernaast zijn, hé.’ ‘Ja meneer. Dat weet ik.’ Toen wendde de winkelier zich tot het gespikkelde13 slachtoffer. ‘Wilt u zich misschien binnen wat schoon¬maken, meneer?’ ‘Stomme gleuven hier,’ mopperde meneer Stik. ‘Maar meneer, mijn klanten moeten hun fietsen toch kunnen stallen? Hebt u soms een andere oplossing? Waar moeten de mensen anders met hun fietsen heen?’ ‘Grote mensen die speelgoedtreintjes kopen!?’ onderbrak de mopperkont boos. ‘Welja!’ riep de winkelier. ‘En u stond toch zelf ook naar mijn treintje te kijken? Dat heb ik daarnet ook wel gezien, hoor.’ Op het voetpad in de Peperstraat werden de hoofden alsmaar roder. Die knikten en schudden van ja en van nee.
20
Dan merkte plotseling iemand op dat het meisje weg was. En de fiets. Allebei foetsie. Niemand had het gezien. ‘De vogel is gevlogen! Hé, jongen, jij daar! Waar is…’ Meneer Stik wees naar Radjen. Die was ook al aan het weggaan. Hij haalde zijn schouders op. ‘Weet ik niet, hoor.’ Dan proestte hij het plotseling uit. Meneer Stik deed een sprongetje opzij. ‘Niet weer, hé!’
21
‘Ha, ha, ha!’ lachten de mensen eindelijk. ‘Wel heb je van je ...’ mopperde meneer Stik. Hij tikte met de punt van zijn paraplu op de grond. Boos keek hij in het rond. ‘Tja,’ zei de winkelier weer. ‘Mag ik u binnen een kopje koffie aanbieden, meneer? Meer kan ik niet doen, hoor. En denkt u maar eens aan de slachtoffers van de echte tsunami. Dat was veel erger.’ En zo was het nog maar eens een keer … Meneer Stik ging pruilend mee met de baas van TjoekTjoek. Een kopje troost had hij wel verdiend. In Het Gloeiend Fornuis wachtte Radjen zijn beurt af. De mensen op het voetpad stapten weer door. De kleine autofile kwam op gang. Het werd weer rustig in de Peperstraat. De bui was over.
22
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
11 12 13
chic = heel deftig en duur bimbambeierentijd = Pasen ogen als schoteltjes = grote ogen van verbazing verbijsterd = heel verbaasd Stalen ros = fiets. Zo heb je nog leuke voorbeelden: Groene mat: voetbalveld. Trouwe viervoeter: hond. Grote plas: Atlantische Oceaan. cowgirl = denk aan een cowboy op een paard. Hier: een meisje op een paard. Of … fiets. fietsamazone = een amazone is een vrouwelijke ruiter. Hier: een meisje op een fiets. ramptoerist = iemand die stopt om iets ergs te bekijken, bv. een ongeval. aanstalten maken = beginnen tsunami = op zondag 26 december 2004 vond een zeer zware zeebeving plaats in de Indische Oceaan. Die veroorzaakte een vloedgolf (tsunami) die zich in verschillende richtingen over de Indische Oceaan verplaatste met ongeveer 230.000 doden als gevolg. De catastrofe wordt gezien als een van de ergste natuurrampen in de recente geschiedenis. instemmend = van ja knikken, goedkeuren volslank = in de mode gebruikt men dat woord voor ‘een beetje dik’ gespikkeld = met spikkels, zoals bv. een lieveheersbeestje. Hier: bespat.
23
24
Het regent wel vaker in ons land. Dan is het soms uitkijken voor onverwachte douches. Lees maar wat er gebeurt voor de speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek in de Peperstraat …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Michèle Millecamps Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.