Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 8 - N2 – De T van theater

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

De T van theater Marijke Umans

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

8


De T van theater

Ga je wel eens kijken naar een theatervoorstelling? Hou je zelf van toneelspelen? Doe je dat wel eens op school? Of thuis met vrienden of familie? In dit boekje vertel ik je graag hoe je van een idee tot een voorstelling komt en wat er allemaal nog bij komt kijken. Ik geef hier en daar wat voorbeelden, en heb wat foto’s gekozen om het te illustreren. Op deze foto’s ben ik meestal te zien, en onderaan de foto staat wie ze genomen heeft. Veel plezier met het lezen van dit boekje!

© Paulien Verlackt

1


Wat is theater? En hoe wordt een theatervoorstelling gemaakt? Hoewel daar geen lijst met regels voor bestaat, zijn er wel richtlijnen, of beter gezegd ‘stappen die je doorloopt om tot een voorstelling te komen. Om een moeilijker woord te gebruiken, kun je ook spreken van een theaterproductie, maar dat is dus nog steeds gewoon een theatervoorstelling. Voordat ik de stappen die je maakt om van niets naar een voorstelling te komen overloop, is het misschien wel zinvol om stil te staan bij wat theater is. Wanneer je het woord ‘theater’ intikt in Google krijg je: Theater is een verzamelnaam voor kunstvormen waarbij acteurs levende voorstellingen maken voor een publiek. Eenvoudig gezegd betekent dat toneelspelen voor mensen die komen kijken. En het woord levend staat er omdat je live speelt, op dat moment dat er iemand komt kijken. Je maakt dus geen film of televisieprogramma voor later. Bij toneelspelen vertrek je van een verhaal en doe je als toneelspeler alsof je iemand anders bent, of alsof je een gevoel hebt dat past in het verhaal. Als je doodgaat tijdens de voorstelling, doe je dus alsof je echt sterft. Een toneelspeler is een acteur en een toneelspeelster heet een actrice.

2


Er zijn mensen die toneelspelen voor hun plezier of als hobby. Anderen doen dat als beroep. Veel acteurs en actrices geven nog les naast hun eigen spel, of doen nog wat anders naast acteerwerk, omdat toneelspelen niet altijd elke dag kan. Soms heb je veel werk, maar soms ook niet. Als je acteur of actrice bent van beroep, dan verdien je geld met spelen! Heerlijk als je dat graag doet. Ik ben zelf zo iemand. Ik verdien mijn centen met spelen. Ik speel niet alleen, maar ik bedenk dingen, maak voorstellingen, schrijf, teken en zing. Wat ooit een hobby was, is nu mijn échte job geworden! Ik hou enorm van de combinatie tussen muziek, woord en beeld. Zo gebruik ik verschillende vormen samen. In theater heb je ook veel verschillende vormen. Zoals opera, muziektheater, cabaret1, musical, poppenspel, straattheater en bewegingstheater bijvoorbeeld. Ik maak bijna altijd muziektheater. Theater én muziek dus. Meestal voor kinderen. Maar wie de doelgroep is, of welk soort theater je maakt, dat maakt op zich niet veel uit. Eén ding is voor al de theatervormen hetzelfde: alles start met een idee.

3


© Natalie Wijnants, Vonkels, 2005

Hoe kom je aan een idee? Een idee is soms dichterbij dan je denkt. Wanneer je het ver gaat zoeken, vind je het vaak niet of wordt het ingewikkeld. Zelf vind ik het fijn om het simpel en herkenbaar te houden. Ideetjes liggen vaak onder je neus. Denk maar aan iets dat je hebt meegemaakt. Iets spannends zoals een tand die loszat en in een koek bleef steken, of iets dat je nooit vergeet. Dat je opgesloten zat in toilet bijvoorbeeld. Van die ideetjes vertrek je dan om een verhaal uit te werken. De benodigdheden zijn: een idee, fantasie en zin om het te maken. Een verhaal kun je zo eenvoudig of moeilijk maken als je zelf wilt. Een ingewikkeld verhaal is niet voor iedereen. Ik vind het fijn dat je iedereen kunt bereiken bij een voorstelling. Dat je niet eerst een lijst met woorden moet leren voordat je kunt komen genieten. Of niet eerst een stukje uit het verhaal moet kennen voordat je kunt volgen … Eenvoudig en puur. Daar hou ik van.

4


Bij mij komen ideetjes in mijn hoofd door dingen die ik zie en meemaak of meegemaakt heb, nog maar net of vroeger als kind. Ik heb veel verschillende kladschriftjes waar ik die ideetjes in verzamel. Soms krijg je een idee door ergens een zin te lezen. Dat kan in een krant zijn. Maar het kan ook gaan om een reclamezin in het straatbeeld, of een zin in een boek, uit een lied, of door iets wat iemand zegt. Soms krijg je een idee door iets te zien. Grappig, ontroerend of iets wat je om de een of andere reden onthoudt. Het moet je raken, anders kun je er niets mee. Dat kan net zo goed iets saais als iets leuks zijn. Stel dat je iemand kent die vaak hetzelfde aantrekt, dan wordt dat leuk als je overdrijft en vertrekt van het idee dat er iemand is die elke dag hetzelfde draagt. Precies hetzelfde. Iemand die bijvoorbeeld een kleerkast heeft met alleen maar grijze pakken en gek wordt als de kleur wat anders is. Op basis daarvan kun je een karakterschets2 maken van die persoon. Je beschrijft hoe die persoon is, hoe hij denkt, waarvan hij boos of blij wordt ... Zo kun je het idee van de kleren doortrekken in dagdagelijkse dingen die altijd hetzelfde moeten zijn … Zo heb je al meteen een personage bedacht. Je vertrekt dus van een idee, werkt dat uit tot een verhaal en verzint daar personen in. Of net andersom kan ook. Je vertrekt vanuit een personage en bedenkt verhalen die goed bij dat personage passen. Een personage is de rol die een persoon zal spelen in de voorstelling. Of simpelweg: een persoon in een verhaal is een personage.

5


© Natalie Wijnants, foto uit Vonkels, 2005

6


Mijn eerste zelfgemaakte voorstelling heette VONKELS. Omdat ik vonken mooi vind. Ik wou dat het een titel was met iets dat spatte. Tijdens die voorstelling vertelde ik dingen die ik had meegemaakt tijdens mijn kindertijd. Ik vertelde ze niet gewoon zoals het gebeurd was. Ik nam een groot vat peper en een groot vat zout, een snuifje fantasie en mengde dat allemaal samen. Zo kwam ik tot een idee dat interessant werd. Dat werkte ik uit tot een voorstelling verteltheater begeleid door twee muzikanten. Wist-je-datje: vanuit deze voorstelling ben ik boeken beginnen schrijven. Omdat een vriendin me vroeg waarom ik alles wat ik vertelde in de voorstelling niet opschreef. Ik schreef vijftien blaadjes over Bet, een personage dat ik bedacht maar waarvoor ik bij mijn eigen karakter vertrok. Die blaadjes zijn uiteindelijk drie boeken geworden: Wiebelkont, Taterwater en Wervelwind.

7


Vanuit de boeken heb ik liedjes gemaakt met mijn muziekgroep (Vroink) waar ik mee optreed. En ook nog twee andere voorstellingen: Zilver en Bobbels. Zo loopt alles een beetje door elkaar wat ik doe, of meng ik het ene met het andere. Beeld, muziek en woord. Een andere voorstelling ging over een meisje. Ik noemde haar Odette. Ze wou niet gaan slapen, dus vertrok ze in haar slaapkamer op avontuur in een bakfiets. Die voorstelling heette Kom Weg. Het idee haalde ik uit een angst van mijn nichtje. Ze durfde niet in slaap vallen omdat ze bang was dat ze dan zou stoppen met ademen. Dus. Om theater te maken vertrek je vanuit een idee. Vanuit dat idee schrijf je dan een verhaal. Of bedenk je eerst personages. Dat verhaal wordt een theatertekst als je er een scenario van maakt. Een scenario is een verhaal met aanwijzingen voor spelers en het is zo geschreven dat je het echt kunt gaan spelen. Is het geschreven voor twee of meerdere acteurs, dan is het een dialoog, is het geschreven om maar door één acteur te spelen, dan is het een monoloog. Het scenario is in dezelfde volgorde als het spelverloop geschreven. In stapjes, zodat het duidelijk is voor iedereen die het leest.

8


© Greet Umans, affiche Kom Weg

9


Een volgende stap is dat je het verhaal vorm gaat geven. Je gaat er dus nu echt een voorstelling van maken. Op de vloer. Wat je in je hoofd bedacht hebt, ga je nu uitproberen. Je staat stil bij wat en hoe je het wilt. Wil je alleen spelen of met meerdere acteurs? Wil je er muziek bij? Live of opgenomen? Wil je er poppen bij halen? Dan maak je een poppenspel. Je kan vertrekken vanuit een eigen tekst, of een tekst uit een boek kiezen. Een verhaal dat je leuk vindt, een tekst uitkiezen die je mooi vindt met een paar mensen samen … of een hapklaar scenario nemen waar alles op uitgewerkt is. Een tekst op papier kun je altijd nog naar je hand zetten. Je kunt de vorm dus altijd nog achteraf kiezen. Soms moet je dan wat herschrijven, maar vaak is het scenario al zo geschreven dat je het zo kunt gebruiken. Er zijn veel auteurs van boeken die ook scenario’s schrijven, of ook acteurs die theaterteksten schrijven voor anderen. Soms moet je nog van een theatertekst een scenario maken. Een scenario is dus een theatertekst met aanwijzigingen in, gegeven door de schrijver van de tekst. Die aanwijzingen zijn bedoeld voor de acteurs. Het zijn regels en afspraken om elkaar goed te verstaan. Er staat niet alleen WAT de spelers zeggen maar er staan ook aanwijzingen over HOE ze dat moeten doen. Op de volgende bladzijde vind je een stukje scenario uit ‘Kom Weg’.

10


Eerste versie:

KOM WEG Vzw Roodvonk

Personages: een meisje, een geitenbok achter de coulissen; haar moeder, haar vader Karakters en eigenschappen personages: Meisje is eigenzinnig3, zelfstandig, eigenwijs, beetje gek, uitbundig, impulsief4 en vrolijk. Natuurvriend en kleine wereldverbeteraar. Heel uitgesproken expressie. Moeder ruimt altijd alles op, turnt voor de lijn, op uiterlijk gesteld, heeft vreselijke stem, denkt en kijkt alleen naar zichzelf. Vader is vaak afwezig en snurkt. Moppert op alles en iedereen rondom zich heen. Bokje is eerder verlegen, voorzichtig maar heel nieuwsgierig, melancholisch5, heeft iets triest en eenzaam over zich. Waarschijnlijk verloren schaap binnen de geitenkudde. Synopsis (korte beschrijving): Ouders verwaarlozen meisje omdat ze vooral naar zichzelf kijken. Meisje wil de wereld zien. Wil weg van mopperende ouders. Ze bouwt stiekem elke nacht aan een ‘bakfiets’ om er de wereld mee rond te trekken. Ze bouwt haar fiets met gevonden voorwerpen en stukjes uit haar verzamelingen.

11


Op een nacht is de fiets klaar en om klokslag vijf, bij het ontwaken van de vogels en de zon, vertrekt het meisje. Wat eerst een fijne zorgeloze tocht lijkt te worden, draait snel uit op verveling en eenzaamheid. Gelukkig botst ze op bokje, een geitenbok, een dier dat enkel kan communiceren met zijn instrument, de viool. Al snel merkt ze dat zijn gezelschap de eenzaamheid verdrijft. Na een spel van aantrekken en afstoten, verovert de bok een plekje in haar fiets en rijden ze samen verder. Decor en attributen: Een fiets met karretje achter en bakje ervoor (waar bok in past), een paar plastic bakjes (doorschijnend) met haar verzamelingen in. Eén met steentjes van overal, één met kauwgomballen en één met geitenkeutels. Eventueel een moestuintje dat ze bij zich heeft en elke dag uitrolt, een goudvis en een schommel. Een paar boekjes, een waslijn en wat kleren, chips en letterkoekjes. Keutels, hier en daar een hoop. Een rij bomen. Kostuum: Meisje: heel veel sokken bij elkaar met gekleurde strepen aan haar armen en benen en een jurk. Bokje: hoorns, bokkenpootjes, een staart, een sik en een vacht. Scène 1 Scène is donker. In een klein lichtje zie je een meisje zitten terwijl ze de laatste hand legt aan haar mascotte die aan het stuur zal hangen. Ze kleeft enkele repen papier op haar geitje dat ze gemaakt heeft. Terwijl ze daarmee bezig is, hoor je haar ouders op de achtergrond.

12


Moeder: Wie heeft die sokken hier nu laten slingeren? Odette? Jij weer? Moeder zucht en zet stofzuiger aan. Boven het stofzuigergeluid hoor je haar stem. Mannekes toch, dat heeft geen naam. Blablabla… Gekletter en geklingel is duidelijk hoorbaar. Moeder valt duidelijk over rommel en waarschijnlijk op het eind ook met haar hand in een geitenkeutel. Enfin, Odette, zeg niet dat het waar is, hé! Zijn dat keutels hier op de grond? Geitenstront?! Dat kan je niet menen! Ik heb kak aan mijn hand. Odette toch! Vreemd kind, wat moet ik met jou aanvangen? Geleuter houdt aan maar veel stiller. Dan begint het meisje. Meisje: Werkt ondertussen verder aan haar geitje. Lacht en zegt het met irritatie en een beetje verdriet in haar stem. Dat is mijn moeder. Fleur, een bloemennaam. Ze poetst het huis. Dat doet ze altijd. Van zodra ze wakker is tot ze weer gaat slapen. Haar grootste zorg is dat ze dik zou worden. Ze houdt van telefoneren en kan alleen maar lachen met haar vriendinnen. Ze houdt van bontmantels en lippenstift. En van klagen. Liefst op mij. Duidelijk gesnurk is hoorbaar. Moeder roept erbovenuit. Moeder: Jonathan! Word wakker! Verdorie, luie ezel! En doe je vuile voeten van die tafel! Die is net gepoetst! Vader wordt wakker en mompelt. Vader: Zeg, Fleur, doe eens normaal. Een mens mag toch wel slapen zeker. Wat nu weer? Ons Odette zeker? Moeder: Geitenkeutels, Jonathan, het hele huis ligt er vol mee!

13


Moeder en vader starten kibbelend gesprek over hun dochter. Stilletjesaan verdwijnt het geluid. Meisje: Legt haar werkje neer en gaat op knieën zitten. Vertelt aan publiek: aan mijn vader heb ik ook al niets. Hij snurkt als een otter. Hij snurkt het huis bijna omver. Hij moppert en zeurt over alles wat hij maar kan bedenken. Op mij of op mijn moeder. Doet vader na. Geen van beiden heeft oog of tijd voor mij. Dat is al zo van bij de geboorte. Eerst waren ze blij, heel even maar, maar van zodra ik niet meteen luisterde en deed wat zij wilden, was het om zeep. Muziek begint en meisje zingt. Wat je net kon lezen, was de eerste versie van de voorstelling. Uiteindelijk werd dit de échte tekst: Maan brandt Odette is op het podium en steekt kauwgommen in haar mond en speelt ermee. Door de boxen klinkt ‘Odette, ga slapen liefje, het is bedtijd.’ Odette springt hinkelend rond en zegt intussen: Ik wil slapen, ik kan slapen, ik zal slapen, ik moet slapen, Ik wil slapen, ik kan slapen, ik zal slapen, ik moet slapen. Ze stopt, en zegt nu tegen het publiek: Ik wil NIET slapen, ik kan NIET slapen, ik zal NIET slapen en ik moet NIET slapen.

14


Odette gaat vooraan zitten met schaap. Waarom moet ik eigenlijk slapen? En waarom jij? Is slapen een straf? Of is het een regel? Slaapt iedereen elke nacht? Of slapen er ook mensen overdag? Slapen grote mensen eigenlijk ooit wel? Wie zegt dat? Ik moet altijd eerst naar bed. Ik doe mijn best hoor, maar het lukt niet. Slapen lukt me nooit! Ik vind het pure tijdverspilling! Mama zegt dat het helpt als ik denk aan leuke dingen. Maar als ik aan iets leuks denk, wil ik het ook meteen doen, dus moe word ik daar niet van! Schapen tellen helpt ook, zegt ze. Dat probeer ik, maar als ik de schapen tel, dan zie ik er met dikke wol, met slappe oren, zwarte, witte, kleine, grote, met dunne poten of met knobbels op hun poep En net als ik dan moe ben van al die schapen, zie ik opnieuw een heel grappig schaap. Dan moet ik erg lachen en ben ik helemaal niet meer moe.

15


© Natalie Wijnants, Kom Weg, 2008

16


Als je scenario helemaal af is, dan wordt er meestal een regisseur bijgehaald. Een regisseur leest dan de theatertekst en kijkt hoe hij of zij dat op toneel ziet. In het scenario kunnen dus wel aanwijzingen staan, maar een regisseur of toneelspeler kan die gerust veranderen naar hoe hij of zij het ziet, want dat is voor iedereen anders. Een regisseur is iemand die aanwijzigingen geeft op het moment dat de spelers met de tekst aan de slag gaan. Hij of zij kijkt naar wat de acteurs doen. Als je de acteurs zou vergelijken met poppen, dan zou de regisseur de poppenspeler zijn. Hij leidt de acteurs, hij helpt hen om een bepaald gevoel zo te spelen dat het geloofwaardig is. Een regisseur bepaalt mee hoe het verhaal wordt gespeeld. Want een verhaal kun je op zoveel manieren spelen dat het elk op zich andere verhalen kunnen zijn. Kijk eens naar het voorbeeld: Twee meisjes in het park. De regieaanwijzingen staan schuingedrukt.

Versie 1 Er zitten twee meisjes op de bank van het park. Ze praten na school wat na over klasgenoten en gebeurtenissen in de klas. Meisje 1: Vond jij dat grappig van Benny? Meisje 2: Grappig? Nee hoor, ik vond het eerder zielig. Meisje 1: Zelf vond hij dat anders wel hé, overduidelijk! Meisje 2: Zag je dat slijk op zijn broek? Meisje 1: Slijk? Neen, niets gezien … Meisje 2: Volgens mij heeft hij het gedaan. Hij kan wel zeggen dat hij thuis was. Ik denk dat hij in het park zat, ja! Meisje 1: Echt?

17


Versie 2 Er zitten twee meisjes op de bank van het park. Ze praten na school wat na over klasgenoten en gebeurtenissen in de klas. Ze praten heel geheimzinnig. Alsof niemand hen mag horen. Meisje 1: Vond jij dat grappig van Benny? Meisje 2: Grappig? Nee hoor, ik vond het eerder zielig. Meisje 1: Zelf vond hij dat anders wel hé, overduidelijk! Meisjes beginnen te giechelen. Meisje 2: Zag je dat slijk op zijn broek? Meisje 1: Slijk? Neen, niets gezien … Meisje 2 krijgt haast de slappe lach. Ze krijgt met moeite haar zin gezegd. Meisje 2: Volgens mij heeft hij het gedaan. Hij kan wel zeggen dat hij thuis was. Ik denk dat hij in het park zat! Meisje 1: (verontwaardigd) Echt? Beide meisjes lachen heel hard. Ze kunnen haast niet meer stoppen met proesten.

18


Versie 3 Er zitten twee meisjes op de bank van het park. Ze praten na school wat na over klasgenoten en gebeurtenissen in de klas. Ze hebben een kauwgom in hun mond. Ze praten een tikkeltje uit de hoogte. Eerder spottend. Meisje 1: Vond jij dat grappig van Benny? Meisje 2: Grappig? Nee hoor, ik vond het eerder zielig. Meisje 1: Zelf vond hij dat anders wel hé, overduidelijk! Meisjes draaien met hun ogen, zuchten. Meisje 2: (vol afschuw) Zag je dat slijk op zijn broek? Meisje 1: (verontwaardigd) Slijk? Neen, niets gezien … Meisje 2: Volgens mij heeft hij het gedaan. Hij kan wel zeggen dat hij thuis was. Ik denk dat hij in het park zat! Meisje 1: (beetje uit de hoogte) Echt? Beide meisjes halen hun schouders op, trekken met hun ogen en kijken stil voor zich uit. Er kunnen ook aanwijzingen staan in verband met kleding, decor … Vaak staat dat in het begin van het scenario zodat je als speler je goed kunt voorstellen wat verwacht wordt. De regisseur begeleidt niet enkel de spelers, maar ook de decorbouwers, de licht- en kostuumontwerpers.

19


Je kunt voor een theatervoorstelling ook kiezen voor een spelcoach. Die houdt zich eigenlijk alleen maar bezig met de spelkwaliteit van de speler. Hij of zij helpt om het spel te verbeteren. Met een spelcoach kies je zelf het decor, de kostuums en het licht. Afhankelijk van het budget6 dat je hebt voor de voorstelling, roep je hulp in van extra mensen. Je kunt ook alles zelf doen. Hoe meer je zelf doet, hoe meer je de touwtjes in handen hebt en hoe meer je zelf beslist. Maar andere mensen erbij betrekken, geeft vaak een frisse kijk op de voorstelling wat echt wel heel nuttig kan zijn. Weinig budget maakt je wel creatief om dingen te bedenken die niet veel geld kosten en ook mooi zijn of ook werken. Het decor voor Wit als sneeuw bestond voornamelijk uit allemaal mooie oude appelkistjes die ik ooit ergens gevonden heb. Bij de voorstelling Zilver, verteltheater die ik voor jullie leeftijd heb gemaakt, heb ik allemaal beelden gemaakt uit karton.

20


© Paulien Verlackt, Wit als sneeuw of Sonia en de 7 dwergen, 2009

Ik ben op zoek gegaan naar stevig karton, en kwam zo in de fietsenwinkel terecht. Dozen van fietsen zijn erg stevig. Het hoofdpersonage Bet speelt daar de hoofdrol. Ik speel zelf Bet en laat haar heel wat avonturen beleven. De personages die ik daarvoor nodig heb, heb ik heel groot geschilderd op zo’n stevig karton en uitgesneden. Daarna heb ik er dunne latjes tegen gekleefd en zo kan ik ze in mijn hand houden en kan ik ermee spelen. Als ze als decor rondom mij staan, staan ze in emmers gevuld met zand. Die emmers zijn eigenlijk gewoon lege verfpotten die ik in een winkel kreeg. Met een zwarte doek errond, ziet het er prima uit! Het heeft me heel wat verf en tijd gekost om het te maken. Maar ook veel plezier! Een groot budget had ik er dus niet voor nodig!

21


© Marijke Umans,

22

juf Luipaard uit de voorstelling Zilver


Ik hou er ook van om dingen te recycleren. Omdat er al genoeg rommel is op onze planeet en omdat ik het zo vaak een tweede leven kan geven. Knap, goedkoop én goed voor onze planeet. Super, toch? Niet alles moet nieuw zijn om mooi te zijn, of niet alles wat blinkt is bruikbaar …

© Marijke Umans, eerste schets decor Kom Weg

23


Repeteren Nu is de tekst geschreven, de vorm gekozen, mogelijk al stukjes decor gemaakt en nu, de vloer op! Eerst oefen je best de tekst in. Zo kun je je intonatie oefenen zodat je weet op welke toon je je stem moet gebruiken. En dan ga je spelen, experimenteren, dingen uitproberen, oefenen … Het is ideaal om te repeteren in een theaterzaal als je de voorstelling maakt. In de eerste beginfase hoeft daar nog geen licht bij te zijn en ook het decor hoeft nog niet op punt te staan. Maar als alles goed gaat, kun je het zeker proberen. Tijdens het repeteren verandert er nog heel veel! Daarom heet het ook repetitietijd. Je kunt nog dingen veranderen in de tekst, decor, vorm ... Alles kan nog! Hoe dichter je tegen de eerste voorstelling komt, hoe spannender. Alles moet klaar zijn tegen de première. De première is de eerste voorstelling voor publiek.

24


Het is ideaal als je voor de première al eens kunt spelen voor het doelpubliek. Dat heet dan een try-out. Na die voorstelling kun je ook aan het publiek vragen wat ze ervan vinden. Wat werkte en wat niet … Voor de première of de eerste echte voorstelling plaatsvindt, wordt er vaak nog een avant-première gehouden. Avant betekent ‘voor’ in het Frans. De voorstelling voor de première dus … en na de try-out.

© Pierre Van Haver, Visjes in mijn neus, 2015

25


Hoelang duurt het om een voorstelling te maken? Dat is voor elke voorstelling verschillend. Het is ideaal om minstens een paar weken te repeteren. Liefst de laatste dagen (of week) in de situatie dat je het stuk ook echt gaat spelen. Dus in de juiste kleding, met het decor, de attributen én het licht. Attributen zijn al de spullen die je nodig hebt om het stuk te spelen. Alles wat geen decor is maar wat je zelf gebruikt: een paraplu, extra hoed, pluim, bril, fietswiel … Tijdens de laatste week van de repetitie, kan er iemand komen kijken die dan een promotietekst opmaakt en een affiche ontwerpt als er nog geen is. Een promotietekst is een heel kort stukje tekst dat de theaterzalen gebruiken om in hun boekje te zetten. Wat jij en andere geïnteresseerden kunnen lezen over de voorstelling. Zo kom je te weten waarover het stuk gaat en of het je aanspreekt.

© Pierre Van Haver, Visjes in mijn neus, 2015

26


De voorstelling is klaar, en nu? Spelen in een theaterzaal is top. Voor het decor op de juiste plaats wordt gezet, wordt het licht opgehangen. Hoezo? Hangt er dan geen licht in een theaterzaal? Oh jawel. Het hangt er vol. Maar de lichten hangen voor elke voorstelling anders. Aan het plafond hangen buizen voor de verschillende lichten. Die buizen hangen hoog dus moeten technici ze met stellingen of ladders bereiken. Daarom worden de lichten eerst volgens een lichtplan opgehangen. Dat moet gebeuren voordat het decor er staat want anders staat het in de weg. Het lichtplannetje wordt vooraf aan de technieker van de zaal gegeven. Zo kan er al wat voorbereid worden. Voor een grote voorstelling met veel licht, beginnen de technici meestal de dag voordien op te stellen.

27


Voorbeeld lichtplan ‘Visjes in mijn neus’ van techniekster Janneke Donkersloot:

28


De technici beginnen altijd een paar uur voordat de spelers er zijn. Als het decor allemaal op zijn plaats staat, kan het licht gericht worden. De straal van de lamp moet natuurlijk OP de acteurs schijnen. Op hun gezicht en niet boven hun hoofd … Voor de voorstelling begint, is er altijd een soundcheck. Hier wordt de micro getest voor er publiek is. Bij muziektheater of van zodra er livemuziek met muzikanten is, is de soundcheck wel wat uitgebreider dan wanneer je enkel je stem door de boxen van de zaal laat klinken. Decor staat netjes, lichten zijn goed gericht, acteurs opgewarmd? Showtime! Als het publiek binnenkomt, dan staan de acteurs meestal klaar in de coulissen. De coulissen zijn meestal gordijnen die aan de zijkant hangen van het decor en waar de acteurs (onzichtbaar voor het publiek) zich klaar kunnen houden. Afhankelijk van de voorstelling, kan het zijn dat de acteurs niet opkomen als het zaallicht dooft, maar al op het podium zitten als het publiek binnenkomt.

29


Theatercodes 1 Jassen worden aan de kapstok gehangen. 2 Vooraf plassen. 3 Tijdens de voorstelling blijven we zitten en we duwen niet met onze voeten tegen de zetel voor ons, of naast ons ... 4 Bij het begin en het einde van de voorstelling gaan de lichten in de zaal uit. Het wordt donker en dat betekent dat de voorstelling begint of helemaal gedaan is. Er gebeuren geen nare dingen. Het wordt net leuk op het podium. Roepen en gillen is voor buiten … zeker niet als de lichten uitgaan. Ook geluidjes horen er niet thuis. Wanneer er veel geluid is in de zaal, kan de actrice of acteur zijn of haar aandacht verliezen. 5 Tijdens de voorstelling is het publiek stil of beter gezegd aandachtig. Er mag gelachen worden of je kunt een antwoord geven als het gevraagd wordt. Maar niet kletsen tussendoor.

30


6 Er wordt niet meegeklapt bij een liedje. Anders valt de tekst weg. Tenzij de acteur of actrice laat merken dat het wel kan. 7 Tijdens de voorstelling blijven de koeken en drankjes in onze tas of klas. 8 Na de voorstelling mogen de kinderen klappen. Hoe harder ze klappen, hoe meer de acteurs buigen en lachen … 9 Als de lichten opnieuw branden, is het tijd om terug naar school of naar huis te gaan.

© Paulien Verlackt, Wit als sneeuw, 2009

31


Woorduitleg 1 cabaret = toneelvoorstelling met spottende grapjes 2 karakterschets = beschrijving van het karakter van een persoon 3 eigenzinnig = wanneer je vaak je eigen zin doet 4 impulsief = iets doen zonder na te denken 5 melancholisch = somber, droevig gestemd 6 budget = geld dat je kunt uitgeven

32


Zin om zelf een theatervoorstelling te maken? Wil je weten wat een try-out is? Of wat een soundcheck betekent? Beginnen die theatervlinders al te kriebelen? Niet twijfelen! DOEN en genieten maar …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Foto’s: zie binnenwerk Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 8 - N2 – De T van theater by die Keure - Issuu