Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N3 – Hotel Van Eyck: deel 3

Page 1

ucatieve uitgaven

Hotel Van Eyck: deel 3

BIEB

Noëlla Elpers

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

7


Hotel Van Eyck: deel 3

De geheime gang In het vorige deel van Hotel Van Eyck heeft Ida een geheime gang ontdekt. Deze is bereikbaar via een luikje in haar bedstee. Het luikje draait open als een kleine draaideur en enkel een kat kan erdoorheen. Hotel Van Eyck is een bijzonder hotel in Brugge. Niet de mensen, maar de katten zijn er de baas. De poezen, Pimper en Spooky, wonen er al hun hele leven. Nettie Tweet en Alice, hun oude personeel, zijn onlangs met pensioen gegaan en vertrokken naar Engeland. Sinds een half jaar hebben de poezen dus nieuw personeel: Sammie, Bas en zijn nichtje Ida. Meneertje Bol woont nu ook in het hotel, hij is de kater van Ida. Sinds Bol verhuisd is, mag hij zich ook eigenaar van het hotel noemen. Maar hij noemt zichzelf liever Ida’s broertje-met-haar-op. Een kater die zichzelf een broertje noemt? Dat betekent dus dat de katten in Hotel Van Eyck kunnen spreken! En ze praten niet alleen met elkaar: ook Ida kan hen verstaan. Ze noemt het ‘hun gedachten vangen en gebaren lezen’. Dankzij meneer Paraplu had Ida het luikje ontdekt dat toegang gaf tot de geheime gang. 1


Meneer Paraplu was de schilder van een aantal portretten die in de trappenhal hingen. Die hal was een heuse portrettengalerij met vijfentwintig schilderijen. Het waren allemaal koppen van poezen, geschilderd tegen een kleurige achtergrond die iets vertelde over het karakter van de katten. Elk jaar kwam meneer Paraplu drie weken logeren in Hotel Van Eyck. Dan schilderde hij het portret van de katten die op dat moment eigenaar waren van het hotel. Dat deed hij al vijftig jaar, hij was een oude vriend van Nettie Tweet en Alice. Als één van de katten stierf, was het personeel van het hotel verplicht om het laatste portret van de overleden kat aan te kopen. De portretten van Fluwijn, Rasta, Punky, Feline en Gringo waren door meneer Paraplu geschilderd. Meneer Paraplu was de vorige dag vertrokken en het zou nog een jaar duren voor Ida hem zou weerzien. Ida miste hem nu al een beetje. Ze had het goed kunnen vinden met die oude schilder. Meneer Paraplu had iets achtergelaten om over na te denken: in zijn verlaten bedstee had Ida die ochtend een briefje gevonden dat tot haar gericht was. Dankzij dat briefje en met de hulp van Spooky had ze de geheime gang ontdekt. In die gang was een smalle nis … Ida had de spinnenwebben in de geheime gang getrotseerd, haar arm diep in de donkere ruimte gestoken en het pakje dat in die nis verborgen zat eruit getrokken. Het was een boek dat verpakt was in noppenfolie.

2


‘Open-doen!’ had Spooky gezegd. Dat had Ida met trillende vingers gedaan. In het pakje zat een boek met bladeren die muffig roken. Tussen de bladeren vond ze een briefje:

Voor Ida, een boek over de geschiedenis van Hotel Van Eyck … Opgelet: één hoofdstuk per dag lezen is meer dan genoeg! met de groeten van Nettie Tweet en Alice Nettie Tweet had het boek in die holte verstopt!

Een huis in de Zilverstraat Dat was de titel. Ida’s hart klopte onstuimig toen ze het boek opensloeg. Ze begon te lezen …

3


Josephine Voor wie dit leest … Mijn naam is Josephine van Houten, maar sinds mijn achttiende ben ik de gravin van Maanstein. Ik schrijf dit in het jaar 1890 en ik ben 73 Jaar. Ik kijk achterom en zie mijn kronkelige levensloop. Als je jong bent, heb je grote dromen, plannen en verlangens, maar pas op het einde van je leven kun je de weg zien die je hebt afgelegd. Ik mis mijn echtgenoot Eduard. Toch ben ik niet alleen, mijn lieve Els-Betha woont bij mij in de Zilverstraat in Brugge. Hier zit ik dan in de mooie voorkamer. Dora ligt tevreden op mijn schoot. Haar vader Benjamin is eindelijk uitgeraasd en zit op de vensterbank te kijken naar Molly die voor de open haard ligt te slapen. Ik draag wel de titel van gravin, maar de katten zijn de baas in dit huis. Was het allemaal voorbestemd? Als jong meisje woonde ik in het vervallen kasteeltje van mijn vader. Papa was een arme baron, dat besefte ik pas later. Ik voelde mij rijk. Ik sliep in een hemelbed en er hing een vergulde spiegel in mijn kamer. Dat de gordijnen tot op de draad versleten waren en de spiegel dof, zag ik niet. Ik danste door de kamer op denkbeeldige muziek en stelde mij voor dat een knappe prins mij in zijn armen nam. Mijn moeder stierf toen ik veertien was, daarna hadden mijn vader en ik alleen elkaar nog. Of toch niet: in de keuken werkte Rietje, de mollige kokkin.

4


Rietje kookte heerlijk. De buik van mijn vader werd dikker en telkens als zijn vest te nauw werd, zette hij gewoon een knoopje meer open. Bij Rietje in de keuken was het altijd gezellig. Ze zong graag en het feit dat ze vals zong, hield haar niet tegen. Mijn vader begeleidde mij naar bals en feesten. Hij hoopte dat ik op een dag met een rijke edelman zou trouwen. Na zo’n feest moest ik altijd aan Rietje vertellen met wie ik had gedanst. Toch ontmoette ik de graaf van Maanstein niet op een feest. Nee, dat gebeurde op 5 mei van het jaar 1835, ik weet het nog precies! Op 3 mei waren papa en ik per koets naar Mechelen vertrokken. Rietje ging met ons mee, ik deelde mijn hotelkamer met haar. 5 mei 1835 Die dag vertrok de eerste trein van Mechelen naar Brussel! Papa had twee kaartjes gekocht, één voor hem en één voor mij. Rietje was meegegaan om ‘Den Olifant’ te bekijken. De mensen stroomden toe. Plots klonk er een hees fluitsignaal, een stoomwolk zweefde over het perron. Het ijzeren monster ging vertrekken! We moesten instappen, maar op het laatste moment durfde papa niet. Hij pakte de arm van Rietje beet en duwde haar de trein op. Ze protesteerde luid, maar het mocht niet baten. Daar zaten we dan: Rietje en ik, allebei op ons paasbest gekleed. Ik droeg mijn manteljurk met brede strepen en een snoezig strooien hoedje.

5


De trein zette zich puffend in beweging. Rietje hield zich dapper. Papa stond op het perron naar ons te wuiven. Hij zag er opgelucht uit. Hijgend sneed de trein het landschap in twee. Rietje bloosde en ook mijn wangen gloeiden. De bloemen langs de spoorweg werden vlekken, zo snel reed de trein: wel drie keer zo snel als een koets! Een vriendelijke heer die tegenover ons zat, lachte om onze opwinding. Hij stelde zich voor als graaf Eduard van Maanstein en begon een gesprek. De jonge heren die ik op chique feesten ontmoette, wilden wat graag met mij dansen, maar als het op trouwen aankwam, kozen ze voor een bruid die rijker en lelijker was. Eduard was anders. Hij was dertig jaar ouder dan ik, maar hij was rijk genoeg om met een armere vrouw te trouwen. Nog voor mijn achttiende werd ik de gravin van Maanstein.

6


Naar Venetië We gingen op huwelijksreis naar Venetië, een stad die als een waterlelie op het water drijft. We bezochten contessa Valentina, een vriendin van mijn echtgenoot, in haar paleis. ‘Contessa’ betekent ‘gravin’ in het Italiaans. De ogen van contessa Valentine werden zo groot als schoteltjes toen ze mij zag. Ze pakte mij bij de hand en sleepte mij mee naar een overdekt portaal aan het water waar haar gouden gondola aangemeerd lag. Ze wees naar de roodfluwelen bank in de gondel. En daar, onder die bank, zat een wondermooie Perzische kat met wit haar en blauwe ogen. Sinds ze een nestje van vier had gekregen, wilde ze daar niet meer onderuit komen. De contessa vond dat ik op haar kat geleek … Ik vertrok weer naar Vlaanderen met een mandje op mijn schoot: daarin zat de Hertogin van Venetië, een Perzisch katje met helderblauwe ogen. Een huis in de Z ilverstraat Onderweg werd Eduard ziek, hij hield niet op met niezen. Toen we onze intrek namen in het kasteel van Maanstein was het duidelijk: mijn man kon niet tegen kattenhaar. Dat deed me veel verdriet, maar ik dacht er niet aan om de Hertogin weg te doen!

7


Ik vroeg aan Eduard of hij een huis voor mij wilde kopen. Daar zou de Hertogin samen met Rietje kunnen wonen. Een huis wilde Eduard wel kopen voor de Hertogin, maar de kokkin van mijn vader inpikken? Ho maar! ‘Wil je papa Rietje wel kwijt?’ vroeg hij bezorgd. ‘Als ik het hem lief vraag wel,’ zei ik. Met pijn in het hart stond mijn vader Rietje af en na enige tijd kreeg papa zijn vestje weer dicht. Eduard kocht dit huis en Rietje kwam hier wonen met de Hertogin. Ik vergezelde de graaf tijdens concerten, bals en feesten, maar als ik tijd had, logeerde ik hier. Rietje noemde mij sindsdien Josephine. Hier in huis bestaat geen rang of stand, iedereen staat ten dienste van de katten. Negen kattenlevens Natuurlijk bleef het niet bij één kat! Na een jaar kwam een rode kater zingen voor de Hertogin. Rietje liet hem binnen. Die kater was stevig van postuur. We noemden hem Baron. De Hertogin en Baron kregen één katje: Keizertje, een langharige rode met oranje ogen. Keizertje hield van vissen, hij heeft de kostbare steurvissen uit onze vijver geschept. Op een dag kwam Keizertje thuis met een dwaze poes. Hij liet die zwerfster eten van zijn schoteltje.

8


Het tijgerkatje at gulzig. Lola snoepte graag van mijn pralines en werd alsmaar dikker. ‘Die kat ontploft nog eens,’ mopperde Rietje vaak. Eerlijk? Ik vond dat Rietje en Lola op elkaar geleken en noemde Lola mijn ‘Zwerf Ster’. Lola en Keizertje kregen twee katjes: Benjamin en Minnie. In die tijd woedde er een muizenplaag in onze straat. Minnie was een zegen. Ze was een miezerig katje, maar een grote muizenvanger! Benjamin is en blijft een rakker. Zelfs nu hij stokoud is, gedraagt hij zich nog als een jong katertje. Victoria is niet zo lang bij ons gebleven. Ze was al oud toen ik haar zag in het circus. Die kat was spierwit en zo doof als een kwartel. Juist daardoor was ze geschikt voor het circus! Maar de avond dat ik haar zag wilde Victoria niet van de trapeze springen. Ze zat vanuit de hoogte naar mij te kijken. Haar bazinnetje was zo kwaad dat ze haar in de pauze aan mij heeft gegeven. Victoria heeft bij ons van een rustige oude dag genoten … De Hertogin, Baron, Keizertje, Lola, Minnie en Benjamin, Victoria, Molly en Dora: zij hebben mijn leven rijk gemaakt. Ik kijk vaak naar hun portretten in de trappenhal. Op haar portret draagt de Hertogin haar diamanten halssnoertje: een geschenk van Eduard. Hij aanbad haar vanop afstand, zoals je een mooie, onbereikbare dame aanbidt.

9


Molly pinkt naar mij. Straks valt er nog een kooltje op haar pels. Els-Betha moet het haardscherm ervoor zetten. Even bellen en het is zo gebeurd …

‘Hier eindigt het hoofdstuk, Spooky,’ fluisterde Ida. Spooky snorde en duwde met haar kopje tegen Ida’s hand. Het boek viel dicht. ‘Je hebt gelijk … Eén hoofdstuk per dag lezen is genoeg. Mijn hoofd tolt van al die kattennamen. Ik ga morgen in de trappenhal kijken naar de portretten die erbij horen …’ De volgende avond knipte Ida haar nachtlampje aan. Het draailuikje in de houten wand van haar bedstee klapte open en Spooky wandelde over de bedsprei alsof ze over de maan liep. ‘Le-zen!’ kwekte ze bevelend. ‘Natuurlijk ga ik lezen,’ zei Ida. ‘Ik lees elke avond één hoofdstuk. Anders is het veel te ingewikkeld …’ Spooky vleide zich naast haar neer en pinkte tevreden met haar oogjes.

10


Els-Betha Hoe ik in de Z ilverstraat terechtkwam Mijn naam is Els-Betha Willemsen. We zijn in het jaar 1938 en ik ben 75 jaar oud. Hoog tijd om mijn wedervaren op te schrijven … Een paar dagen nadat Josephine van Houten het voorgaande hoofdstuk schreef, hoorde ik de poezen janken in de voorkamer. Ik vond mijn lieve gravin in haar stoel, haar zwakke hart had het begeven. Mijn wereld stortte in. Op mijn negende was ik aan het werk gegaan in de textielfabriek van de graaf van Maanstein. Met rappe vingers raapte ik plukjes wol op onder de weefgetouwen. Op mijn tiende stierf mijn moeder aan de hoest. Vlak daarna bezocht de gravin de fabriek. Ze haalde mij daar weg en gaf me een plekje in dit huis. Samen met Rietje zorgde ik voor de poezen en toen de kokkin stierf, nam ik haar taken over. Nadat ze weduwe was geworden, woonde Josephine permanent in dit huis. Na de dood van Josephine voelde ik mij verloren. Op dat moment wist ik nog niets over het testament dat notaris Notelaar had opgesteld. Daarin stond dat de poezen dit huis erfden. Voor mij was er een grote som geld op de bank gezet. Zolang ik voor de katten bleef zorgen, werd met dat geld mijn loon uitbetaald.

11


In het testament stond ook dat ik ervoor moest zorgen dat hier altijd katten zouden wonen die het huis op hun beurt zouden erven. En voor het beëindigen van mijn taak hoorde ik een verslag te schrijven over het leven in dit huis. Het is dus maar goed dat Josephine mij zelf leerde schrijven! Het kinderwetje van van Houten In haar verslag rept Josephine met geen woord over haar groot verdriet: ze is kinderloos gestorven. ‘Mijn katten zijn mijn kinderen,’ zei ze altijd, ‘en jij Els-Betha, jij bent voor mij als een dochter.’ En dat is waar, de gravin heeft mij altijd als haar eigen kind behandeld. De schat is al jaren dood en alleen God weet wat ze nog meer zou verteld hebben. Ik wil er nog één ding aan toevoegen: de gravin was een mooie, onbereikbare dame. De graaf van Maanstein aanbad niet alleen de Hertogin vanop afstand, maar ook zijn eigen vrouw. Ik bleef alleen achter in de Zilverstraat met Dora, Benjamin en die mollige Molly. Om mezelf te troosten nam ik een jong katertje in huis: Adriaantje. Die was zo ondeugend dat ik niet veel tijd kreeg om verdrietig te zijn. Op een keer was ik te laat met het serveren van zijn diner en heeft hij de dure Ming-vaas omgeduwd. Terwijl ik de scherven opveegde zat die rosbruine schelm met zijn witte snoet naar mij te kijken. Zorgen dat er genoeg katten in dit huis woonden, was geen probleem, zorgen voor opvolging van het personeel was moeilijker. Ik vroeg mij af wat mijn dierbare Josephine zou gedaan hebben. De textielfabriek van de graaf was ondertussen failliet en kinderarbeid was afgeschaft, dus daar kon ik geen meisje halen.

12


Dat de kinderarbeid werd afgeschaft is trouwens aan Josephine te danken! Toen zij mij uit de fabriek weghaalde, was ze geschokt door de schandelijke toestand waarin wij, kinderen, moesten werken.

Zij kaartte die situatie aan bij haar echtgenoot en bij haar oom Samuel. De graaf hield nadien nauw toezicht op de mistoestanden in zijn fabriek. Oom Samuel zat in het parlement in Nederland. Op aanraden van Josephine liet hij ‘Het kinderwetje van van Houten’ stemmen en werd de kinderarbeid in Nederland afgeschaft en later ook in België! Ik dwaal af, maar ik wil maar zeggen: Josephine van Houten had geen kinderen, maar ze was als een moeder voor haar katten en voor alle kinderen.

13


Zorgen voor opvolging van personeel Ik had een plan. Op een mistige herfstochtend liep ik met Adriaantje in een mand door de steegjes van Brugge. In de Sint-Clarastraat belde ik aan bij het Huis van de Heilige Engelbewaarder, een weeshuis voor meisjes. Een zuster met een witte vlinderkap deed open. Ze keek afkeurend naar Adriaantje. ‘Moet dat beest mee naar binnen?’ zei ze. ‘Jazeker, de gravin van Maanstein zou het zo gewild hebben,’ zei ik. Het noemen van die naam, opende de deur voor ons. Adriaantje snuffelde. Laat één ding duidelijk zijn: die kater was niet gesteld op kinderen! Het meisje dat hem trotseerde, zou ik uitkiezen. De meisjes stonden in een rij opgesteld in een kille kamer. Ze tilden hun snoetjes vol verwachting naar mij op. Ach, ik wilde ze allemaal meenemen! Er was er eentje bij met gouden pijpenkrullen, een plaatje. Ik lachte naar hen allemaal en zette de mand neer. ‘Wie houdt er van katten?’ zei ik. Adriaantje strekte zijn dunne nekje uit. De kinderen stormden op de mand af.

14


Het meisje met de mooie krullen strekte haar hand uit ... Adriaantje haalde uit met zijn poot en krabde! ‘Aù,’ schreeuwde het meisje. Op haar hand tekende zich een vurige schram af. De anderen keken verschrikt naar de kleine kater die zat te blazen. Allemaal, behalve één meisje. ‘Wat ben jij een mooie poes,’ zei ze zacht. ‘Mauw!’ zei Adriaantje, de ijdeltuit. Het meisje streelde hem en Adriaantje snorde. Dat meisje heette Melanie en haar bleke gezichtje was mij niet opgevallen. Ze was ook zo klein, Melanie ... Maar Adriaantje had gelijk: ze was allerliefst en ze was dol op katten! Jacob en Nelson Soms zat Melanie zomaar wat voor zich uit te staren. Ik dacht dat ze de andere kinderen miste en stuurde haar naar school. Dat hielp niet. De schoolmeester zei dat Melanie traag was van begrip. Ze leerde met moeite schrijven, maar ze was een lief kind en wonderbaarlijk goed met de katten. Toch werd het mij al snel duidelijk dat ze later nooit alleen voor de katten zou kunnen zorgen. Gelukkig loste dat probleem zichzelf op. Melanie was zeventien toen ze Jacob en Nelson tegenkwam op de Grote Markt in Brugge. Jacob Seeblum was een blonde jongeling met felblauwe ogen. En Nelson? Die kater was zo zwart als een duiveltje.

15


Op de markt vermaakte Jacob de mensen door Nelson door de hoepel te laten springen. Hoe hoog Jacob die hoepel ook hield, Nelson sprong erdoor zonder een aanloop te nemen. Nadien ging Jacob met de pet rond. Nelson trippelde recht op Melanie af. Hij snuffelde aan de zoom van haar rok en sprong omhoog. Ze ving de kater op met open armen. Melanie nodigde dat tweetal uit voor het eten. En ze bleven … Want Jacob trouwde met Melanie! Toch was Jacob geen blijvertje. Op zijn veertiende was hij als scheepsjongen gaan varen op zee en hij had zijn kat Nelson meegenomen. Die kater was een keer overboord gevallen. De mannen bonden een touw rond Jacobs middel en hij sprong hem achterna.

16


Op het moment dat Jacob Melanie ontmoette was hij de gevaarlijke zee even zat. Nelson sloot vriendschap met Adriaantje en Molly. Toen de oorlog uitbrak in 1914 is Jacob naar het front gegaan en gesneuveld. Het hart van Melanie was gebroken. Gelukkig was haar zoontje Albert toen al geboren en er was Oscar, een kleine kater die ik in huis haalde om Melanie te troosten. Victor nam ik in 1918 in huis om te vieren dat de gruwelijke oorlog voorbij was. De overwinningsroes heeft echter niet lang geduurd. De Spaanse griep brak uit en die ziekte maakte meer slachtoffers dan de oorlog. Melanie kreeg de griep en stierf na een paar dagen. Ik bleef alleen achter met Albertje die net zes geworden was. Victor en Oscar waren op dat moment de ondeugende katten hier in huis en ik had mijn handen vol …

‘Hier stopt het verslag van Els-Betha,’ zei Ida. Spooky stond op en liep een rondje achter haar staart aan voor ze zich neervleide. Ze keek op naar Ida en gaapte. ‘Ga slapen!’ miauwde ze. Ida stopte het boek onder haar kussen en knipte het nachtlampje uit. Toch lag ze nog een tijdje met open ogen in het donker te staren. Ze had het gevoel dat Els-Betha lang niet alles verteld had.

17


Ach, dat kan ook niet, bedacht ze toen. Het is toch niet mogelijk om een heel leven en dat van al die kattenlevens in een paar bladzijden te vatten. De volgende ochtend verstopte Ida het boek weer in de geheime nis. Ze wilde niet dat Bas en Sammie het zouden vinden als ze haar bed opmaakten. ’s Avonds haalde Ida het boek weer tevoorschijn. Terwijl Spooky lag te ronken, begon ze te lezen …

Albert Hotel Van Eyck Ik stel vast dat Els-Betha niet rond is geraakt met haar verslag, daarom begin ik tijdig aan het mijne. Ik heb nauwelijks een herinnering aan mijn moeder Melanie en mijn vader heb ik nooit gekend. Els-Betha heeft mij grootgebracht, ze was voor mij als een lieve grootmoeder. Gelukkig voor haar is ze in 1939 ingeslapen, vlak voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Die ellende heeft ze niet meer meegemaakt. Ik merk dat Els-Betha met geen woord rept over onze financiële zorgen. De bank waarop het geld stond waarmee de jonge notaris Notelaar Els-Betha’s loon betaalde, ging failliet. Midden jaren dertig hadden we dus dit huis, maar geen geld om eten te kopen.

18


Daarom besliste Els-Betha om in de voorkamer een theesalon in te richten waar rijke dames van haar heerlijke gebak konden proeven. De zaak floreerde en onze Loulou werd de bekendste kat van Brugge. Zij leek op de Hertogin en liet zich aanbidden door de rijke dames. Loulou werd ook verwend door Theresa, het mooie meisje dat de thee in het salon serveerde. Als zij Loulou streelde, was ik werkelijk jaloers op die kat! Ik had geen werk, dus begon ik het huis te verbouwen tot een hotel. Els-Betha kwam op het idee om in één kamer op elke verdieping een bedstee te bouwen. Het idee om in de overgebleven ruimte in de muur een gang te maken voor de katten kwam van mij. Tenslotte waren de katten de eigenaars, zij moesten baas blijven in hun huis! ‘Hotel Van Eyck’, die naam prijkte net tegen de gevel van het huis toen Els-Betha stierf. Vlak daarna werd ik opgeroepen als soldaat. Ik vertrouwde de zorg voor Loulou en de stokoude Victor toe aan Theresa.

19


De Tweede Wereldoorlog: 1940 -1945 Op 10 mei 1940 was het zover: Duitsland viel België binnen op het oostelijk front. Ik hoor nog het naderend geronk van de vliegtuigen en het gefluit van bommen en kogels. Ik zie de vuurbloemen tegen de korenbloemblauwe avondlucht openspatten. En dan niets meer … Ik ontwaakte in het hospitaal met een granaatscherf in mijn been. Toen ik als oorlogsinvalide terugkwam in de Zilverstraat was ons land bezet door de Duitsers. De buren vertelden me dat het hotel was opgeëist door de vijand, een Duits legercommando had er zijn hoofdkwartier ingericht! Ik verzamelde moed en belde aan. Theresa deed open, gekleed als hups kamermeisje. Mijn wereld stortte in. Ze zag echter kans om mij een briefje in de hand te drukken: Om 20 u, afspraak in Het Witte Paard

‘Ben je soms Duitsgezind?’ vroeg ik angstig aan Theresa toen ik die avond bij haar aan een tafeltje zat in café Het Witte Paard. ‘Natuurlijk niet, wel integendeel, Albert!’ zei ze verontwaardigd. ‘Ik bespioneer de legertop die nu in het huis woont. Met de katten gaat alles goed. Commandant Heinrich is een kattenliefhebber. Spijtig genoeg is Victor ondertussen gestorven …’ ‘Dat kon niet anders, die kater was stokoud,’ zei ik.

20


‘De commandant heeft hem vervangen door een dwaas katje dat hij Daisy noemt. Er woont ook een Siamese tweeling in huis die toebehoort aan kapitein Von Snick. Die katten zijn ijdele monsters, ze heten Helga en Ilsa. Loulou haat hen, maar ze amuseert zich met Daisy. Ze duwt die ragebol om met haar poot en laat haar rollen als een bol wol.’ ‘Blij dat te horen,’ zei ik somber, ‘maar wat heb ík nog te zoeken in dat huis?’ Op dat moment doken er twee figuren op uit de duisternis. Ze zetten een glas bier voor mijn neus. ‘Sluit je aan bij het verzet,’ zeiden ze. Bij het verzet En dat deed ik ... Ik trad in mijn eigen huis in dienst als knecht voor de Duitsers. Ik was het eens met Loulou: Daisy was een dotje, maar de Siamese tweeling was onuitstaanbaar. Hun baasje, kapitein Von Snick, had schuine ogen, net zoals zijn katten. Het leek wel alsof drie paar scheve ogen ons voortdurend in de gaten hielden. Als tegenwicht voor die twee mormels haalden Theresa en ik twee watervlugge katertjes in huis.

21


Voor de grap noemden we die bruin-zwarte tijgertjes Fritzel en de Generaal. Elke voormiddag zat ik bij Theresa in de keuken de schoenen te poetsen van al die mannen in huis. Terwijl ze kookte, zong Theresa gekke liedjes. Ook Dolly, Fritzel en de Generaal kwamen luisteren. Op die momenten was ik intens gelukkig. Op een avond vroeg commandant Heinrich of Theresa voor zijn mannen wilde zingen in de voorkamer. Dat beviel iedereen en van dan af vroeg hij haar regelmatig om dat te doen. Ik ging rond met de glazen en had de grootste moeite om het dienblad recht te houden. Sinds ik gewond raakte, loop ik immers mank … De soldaten flirtten met Theresa en ik was razend jaloers. Maar het had ook een voordeel: als ze dronken waren, praatten die kerels soms hun mond voorbij terwijl wij in de kamer aanwezig waren.

22


De geheime kattengang bleek heel bruikbaar voor ons werk bij het verzet. Theresa maakte voor die schrandere Fritzel een halsband waarin ze briefjes kon verbergen. Fritzel was altijd in haar buurt te vinden als ze al zingend de kamers schoonmaakte. Soms vond Theresa geheime informatie. Die schreef ze snel over en dan verstopte ze het briefje in de halsband van Fritzel. ‘Ga naar Albert,’ fluisterde ze in zijn oor. Fritzel stoof door het luikje in de bedstee en rende naar beneden. Als Theresa stopte met zingen, zat ik op de benedenverdieping in de bedstee te wachten. Ik smokkelde het bericht tot in Het Witte Paard als ik naar de markt ging. Op het einde van de oorlog was de sfeer in huis ronduit gespannen. Kapitein Von Snick hield ons argwanend in de gaten, maar hij heeft ons nooit kunnen betrappen. Na de bevrijding bazuinde een buurvrouw rond dat Theresa heulde met de vijand … Voor ik of een van de andere mannen van Het Witte Paard konden vertellen dat Theresa een heldin van het verzet was, werd ze opgepakt en weggevoerd. Ik weet niet wat er met haar gebeurd is, ik heb geen spoor van Theresa teruggevonden. De liedjes uit de oorlog kan ik niet meer aanhoren.

23


Na de oorlog Ik miste Theresa … Daarom nam ik na de bevrijding een verwaarloosde straatkat in huis en noemde haar Liberty. Ik zorgde tegen mijn zin voor Helga en Ilsa en vond troost bij die dwaze Daisy, bij de Generaal en Fritzel. Naar een opvolger als personeel hebben de katten en ik lang uitgekeken. We vonden haar uiteindelijk tussen de klanten die kwamen logeren in Hotel Van Eyck. Nu verblijf ik voor de rest van mijn leven in kamer 3. De oude Liberty komt vaak door het luik in de bedstee binnenwaaien, net zoals Fluwijn, de zwarte kater die Nettie Tweet zelf uitgekozen heeft.

Ida besefte met een schok dat er in het boek al meer dan 120 jaren waren voorbijgegaan. Ze bladerde terug en telde de kattennamen die in speciale letters geschreven waren. Eenentwintig … In de portrettengalerij hingen vijfentwintig portretten. Dat betekende dat Nettie Tweet nog vier katten had gehad die ondertussen overleden waren. ‘Als de muren van dit huis toch eens konden spreken, Spooky …’ zei Ida. ‘Kan,’ zei Spooky en ze duwde met haar neus tegen de rand van het boek. ‘Je hebt gelijk, dit boek zat verborgen in de muur en het vertelt de geschiedenis van dit huis. Hier hebben Duitse soldaten rondgemarcheerd, Spooky! Stel je dat eens voor.

24


En Fritzel was ook een held van het verzet! Wie weet wat voor geheime informatie die kattenspion door de geheime gang gesmokkeld heeft!’ Ida wilde wel eens weten hoe Nettie Tweet en Alice hier in dit huis waren terechtgekomen. Maar Spooky duwde nog eens tegen het boek en het viel dicht. ‘Je hebt gelijk, Spooky,’ zei Ida, ‘de rest is voor morgen.’

Nettie Tweet Lieve Ida, Zoals je ziet is het leven van de katten in dit huis nauw verweven met dat van hun personeel. Maar ach, voor een mens blijft elke kat raadselachtig als een kleine sfinx. Misschien is het om die reden dat er in het testament van de gravin nog een voorwaarde is opgenomen. Van elke kat moet er een sprekend portret geschilderd worden. De portretten van Loulou, Victor, Daisy, Helga, de Generaal, Fritzel en Liberty werden door Albert zelf geschilderd. Die lieve man was te bescheiden, in zijn verslag vermeldt hij nergens dat hij een uitmuntende kunstschilder was. Albert heeft nog vier jaar in kamer 3 gewoond toen Alice en ik het hotel hadden overgenomen. Hij blijft de liefste gast die we ooit gehad hebben. De huidige portretschilder ken je al. Dat is George Parker, jou waarschijnlijk beter bekend als meneer Paraplu.

25


Twee Engelse dames Hoe zijn wij, twee Engelse dames, in dit huis verzeild geraakt? Daarvoor moet ik vijftig jaar teruggaan in de tijd, naar het jaar 1965. Ik was vijfentwintig … Dat vind jij misschien al oud, Ida, maar ik voelde me jong en vol leven. Het was midden in de jaren zestig en de grijze, naoorlogse wereld was verdwenen. Alles bruiste en zag er plots een stuk kleurrijker uit. Behoorlijk wat mensen hadden zich een auto aangeschaft en er verschenen prachtige Amerikaanse sleeën in de straten. Auto’s met vleugels! Wij, meisjes, droegen lipstick en fleurige rokken met petticoats. Jij hebt mij gekend als oude vrouw en het moet jou wat vreemd in de oren klinken maar ik was een pittige jongedame! En ik was nog lang niet van plan om mijn lot te verbinden aan dat van James Barton. Ja, zo heette mijn aanbidder: James Barton. Hij was net zo stijf als zijn naam klinkt: een man van bordkarton. Toen hij mij een huwelijksaanzoek deed, ben ik gevlucht. Niet echt natuurlijk … Ik ging voor twee maand op reis door Europa om over die vraag na te denken. Mijn ouders stuurden Alice Smith met mij mee om een oogje in het zeil te houden. Alice, die naam doet bij jou vast een belletje rinkelen? Alice Smith was het kamermeisje dat destijds bij mijn ouders in dienst was. Een betrouwbaar ‘kind’.

26


Wel ik kan je verklappen: die degelijke Alice was gemakkelijk over te halen tot een dans op een feestje! We hebben alle landen van Europa die niet achter het IJzeren Gordijn verdwenen waren bezocht. Het communistische Oostblok was destijds niet meer bereikbaar voor de kapitalistische Westerlingen. Brugge was de laatste stad die we aandeden voor we naar huis gingen. In Oostende zouden we de overzetboot nemen naar Dover. Ik had lood in mijn schoenen: ik wist ondertussen dat ik niet met James wilde trouwen. Maar wat ik wel wilde, wist ik nog niet. Om één of andere reden had ik het gevoel dat mijn bestemming niet in Canterbury lag. Canterbury, uit die mooie stad kom ik vandaan. Mijn ouders hadden mij naar een chique meisjeskostschool gestuurd om van mij een nette jongedame te maken.

27


Ik had graag verder gestudeerd voor dierenarts, maar dat vond mijn vader maar niets. In die tijd was het nog niet zo gangbaar voor een meisje om verder te studeren. Op die ouderwetse kostschool werden wij klaargestoomd om met een ‘goede partij’ te trouwen. Toen James Barton mij ten huwelijk vroeg, paste dat precies in het toekomstplan dat mijn ouders voor mij hadden. James was oersaai, maar hij zat goed in de slappe was. Hij stond garant voor een leven zonder financiële zorgen. Mijn besluit Toen Alice en ik in de hal van Hotel Van Eyck binnenkwamen, stond Albert achter de toog. Hij werd bleek rond zijn neus en kwam met uitgestoken hand op mij af. ‘Welkom,’ zei hij, ‘jij lijkt sprekend op een meisje dat ik gekend heb in de oorlog …’ Albert liet ons plaatsnemen in het voorkamertje. Een kater met een pels die glansde als zwart fluweel sprong op mijn schoot en vleide zich neer. ‘Fluwijn wil graag dat je blijft,’ zei Albert. Fluwijn duwde met zijn kopje tegen mijn hand. ‘Kijk, hij vraagt het met aandrang,’ zei Albert. ‘Kun jij die kat dan verstaan?’ vroeg ik.

28


‘Ik kan zijn gedachten vangen en zijn gebaren lezen,’ zei Albert ernstig. ‘Tsss-tsss,’ siste Alice ongelovig. Fluwijn keek haar fel aan met ogen als groene knikkers. ‘Die kater zal je wel leren om hem te verstaan,’ zei Albert met een lachje. Nadat Liberty moeizaam op de leuning van de sofa was gesprongen, vertelde Albert ons het geheim van Hotel Van Eyck ... Alice en ik gingen terug naar Canterbury. Ik vertelde aan James dat ik niet met hem kon trouwen. Aan mijn ouders legde ik uit dat ik in Brugge wilde gaan wonen, in Hotel Van Eyck.

De katten die ik gediend heb Liberty heb ik spijtig genoeg niet lang gekend. Zij was al oud toen wij het hotel overnamen en is kort daarna gestorven. Een tijd lang hadden we alleen Fluwijn in huis. Die felle zwarte was een alleenheerser, hij duldde geen ander kat in mijn buurt. 29


We namen pas een nieuwe kat na zijn dood, in 1974. In de dierenwinkel zag ik een katje met warrige lokken. ‘Dag lieverd, zal ik jou Rasta noemen?’ vroeg ik aan het katje. Rasta begon opgewonden door zijn kooi te rennen. Daarna klauwde hij als een leeuw met zijn poot door de tralies. Rasta keurde zijn naam goed! Een paar jaar later volgde Punky: een rossig straatvechtertje met een gescheurd oor waar Alice mee thuiskwam. Die kater heeft brokken gemaakt in dit hotel! De dure vazen van de gravin moesten er allemaal aan geloven. De enige die hem kon kalmeren was Feline, een lieve kattin die we later in huis namen. Toen die twee kleintjes kregen, werd ik smoorverliefd op een zwart-wit katertje dat een smoking droeg. Je weet wel: zo een feestkostuum voor heren met een hagelwit hemd. Gringo had stijl, maar hij was een boefje en een sluwe jager. In de tuin van het hotel nestelde een stel pimpelmezen in een nestkastje. Gringo deed alsof hij een pluchen beest was. Hij bleef roerloos zitten en de vogeltjes fladderden rond zijn kop. ‘Zie eens, Nettie, het lijkt wel alsof Gringo vaderlijke gevoelens koestert tegenover die beestjes,’ zei Alice vertederd toen ze dat zag. ‘Dat geloof je toch zelf niet?’ zei ik. Op dat moment sloeg Gringo zijn slag. In een paar tellen lagen er vijf dode vogeltjes in het gras … En toch was Gringo mijn favoriet! Oei, het is bijna tijd om te vertrekken en ik moet dit boek nog verbergen in de geheime nis …

30


Er valt natuurlijk nog meer te vertellen, maar je moet enkel nog weten dat George Parker, alias meneer Paraplu, een oude vriend van mij is uit Canterbury. Hij verhuisde in zijn jonge jaren naar Parijs om kunstschilder te worden. Elk jaar nam hij een paar weken de zorg voor het hotel van ons over terwijl Alice en ik onze familie bezochten in Engeland. In die periodes schilderde George de portretten van de katten. Pimper en Spooky ken je ondertussen, het zijn schatten. Spijtig dat ik meneertje Bol niet ontmoet heb, maar George heeft mij verteld dat hij een echte aanwinst is voor het hotel. Nog even dit, lieve Ida: in jou heb ik mezelf teruggezien: een meisje dat zonder moeite de gedachten van katten kan vangen en hun gebaren kan lezen, een ware kattenliefhebber. Daarom heb ik, samen met Alice, besloten om jou in te wijden in de geheimen van Hotel Van Eyck. Wat jij later met je leven doet, zal de toekomst uitwijzen … Doe de groeten aan George als je hem eerder ziet dan ik en geef Pimper, Spooky en meneertje Bol een aaitje van ons allebei.

31


Ida sloot het boek en drukte het dicht tegen zich aan alsof het een schat was. ‘Dit is een ongelofelijk boek, Spooky,’ fluisterde Ida. ‘En van die geschiedenis maken wij deel uit …’ Ze zag Nettie Tweet en Alice dansen. Ze zag hoe Alice voor het raam stond en naar Gringo keek terwijl de vogeltjes rond zijn kop fladderden … Spooky kneep haar lippen op elkaar. Ze kneep haar beide ogen dicht, als een samenzweerder. ‘Je hebt gelijk, Spooky, dit is ons geheim,’ zei Ida. ’s Ochtends zat Ida aan het ontbijt nadat de laatste hotelgasten hun broodjes hadden opgegeten. Spooky lag op haar rug, met haar pootjes omhoog. Zo bekeek ze de wereld: op zijn kop. Sammie kon het niet laten: hij deed alsof hij met zijn vinger in haar dikke buik wilde prikken. Spooky sloeg met haar voorpoot: haar kleine voetje werd plots een grote klauw. ‘Hoho,’ zei Sammie, ‘jij laat je niet doen, Spookelijn!’ ‘Natuurlijk niet,’ zei Ida. ‘De katten zijn hier de baas en dat moet altijd zo blijven!’ Bas keek zijn nichtje onderzoekend aan. ‘En zo is het maar net!’ zei hij.

32


Ida had de spinnenwebben in de geheime gang getrotseerd, haar arm diep in de donkere ruimte gestoken en het pakje dat in die nis verborgen zat eruit getrokken. Het was een boek dat verpakt was in noppenfolie. ‘Open-doen!’ had Spooky gezegd. Dat had Ida met trillende vingers gedaan. Maar wat staat in het boek? Ontdek het in dit laatste deel van Hotel Van Eyck!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Peter Goossens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook