ucatieve uitgaven
Hotel Van Eyck: deel 2
BIEB
Noëlla Elpers
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
7
Hotel Van Eyck: deel 2 Lol met Bol Kennen jullie Hotel Van Eyck nog? Het is een klein hotel in een oud herenhuis. Op de vensterbanken bloeien viooltjes en bij de voordeur staan twee olijfbomen in potten. Niks speciaals eigenlijk, van zulke hotels zijn er in Brugge dertien in een dozijn. En toch is Hotel Van Eyck bijzonder want niet de mensen, maar de twee katten zijn de eigenaars van het hotel. Pimper en Spooky zijn moeder en dochter, het zijn zwart-grijs gestreepte tijgerkatten.
1
Pimper en Spooky hadden sinds een paar maanden nieuw personeel. Hun vorige huishoudster, Nettie Tweet, was na vijftig jaar met pensioen gegaan. Nettie had nieuw personeel gezocht voor de twee eigenaars van het hotel, daarna was ze met haar kamermeid Alice voorgoed naar Engeland vertrokken. Pimper en Spooky misten Nettie Tweet en Alice en ze moesten nog wennen aan die nieuwe mensen in huis. Het waren twee broeken en een halfwas: Sammie, Bas en zijn nichtje Ida. Sammie vulde hun schoteltjes, Bas was de kattenbakman en Ida zorgde voor de aaitjes. Die halfwas was tien jaar oud en ze had haar kater meegebracht die even oud was als zij. Zijn naam was meneertje Bol. Die Bol was lang de kwaadste niet, hij was welopgevoed en rustig. Enkel als het eten opgediend werd, vergat hij zijn goede manieren. Hij liet de dames niet voorgaan en begon onmiddellijk te schrokken. Toch was Pimper wel tevreden met zo’n stoere man in huis. En Spooky? Die had vaak lol met Bol! Op de zijtafel in de hal stond altijd een mooi boeket bloemen. Spooky sprong op het tafeltje – dat mocht want in Hotel Van Eyck mogen de poezen altijd alles. Ze trok een lange grasspriet uit het boeket en legde die voor de voeten van de halfwas.
2
Ida schreef rondjes met de grasspriet en Spooky rende die vrolijk achterna. Plots verschenen er twee kapers op de kust: Pimper besloop de grasspriet en Bol kreeg de kolder in de kop. Hij rende als een gek de wenteltrap op en neer, achter de bewegende grasspriet aan. ‘Bol krijgt het in zijn bol!’ kwekte Spooky vrolijk. Pimper, die een spelletje met de grasspriet aan haar neus zag voorbijgaan, bekeek het afkeurend. ‘Tss, zijn dat nu manieren voor een oude kater?’ siste ze. Spooky plaagde meneertje Bol graag. Ze bestudeerde hem terwijl hij zich waste. Bol boende zijn grijze oren en likte de witte pels op zijn buik schoon, maar de grijze lappen op zijn rug sloeg hij altijd over. ‘Was je rug ook maar een keer,’ zei Spooky. ‘Niet nodig,’ zei Bol, ‘als ik in de regen wandel, spoelt het vuil vanzelf weg.’ ‘Ach Bollemans, je bent te dik, je kunt niet eens met je tong bij je rug,’ zei Spooky uitdagend. Bol likte verwoed aan zijn rechterpoot. Ida kwam tussenbeide: ‘Spooky! Plaag jij meneertje Bol weer?’ ‘Hoe weet jij dat?’ vroeg Spooky verbluft.
3
Ida had de gebaren en gedachten van de poezen leren lezen, net zoals Nettie Tweet. Zij was de enige mens in huis die dat kon. ‘Ik zie dat Bol aan zijn rechterpoot likt,’ zei ze. ‘Daar heeft hij een litteken van een oude oorlogswonde, moet je weten. Bol is uit een boom gevallen toen een zware kater hem achterna zat en heeft zich toen vreselijk pijn gedaan. Als hij zich gekwetst voelt, likt hij aan die wonde.’ Spooky ging iets dichter bij Bol zitten. ‘Een oude wonde die nog pijn doet?’ miauwde ze zachtjes. ‘Maak dat je grootje wijs ...’ Bol begon nog heftiger aan zijn poot te likken. ‘Spooky, hou op!’ zei Ida. ‘Pretbederver,’ zei Spooky en ze wandelde weg met haar staart omhoog.
4
Op een zomeravond De poezen en hun personeel zaten in de ommuurde achtertuin. Het was grote vakantie en alle hotelkamers waren bezet. Sammie las de krant onder de kleurige lampionnen die tussen de wijnranken hingen. Zoals elke avond kamde Bas de lange haren van Ida. Spooky volgde zijn bewegingen aandachtig. Bas streek de haren van het meisje zorgzaam achter haar oren. Wat raar, dacht Spooky, dat doet hij zoals een moeder … Sammie, Bas, Ida en Pimper gingen naar binnen toen het donker werd. Spooky en Bol zaten nog op de tuinmuur te kijken naar de volle maan. ‘Meneer Bol, mag ik u iets vragen?’ zei Spooky ongewoon beleefd voor haar doen. ‘Vraag maar raak, Pooky!’ Spooky beet op haar onderlip. Die Bol noemde haar altijd Pooky … Dat vond ze vervelend, maar deze keer protesteerde ze niet. ‘Die Bas, is hij de vader van de halfwas?’ vroeg ze. ‘Tuurlijk niet, meisje.’ ‘Heeft Ida dan geen moeder?’ ‘Tuurlijk wel, iedereen heeft een moeder, zelfs een muis heeft een moeder.’ ‘Die gekke Sammie is toch niet haar vader?’
5
‘Ook niet!’ ‘Wie zijn die twee broeken dan wel, zijn ze geen familie van de halfwas?’ ‘Het zijn haar nonkel Bas en z’n vriend Sammie.’ ‘Nonkel?’ ‘Of oom, oom Bas.’ ‘Waar zijn dan de ouders van de halfwas?’ vroeg Spooky. ‘Ida is nog te klein om geen ouders te hebben, halfwassen zijn soms zo onvoorzichtig.’ ‘Dat is een triestig verhaal,’ zei Bol en hij likte aan zijn rechterpoot. ‘Mijn poot doet nog zeer als ik daaraan denk.’ ‘Wil je het mij alstublieft vertellen, meneer Bol?’ ‘Ida, onze papa en mama en ik woonden allemaal samen in een huisje op het platteland, hier een heel eind vandaan. Op een zomeravond zoals deze zijn mama en papa vertrokken en nooit meer teruggekeerd.’ ‘Aha,’ zei Spooky, ‘ze zijn vast naar Engeland gegaan, net zoals Nettie Tweet en Alice.’ ‘Dat denk ik niet. Bas paste die avond op Ida en mij. Hij is de broer van onze mama. Hij bleef die avond slapen.’ Bol staarde droevig voor zich uit. ‘En toen?’ ‘De volgende dag waren onze papa en mama nog niet thuis en Bas en Ida werden stapelgek toen de telefoon tring had gedaan.
6
‘Het kwam door die auto die achter het huis in een kot stond, die is ook niet meer teruggekeerd.’ ‘Bedoel je een ronkend monster?’ vroeg Spooky. ‘Auto’s zijn gevaarlijk als ze tegen elkaar knallen! En dat is wat er met de auto van onze mama en papa gebeurd is. Hij botste tegen een andere auto. Alles was kapot: de auto en papa en mama … We hebben hen nooit meer gezien.’ ‘Ze zijn toch niet dood?’ ‘Toch wel, zo dood als een pier. Bas heeft Ida en mij meegenomen naar zijn huis en daar zijn we gebleven tot we hier kwamen.’ ‘Jij hebt dus ook nieuw personeel,’ zei Spooky meelevend. ‘Personeel? Ben je gek? Ida is mijn zusje en ik blijf voor altijd bij haar. Ik ben haar broertje met haar op. Wij twee zijn alleen op de wereld, we hebben niemand anders meer.’
7
‘Je hebt toch Bas en Sammie?’ ‘Dat zijn maar een nonkel en zijn vriend,’ zei Bol somber. ‘Het meisje en ik zijn onze mama en papa voorgoed kwijt. Je moest eens weten hoe dikwijls ze ’s nachts huilt in haar slaap.’ ‘Dan moet je mij roepen,’ zei Spooky bezorgd. ‘Nettie Tweet zegt dat ik goed kan troosten.’ ‘Er is er maar één die dat meisje dan kan troosten en dat ben ik. Wij hebben hetzelfde meegemaakt.’
Meneer Paraplu ‘Een zekere meneer Parker heeft een kamer gereserveerd voor drie weken!’ zei Sammie de volgende dag blij tegen Bas. Spooky die in het zijkamertje lag te soezen, veerde op toen ze dat hoorde en rende naar de achtertuin. Daar zat Ida met haar vriendin Lot in een opblaasbaar zwembad. ‘Sta stil, Spooky,’ zei Ida en ze richtte haar waterpistool op de kat. ‘Niet doen, katten houden niet van water,’ zei Lot. ‘Tijgertjes wel,’ zei Ida. ‘Doe die bontjas uit, Spooky, het is veel te warm!’ En ze spoot Spooky nat. Spooky schudde de waterdruppels uit haar vacht, maar ze liet zich niet afschrikken. ‘Meneer Paraplu komt!’ miauwde Spooky.
8
‘Hoor die kat eens kwekken,’ zei Lot verbaasd. ‘Spooky is door het dolle heen, ik denk dat ze goed nieuws gehoord heeft,’ zei Ida. ‘Versta jij soms kattentaal?’ vroeg Lot verbluft. Ida antwoordde niet, ze sloeg een handdoek om en liep naar de hal. ‘Is er iets bijzonders gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ja, hoe weet je dat?’ zei Bas. ‘Een zekere meneer Parker heeft een kamer geboekt voor drie weken, is dat niet ongelofelijk?’ Meneer Parker verscheen bij valavond met een schildersezel op zijn rug. In zijn ene hand droeg hij een koffer, in zijn andere een zwarte paraplu met een handvat in de vorm van een zwanenkop. ‘Welkom in Hotel Van Eyck, meneer Parker,’ zei Sammie met een stralende glimlach. ‘Goedendag meneer, aangenaam kennis met u te maken,’ zei meneer Parker met een stem die klonk als een zuchtje wind. Meneer Parker zette zijn koffer neer, vouwde zijn paraplu dicht en stak die in de paraplubak naast de voordeur. Spooky en Pimper kwamen tegelijk de hal ingehuppeld. Meneer Parker bukte zich en steunde met zijn handen op zijn knieën. ‘Kijk eens aan, daar heb je de pyjamapoesjes!’
9
‘Meneer Paraplu!’ kwekte Spooky uitgelaten en ze liet zich voor zijn voeten op haar zij vallen en keek scheel omhoog. Meneer Parker kriebelde de pluizige buik van Spooky. ‘Je bent nog steeds een rolmodel, zie ik,’ lachte hij. Pimper ging zachtjes snorrend voor hem staan. Toen meneer Parker zijn hand naar haar uitstak, hupte ze even op haar achterpoten om die hand halverwege tegemoet te komen. ‘En jij bent nog steeds een echte dame, mevrouwtje Pimper!’ Meneer Parker keek op, recht in de ogen van Ida die de katten achterna was gelopen. ‘En jij bent zeker Ida?’ Ida keek de oude man verbaasd aan en knikte. Meneer Parker was het vreemdste mannetje dat ze ooit gezien had.
10
Hij droeg een wit hemd dat te ruim voor hem was en een zwart fluwelen jasje met koperen knopen. Verder droeg hij een paarse sjaal, een smalle broek met een krijtstreepje en zwarte lakschoenen. Zijn haar stak in toefjes onder zijn fluwelen pet uit. ‘Hoe kent u de naam van mijn nichtje?’ vroeg Bas wantrouwig. ‘Bent u misschien familie van mevrouw Tweet?’ vroeg Ida. ‘Familie niet, ik ben een goede vriend van Nettie Tweet. Ik ben ook afkomstig uit Engeland, maar ik woon al jaren op het vasteland. Iedere zomer logeer ik in Hotel Van Eyck en ik zie geen reden om met die goede gewoonte te breken. Nettie heeft me verteld dat jullie zo aardig zijn. Bovendien wilde ik de poezen terugzien en ik ben ook benieuwd naar meneertje Bol.’ ‘Kent u die ook al?’ vroeg Bas met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Nettie heeft me over hem verteld.’ Op dat moment kwam Bol achter de toog vandaan, hij wandelde waardig op meneer Parker af. ‘Wat ben jij een mooie aanwinst voor dit hotel, meneer Bol, je pels is van het witste wit!’ Bol spinde zachtjes en liet zich strelen. ‘Welkom, meneer Paraplu,’ zei Ida.
11
‘Wat zeg je nu, Ida?’ zei Bas verschrikt. ‘Mijn excuses, meneer, mijn nichtje is waarschijnlijk in de war omdat u zo’n mooie paraplu bij zich hebt.’ ‘Oh, noem mij gerust meneer Paraplu!’ lachte meneer Parker. ‘Nettie en Alice noemen mij ook zo. Ik ga nooit de deur uit zonder mijn paraplu, ik gebruik hem als bescherming tegen regen en zon. Mijn gezondheid is namelijk niet zo goed, mijn botten zijn heel breekbaar. Als het niet regent, gebruik ik mijn paraplu als wandelstok en als de zon schijnt, gebruik ik hem als parasol, ziet u? Heeft u kamer drie voor mij in orde gebracht zoals ik gevraagd heb? Ik logeer altijd in kamer drie.’ Sammie was de hal ingekomen en hoorde dat. ‘Hartelijk welkom, meneer Parker,’ zei hij. ‘Kamer drie is vrij vanaf morgen, u logeert voor één nachtje in kamer acht op de tweede verdieping. Dat is toch geen probleem voor u?’ ‘Oh nee, dat kan echt niet, ik moet in kamer drie slapen! Kamer acht ligt op de tweede verdieping en ik kan onmogelijk zo veel trappen lopen.’ ‘Het is maar voor één nachtje,’ zei Bas overredend. ‘Nee,’ zei meneer Parker, ‘kamer drie is niet kamer acht, ik wil echt niet in kamer acht slapen!’ Spooky ging naar Ida en klauwde naar haar been zonder het echt te raken. ‘Waarom vraag je de gasten van kamer drie niet om te verhuizen?’ zei ze. ‘Het zijn vriendelijke mensen, ze willen dat vast wel doen. Geef ze desnoods wat korting omdat kamer acht geen bedstee heeft.’
12
‘Vooruit dan maar,’ zei Sammie met een zucht, ‘ze zijn nu op hun kamer, ik zal het gaan vragen.’ ‘Heel vriendelijk dat u dat wilt doen, meneer Sammie,’ zei meneer Parker, ‘dan ga ik zolang wel in het zijkamertje zitten!’
In het zijkamertje zocht meneer Parker een plekje op de sofa. Spooky sprong op zijn schoot, Pimper ging op de rugleuning liggen en Bol zat aan zijn voeten. ‘Als u het vervelend vindt dat Spooky op uw schoot zit, pak ik haar wel even op, meneer,’ zei Ida. Spooky keek haar met vlammende ogen aan. ‘Waag het niet!’ waarschuwde haar blik. ‘Ik vind het helemaal niet vervelend, kindje, ik voel me juist welkom. Als jij mij meneer Paraplu noemt, mag ik dan Ida zeggen? En zou je me nu even alleen willen laten met de poezen, Ida? Het is van vorige zomer geleden dat ik hen gezien heb en we moeten bijpraten.’ 13
Bas en Sammie zaten die avond in de achtertuin. ‘Die meneer Paraplu is een vreemde snoeshaan,’ zei Bas, ‘hij wist alles over ons.’ ‘Zou hij een spion zijn van Nettie Tweet?’ zei Sammie. ‘Ik geloof dat hij bij haar moet rapporteren of wij goed voor de katten zorgen of niet. Ondertussen zitten wij wel mooi met dat lastpak opgescheept. En over de katten gesproken, waar zijn die naartoe?’ ‘Ze zijn alle drie naar binnen gelopen nog voor Ida ging slapen,’ zei Bas. ‘Ik ga even kijken waar ze gebleven zijn,’ zei Sammie. Beneden waren de poezen nergens te zien. Sammie ging stilletjes de trap op en bleef op de overloop staan bij kamer drie. Hij legde zijn oor tegen de deur. Daarbinnen hoorde hij meneer Parker zachtjes praten. Sammie gluurde stiekem door het sleutelgat. Hij zag de benen van meneer Parker…. En op de mat voor de bedstee zaten de drie katten van Hotel Van Eyck. Sammie sloop de trap af. ‘Meneer Parker heeft onze poezen naar zijn kamer gelokt, hij is net zo een poezengek als Nettie Tweet. Ik denk dat hij ook met de poezen kan praten, precies zoals die wereldvreemde dame!’
14
In kamer drie Op het gelijkvloers en op elke verdieping van Hotel Van Eyck was er een kamer met een bedstee. Een bedstee is een piepklein kamertje in de muur met een bed erin achter een dubbele deur. Ida’s kamer, kamer drie, kamer zes en kamer negen hadden alle vier zo’n bedstee. Meneer Parker zat in zijn zwart-grijs gestreepte pyjama op de rand van het bed in de bedstee. Voor hem op de mat zaten de drie poezen. ‘Als ik Nettie de volgende keer aan de lijn krijg, mag ik haar dus vertellen dat jullie tevreden zijn?’ ‘Mja,’ zei Pimper. ‘Die Sammie klinkt als een klok als hij zingt, dat hoor ik graag.’ ‘En bedelen bij de gasten is ook toegelaten,’ zei Spooky. ‘Het personeel kent zijn plaats.
15
Maar hoe gaat het met Nettie en Alice?’ ‘Heel goed, ik ben onlangs nog bij hen op bezoek geweest.’ ‘Hebben ze een kat?’ vroeg Pimper jaloers. ‘Nee, Nettie zegt dat jullie onvervangbaar zijn.’ ‘Ik mis Nettie,’ zei Spooky droevig. ‘Maar jullie hebben geluk, die Ida is een schat.’ ‘Mijn zusje is fantastisch,’ lispelde Bol. ‘We oefenen met Ida voor het kattencircus. Als Sammie verjaart, treden we voor het eerst samen op.’ ‘We oefenen samen voor de voorstelling, maar als ik geen zin heb, doe ik niet mee hoor,’ zei Spooky. ‘Mooi zo, als mede-eigenaar van dit huis hoor je altijd je zin te doen. En Bol, ben jij al ingewijd in de geheimen van dit huis?’ ‘Dat zie je toch, meneer Paraplu, Bol is hier en hij is niet langs de deur binnengekomen!’ zei Spooky. ‘Dat is goed,’ zei meneer Parker en hij gaapte. ‘Jongens, wat ben ik moe, maar we moeten nog een afspraak maken. Morgen ga ik buiten schilderen. De toeristen houden wel van mijn schilderijen, misschien kan ik wat verkopen. Maar in de late namiddag heb ik tijd voor jullie.’ Pimper zette haar pootjes naast elkaar. De zwarte strepen op haar voorpoten en lijfje liepen mooi in elkaar over en vormden één lijn. ‘Begin met mij, meneer Paraplu,’ vleide ze.
16
‘Het lijkt mij beter dat ik met meneer Bol begin,’ zei meneer Paraplu. ‘Ik heb hem nog nooit geschilderd, ik moet hem nog in de vingers krijgen.’ ‘Je kent Bol zijn achtergrond toch niet?’ zei Pimper. ‘Die vul ik later in, als Bol me wat meer verteld heeft over zichzelf.’ ‘Wanneer ga je telefoneren met Nettie, meneer Paraplu?’ vroeg Spooky. ‘Ik wilde vandaag nog bellen, maar het is al zo laat.’ ‘Geeft niks,’ zei Spooky. ‘Bas en Sammie zitten toch nog in de tuin.’ Meneer Parker keek naar buiten, naar het schijnsel van de lampionnen. ‘Blijven die twee altijd zo laat op?’ ‘Ja, daarom zie ik er zo moe uit,’ zei Bol. ‘Ik moet me aankleden om naar beneden te gaan ...’ ‘Hoeft niet,’ zei Spooky. ‘Je ziet er heel deftig uit in die pyjama.’ ‘Ach ja, dan heb ik streepjes, net zoals jullie.’ Meneer Paraplu ging voorzichtig de trap af en de poezen volgden hem op de voet. In de hal tikte hij op het belletje dat op de toog stond. ‘Ik weet dat het al laat is, maar zou ik toch nog naar Engeland mogen telefoneren? Ik heb namelijk geen mobieltje,’ zei hij tegen Sammie die de hal inkwam. Sammie keek naar de drie poezen die liefdevol rond de pyjama-benen van meneer Parker streken. ‘Ga uw gang,’ zei Sammie.
17
Hij schoof de telefoon naar meneer Parker toe en ging weer naar de achtertuin.
Sammie ging na een poosje terug naar de hal. Voor hij de hal inging, gluurde hij door het gordijn dat voor de glazen tussendeur hing. De drie katten zaten op de toog en meneer Parker hield de telefoon bij het oor van Spooky. Die maffe kat gaf de telefoon een kopje. Op het moment dat Sammie de deur opende, hield meneer Parker de telefoon vlug bij zijn eigen oor. Sammie hoorde hem hartelijk afscheid nemen van de persoon aan de andere kant van de lijn. ‘Zet het gesprek maar op mijn rekening,’ zei hij glimlachend. ‘Goedenacht, meneer Sammie, het is hoog tijd om naar bed te gaan, vindt u niet?’ De poezen sprongen van de toog en volgden Sammie naar het achterhuis. 18
Pimper ging op haar slaapplekje op de televisiekast liggen, Spooky lag in de zetel en verborg haar snuitje tussen haar voorpoten. Bol zat op de mat. Hij keek naar Bas en gaapte. ‘Wat ben je toch schattig als je gaapt, Bol, gaap je soms van genoegen?’ vroeg Bas. ‘Dat doe ik niet, ik gaap van vermoeidheid,’ zei Bol. ‘Weet je wat ik gezien heb?’ zei Sammie opgewonden. ‘Meneer Parker liet Spooky luisteren aan de telefoon!’ ‘Aha!’ zei Bas. ‘Hij heeft vast naar Engeland gebeld, naar Nettie Tweet! Net zoals die schattige toverkol gelooft meneer Parker dat de katten mensentaal verstaan.’ ‘Zie je nu wel dat die meneer Paraplu een spion is?’ zei Sammie.
De achtergrond van een zwaan ‘Ik ga naar het Minnewater om te schilderen,’ zei meneer Parker op een zonnige ochtend. ‘Ida en Lot mogen met mij meegaan als ze willen.’ ‘Dat is vriendelijk, maar wat kunnen die meisjes doen terwijl u aan het schilderen bent?’ zei Bas. ‘Ze kunnen toch picknicken en spelen? En ik zou ze schilderles kunnen geven.’ ‘Ja, dat zal Lot geweldig vinden,’ zei Ida. ‘Toe Bas, mag het? Jullie zijn de hele tijd aan het werk.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei Bas wat onwillig.
19
Aan de oever van het Minnewater bond meneer Parker zijn paraplu vast aan een paaltje met een ijzeren punt. In de schaduw van die paraplu stelde hij zijn vouwstoeltje en schildersezel op. Lot ging naast hem in het gras zitten met haar schetsboek op schoot. Ida had geen zin om te tekenen, ze lag op haar buik en keek naar de zwaan die onder de brug nestelde. Lot maakte een tekening van een huis met een trapgevel. Ze keek verbaasd naar de schets die meneer Parker net gemaakt had. ‘Waarom schilder je die moeder zwaan en haar jongen, meneer Paraplu?’ vroeg ze. ‘Omdat ik daar zin in heb.’ ‘De meeste schilders in Brugge schilderen de oude huizen.’ ‘Doe jij dat maar als je wilt, ik zal je wel laten zien hoe dat moet. Persoonlijk kunnen die huizen mij niet zo veel schelen, ik schilder liever dieren.’ ‘Waarom kom je dan naar Brugge?’ vroeg Lot. ‘Hier zijn niet zo veel dieren.’ ‘Overal zijn dieren als je goed rondkijkt. Vooral het karakter van dieren boeit mij. Kijk eens naar die moederzwaan, zie eens hoe zorgzaam die is voor haar jongen …’ ‘Het zijn net twee bolletjes wol op poten,’ zei Ida. ‘Mmm, vertel me eens iets over meneer Bol,’ zei meneer Paraplu.
20
‘Bol en ik zijn samen opgegroeid,’ zei Ida. ‘Bij meneer Bas en meneer Sammie?’ Er trok een schaduw over het gezicht van Ida. ‘Stil,’ fluisterde Lot waarschuwend, ‘daar wil Ida niet over praten.’ ‘Ik geloof niet dat het goed is te zwijgen over iets waar het hart van vol is,’ zei meneer Paraplu. ‘Ik woonde met Bol in een dorp hier een heel eind vandaan,’ zei Ida. ‘Bol ving vogels en konijnen. Hij vocht vaak met katers, maar hij had ook een vriendje. Papa noemde die rafelige kat Schoffie.’ ‘Schoffie …’ herhaalde meneer Parker. ‘In de zomer deden die twee samen een dutje in de schaduw van de lindeboom.’ ‘Een lindeboom … Stond die dicht bij jullie huis?’ ‘Vlakbij, de lindebloesem had dezelfde kleur als de ogen van Bol. Als Bol op de vlucht was voor zware katers, verschool hij zich in die boom. Maar op een keer is hij eruit gevallen en heeft hij zijn voorpoot lelijk bezeerd.’ 21
‘Wat doet Bol het liefst?’ ‘Hij speelt het liefst met mij. Als ik bij Bas logeerde, zat hij dag en nacht op de uitkijk naar mij. Als ik dan binnenkwam, wilde hij onmiddellijk spelen.’ ‘Je zou eens moeten zien hoe gek die oude kater doet als Ida met hem speelt,’ zei Lot. ‘Hij is nog maar tien, Bol ziet er ouder uit omdat hij ernstig kijkt,’ zei Ida. ‘Waarom kijkt Bol ernstig?’ vroeg meneer Paraplu. ‘Hij heeft veel verdriet gehad …’ Lot vloog overeind en wees naar de lucht. ‘Kijk eens, een zwarte zwaan!’ riep ze uit. ‘Dat is een aalscholver,’ zei meneer Paraplu onverstoord. ‘Waarom heeft Bol verdriet, Ida?’ ‘Mijn ouders zijn verongelukt,’ zei Ida met verstikte stem. ‘Bol en ik moesten verhuizen naar de stad. Bas is mijn oom en Sammie is zijn vriend.’ ‘Is Bol niet gelukkig bij Sammie en Bas?’ ‘Toch wel, Bol is gelukkig als hij bij mij is. Maar hij mist het dorp en hij mist mama en papa …’ ‘Meneer Paraplu, wat doet u?’ zo onderbrak Lot het trieste gesprek alweer. ‘Het nest van die zwaan zweeft gewoon in de lucht! Waarom schilder je geen stuk van de brug en het Minnewater?’ ‘De brug doet er niet toe. Ik vind de achtergrond van de zwaan interessanter.’ ‘Maar de achtergrond is de brug!’ zei Lot.
22
‘Ik zal je straks laten zien dat die brug niet de achtergrond van de zwaan is,’ zei meneer Parker. Tegen de avond was het schilderij af. De mensen bleven staan om het te bewonderen, zo mooi was het geworden. Het nest zweefde in een helderblauwe hemel met vederwolkjes. Die wolkjes waren lichtgrijs zoals de donsveertjes van de zwanenjongen. De twee jongen zaten verborgen tussen de vleugels van de moederzwaan. ‘Begrijp je nu wat de achtergrond van die zwaan is?’ vroeg meneer Parker aan Lot. ‘Die moederzwaan leeft voor haar jongen, alles staat voor haar in het teken van haar kinderen.’ Ida keek met tranen in de ogen naar het schilderij. ‘Zo zijn moeders,’ zei ze.
Een ontdekking ‘Ik word gek van meneer Paraplu!’ zei Sammie op een avond toen Ida naar bed was. ‘Hij is toch aardig en hij is helemaal niet zo’n lastpak,’ zei Bas. ‘Hij heeft Ida en Lot al drie keer meegenomen naar het Minnewater en de poezen zijn ook op hem gesteld.’ ‘Dat is het juist, die poezen … Hij laat de katten verdwijnen en verschijnen, in en uit kamer drie!’
23
‘Hij laat ze gewoon binnen en buiten, Sammie.’ ‘Jij hebt ook niks in de gaten,’ zei Sammie. ‘De poezen verdwijnen en verschijnen zonder dat hij de deur voor hen opendoet!’ ‘Je ziet spoken, Sammie. Geloof je soms dat meneer Paraplu kan toveren?’ ‘Nee, maar het is en blijft spookachtig. Misschien is hij een goochelaar? Ik ga dat mannetje in ieder geval goed in de gaten houden …’ En dat deed hij, Sammie hield de bewegingen van meneer Parker en van de drie poezenbeesten nauwlettend in het oog. Bas bekeek het een beetje ongerust. Op een bepaald moment vloog Sammie de woonkamer in. ‘Ze zijn weg! Daarnet waren de katten nog in Ida’s kamer …’ ‘Je doet raar,’ zei Bas. ‘Kom dan luisteren aan zijn deur! De poezen zitten op de kamer van meneer Paraplu en zijn deur is niet opengegaan. Nu is het genoeg, morgen ga ik op onderzoek uit!’ ‘Neuzen in de kamer van een hotelgast is ongepast, Sammie!’ Maar Bas was ondertussen ook nieuwsgierig geworden en voegde eraan toe: ‘Doe het dan tenminste als Ida en Lot niet in de buurt zijn!’ De volgende dag nam meneer Parker de meisjes mee naar de windmolens op de Brugse omwalling. Ondertussen stofte Sammie de kleerkast af in kamer drie … En deed voorzichtig de kastdeur open. Kleren, een lege koffer en schildersgerei, niks bijzonders. Op de bovenste plank lagen drie schilderijen op elkaar.
24
Sammie klom op een stoel, pakte de doeken van de plank en bekeek het eerste schilderij aandachtig. Spooky keek hem ondeugend aan. Op haar oranjeroze achtergrond dwarrelde confetti tussen stempels van kattenpootjes. ‘Spooky de smeerpoes, de feestneus …’ fluisterde Sammie. Op het tweede schilderij keek Pimper hem aan met uilenogen. Haar snorharen krulden sierlijk en elk haartje van haar pluizige pels was fijntjes getekend. Op de blauwe achtergrond kronkelden fleurige lintjes. ‘Pimper de dame, de strikjespoes, die kat is inderdaad dol op lintjes …’ zei Sammie verbluft. Op het laatste schilderij waren witte en lichtgrijze vlakken aangebracht in de ruwe vorm van een kat. ‘Dat wordt Bol ...’ Sammie legde de doeken naast elkaar op het bed. ‘Bassie, kom eens kijken!’ Bas bekeek de schilderijen met een glimlach. ‘Het is toch duidelijk wat meneer Paraplu aan het doen is? Hij maakt schilderijen van onze katten. In de traphal hangt een portret van elke kat die ooit in Hotel Van Eyck gewoond heeft. Zij zijn immers de eigenaars van het hotel. De laatste vijf zijn allemaal in deze stijl geschilderd.’ ‘Maar waarom doet hij dat stiekem?’ vroeg Sammie. ‘Weet je al hoe de katten in zijn kamer terechtkomen?’ ‘Gewoon door de deur, zeker?’ zei Sammie wat onwillig.
25
‘Weet jij wat meneer Paraplu doet, Ida?’ zei Sammie na het avondeten. ‘Ja, hij schildert het portret van onze katten.’ ‘Hoe weet je dat?’ vroeg Sammie verbaasd. ‘Hij heeft het me verteld. Elk jaar schildert hij hun portret. Hij is al begonnen met Bol. De schilderijen van Spooky en Pimper zijn die van vorig jaar.’ ‘Waarom heeft hij ons niets verteld?’ vroeg Bas. ‘Dat is toch niet nodig? Jullie hoeven enkel het allerlaatste portret van de katten te betalen.’ ‘Hoe bedoel je?’ zei Bas. ‘Als één van onze poezen sterft, kopen jullie het laatste portret. De andere portretten verkoopt hij aan een poezenliefhebber.’ ‘Hoe gaan onze poezen naar de kamer van meneer Parker?’ vroeg Sammie toch nog maar eens voor de zekerheid. ‘Gewoon door de deur,’ zei Ida. ‘Hoe anders?’
26
Het geheim van Hotel Van Eyck Bol klom op een krukje. ‘Ik heb de dames gevraagd om weg te blijven, ik wil geen pottenkijkers,’ zei meneer Parker. ‘Hopelijk haalt Spooky het niet in haar hoofd om binnen te komen terwijl ik aan het schilderen ben. Het is zo’n lachebek.’ ‘Ze lacht mij uit omdat ik te dik ben,’ zei Bol stuurs. ‘Jij bent niet te dik, je bent stevig.’ Bol likte fier zijn borstkas. ‘Nu stilzitten! Je bent perfect!’
27
Die avond nog was het portret van Bol af. Hij keek de toeschouwer waardig aan. Zijn achtergrond was lichtgeel. Tussen hartvormige lindebladeren en takjes bloesem dansten rode letters. Altijd dezelfde: de I, de D en de A. De volgende avonden werkte meneer Parker aan de portretten van Spooky en Pimper. Op zijn laatste avond boden Sammie en Bas meneer Parker een etentje aan in de tuin. Na het dessert liet de oude heer de kattenportretten zien. ‘Ze zijn prachtig!’ zei Ida. ‘Meneertje Bol is het beste gelukt,’ zei Sammie. ‘Die sprekende ogen!’ Pimper liet haar snorharen omhoog krullen op het moment dat Bas haar vergeleek met haar portret. ‘Pimpertje is ook schitterend!’ zei hij. Spooky plofte van de tuinmuur neer naast zijn stoel. ‘En ik dan?’ miauwde ze. ‘En Spooky is geweldig,’ zei Bas snel. ‘Hoeveel vraagt u voor die portretten, meneer Parker?’ ‘Daar spreken we niet over.’ ‘Volgende zomer kom je toch terug, meneer Paraplu?’ vroeg Ida. ‘Absoluut! Nu moeten we goedendag zeggen want ik vertrek morgenvroeg.’ Ida stond op en gaf hem een hand.
28
‘Dag Ida.’ Ida twijfelde een ogenblik, toen sloeg ze haar armen rond zijn middel. Meneer Paraplu aaide over haar blonde haren. ‘Dag poezenmeisje, hou je goed!’ Die avond zat meneer Parker voor het laatst in de bedstee met de poezen voor hem op de mat. ‘Het is tijd om Ida in te wijden in de geheimen van het hotel,’ zei hij. ‘Spooky, wil jij dat doen?’ ‘Waarom Spooky?’ vroeg Pimper jaloers. ‘Ida heeft op dit moment nood aan een vrolijke kat,’ zei meneer Paraplu en hij tikte tegen de houten wand van de bedstee. Beneden lag Ida in haar bedstee. Ze zag het blonde haar van papa weer voor zich. Ze rook weer de pannenkoeken van mama. En nu ging meneer Paraplu ook al weg.
Geklepper … Er viel iets op haar bed! Ida slaakte een gilletje. Ze durfde zich niet meer te bewegen. Was dat een rat? 29
Ze voelde vier poten op haar benen, daarna op haar buik… Plots voelde Ida een vochtig neusje tegen haar neus. Een rasperige tong likte haar tranen weg. Ida ging overeind zitten en knipte haar nachtlampje aan. ‘Spooky!’ Spooky keek scheel van pure poezeligheid. Ze zag eruit als de liefste kat van de hele wereld. ‘I-daaa! Niet huilen, ik ben er toch?’ ‘Waar kom jij plots vandaan?’ fluisterde Ida. Spooky wandelde voorzichtig naar het voeteinde. ‘Kijk goed!’ kwekte ze. Toen zette ze haar voorpootjes tegen een houten paneeltje. Het klapte open als een draaideurtje … En Spooky was verdwenen. ‘Kom terug!’ Maar Spooky kwam niet terug. Ida lag nog lang wakker, ze begreep er niets van. De volgende ochtend waren Bas en Sammie in de keuken aan het werk. Spooky ging voor Ida staan. ‘Kom!’ zei ze bevelend. Spooky rende de trap op met een schommelend buikje en stond stil voor de deur van kamer drie. Ida ging naar binnen. De deur van de bedstee stond open. Op het bed lag een zaklamp en een envelop. ‘Voor Ida’ stond op die envelop geschreven.
30
Snel scheurde Ida de envelop open en vouwde de brief open. Haar ogen vlogen over het papier.
Lieve Ida, Ik ga je eindelijk het geheim van Hotel Van Eyck verklappen … Op elke verdieping is een bedstee en in elke bedstee is een luikje. Daar kunnen enkel de poezen doorheen. Kijk eens met de zaklamp achter het luikje in jouw bedstee … Daar ligt een geheim klaar voor de echte poezenliefhebbers! Tot volgende zomer, Meneer Paraplu ‘Jij wist dit!’ zei Ida tegen Spooky. ‘Tuurlijk!’ zei Spooky parmantig. ‘Kijk maar!’ Spooky duwde met haar pootje tegen een paneel. Het klapte open en voor Ida de poes kon tegenhouden, was die alweer verdwenen. Ida rende de trap af naar haar kamer. Spooky zat te wachten voor het luikje in de bedstee! Ida duwde ertegen en het luikje draaide open. Ze scheen met de zaklamp in de ruimte achter de draaideur. ‘Niet te geloven,’ mompelde ze.
31
Ida zag een traphal in miniatuur. Ze griezelde, de holte hing vol spinnenwebben … Ze liet het licht over de muren schijnen. Baksteen en brokkelig cement. Dan merkte ze plots een smalle nis op in de muur. Ida stak haar arm door het deurtje en voelde een spinnenweb over haar hand strijken. Ze gruwelde en trok haar arm terug. ‘Bangerik,’ kwekte Spooky uitdagend. Dapper stak Ida haar arm weer door het luikje. Ze voelde de rand van de nis. Op de tast vonden haar vingers een voorwerp … Ze greep het pakje beet en trok het uit de nis en door het luik. Met kloppend hart ging ze op bed liggen. Toen haar hart eindelijk tot bedaren was gekomen, keek ze naar het pak. Het was een boek, verpakt in noppenfolie. ‘Open-doen!’ zei Spooky. In het pak zat een oud boek met een briefje in: Voor Ida, met de groeten van Nettie Tweet
Ida keek naar de titel:
Over de Hertogin van Venetië en andere kattenlevens. Het boek was duidelijk heel oud … ‘Wat zou hierin staan?’ fluisterde Ida.
32
Kennen jullie Hotel Van Eyck nog? Het is een klein hotel in een oud herenhuis. Niks speciaals eigenlijk, van zulke hotels zijn er in Brugge dertien in een dozijn. En toch is Hotel Van Eyck bijzonder want niet de mensen, maar de twee katten zijn de eigenaars van het hotel. In dit deel maken ze kennis met meneer Paraplu.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Peter Goossens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.