ucatieve uitgaven
BIEB
Duifje! Frank Pollet
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
7
Duifje!
Ik kan het nog niet zo lang. En toegegeven, ik ben niet zo zeker van mezelf. En bovendien heb ik een beetje hoogtevrees. Niet zoveel, nee. Maar hoger dan een meter of tien vond ik toch wel … Je weet wel. Eng. Als mijn mama en papa even weg waren, en ik keek naar beneden, dan vroeg ik me af of ik het ooit wel zou kunnen. Ik durfde het ook tegen niemand zeggen. Ik dacht: ze lachen me vast uit. Maar toen ik het tegen mijn zusje zei, vertelde die me dat ze het ook had gehad. En nu kan ze vliegen als de beste. 1
De dag dat ik het voor het eerst probeerde, regende het. Er zat ook een stevige wind, maar mijn mama vond dat ik een watje was als ik daar veilig in het nest bleef zitten. Ze wilde dat ik die dag uitvloog. ‘Luiwammes, je zit hier nu al vijf weken. Dat is al veel te lang!’ Eerst zat ik wat ongemakkelijk heen en weer te schuiven in het nest. Daarna kroop ik naar de rand en keek naar de diepte. ‘Je broers en zussen kunnen het wel, komaan meid, jouw beurt! En opletten voor de mensen! Die kun je nooit vertrouwen!’ En daar ging ik. Eerst dacht ik dat ik zou neerstorten, maar ik spreidde mijn vleugels en voelde hoe de wind me optilde. Ik ging hoger en hoger en hoger. Het leek wel vanzelf te gaan. In het begin klapperde ik heel snel met mijn vleugels, maar algauw voelde ik dat dit niet nodig was. ‘Je gaat goed!’ riep mijn mama. ‘Ik ga niet, ik vlieg!’ riep ik. Toen ik even later omkeek, zag ik haar niet meer. Ze had me verteld dat ik op een dag zou uitvliegen en op eigen poten moest staan. Helemaal alleen.
2
En dat ik wel een jonge doffer zou tegenkomen en dat ik dan zelf voor eitjes zou zorgen. Ik slikte even. Het moment om helemaal alleen te zijn, om op mijn eigen pootjes te staan, was aangebroken. Ik voelde me de koning van de wereld! BAM!
3
Wat was dat?? Wim gooide zijn boek op de salontafel en sprong naar het venster. ‘Wim, wat is er aan de hand, jongen?’ Mama’s hoofd kwam van achter de deur piepen. Ze keek ernstig. ‘Ik weet het niet, mama. Ineens hoorde ik een knal.’ Mama zuchtte: ‘Vast weer een vogel tegen de ruit. Kom, we zullen eens kijken.’ Wim en zijn mama schoven het raam open en keken rond. ‘Niks te zien. Dan zal het voor die vogel nogal meevallen,’ zuchtte mama opgelucht. Wim speurde in het rond. Zo’n knal, en dan niks meer te zien, dat kon toch niet. ‘Daar!’ In het gras zat een kleine duif. Ze zat er roerloos bij. Haar staart stond opzij. Toen Wim een stap naar voren zette, wilde het dier opvliegen, maar dat lukte niet. Ze raakte nauwelijks enkele centimeters van de grond. Het beestje leek onhandig weg te springen. ‘Wim, kun je ze vastpakken?’ vroeg mama. ‘Yep,’ zei Wim stil. ‘Kom maar Duifje, kom maar hier bij mij. Ik zal je geen kwaad doen …’ fluisterde Wim terwijl hij dichter en dichter bij het dier sloop.
4
Maar de jonge duif had geen zin om zich zomaar te laten vangen. Pas toen ze even later achter het tuinhuisje gekropen was, en ze geen kant meer op kon, slaagde Wim erin de kleine duif voorzichtig vast te nemen. ‘Kijk eens mama, ze is bang,’ zei Wim. ‘Ze beeft helemaal.’ De jongen bekeek het dier aandachtig, maar zag nergens bloed. ‘Nu sta je daar mooi met je gewonde duif. Wat ga je er in ’s hemelsnaam mee aanvangen?’ ‘Mama, als ik het beestje loslaat, is ze een vogel voor de kat,’ vond Wim. Mama haalde haar schouders op. ‘Ik heb hier in de tuin nog nooit een kat zien lopen. Zet de duif maar in een plastic bak, leg wat krantenpapier op de bodem, en geef het beestje ook wat te drinken. Je kunt het best die rubberen voetmat bovenop de bak leggen, dan heeft de duif licht en lucht, en kan ze niet gaan vliegen.’
5
Ik voel me misselijk. Mijn kop lijkt uit elkaar te springen. Ik zit in een lichtblauwe plastic bak met daarbovenop een vreemd deksel. Wat is er gebeurd? Wat heb ik gedaan dat ik op deze plek ben beland? Ik herinner me dat ik vloog. Heel snel. Dat was leuk. Ik had een tijdje uitgerust op een hoge tak in een boom. En toen ik weer aan het vliegen was, had ik een vreemd huis gezien. Binnenin het huis was er lucht en was er gras, en waren de bomen. Ik dacht: ik vlieg gewoon eens binnen. En toen … Ik wist niet dat er zoveel pijn in een kopje kon. Mijn rechtervleugel lijkt helemaal lam en mijn staart staat krom. Ik voel me miserabel. Daarnet zag ik weer het hoofd van de jongen die me heeft opgeraapt. Ik ben bang dat hij me weer vastpakt. Stel je voor dat hij me platknijpt. Mijn mama zei me nog voor ik ging vliegen: ‘Opletten voor de mensen! Die kun je nooit vertrouwen!’ De jongen heeft me een kommetje water gegeven. Ik heb dorst, maar geen zin om te drinken.
6
‘Duifje, Duifje!’ De volgende dag haalde Wim voorzichtig het diertje uit de plastic bak. ‘Kom, Duifje. Hoe gaat het met je?’ Het dier trilde in Wims handen. ‘Ik heb aan mama gevraagd of ik met je naar buurman Erik mag gaan, en het mag!’ zei Wim enthousiast. ‘Buurman Erik is dierenarts. En heb ik je al gezegd dat ik je een naam ga geven? Vind je het goed dat ik je Duifje noem?’ vroeg Wim aan de duif. Het diertje probeerde even om zich los te wurmen. ‘Niet doen,’ suste Wim, ‘want dan heb je vast nog meer pijn. Kom, we gaan naar de dierenarts.’
7
Die man was wel voorzichtig met me, maar toen hij mijn rechtervleugel aanraakte, deed het vréselijk veel pijn. Hij spreidde eerst mijn linker, en dat ging goed. Maar die rechtervleugel ... Ik zag sterretjes. En ook toen hij mijn staart betastte, deed het zeer. Heel veel zeer. Toen bracht hij me terug naar de jongen.
8
‘Wim, haar vleugel is wat gekneusd. ’t Zou ook een klein breukje kunnen zijn. Hou het beestje twee weken in die bak en laat het dan maar vliegen. Je mag bij mij wat hooi komen halen, dan zit het diertje zacht.’ Heel voorzichtig plaatste Wim de duif in de lichtblauwe bak, schoof de rubberen mat met gaten erover en wandelde ermee naar het terras. ‘Je moet niet bang zijn, Duifje, echt niet. Ik ga goed voor je zorgen.’ Wim plaatste de bak op het terras en ging weer naar binnen. ‘Mama, wat kan ik Duifje te eten geven?’ Mama twijfelde en zei dat granen wellicht goed zouden zijn. ‘Granen? Maar dat hebben wij niet,’ panikeerde Wim. ‘Vraag eens aan de buurman of hij wat paardenmuesli op overschot heeft.’ ‘Paardenmuesli? Paardenmuesli?? Maar mama, Duifje is geen paard!’ zei Wim verontwaardigd. ‘In dat paardenvoedsel zitten wel granen. We zullen haar wat geven. Als ze het niet wil, dan eet ze niet en dan zien we wel verder.’
9
Ik zit wel zacht, in het hooi in deze bak. Maar ik vind het niet leuk. Ik kan er niet uit. Daarnet heb ik even geprobeerd en het lukt niet. Ik knal met mijn kop tegen dat domme deksel. En mijn kop vindt het niet zo oké. Het water is lekker. Die jongen zorgt goed voor me. Hij is heel voorzichtig. Wel heeft hij me heel vreemd voedsel gegeven. Gelukkig zitten er graantjes in die ik lekker vind. Als ik niet met mijn kop tegen die mat spring, doet hij haast geen zeer meer. Maar mijn vleugel wel. En mijn staart ook. Als ik me beweeg, doet het allemaal zeer. En nu begint het nog te regenen … Straks zit ik in een bak vol water …
10
‘Oei, er steekt wind op, het begint te regenen, en Duifje is nog buiten!’ riep Wim. Hij holde naar het terras. In zeven haasten tilde hij de lichtblauwe bak op en plaatste hem onder de tuintafel. ‘Duifje, Duifje,’ fluisterde Wim, ‘je werd bijna nat. En dat wil ik niet. Ik zal goed voor je zorgen. Dan word je snel beter. En dan kan je weer vliegen …’ Het diertje kroop in een hoek van de bak. ‘Heb je het koud?’ fluisterde de jongen. ‘Dat denk ik toch niet, want de wind raakt niet tot in de bak. En de regen ook niet …’ Wim ging naast de bak onder de tafel zitten. De regen roffelde op het tafelblad. ‘Wil je mijn vriend zijn?’ vroeg hij. Duifje keek hem doordringend aan. ‘Op school heb ik niet zoveel vrienden ...’ Duifje leek begrijpend te knikken. ‘Geen, eigenlijk ... Ik kan niet zo goed voetballen. Ik ben niet zo stoer. De jongens zeggen dat ik een meisje ben. Maar dat is niet waar ...’ Het dier bleef Wim strak aankijken. ‘Begrijp je me, Duifje?’
11
Wat een vreemde jongen. Het begon te regenen en hij haastte zich om me met bak en al onder de tuintafel te schuiven. Alsof ik niet tegen een beetje regen en wind kan. Hoelang zou ik hier nog moeten zitten? Ik heb al een paar keer geprobeerd om tot boven te geraken, maar dat rubberen ding gaat er niet af. En bovendien heb ik nog veel pijn aan mijn schouder en mijn staart. Ik heb geen idee wat die jongen me te eten geeft, maar die graantjes zijn niet slecht. En hoe meer ik er opeet, hoe meer hij me er geeft. En daarnet kwam hij bij me zitten, onder de tafel. Hij vertelde van alles. Maar ik heb er niet zoveel van begrepen.
12
Elke ochtend haastte Wim zich naar de lichtblauwe plastic bak. ‘Duifje, Duifje! Goedemorgen, Duifje!’ Elke ochtend schoof hij de bak onder de tuintafel vandaan en haalde hij de rubberen mat van de bak. Telkens nam hij de duif in zijn handen en streelde ze. ‘Mama, ze is helemaal niet meer bang, kijk maar.’ En Wim hield de duif voor zich uit in zijn handen. ‘Zou ze al weer kunnen vliegen, mama?’ Wim plaatste de duif in de palm van zijn linkerhand en hield zijn rechterhand boven het dier. Maar de duif bleef zitten. Langzaam, heel langzaam, haalde Wim zijn rechterhand weg. De duif bleef rustig zitten in zijn handpalm. ‘Duifje, je bent mijn goede vriend,’ fluisterde Wim.
13
Toen ik vanmorgen op de hand van de jongen zat, had ik kunnen wegvliegen. Ik hoefde het enkel maar te willen. Zeker weten. Maar ik durfde niet goed. Ik heb nog pijn in mijn schouder. Met mijn staart gaat het goed. En van mijn kop heb ik allang geen last meer. Ik spring ook niet meer tegen die rubberen mat aan. Toch aarzelde ik toen de jongen me in zijn ene hand hield en zijn andere hand wegnam. Ik kon zo wegvliegen. Vleugels strekken en wegwezen. De weg naar de vrijheid lag open. Maar wil ik dat nog wel? Ik heb het goed in die bak. Mijn mama zei me dat ik moest opletten voor de mensen. Maar de jongen zorgt zo goed voor mij. Hij is mijn goede vriend.
14
‘Duifje, vandaag is het net twee weken geleden dat je hier tegen de ruit vloog. Vandaag moet ik je laten vliegen, zegt mama. Duifje, wil je dat wel? Wil je opnieuw vliegen en in de bomen wonen? Wil je wel gevaarlijke dingen doen, zoals je eten van de autobaan wegpikken? Ik zou toch maar opletten hoor, want als er zo’n onvoorzichtige automobilist aankomt, en je hebt hem niet gezien, dan ...’ Wim aarzelde even, maar schoof toch de rubberen mat van de plastic bak weg. De duif keek omhoog, en bleef zitten. ‘Je mag gaan vliegen hoor,’ zei Wim. ‘Maar het móét niet. Als je liever hier blijft, dan zeg je ’t maar. Ik bedoel ja, eh, dan blijf je maar. Ik heb je hier wel graag.’ De duif sprong op de rand van de bak. Ze keek even rond en sprong er dan opnieuw in. ‘Wim, doe jij de vaat, terwijl ik de boodschappen doe?’ ‘Ja, mama.’ Terwijl Wim zuchtend de vaat deed, observeerde hij de duif. Af en toe sprong ze op de rand van de bak, even later er weer in.
15
Toen ging ze opnieuw op de rand zitten en sprong ze op het terras. Ze trippelde rond de plastic bak en sprong er opnieuw in. ’s Avonds, toen het donker werd, zag Wim hoe zijn duif gewoon weer in de bak zat. Hij gaf haar nog wat paardenmuesli en ververste haar drinkwater. ‘Duifje, blijf je liever hier? Bij mij?’ Wim stak zijn hand in de bak, tilde het diertje op en gaf het een kus. ‘Slaapwel, Duifje, slaapwel.’ Daarna zette hij de duif voorzichtig in het hooi en liet de rubberen mat op het terras liggen.
16
Ik voel me stram. Twee weken in een bak zitten is niet goed voor me, denk ik. Toen ik daarnet een wandelingetje op het terras maakte, en heel even wilde opvliegen, merkte ik dat het goed ging met mijn rechtervleugel, maar op een of andere manier lukte het me niet om hoog te geraken. Wellicht ben ik nog te stram om echt te vliegen. Ik zal nog wat geduld moeten oefenen.
17
Elke dag holde Wim eerst naar de plastic bak op het terras. ‘Mama! Duifje zit weer op de rand!’ ‘Dat is goed jongen, maar er komt zeker een dag dat ze er niet meer zal zijn.’ Wim keek verschrikt achterom: ‘Bedoel je …’ ‘Nee, maar ik denk, Wim, ik weet het zelfs zeker, dat de duif op een dag zal uitvliegen en niet meer zal terugkomen.’ Het werd stil. ‘Maar ik zie Duifje graag. Ze is mijn beste vriend,’ snikte Wim. Mama sloeg haar armen om hem heen en zei: ‘Jongen, er komt een dag dat jij ook zal uitvliegen. Ik bedoel: je zal ooit op eigen benen staan, en dan ga je hier weg. En af en toe kom je nog weleens bij ons langs, snap je?’ Wim haalde zijn schouders op. ‘Wim, je duif zal ongelukkig worden als je ze voor altijd in zo’n bak opsluit …’ ‘In een mooi hok, dan?’ probeerde hij. ‘Ze zal ook ongelukkig zijn in een heel mooi hok.’ ‘En in een groot mooi hok?’ ‘Duifje zal alleen gelukkig worden als ze kan vliegen, en in de bomen slapen … Ik hoop voor je dat je het zult zien, als Duifje gaat vliegen. Anders zul je nooit weten of ze het kan …’ De volgende dag zat Duifje nu eens bovenop de tuintafel, dan weer op de rugleuning van de stoel. Ze wandelde rond op het terras en ging lekker in het zonnetje zitten soezen. In de woonkamer las Wim een boek. Toen hij opkeek, zag hij Duifje voor het venster staan. Toen draaide ze zich om, strekte haar vleugels en vloog op. Wim stond er met open mond naar te kijken.
18
Op een tak in de boom van de buurman bleef Duifje even zitten. Daarna vloog ze opnieuw weg. Wim voelde een traan over zijn wang lopen toen zijn mama achter hem kwam staan. ‘Is het zover, Wim?’ De jongen knikte en weende.
19
Ik weet niet waarom ik het zo plotseling deed, maar ik voelde dat het kon. Het lukte. Van de eerste keer tot in de boom. En daarna verder. En verder. En verder. Eerst heb ik nog geknipoogd naar de jongen. Of hij het gemerkt heeft, weet ik niet. Maar nu het avond is, weet ik niet waar ik moet slapen. En ik krijg honger. Ik heb enkele uren naar iets lekkers gezocht, en naar een veilige plek om te slapen. Maar er zijn overal duiven die me niet in hun buurt willen. Ze vinden me vast een indringer. Een vreemde. Ik moet een plek vinden om te slapen. En ik heb vreselijke honger. Misschien moet ik toch …
20
‘Mama, mama! Duifje is terug!’ Wim holde naar het terras. Op de rand van de plastic bak zat de duif. ‘Hé, Duifje, je hebt op het terras gedaan. Daar zal mama niet blij mee zijn.’ Het diertje sprong van de bak af, en wandelde over het terras. Wim stapte naar haar toe en stak zijn hand uit. De duif vloog weg.
21
Ik heb een mooie tak gevonden, onder veilige bladeren. En een boerderij waar ik veel kan eten. Maar ik slaap wel nog graag in mijn bak. Die jongen is altijd blij als hij me ziet. Hij is zo lief voor me. Maar ik moet sterk zijn. Als een echte duif. En die jongen, ik zal hem af en toe nog wel zien …
22
‘Mama, ik denk dat Duifje vannacht niet meer in de bak is geweest. Al het eten ligt er nog, en het terras is proper …’ Wim speurde in het rond. Duifje was nergens te zien. Al meer dan een week had hij het diertje dat hij gered had, niet meer opgemerkt. Wanneer hij duiven in de boom van de buurman zag zitten, keek Wim altijd nauwlettend toe. ‘Mama, zou dat daar, zou dat Duifje zijn? Ze heeft ook zo’n donkere staart …’ Mama sloeg haar arm om Wims schouder en zei: ‘Jongen, we gaan die bak hier weghalen, die heeft het diertje niet meer nodig. Je mag best trots zijn op Duifje. Ze was er slecht aan toe toen je ze gevonden hebt, en nu kan ze haar eigen leven leiden. En daar heb jij mee voor gezorgd. Ik ben trots op je. En Duifje is dat vast ook.’
23
Vanop het dak heb ik een mooi uitzicht op het terras waar de jongen de blauwe plastic bak weghaalt. Mijn bak. Maar ik heb ‘m nu niet meer nodig. Elke dag kom ik hier eventjes zitten om te zien hoe het met de jongen gaat. Elke dag kijkt hij mijn richting uit. Hij zal nu wel trots op me zijn. Door hem kan ik mijn leven helemaal alleen leiden. Ik ben nu sterk.
24
Ik slikte even. Het moment om helemaal alleen te zijn, om op mijn eigen pootjes te staan, was aangebroken. Ik voelde me de koning van de wereld! BAM!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Gitte Vancoillie Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.