Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N2 – Het geheim van de schrijver

Page 1

ucatieve uitgaven

Het geheim van de schrijver

BIEB

Alice van de Geest

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

7


Het geheim van de schrijver

1


Proloog Uitgeput strompelt hij het strand op en valt op zijn knieën. Hij leeft! Tijdens de storm gisteravond dacht hij dat zijn laatste uurtje geslagen had. Zulke hoge golven had hij nog nooit gezien. Het schip had het niet gered, eerst was de mast gebroken en later was het hele schip gezonken. Nu is de lucht stralend blauw. De wind is gaan liggen en de meeuwen krijsen alsof er nooit een storm is geweest. Het had weinig gescheeld of hij had het niet gehaald. Gelukkig kon hij zich vasthouden aan een plank. Hij kijkt om zich heen. Waar is hij eigenlijk? Voor hem ziet hij duinen en achter hem ziet hij de zee, dit lijkt niet op het vasteland. Dan is hij op een eiland. Maar welk eiland? Hij denkt even na, hij was Texel al voorbij toen de storm begon. Na Texel komt Vlieland en daarna Terschelling, dan moet het een van die twee eilanden zijn. Hij voelt onder zijn hemd, gelukkig zit het doosje er nog. Hij rilt, al zijn kleren zijn kletsnat. Eerst zijn kleren droog krijgen, dan op onderzoek uit.

2


3


Hoofdstuk 1 Nicolas zit op een oude schommelstoel midden op de zolder. Hij weet zeker dat hij een oude kist heeft zien staan de laatste keer dat hij hier was. Maar hij ziet hem niet meer. Niet zo raar ook, het is een enorme zolder met heel veel oude troep. Oude kasten, kleren, boeken en meubels. Hij zucht en staat op uit de stoel. De schommelstoel gaat piepend heen en weer. Waar zal hij beginnen met zoeken? Hij loopt naar de achterkant van het huis. Hier staan kasten met oude kleren. Hij trekt een van de kasten open. Oude babykleertjes van Josephine, zijn kleine zusje, en van hem. Zijn moeder kan niets weggooien. ‘Je weet nooit wanneer je het misschien nog nodig hebt,’ zegt zijn moeder altijd. Maar wat heb je aan oude babykleertjes? Nicolas gooit de kast weer dicht. Een wolk met stof komt hem tegemoet. Hij hoest even en gaat weer verder. Naast de kasten staan oude koffers. Als hij de kist niet kan vinden kunnen, ze die misschien gebruiken. De oude wieg waar Josephine en hij en zelfs zijn moeder in gelegen hebben staat voor het raam. Daarnaast een kapstok met jassen van zijn vader. Jassen die hij heel lang niet meer aan heeft gehad. Nicolas trekt er eentje aan. De jas is paars met een bontkraag aan de bovenkant.

4


Hij zou die nooit durven aantrekken. Zijn vader was wel een mafkees vroeger. Hé, daar ziet hij wat. Achter de kapstok staan een paar dozen en daaronder ziet hij de kist. Hij duwt de dozen eraf en schuift de kist naar het midden van de zolder. Zo, die is zwaar. Wat zou erin zitten? Hij wil het deksel omhoog doen, maar het lukt niet, het zit vast. Hij probeert het nog een keer. Er zit een heel klein beetje beweging in. Nog één flinke ruk en de kist schiet open. Nicolas valt achterover op z’n billen. ‘Au!’ Dat doet pijn. Hij klautert overeind en kruipt terug naar de kist. De kist is tot de rand gevuld met boeken en kranten. Hij pakt er eentje uit. Het is een oud kinderboek, geschreven door Lodewijk Anders. Die naam heeft hij weleens gehoord. Hij slaat het boek open en leest de eerste bladzijde: voor mijn lieve dochter Roosmarijn. Hé, zo heet zijn moeder ook! Zou dit boek dan geschreven zijn door zijn opa? Hij slaat nog een bladzijde om en begint te lezen. Voordat hij het weet, heeft hij het eerste hoofdstuk uit. Nicolas legt het boek naast zich neer. Hij gaat straks verder lezen, maar nu eerst kijken wat er nog meer in de kist zit. Nog meer kinderboeken van dezelfde schrijver en daaronder een krantenartikel. Het gaat over de schrijver van de boeken en er staat een foto bij.

5


De foto is een beetje korrelig, er staan een man en een meisje op. De schrijver met zijn dochter Roosmarijn staat eronder. Hij loopt met de krant naar het raam en kijkt in het licht nog eens goed naar de foto. Het meisje lijkt op z’n zusje Josephine, maar ze is het niet. Hij loopt terug naar de kist en stopt bijna alle boeken weer weg. Alleen het boek waarin hij heeft zitten lezen neemt hij mee, net als het krantenartikel. Hij loopt naar beneden, naar de schrijfkamer van zijn moeder, zij zal hier toch wel meer van weten. Waarom wist hij niet dat al opa’s boeken op zolder liggen? Hij loopt de kamer van zijn moeder in, maar ze is er niet. Hij loopt terug naar de gang en schreeuwt: ‘Mama, waar ben je?’ Geen reactie. Hij loopt naar de keuken, daar is ze ook niet. Er ligt wel een briefje. ‘Ik ben even naar de supermarkt, ben zo weer terug.’ Nicolas loopt met het boek en het krantenartikel naar zijn kamer. Het artikel legt hij op zijn bureau. Hij gaat op bed liggen lezen. Het is spannend, zijn opa kon goed schrijven. De middag vliegt voorbij. Voor hij het weet hoort hij zijn moeder beneden roepen dat ze gaan eten. Hij kijkt op zijn horloge, het is halfzeven. Hij heeft drie uur achter elkaar doorgelezen. Nog een paar hoofdstukken en het boek is uit. Hij legt het boek op zijn bureau en loopt naar beneden.

6


Zijn moeder woelt door zijn haren. ‘Wat heb jij rode wangen, lag je te slapen?’ vraagt ze. Nicolas denkt even na, wat zal hij zeggen. Hij kan over het boek van opa vertellen, maar eigenlijk wil hij het nog even voor zichzelf houden. Eerst het boek uitlezen en kijken wat zijn opa nog meer geschreven heeft. Hij knikt. ‘Ik was huiswerk aan het maken op bed en toen ben ik in slaap gevallen.’ Zijn moeder lacht. ‘Was het zo saai?’ Nicolas haalt zijn schouders op en gaat aan tafel zitten. Hij is de laatste. Josephine en zijn vader zitten al aan tafel. Hij merkt nu pas dat het erg lekker ruikt, lasagne en salade. Zijn moeder heeft haar best gedaan. Als ze het niet vergeet omdat ze aan het schrijven is, kookt ze erg lekker. Zijn vader prijst haar de hemel in.

7


‘Waar zullen we dit jaar in de zomervakantie naartoe gaan?’ vraagt zijn vader als ze aan het eten zijn. ‘Naar Spanje!’ roept zijn zusje meteen. Iedereen begint te lachen. Josephine wil heel graag weten waar Sinterklaas woont als hij niet in België is. ‘Spanje in de zomer is te heet, Josephine,’ antwoordt zijn moeder. ‘Misschien kunnen we in de herfstvakantie naar Madrid. Dan is het wat minder warm en is Sinterklaas nog niet in België.’ Z’n zusje begint te stralen. ‘Maar goed, we hadden het over de zomervakantie,’ begint zijn vader weer. ‘Waar gaan we naartoe? Mama en ik hebben al even nagedacht. Het lijkt ons leuk om naar de kust te gaan, naar de zee. Maar we weten nog niet naar welke kust. We kunnen naar een van de Nederlandse Waddeneilanden gaan of naar het buitenland.’ Zijn moeder komt uit Nederland, dus dat is niet echt buitenland. ‘Naar het buitenland,’ roept Nicolas meteen. ‘En naar welk buitenland zou je dan willen?’ vraagt zijn moeder. Nicolas denkt even na. Het liefst zou hij heel erg ver willen. Maar dan moeten ze ook heel lang in de auto zitten en daar heeft hij een hekel aan. ‘Kunnen we ook met het vliegtuig op vakantie?’ Hij vindt het slim bedacht van zichzelf.

8


‘Eigenlijk zaten we te denken aan Noord-Frankrijk,’ lacht zijn vader. Nicolas denkt nog eens na. Aan de Franse kust is hij al eens geweest, ‘ik wil wel naar een waddeneiland want daar ben ik nog nooit geweest,’ antwoordt hij. ‘Wat vind jij, Josephine? Waar wil jij naartoe?’ vraagt zijn vader aan zijn zusje. ‘Ik wil graag naar het strand,’ zegt zijn zusje, ‘maar dan wel met echt zand, niet met stenen. Oh ja, en ik wil paardrijden.’ ‘Dan zijn we het erover eens,’ zegt zijn moeder, ‘we gaan naar de Waddeneilanden. Ik ga een mooi huisje zoeken. Ik heb er nu al zin in.’

9


Hoofdstuk 2 Meteen na het eten gaat hij naar boven om verder te lezen, zo spannend is het. Na een tijdje komt zijn moeder boven. ‘Gaat het wel goed met je? Meestal ben je niet naar boven te krijgen en nu zien we je helemaal niet.’ Nicolas houdt het boek van Lodewijk Anders omhoog. ‘Ah, je hebt de boeken van mijn vader ontdekt. Vind je ze spannend?’ ‘Heel erg spannend, maar waarom heb je nooit verteld dat al opa’s boeken op zolder liggen?’ vraagt Nicolas. Zijn moeder zucht verdrietig, ‘als ik de boeken beneden zet, dan blijf ik er maar aan denken, daarom staan ze boven. Dan denk ik er niet zo vaak aan. Het is al zo lang geleden, ik was twaalf toen hij van de aardbodem verdween. Hij woonde toen al niet meer bij oma en mij, maar ik zag hem nog wel elke week. De politie heeft nog naar hem gezocht, maar ze konden hem niet vinden. Toch weet ik zeker dat hij nog leeft. Ik heb me altijd afgevraagd wat er met hem gebeurd is, waarom hij me niet meer wilde zien. Ik mis hem nog altijd.’ Zijn moeder is naast hem op bed gaan zitten, Nicolas slaat zijn armen om zijn moeder heen. ‘Is hij de reden dat je kinderboeken bent gaan schrijven?’ vraagt hij. ‘Ik kon niet anders, er zitten zoveel verhalen in mijn hoofd, die moet ik gewoon opschrijven.

10


Dat heeft mijn vader me geleerd toen ik klein was en we samen verhalen verzonnen.’ Ze staat op van het bed en geeft hem een kus. ‘Lees je niet te lang door?’ ‘Ik lees het boek uit, er zijn nog maar een paar hoofdstukken, anders kan ik toch niet slapen,’ antwoordt hij. Zijn moeder lacht, ‘dat weet ik nog van vroeger, ik kon niet wachten tot mijn vader weer een hoofdstuk geschreven had. Ik mocht het altijd als eerste lezen, en als ik het niet mooi vond, dan gooide hij het weg en begon opnieuw. Slaap lekker en vergeet je tanden niet te poetsen,’ ze loopt naar de deur. ‘Mam?’ Zijn moeder draait zich om, ‘ja, wat is er?’ ‘Kunnen we op vakantie naar Vlieland of Terschelling waar de Lutine gezonken is?’ vraagt Nicolas. ‘De Lutine?’ Zijn moeder kijkt hem vragend aan. ‘Van het verhaal van opa,’ Nicolas houdt zijn boek omhoog. ‘Ach, ja natuurlijk, mijn vader was gek op scheepswrakken. Ik zal eens kijken of ik een huisje op Vlieland kan vinden. Welterusten en tot morgen,’ met een luchtkus loopt zijn moeder de kamer uit. ‘Truste!’ hij draait zich om en leest verder. Het is lang geleden dat hij zo’n spannend boek gelezen heeft. Hij gaat morgen op zolder alle boeken van zijn opa halen en in zijn kamer in de boekenkast zetten.

11


Hoofdstuk 3 Het is zijn moeder gelukt, ze heeft een huisje gevonden op Vlieland. De eerste dag van de zomervakantie vertrekken ze al. Nicolas heeft er ontzettend veel zin in. Hij heeft alle boeken van zijn opa gelezen. En hij heeft op internet informatie gezocht over de Lutine, het schip dat tussen Vlieland en Terschelling gezonken is met heel veel goud en zilver aan boord. Hij heeft alle informatie uitgeprint en in zijn rugzak gestopt samen met zijn laptop en het eerste boek dat hij gelezen heeft van Lodewijk Anders, over de Lutine. Het eerste stuk gaan ze met de auto, zijn zusje Josephine en hij zitten achterin. Van Bekelaere naar Friesland is het een paar uur rijden. Nicolas haalt het boek van zijn opa tevoorschijn en begint weer van vooraf aan. De tijd vliegt voorbij, voor hij het weet zijn ze op de parkeerplaats waar ze de auto parkeren. Het laatste stuk gaan ze lopend en met de boot, je mag je auto niet meenemen naar Vlieland. De veerboot vertrekt vanuit Harlingen. Hij doet er ongeveer anderhalf uur over. Nicolas verveelt zich geen moment. Boven op het dek wordt hij bijna weggeblazen. Hij houdt zich goed aan de reling vast.

12


In z’n hoofd heeft hij de plattegrond van de Waddenzee. Hij weet precies waar de Waddeneilanden liggen en waar de Lutine gezonken is. Maar die kun je niet zien vanaf de boot. Als ze op Vlieland aankomen, is het nog maar een klein stukje lopen naar hun huisje. Ze hebben een huisje midden in het dorpje. Ze zetten hun tassen in de gang en gaan op onderzoek uit. Nicolas stommelt1 de trap op naar boven. De zolder ziet er oud uit met aan twee kanten een bed. Boven elk bed zit een dakraam, Nicolas gaat op het bed staan en duwt het dakraam open. Hij kan heel ver kijken en als hij heel goed zijn best doet, ziet hij zelfs een stukje van de Waddenzee. Hij voelt dat het een heel erg leuke vakantie gaat worden.

13


Hoofdstuk 4 ‘Dus je gaat niet mee boodschappen doen?’ ‘Nee mam, thuis ga ik toch ook nooit mee boodschappen doen.’ ‘Maar op vakantie is het toch heel anders, supermarkten in Nederland zijn leuk.’ ‘Mam, dat vind jij leuk, ik geef er niets om. Ik ga liever op onderzoek uit.’ ‘Ga dan wel even mee voor een fiets, dan ben je net wat mobieler.’ Nicolas knikt, ‘dat is goed, ik wil een fiets met veel versnellingen.’ ‘We kijken wel, Nicolas, ik weet niet wat je allemaal kunt huren.’ Met z’n vieren lopen ze door de Dorpsstraat naar de fietsenverhuurder. Bij de fietsenmaker is een jongen bezig met een fiets, Nicolas loopt op de jongen af. ‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt hij. De jongen kijkt op, ‘ik ben mijn fiets aan het schoonmaken. Ik heb ermee op het strand gefietst.’ Nicolas kijkt naar de fiets, hij heeft heel dikke banden. ‘Coole fiets!’ ‘Dank je. Ben je op vakantie hier?’ Nicolas knikt. ‘Je klinkt zo grappig, waar kom je vandaan?’

14


‘Ik kom uit België.’ ‘Echt waar, wat gaaf, daar wil ik ook nog een keer naartoe. Wij gaan in de zomer nooit op vakantie, want dan is het altijd het drukst voor mijn vader.’ ‘Wat doet hij dan?’ ‘Hij verhuurt fietsen,’ zegt de jongen lachend. Nicolas steekt zijn hand uit, ‘ik ben Nicolas.’ De jongen pakt zijn hand en schudt ermee. ‘Hoi,’ zegt hij, ‘ik heet Jappe.’ ‘Nicolas, kom even een fiets uitzoeken,’ roept zijn moeder. ‘Ik geloof dat ze er eentje hebben met heel veel versnellingen.’ Nicolas loopt naar zijn moeder toe. ‘Ik heb me bedacht, ik wil er net zo eentje als Jappe, eentje met dikke banden.’ Hij wijst naar de fiets van Jappe. ‘Goeie keus, jongen,’ zegt de fietsenmaker. ‘Dat is de enige fiets waarmee je op het strand mag fietsen. Ik heb er nog precies eentje staan, die verhuren we niet zo vaak. De meeste mensen vinden fietsen op het strand te zwaar, maar Jappe doet niets liever.’ Jappe loopt met zijn fiets naar Nicolas toe, ‘als je wilt, dan kan ik je wel laten zien waar je goed kunt fietsen op het strand.’

15


Nicolas draait zich om naar zijn moeder, ‘is dat goed, mam?’ ‘Prima, wij gaan toch alleen maar saaie boodschappen doen,’ zegt ze lachend. ‘Daarna wil Josephine graag paardrijden, daar vind je ook niets aan. Heb je je telefoon en wat geld bij je?’ Nicolas knikt. ‘Probeer met de lunch weer thuis te zijn, lukt dat niet, bel dan even.’ Nicolas zit al op zijn fiets, ‘drie keer ja, mam.’ Jappe kijkt hem bevreemd2 aan. ‘Ja voor de telefoon, ja voor het geld en ja voor dat bellen,’ legt hij uit. ‘Jij bent wel een beetje maf,’ zegt Jappe en hij stapt op zijn fiets. Als ze de Dorpsstraat uit zijn, gaat Jappe harder fietsen, Nicolas houdt hem met gemak bij. Ze gaan steeds een tandje sneller tot ze door de duinen racen. ‘Als we deze duin over zijn, dan zijn we op het strand,’ schreeuwt Jappe achter zich net voor hij een hoge duin op fietst. Nicolas volgt hem moeizaam, het is rul3 zand, de dikke banden helpen wel, maar halverwege stapt hij toch af. Boven aan de duin wacht Jappe op hem.

16


‘Hoe doe je dat, zo helemaal naar boven fietsen?’ vraagt Nicolas als hij hijgend boven komt. ‘Oefenen, oefenen, oefenen,’ antwoordt Jappe. ‘Ik doe dit al jaren.’ Voorzichtig fietsen ze naar beneden, vlak bij de zee is het zand harder, dat fietst een stuk makkelijker. Naast elkaar fietsen ze langs de zee, de wind in hun haren. Af en toe moeten ze even een stukje uitwijken als de zee te dicht bij de fietsen komt. Jappe heeft Nicolas uitgelegd dat ze wel op het strand mogen fietsen, maar niet in de zee. ‘Dan kun je je fiets aan het eind van de zomer weggooien, door het zeezout loopt je ketting vast en gaat je fiets roesten,’ legt hij uit. ‘Wedstrijdje doen? Wie het eerst bij de volgende paal is!’

17


Hoofdstuk 5 ‘Heb jij weleens van de Lutine gehoord?’ vraagt Nicolas aan Jappe. Ze fietsen door de duinen. Nicolas en Jappe zijn de afgelopen week onafscheidelijk geweest, Jappe is zelfs een paar keer meegegaan met Nicolas en zijn ouders. ‘De Lutine? Er is een restaurant hier dat zo heet, maar dat bedoel je niet, denk ik. Wat is het?’ vraagt Jappe. ‘Het is een schip dat hier gezonken is, het zat vol goud, zilver en munten.’ ‘Echt? Ligt het er nog steeds of hebben ze het al opgedoken?’ ‘Nee, het ligt er nog steeds, ik heb er een boek over gelezen en wil graag meer weten over het schip.’ ‘Ik ken wel iemand die heel veel over schepen weet, hij heet Andries en woont in een zijstraatje van de Dorpsstraat. Hij bouwt maquettes4 van schepen, misschien heeft hij de Lutine ook wel gebouwd.’ ‘Kunnen we zomaar bij hem langsgaan?’ ‘Tuurlijk, hij heeft een winkeltje, hij verkoopt sommige maquettes ook. Maar ik geloof dat hij ze liever zelf houdt,’ lacht Jappe. ‘Kunnen we vanmiddag naar hem toe?’ vraagt Nicolas. ‘Wel na de lunch, ik rammel,’ Jappe wrijft over zijn buik.

18


Nicolas kijkt zijn ogen uit in het kleine winkeltje, waar hij ook kijkt, overal staan miniatuurschepen. Andries zit achterin de winkel aan een oude werkbank. Hij is bezig met het snijden van onderdelen voor een nieuw schip. ‘Hoi Andries, hoe gaat het? Lukt het een beetje met het nieuwe schip?’ Als Andries Jappe hoort, stopt hij met snijden en schuift hij de enorme loep die voor zijn gezicht hangt omhoog. ‘Dag jongen,’ antwoordt Andries. ‘Het gaat goed hoor, nog een paar stukken en ik kan het schip in elkaar zetten. Wie heb je meegebracht?’ Hij knikt naar Nicolas. ‘Dag meneer, ik ben Nicolas,’ Nicolas steekt zijn hand uit. Andries pakt hem in zijn grote hand en bekijkt Nicolas van top tot teen. ‘Dag, ik heet Andries, jij komt hier niet uit de buurt, hé? Maar je komt me wel bekend voor.’

19


Nicolas schudt zijn hoofd. ‘Nee, ik kom uit België, meneer.’ Andries knikt en laat de hand van Nicolas los. ‘Wat brengt jou vandaag naar mijn winkeltje, Jappe? Het is prima fietsweer, meestal kom je alleen als het regent of stormt.’ ‘Nicolas wil graag meer weten over de Lutine en jij weet meer over gezonken schepen dan wie dan ook,’ antwoordt Jappe. Andries loopt door de winkel, pakt een schip en loopt terug naar de jongens. Hij zet het schip op de werkbank. ‘Dit is het eerste schip dat ik ooit gebouwd heb.’ Nicolas loopt ernaartoe, voorzichtig streelt hij de romp. Andries kijkt hem vreemd aan. ‘Weet je zeker dat je niet uit de buurt komt?’ Nicolas schudt zijn hoofd, zonder van het schip op te kijken zegt hij, ‘maar mijn moeder is wel Nederlands.’ Nicolas bekijkt het schip van alle kanten. ‘Waar zat al het goud, zilver en de munten?’ vraagt hij. Andries komt naast hem staan en legt zijn hand op zijn schouder. ‘Wat weet je al van de Lutine, Nicolas?’ ‘Ik heb een boek gelezen over de Lutine, een kinderboek, geschreven door mijn opa Lodewijk Anders, echt een heel spannend boek.

20


Daarna ben ik op internet gaan kijken, er stond best veel.’ De hand van Andries knijpt even in de schouder van Nicolas. ‘Ik weet niet of ik je meer kan vertellen dan je al weet, maar ik kan het wel proberen,’ zegt Andries plotseling schor. Hij gaat aan zijn werkbank zitten en gebaart de jongens dat ze een kruk moeten pakken en bij hem moeten komen zitten. Dan begint hij te vertellen.

21


‘De Lutine of eigenlijk La Lutine, was een Frans oorlogsschip. Een fregat5, dat door de Engelsen was buitgemaakt samen met nog vijftien schepen. In die tijd waren Frankrijk en Engeland niet echt vriendjes. La Lutine is het Franse woord voor kwelduivel. Wat in dit geval wel een heel toepasselijke naam is, want het kwelt ondertussen al ruim 200 jaar iedereen die ernaar op zoek is. In 1799 vervoerde het fregat een lading goud en zilver ter waarde van bijna een miljoen pond van Engeland naar Hamburg. Dat is tegenwoordig wel twintig keer zoveel waard, zo’n 50 miljoen euro. In de nacht van 9 op 10 oktober stormde het vreselijk op de Noordzee. Elke verstandige kapitein had al lang een haven opgezocht om de storm uit te zitten. Maar niet de kapitein van de Lutine. Het leek wel of hij de storm opzocht. De Lutine zonk uiteindelijk tussen Vlieland en Terschelling, bij het IJzergat. Van de 270 opvarenden vonden die nacht 269 de dood. De enige schipbreukeling die de ramp overleefde, was een matroos. Dat denken ze toch. Ik weet dat er nog een overlevende was, een jongen. Laten we hem voor het gemak John Smith noemen. Als twaalfjarige jongen was hij stiekem op het schip geklommen en had hij zich verstopt tussen de lading proviand6. Hij was op zoek naar avontuur en dat kreeg hij.

22


Toen de Lutine verging is het hem gelukt om zich aan een plank vast te houden tot hij op het strand aanspoelde. Dat was hier op Vlieland. Voordat iemand van de eilanders door had dat de Lutine gezonken was, had John zich al verstopt tussen de duinen. Hij wilde niet dat ze hem zouden vinden en terug zouden sturen naar Engeland. Zijn leven in Engeland was niet leuk. Als weesjongen had je in die tijd niet zoveel kansen. Hij zorgde ervoor dat niemand hem zag. Hij pikte droge kleren van een waslijn en hield zich in leven met eten dat hij ‘vond’. Hij sliep in stallen tussen de beesten die hem warm hielden ’s nachts. Na een tijdje dacht niemand meer aan de Lutine, John deed alsof hij nieuw was op het eiland en vond een baantje als knecht. Hij wist precies waar de Lutine vergaan was en hij wist ook hoeveel goud en zilver er aan boord was. Maar die kennis deelde hij met niemand. Jaren later trouwde hij met een lief meisje van het eiland. Ze kregen een zoon. Toen die oud genoeg was, heeft hij hem alles verteld en hij vertelde het op zijn beurt weer aan zijn zoon. Maar of ze ooit wat gevonden hebben, dat kan ik je niet vertellen.’

23


Nicolas kijkt Andries bevreemd aan. ‘Dat is precies het verhaal dat mijn opa geschreven heeft. Die zoon heet Jelle en die gaat op zoek naar het goud. Is het niet verzonnen?’ ‘Misschien wel, misschien niet, wie zal het zeggen,’ zegt Andries, ‘maar nu wil ik verder met mijn schip, jongens.’ Nicolas bedankt Andries voor het verhaal en terwijl hij uit de winkel loopt, zegt hij: ‘Als dat verhaal echt gebeurd is, dan weet ik een schat te vinden. Ga je mee?’ Jappe knikt. Andries staat in de deuropening en kijkt ze peinzend na.

24


Hoofdstuk 6 Ze fietsen naar het vakantiehuisje, waar Nicolas het boek van zijn opa in zijn rugzak stopt. Daarna loopt hij naar het schuurtje waar hij twee scheppen pakt die hij vastmaakt op zijn fiets. ‘Oké, we kunnen,’ zegt Nicolas terwijl hij weer op zijn fiets springt. ‘Ga je nog vertellen welke schat we zoeken?’ vraagt Jappe. Nicolas knikt. ‘In het boek dat mijn opa geschreven heeft over de Lutine staat een kaart, een schatkaart. Ik dacht eerst dat het een nepkaart was, maar als het een waargebeurd verhaal is, dan is de kaart misschien wel echt.’ Nicolas wordt helemaal enthousiast bij het idee. ‘Mmmm, ik weet het niet hoor, als daar echt een schat zou liggen, dan had de schrijver van het boek, jouw opa dus, die schat toch al lang opgegraven.’ Jappe gelooft er niet zo in. ‘Dat zou kunnen, maar ik voel gewoon dat de schat er nog ligt. Ga je mee of niet?’ Jappe wordt aangestoken door het enthousiasme van zijn vriend. ‘Oké, op naar de schat!’ Ze fietsen naar het noordoosten van het eiland. Hoe dichter ze komen, hoe harder ze gaan. Daar gekomen gooien ze hun fietsen in het zand. Ze pakken de scheppen en lopen de duinen in.

25


Nicolas pakt het boek erbij en opent het aan de achterkant. Jappe pakt het boek uit zijn handen. ‘Dit is erin getekend, man, met potlood. Dit hoort hier helemaal niet. Het moet wel een echte kaart zijn.’ Hij wordt nu ook enthousiast. ‘Kijk, hieronder staat een aanwijzing: ten westen van de hoge boom. Dit is echt spannend!’ Ze volgen de route die op de kaart staat, eerst over het pad en daarna de duinen in. Ze klimmen over een grote omgevallen boom heen, een paar meter verder zien ze een hoge boom staan. ‘Volgens mij is het hier,’ zegt Jappe. Nicolas en Jappe kijken om zich heen. Dit is een perfecte plek om een schat te begraven, midden tussen de duinen. Niemand op het strand kan je zien. Ze beginnen te graven, steeds dieper. Ze krijgen het er warm van. Maar ze vinden geen schat. Als het gat een meter diep is, stoppen ze. ‘Heb jij water bij je?’ vraagt Jappe. ‘Nog één flesje,’ antwoordt Nicolas. Hij klimt uit de kuil, pakt zijn rugzak en haalt het flesje eruit. Als hij de helft opgedronken heeft, geeft hij het flesje aan Jappe die het leegdrinkt. ‘Zo, dat had ik echt nodig, volgens mij ligt de schat niet hier.’ Nicolas pakt het boek en leest de aanwijzing hardop voor. ‘Ten westen van de hoge boom.’

26


‘Dat klopt wel,’ zegt Jappe, ‘zou er dan toch geen schat zijn?’ Een beetje teleurgesteld gaat hij in het zand zitten. ‘Het is natuurlijk lang geleden, misschien staat de boom er niet meer,’ denkt Nicolas hardop. Dan kijken ze elkaar aan en ze zeggen tegelijkertijd: ‘of hij is omgevallen!’ Ze staan op, pakken hun scheppen en rennen naar de omgevallen boom. Daar beginnen ze opnieuw met graven. Na een paar minuten stuit Nicolas ineens op iets hards. ‘Ik heb iets!’ schreeuwt hij. Ze vallen op hun knieën en graven met hun handen verder. Er komt een kist tevoorschijn met aan beide kanten een handvat. Allebei pakken ze er eentje vast en samen tillen ze de kist uit de kuil. ‘Oh nee,’ zegt Nicolas teleurgesteld. ‘Er zit een slot op. Dat krijgen we nooit open.’ ‘We kunnen het met het ijzeren gedeelte van de schep proberen,’ stelt Jappe voor. ‘Of jullie kunnen deze sleutel proberen.’ Geschrokken draaien ze zich om, achter hen staat Andries met een sleutel in zijn hand. Argwanend kijk Nicolas hem aan. ‘Hoe kom jij aan de sleutel van deze schat?’ ‘Het is mijn schat,’ antwoordt Andries, ‘ik heb hem begraven, maar het is tijd dat hij opgegraven wordt.’

27


Hij geeft de sleutel aan Nicolas die op zijn knieën voor de kist gaat zitten. Hij steekt de sleutel in het slot, even gebeurt er niets, maar dan draait de sleutel en het slot gaat open. Met twee handen duwt Nicolas het deksel omhoog. Jappe staat naast hem en houdt zijn adem in. Wat zou erin zitten? ‘Kleren,’ fluistert Nicolas teleurgesteld, ‘er zitten kleren in.’ Hij wil weer rechtstaan, maar wordt tegengehouden door Andries. ‘Kijk eens onder de kleren,’ zegt hij. Nicolas schuift de kleren aan de kant, er ligt een platte doos onder. Hij pakt het op en maakt het open, het is gevuld met een bundeltje papier, een paspoort en een foto. Nicolas haalt de foto eruit. ‘Dat is mijn oma en dat is mama toen ze klein was,’ wijst hij. ‘Hoe komt deze foto in de doos?’ zegt hij verbaasd. ‘Kijk maar eens in het paspoort,’ zegt Andries. Nicolas slaat het paspoort open. Hij ziet een foto van Andries toen hij jonger was en ernaast staat een naam. Lodewijk Anders. Met een gezicht vol ongeloof kijkt Nicolas omhoog. ‘Ben jij Lodewijk Anders?’ Andries knikt. ‘Maar dan ben jij mijn opa? Hoe kan dat? Jij bent dood. Verdwenen toen mijn moeder twaalf was.’

28


‘Verdwenen ja, maar dood nee, ik leef nog zoals je ziet. Al heeft het heel lang gevoeld alsof ik dood was. Heel lang wist ik niet meer wie ik was. Tegen de tijd dat ik het weer wist, was het te laat om terug te gaan.’ Verdrietig staart Andries naar de zee. ‘Tegen die tijd was Roosmarijn volwassen en had ze haar eigen leven.’ ‘Maar mama denkt nog steeds aan je, hoor, ze mist je. Ze is zelfs schrijver geworden omdat jij dat was. Ik weet zeker dat mama je wil zien.’ Hij gaat voor zijn opa staan en slaat zijn armen om hem heen. Zijn opa knuffelt hem. ‘Och jongen, zou je denken?’ Nicolas knikt. ‘Ik weet het zeker,’ hij wil zijn opa meetrekken. ‘Wacht even jongen, altijd alles netjes achterlaten in de natuur.’ Hij haalt de kist leeg, doet de kist weer op slot en stopt hem in het gat. De sleutel stopt hij in zijn zak. Nicolas en Jappe helpen hem het gat weer te vullen. Andries houdt de kleren en het doosje stevig vast. Op de terugweg vuren de jongens vragen op hem af. Hoe komt het dat hij zijn geheugen kwijt was, hoe komt de plattegrond in het boek, wat heeft hij al die jaren gedaan? De laatste vraag stelt Nicolas, want Jappe kent Andries al jaren. Andries beantwoordt alle vragen rustig. Als ze bij het vakantiehuisje aankomen, stappen ze van de fiets af.

29


‘Kun je hier even blijven wachten, dan kijk ik of mijn moeder er is.’ Nicolas doet het hek van de tuin open en stapt naar binnen. Zijn moeder zit in de tuin met haar laptop voor zich op tafel. Ze kijkt op als ze Nicolas hoort. ‘Hé Nicolas, wist je nog waar we woonden? Ik heb je de hele vakantie bijna niet gezien.’ ‘Mama, ik heb een verrassing voor je,’ zegt hij heel serieus. ‘Oh ja? Wat dan, heb je een mooie schelp gevonden?’ vraagt zijn moeder. ‘Even blijven zitten, ik ben zo terug.’ Hij loopt de tuin uit naar het steegje waar Andries en Jappe staan te wachten. ‘Ze is er, kom mee.’ Hij pakt Andries bij de hand en trekt hem mee de tuin in. Zijn moeder zit lachend op hem te wachten, maar als ze ziet wie Nicolas mee heeft, wordt ze krijtwit. ‘Papa,’ fluistert ze. Ze staat op, duwt haar stoel naar achteren, rent naar hem toe en springt in zijn armen. Andries slaat zijn armen om haar heen. ‘Ben je het echt? Ik heb je zo gemist.’

30


De tranen stromen over haar wangen. Ze duwt hem een eindje van zich af. ‘Ik wist dat je niet dood was, dat voelde ik gewoon. En nu heeft Nicolas je voor me gevonden.’ Ze kijkt Nicolas stralend aan. Ze knuffelt haar vader nog eens alsof ze hem nooit meer los wil laten. Zijn vader is ondertussen ook naar buiten gekomen, samen met Josephine. Iedereen praat door elkaar, behalve Nicolas. Nicolas glimlacht als hij naar zijn moeder en zijn opa kijkt. Hij heeft de Lutine niet gevonden, maar wel iets veel mooiers.

31


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6

32

stommelen = lawaaierig lopen bevreemd = verrast rul = korrelig maquette = in het klein gemaakt voorbeeld fregat = klein oorlogsschip proviand = voedselvoorraad


Nicolas vindt op zolder een boek geschreven door zijn vermiste opa. Het gaat over de Lutine. Hij gaat met zijn familie op vakantie naar de Nederlandse Waddeneilanden. Daar leert hij Jappe kennen. Samen gaan ze op zoek naar het wrak van de Lutine, een mysterieus schip met een verborgen schat.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Madeleine van der Raad Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N2 – Het geheim van de schrijver by die Keure - Issuu