Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N2 – Sjittertje

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Sjittertje Ingrid Verhelst

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

7


Sjittertje

1


1 In het hok Op de klok boven het bord draait de secondewijzer een laatste rondje. Drie, twee, één. Hop! Nog voor de bel rinkelt, spurt Bram naar de gang. Hij grist zijn boekentas van de kapstok en verdwijnt in het rommelhok. Snel draait hij de deur op slot. Met een diepe zucht gaat hij op een omgekeerde emmer zitten. Het is maandag, en dat is de rotste dag van de week. Op maandag moet hij naar juf Riet. Om zijn S te oefenen. Bram haat de S. Juf Riet zegt altijd hetzelfde: ‘Fout! Je sliste weer. Naar achter met die tong! Achteruit! Achteruit!’ Maar zijn tong heeft geen zin in ‘achteruit’. Zijn tong is lui. Bram haat zijn tong. Op maandag haat hij alles. En dan zijn er ook nog de pestkoppen. Elke maandag wachten ze hem op. Ze zijn met vier: Seppe, Arno, Kevin en Pieter. Seppe is de leider. Hij is groter dan de meester en reuzesterk. Met dikke spierballen en zwarte haartjes op zijn kuiten. Bram rolt zijn broekspijpen omhoog. Geen haartje te zien. Alleen schrammen en blauwe plekken. Pestplekken. Seppeplekken! Bram snuit zijn tranen weg, en begint te tellen. Wie telt, heeft geen tijd voor verdriet. Van één tot honderd. Tien keer. Dan kan hij weg.

2


Hij is precies halfweg als hij gesjis hoort. ‘Sj… Sj’. Het gesjis komt dichterbij, en stopt voor de deur. Bram krijgt kramp. Alsof er beestjes onder zijn vel wriemelen. ‘Hé, Sjitter! Is je tongetje er klaar voor?’ Het is de stem van Seppe! De deurklink gaat op en neer, de sleutel valt op de grond. ‘Kom Sjitter. Ik weet dat je hier bent. Ik kan het ruiken. Snuf, snuf. Sjitstank.’ Seppe lacht en geeft een harde dreun tegen de deur. ‘Loser!’ Bram beweegt niet. Hij doet zijn ogen toe, en gaat weer tellen. Wie telt, heeft geen tijd voor schrik. Van één tot honderd. Nog vijf keer. Dan mag hij weg. Het wordt stil op de gang. Bram telt verder. Bij vijfhonderd staat hij op. Hij maakt de deur open en kijkt rond. Niemand te zien. Gered! In het lokaal van juf Riet brandt licht. Ze zit vast op hem te wachten. Pech voor haar. Hij gaat niet, hij is die lessen spuugzat. Snel loopt hij naar het sportveldje. Daar zit een gat in de haag. Aan de andere kant van dat gat ligt de Kerkhofstraat. Op het tuinmuurtje van nummer zestien zitten twee stenen leeuwen. Bram loopt ernaartoe. ‘Accio,’ zegt hij. Dat is de spreuk van Harry Potter om dingen naar je toe te roepen. ‘Accio. Accio. Accio!’

3


De dieren bewegen voor geen millimeter. Spijtig. Een leeuw zou de pestkoppen kunnen opeten. ‘Hey Sjitter, wat doe je hier? Moet jij niet kussen met Rietje?’ Het is Seppe. Hij staat bij het muurtje van nummer twee en rookt een sigaret. Er verschijnt een boze rimpel op het voorhoofd van Bram. ‘Bajatakir,’ probeert hij. Zo verander je iemand in een drol. Het lukt niet. Seppe wordt geen drol. Hij wordt kwaad. Even later suist er een kei door de lucht. Twee keien. Drie … Onder een hagel van stenen vlucht Bram het kerkhof op.

4


2 Salix Tristis Het kerkhof is een fijne plek. Bram is er altijd alleen. De pestkoppen durven er niet te komen. Ze zijn bang voor zombies. Die komen uit hun graf als de wind draait, zegt Seppe. Bram gelooft er niets van. Dode mensen bewegen niet. Ze liggen in een kist en worden skelet. In een hoek van het kerkhof ligt meneer De Wilde. Zijn graf ziet eruit als een kasteel. Met twee torentjes aan de zijkant en een soort van loopbrug ertussenin. Op de ene toren hangt een foto van een man met een snor. Zo zag meneer De Wilde eruit toen hij nog geen skelet was. Boven het graf groeit een gordijnboom. Bram duwt de takken opzij en gaat op de loopbrug zitten. Hij neemt zijn spreukenboekje, en slaat het open. Hij kent alle spreuken vanbuiten, maar ze werken niet. Ze doen niets. Nooit. Op de laatste bladzijde staan de rotspreuken. Toverformules met een S. Die heeft hij nog nooit geoefend. Zijn tong slaat ervan in de knoop. Met een diepe zucht probeert hij draconifors. Bij hem klinkt het als draconifor§. Hij zegt het nog eens, sneller en luider. Weer fout. Hij probeert het een derde keer: ‘Draconifor§’. Het woord komt uit zijn mond als het gegrom van een buldog. Donker en dreigend. Bram wordt er stil van.

§ spreek je uit als een slissende letter ‘s’.

5


Ook rondom hem wordt alles stil. De wind stopt met waaien, de vogels vergeten te vliegen. Bram houdt zijn adem in. Zijn hart rikketikt in zijn borstkas. ‘Treutelreutel!’ Zijn boekje valt op de grond. Waar komt die stem vandaan? Hebben de anderen gelijk? Is de wind gedraaid? Komen de doden uit hun graf? Bram is er niet gerust in. ‘Hallo,’ roept hij. ‘Bent u een zombie?’ ‘Zombies bestaan niet,’ zegt de stem. ‘Wie bent u?’ ‘Salix Tristis. Aangenaam.’ De wind begint weer te waaien, de vogels vliegen opnieuw van tak naar tak. Bram springt van de loopbrug en stopt het boekje in zijn tas. Het kerkhof is leeg. Heeft Salix zich verstopt? ‘Loop je weg, bangbroek?’ De stem lijkt uit de kruin van de boom te komen. Bram knijpt zijn ogen tot spleetjes en tuurt naar boven. Van mama mag hij niet met vreemde mensen praten. Over stemmen zonder mens heeft ze nooit iets gezegd. ‘Waar zit u?’ ‘Hier.’ De stem klinkt heel dichtbij. ‘In de boom?’ ‘Ik ben de boom.’ De mond van Bram valt open. ‘Kunt u praten?’ ‘Waarom zou ik niet kunnen praten?’ ‘U heeft geen mond.’

6


7


Salix laat het blaadjes regenen. ‘Treutelreutel! Dove mensen praten ook zonder mond.’ ‘Die hebben handen,’ zegt Bram. ‘Ik heb takken en bladeren.’ ‘Bladeren vallen af.’ ‘In de winter gebruik ik alleen mijn takken,’ gromt de boom. ‘Jij praat met een mond vol tanden. Als je die tanden verliest, dan praat je met een mond vol gat. Dat is precies hetzelfde.’ ‘Hoelang praat u al?’ vraagt Bram. De boom laat een diepe zucht. ‘Vijfenveertig jaar. Zo oud ben ik.’ ‘Waarom heb ik u dan nooit gehoord?’ ‘Je hoorde me wél, maar je verstond me niet.’ ‘Hoe komt dat?’ ‘Geen idee. Vraag het aan mevrouw Tilia. Zij is een genie. Ze weet alles en ze kan alles.’ ‘Alle§? Kan ze ook …’ De kerkklok slaat vijf keer. Bram schrikt. Hij had al thuis moeten zijn. ‘Ik kom morgen terug,’ zegt hij. Dan rent hij naar huis.

8


3 Malus Pa en ma zitten in de keuken te computeren. Op het fornuis staat een pot met groene prut. ‘Wie i§ Tilia?’ vraagt Bram. Pa klapt de laptop dicht. ‘Hoe was de logopedie?’ Bram kijkt de andere kant op. ‘Gewoon.’ ‘Je bent laat,’ zegt ma. ‘Ben je weer blijven treuzelen?’ ‘Op het §choolplein,’ liegt Bram. Bij §alix.’ ‘Schoolplein,’ verbetert ma. Ze maakt haar S messcherp. ‘Je moet beter je best doen, jongen.’ Ze zet de borden op tafel. ‘Wie is Salix?’ ‘Een gordijnboom.’ ‘Een wat?’ ‘Hij heeft lange dunne takken die naar beneden hangen.’ ‘Dat heet een treurwilg,’ zegt ma. Ze geeft iedereen een grote schep prut. Pa wrijft in zijn handen. ‘Andijviestoemp. Lekker! Wat is dat nu met die Tilia?’ ‘§alix zegt dat zij alle§ kan. Alle§! Ik wil …’ Pa legt zijn vork neer. ‘Jongen, je bent te groot voor zulke verzinsels.’ Ma zucht. ‘Je vader heeft gelijk, Bram. Pratende bomen zijn voor kleuters. Doe normaal.’ Bram springt recht. ‘Ik ben geen kleuter,’ roept hij boos. ‘§alix praat echt. Ik …’

9


‘Ga zitten en eet je bord leeg,’ zegt ma streng. ‘Ik wil geen prut.’ Nu wordt ma ook boos. ‘Je kent de regels,’ zegt ze. ‘Wie niet eet, gaat naar zijn kamer. Nu!’ ‘Maar …’ ‘Nu!’ herhaalt pa. ‘Oefen die S nog maar een beetje. Dat is hard nodig.’ Er zit een diepe frons boven zijn neus. Bram sjokt de trap op. Hij gaat op zijn bed liggen, en begint te tellen. Wie telt, heeft geen tijd voor honger en dorst. Van één tot honderd. Duizend keer. Dan is de dag voorbij. 10


De volgende morgen is hij al om zeven uur wakker. Pa en ma liggen nog in bed. Bram neemt een banaan uit de fruitschaal en loopt de tuin in. Naast het schuurtje staat een appelboom. Er hangen niet veel vruchten aan de takken. De meeste liggen op de grond. Hun rode velletje is gebarsten, hun binnenste zit vol smurrie. ‘Erg, hé,’ zegt iemand boven hem. ‘Hé, wat fijn,’ zegt Bram. ‘U praat ook! Dag appelboom.’ ‘Malus is mijn naam,’ zegt de boom. ‘Malus Domestica. Doe me een lol, jongen. Stop die banaan weg.’ ‘Waarom?’ ‘Bananen onder een appelboom, dat is even stom als ijsjes in een frietkot.’ Malus buigt voorover. ‘Neem een appeltje.’ Bram plukt de dikste die hij kan vinden, en neemt een grote hap. De banaan legt hij in het schuurtje. ‘Kent u Tilia?’ vraagt hij met volle mond. ‘De dikke linde? Natuurlijk. Iedereen kent haar. Ze woont in het park. Veel leuker dan hier. Ik ben altijd alleen.’ ‘Waarom verhui§t u dan niet?’ ‘Verhuizen?’ Malus lacht. ‘Mijn wortels mogen niet uit de grond. Dan ga ik dood.’

11


‘Op tv zag ik een§ een boom die kon lopen,’ zegt Bram. ‘Kent u dat, televi§ie?’ Malus knikt. ‘Ja. Tv’s groeien in woonkamers, en ze hebben een buik vol verzinsels. Stom!’ ‘Verzin§el§?’ Bram kijkt sip. ‘Pa zegt …’ ‘Ik hoorde het,’ zucht Malus. ‘Je ouders geloven niet dat bomen kunnen praten. Grote mensen zijn dom. Alles praat. Vraag maar aan Tilia!’ ‘§alix zegt dat Tilia alle§ kan en alle§ weet. I§ dat waar?’ ‘Ja, dat is waar. Tilia staat al meer dan driehonderd jaar in het park. Ze heeft alles gezien en alles gehoord. Ze is geniaal!’ Bram begint te stralen. ‘Dan ga ik naar haar toe,’ zegt hij. ‘Ik wil haar vragen of …’ Boven loopt de wekker af. Een minuut later staan pa en ma in de keuken. ‘Wat doe je daar?’ roept pa. ‘Appel§ eten,’ roept Bram terug. Over Malus zwijgt hij. Ma zwaait met zijn brooddoos. ‘Tijd voor school, jongen.’ ‘Ik kom.’ ‘Hier,’ fluistert Malus. ‘Voor onderweg. Ze schudt haar takken en laat nog een appel vallen. Bram stopt de appel in zijn zak. Dan loopt hij vlug het grasveld over. Bij de deur kijkt hij nog eens om. Malus zwaait naar hem. ‘Ik wacht op jou,’ fluistert ze.

12


Bram wordt helemaal warm vanbinnen. Het is fijn om iemand te hebben die op je wacht.

13


4 In het park Het park ligt aan de andere kant van het dorp, tegenover het station. De kortste weg ernaartoe loopt langs het huis van Seppe. Daarom neemt Bram de lange weg. Twee keer ziet hij een pestkop. Beide keren verstopt hij zich. Klokslag acht steekt hij de spoorbaan over. Oh nee! Om in het park te komen, moet hij door de speeltuin. Kan niet! Bij de ingang staat een groepje jongens uit zijn klas. Pestkop Pieter is er ook bij. Bram duikt weg achter een geparkeerde auto. De jongens lopen naar de glijbaan. Even later zoeft de eerste naar beneden. Bram gaat op zijn hurken zitten, en begint te tellen. Van één tot honderd. Drie keer. Als ze eindelijk vertrekken, is het tijd voor school. Bram sloft hen achterna. Hoe raakt hij bij die Tilia? Hoe kan hij met haar praten zonder dat iemand hem ziet? Moet hij midden in de nacht naar haar toe? Durft hij dat? Hij slaat de hoek om van de Schoolstraat. Vanop de speelplaats komt het geluid van de bel. Twee meisjes haasten zich door de poort. Daarna is de straat leeg en stil. En ineens weet Bram de oplossing. Hij moet Tilia bezoeken als de anderen in de klas zitten. Hij moet spijbelen.

14


De postbode komt de straat in gefietst. Bram kruipt achter een grote vuilbak en wacht tot de man een huis binnengaat. Dan rent hij terug naar het park. Bij het hek staat een tamme kastanje. De takken hangen vol stekelige bolsters. ‘Hallo,’ zegt Bram. De boom zegt niets terug. Aan de stam van de kastanje hangt een bord met een plan erop. Het park is heel groot. Achter de speeltuin liggen de sportvelden. Daar voorbij is er een vijver. Aan de overkant van de vijver is het plan groen gekleurd. Dat is bos. Midden in dat bos staat een kasteel. Bram loopt de speeltuin door. Bij de zandbak ziet hij vier grote kerstbomen. Dennen of sparren. Dat weet hij niet precies. Hij zegt vriendelijk goedendag. Ze reageren niet. De lange zwiepen aan de rand van het sportveld zijn populieren. Daar worden luciferstokjes van gemaakt. Ook zij willen niet met hem praten. Bram loopt door naar de roeivijver. Langs het weggetje staan jonge berkjes met een witte stam. Hun dunne takjes wiegen in de wind. Hun blaadjes ritselen. Het lijkt op gefluister. ‘Hallo?’ probeert hij zachtjes. ‘Hallo? Weten jullie waar ik mevrouw Tilia vind?’ Geen antwoord.

15


Bram krijgt buikpijn. Heeft hij de stemmen van de bomen verzonnen? Is hij abnormaal? Snel loopt hij naar de vijver. Die is zo groot als een voetbalveld. Het water is grijs en rimpelig, de bootjes liggen vast aan kettingen. Van het kasteel aan de overkant ziet hij alleen een stukje toren. De rest zit verborgen achter het groen van de bomen. Het weggetje langs de vijver is smal en modderig. Met diepe plassen en bemoste keien. Bram springt van het ene droge plekje naar het andere. Hij wil geen slijk aan zijn schoenen. Dan gaat ma weer zeuren. De wind blaast dikke wolken over het water. De toren van het kasteel is niet meer te zien. De bomen aan de overkant lijken bijna zwart. Het riet op de oever van de vijver knispert en kraakt. Bram haast zich voort. Gras, kei. Kei, gras. Gras, gras, gras, kei. Kei, kei, gras. Het gaat steeds beter. Nog een sprong. En nog één. En hop … Met elke sprong komt het bos dichterbij. Het lijkt een donkergroene muur met lichte en donkere spikkels. Het laatste stuk van het pad is overstroomd. Dat wordt lastig!

16


Bram springt naar een grote kei aan de rand van een modderplas. Hij mist. De kei rolt weg. Bram valt in het riet. Zijn boekentas vliegt de andere kant op, en zakt weg in de modder. Oh nee! Ma zal woest zijn. Op zijn knieën schuift Bram naar de plas. Hij stroopt zijn mouwen op, en buigt voorover. Stop! Wat ligt daar? Een beest! Een vies beest met groene schubben. De rug steekt boven de modder uit. Is het een krokodil? Bram duikt weg in het riet. Wat nu? ‘Incendio,’ fluistert hij. Dat is de spreuk om dingen in brand te steken. Het werkt niet. Er brandt niets. Het beest blijft rustig liggen en wiebelt met zijn staart. Een grote grijsgroene vogel landt in de modder. Hij hupt op de rug van het beest. En ineens ziet Bram wat het is. Het is gewoon de schors van een boom. Wat een stomkop is hij toch! Snel kruipt hij terug naar de plas, en vist zijn tas eruit. Het bruine leder ziet zwart van de modder. Dat komt niet meer goed!

17


5 Mevrouw Tilia Het pad eindigt bij een wirwar van stekelstruiken. Bram zucht. Ook dat nog! ‘Diminuendo!’ roept hij luid. Zo maak je dingen kleiner. Pech! De struiken krimpen niet. Bram bijt zijn tanden op elkaar, en duwt ze opzij. De stekels prikken in zijn vel. Hij krijgt grote schrammen op zijn handen. De tranen springen in zijn ogen. Aan de andere kant van de wirwar is een randje gras. Daarachter begint het bos. Er staan zoveel bomen dat de lucht niet meer te zien is. De wind zwiept hun takken heen en weer. ‘Mevrouw Tilia?’ Niemand antwoordt. Bram maakt een toeter van zijn handen, en probeert het opnieuw. ‘Mevrouw Tilia?’ Niets. Alleen geritsel en gekraak. Met zijn tas dicht tegen zich aangedrukt, verdwijnt Bram tussen de bomen. Er zijn er honderden. Misschien wel duizenden. Bomen links, bomen rechts, bomen overal. Grote en kleine. Dikke en dunne. Rechte en kromme. Bomen met naalden, bomen met bladeren en kale bomen. ‘Kent u mevrouw Tilia?’

18


Bram vraagt het wel een miljoen keer. Het antwoord is altijd hetzelfde: niets! Hebben pa en ma gelijk? Heeft hij gedroomd? Hij haalt de appel van Malus uit zijn zak. Nee, géén droom! Deze appel is écht. Plots wordt Bram ontzettend kwaad. ‘§tomme bomen!’ schreeuwt hij. ‘§tomme, domme flutbomen!’ In volle vaart rent hij naar de boom die het dichtst bij hem staat en geeft hem een harde schop. Dat lucht op. Hij schopt nog eens. Hij gebruikt zoveel kracht dat zijn voet er pijn van doet. Daar wordt hij nog kwader van. ‘§tomme, vieze luizenboom!’ Zijn voet gaat weer omhoog. En dan … zitten er ineens twee takken rond zijn armen. ‘Fifalderal, ik ben toch geen voetbal!’ Het klinkt woedend. Bram schrikt zich een hoedje. ‘Laat lo§!’ schreeuwt hij. ‘Nee, meneertje boos!’ Een extra dikke tak kronkelt zich rond zijn middel, en tilt hem van de grond. ‘Gevangen!’ Bram wordt bleek om zijn neus. ‘Nee!’ roept hij. ‘Zet me al§tublieft neer! Ik zal het nooit meer doen.’ Zijn stem trilt zo erg dat hij niets meer kan zeggen. De boom zet hem weer op de grond, maar laat hem niet los. ‘Vond je het niet leuk?’ Bram schudt van nee. Hij ziet nog altijd een beetje bleek.

19


20


‘Ik vind jou ook niet leuk,’ zegt de boom. ‘Je lijkt wel een brulaap.’ ‘Ik meende het niet,’ zegt Bram beschaamd. ‘Ik wa§ kwaad. Nu i§ het over.’ De boom laat hem los. ‘Fifalderuk, wat een geluk! We beginnen opnieuw, jongeman. Jij gaat weg. Dan kom je terug. Je klopt op mijn stam en je vraagt of ik mevrouw Tilia ken. Begrepen?’ ‘Nee,’ zegt Bram. ‘Waarom moet ik weg?’ ‘Om terug te kunnen komen natuurlijk!’ ‘En waarom moet ik iet§ vragen wat u al weet?’ De boom zucht. ‘Dat zei ik toch! We beginnen opnieuw. Zit er soms plattekaas in je oren? We doen alsof we elkaar nog nooit hebben gezien. We vergeten wat er gebeurd is. Snap je?’ ‘Kan dat dan?’ ‘Natuurlijk.’ Bram vertrouwt het niet. Hij wil écht weg. Vér weg. Hij heeft geen zin meer in bos en bomen. Hij heeft ook geen zin meer in Tilia. Hij wil naar huis. ‘Wat gaat u met mij doen?’ vraagt hij. De boom antwoordt niet. Bram draait zich om. Het lijkt of alle bomen in de buurt zich uitrekken. Als wachters die zich gereedmaken om hem te pakken. Ze houden hem in de gaten. Dat voelt hij. Links en rechts. Voor en achter. Overal. Vluchten is een slecht idee. Zeker weten!

21


Hij loopt een eindje weg, komt terug, en geeft een tikje tegen de stam. ‘Hallo,’ zegt hij, ‘kent u mevrouw Tilia?’ Heel even blijft het stil. Dan gaat er een rilling door het bos. ‘Fifalderia,’ zegt de boom met een heel andere stem dan daarnet. ‘Ik bén mevrouw Tilia. Mevrouw Tilia Vulgaris.’

22


6 Hoog en droog ‘U?’ stamelt Bram. ‘Bent u de dikke linde?‘ Hij slaat verschrikt een hand voor zijn mond. Vrouwen horen niet graag dat ze dik zijn. Dat weet hij van zijn ma. Gelukkig is Tilia anders. ‘Fifalderik, dat ben ik,’ zegt ze trots. ‘De dikste van het land.’ Haar takken strelen haar zware stam. ‘En jij bent Bram.’ Zijn mond valt open. ‘Hoe weet u dat?’ ‘Oh, ik weet nog veel meer. Je hebt geen broers of zusjes. Je woont in de Rozenstraat. Je bent goed in tellen. Je zit vaak op het kerkhof. Er zit een spreukenboekje in je tas. En …’ Ze aarzelt even. ‘Je hebt een luie tong. Ze noemen je Sjitter. Omdat je slist.’ Bram wordt vuurrood. ‘Kom, kom,’ zegt Tilia. ‘Zo erg is dat niet. Je hebt beter een luie tong dan géén tong. Kom je me bezoeken?’ Bram knikt. ‘Kom dan,’ zegt Tilia. ‘Ik bén hier,’ zegt Bram verbaasd. ‘In mijn kruin, bedoel ik.’ Bram kijkt naar boven. Tilia is zo groot dat hij zijn hoofd in zijn nek moet leggen om haar helemaal te kunnen zien. Hij slikt. ‘Dat durf ik niet.’

23


‘Wedden van wél? Ik zal je helpen.’ Tilia slaat een grote tak om hem heen. ‘Klaar?’ Bram haalt diep adem. Dan zet hij zijn boekentas op de grond. ‘Klaar,’ zegt hij. Tilia slaat een tweede tak om hem heen. En een derde. Ze gaat door tot Bram volledig ingepakt zit. Dan trekt ze hem naar boven. Ze doet het zo zachtjes dat het lijkt of de grond wegzakt. De wereld krimpt. Bram knijpt zijn ogen dicht. Als hij ze weer opent, hangt hij in het midden van de kruin. Tilia laat hem een klein stukje zakken en zet hem op een stevige tak. ‘Zo veilig als een stoel,’ zegt ze. ‘Denk maar …’ De rest hoort Bram niet meer. Een grote, zwarte kraai vliegt rakelings langs zijn hoofd, en komt naast hem zitten. ‘Kra! Kra!’ roept hij. En nog eens. ‘Kra! Kra!’ ‘Wat zegt hij?’ vraagt Bram. ‘Hij vraagt wat je hier komt doen. Daar ben ik zelf ook benieuwd naar. Waarom zit je niet op school? Spijbelen mag niet, dat weet je toch?’ Het klinkt streng. Bram laat zijn hoofd hangen. In de diepte ziet hij zijn boekentas liggen. Die lijkt niet groter dan een portemonnee. Heeft Tilia gelogen? Was ‘opnieuw beginnen’ een list om hem te vangen? Is ze nog boos? Wil ze hem naar beneden gooien? Zijn hart klopt in zijn keel. Snel telt hij tot twintig. Dat helpt. ‘Ik wil niet langer Sjitter zijn,’ fluistert hij. ‘Ik wil Bram zijn.’

24


25


‘Ik wil kunnen praten met een gewone …’ Hij tekent een S in de lucht. ‘Kan dat?’ ‘Fifalderee. Goed idee,’ antwoordt Tilia. ‘Maar eerst heb ik een vraag voor jou. Hoe leerde je de bomentaal?’ ‘Dat weet ik niet,’ zegt Bram. ‘Zomaar.’ ‘Niets zomaar.’ Tilia lacht. ‘Je was in je boekje aan het lezen. Dat weet ik van de wind. Hij hoorde je. Weet je nog?’ ‘Ja,’ zegt Bram. ‘U heeft gelijk. Nu weet ik het weer. Ik probeerde een moeilijke. Een §preuk met een …’ Hij tekent weer een S in de lucht. ‘Komt het daardoor? Had ik er eindelijk eentje goed?’ ‘Heel zeker!’ Mevrouw Tilia knikt. ‘Zal ik je een geheimpje verklappen?‘ Ze steekt direct van wal. ‘Die Potterspreuken deugen niet. Er zitten fouten in. Goede toverformules mogen niet in een boek. Veel te gevaarlijk.’ Ze schudt haar kruin. Al haar takken schudden mee. De tak waarop Bram zit, lijkt wel een schommel. ‘Maar …’ gaat Tilia voort. ‘Je maakte zelf ook een fout. In het boek stond draconifors en jij zei draconifor§. Met die rare slis-§. Daardoor werd die foute spreuk goed, en daardoor versta je nu bomentaal. Eén etmaal lang.’ ‘Na het eten lukte het ook nog,’ zegt Bram. Tilia lacht. ‘Geen eetmaal, jongen. Etmaal. Dat wil zeggen: vierentwintig uur. Vanavond om halfvijf is het afgelopen.’

26


‘Maar dat wil ik niet! Ik vind het hier fijn. En bij Malu§ en §alix ook. Ik wil niet dat het gedaan is. Ik héb alleen maar jullie om mee te praten.’ Zijn stem klinkt waterig. ‘Als je niet meer slist, kun je met de hele wereld praten,’ zegt Tilia. ‘Of blijf je liever Sjittertje?’ Bram schudt zo hard van nee dat hij bijna van zijn tak tuimelt. Tilia kan hem nog net op tijd vastgrijpen. ‘Nee,’ Ik wil niet meer §li§§en.’ ‘Dacht ik wel,’ zegt Tilia. ‘Fifalderong, we oefenen de tong!’ ‘Oh nee,’ zucht Bram. ‘Oh ja,’ lacht Tilia. ‘Het wordt leuk. Beloofd!’ Ze geeft hem een paar van haar blaadjes. ‘Fijnkauwen, jongen. Niet doorslikken. Gewoon in je mond houden. Zoals kauwgom.’ Bram rolt met zijn ogen. ‘Waar is dat goed voor?’ ‘Dat merk je wel, wijsneus. Vooruit!’ Bram kauwt de blaadjes tot moes. Het smaakt naar andijvieprut. ‘Lekker, jongen? Of vies?’ Bram haalt zijn schouders op. ‘Lekker of vies?’ herhaalt Tilia. ‘Niet liegen! Daar houd ik niet van.’ ‘Vvv§§,’ mummelt Bram. Er loopt een fijn straaltje prut over zijn kin. ‘Nog eens.’

27


Bram klemt zijn tanden op elkaar om de prut binnen te houden. ‘Viess. Ssorry.’ Zijn mond zakt open. De groene drab loopt over zijn kin op zijn jas. Hij merkt het niet. ‘Hoorde u dat?’ lacht hij. ‘Hoorde u dat? Ik zei ‘vie§’, ik zei ‘vie§’ met een …’ Zijn lach verdwijnt. ‘Het lukt niet meer, maar ik zei het. Ik zei het écht.’ Tilia knikt. Het hele bos knikt, ziet Bram. Of komt dat door de wind? ‘Doen we voort?’ vraagt Tilia. ‘Graag,’ zegt hij. Ze oefenen de hele morgen. Om twaalf uur plukt Tilia met haar takken zijn boekentas van de grond. ‘Etenstijd, jongeman.’ Snel propt Bram twee boterhammen met kaas naar binnen. ‘Moet u nietss?’ vraagt hij. De S zit nog niet helemaal goed, maar het is geen sjit meer. ‘Ik eet de hele dag door,’ antwoordt Tilia. ‘Met mijn wortels. Daarom ben ik zo dik.’ ‘Mijn tong tintelt,’ zegt Bram. ‘En mijn brood ssmaakt naar blad.’ ‘Je lijkt zelf een blad,’ giechelt Tilia. ‘Je lippen, je kin, je jas … alles is groen.’ De hele namiddag blijven ze bezig. Eerst mét prut, daarna zonder. Makkelijke woorden en moeilijke: sas, stoomschip, stekelstruik, sassefrasjes. Het gaat steeds beter.

28


Om halfvier doet Bram de eindproef. ‘Seppe staat vol stekels, en niest slijmerige snottebellen.’ Hij zegt de zin tien keer na elkaar. Zonder sjitjes.

29


7 Stekels De hele weg naar huis rent Bram. Zigzag door het bos, dwars door de stekelstruiken, recht door de plassen. Voorbij de populieren, de berkjes, de sparren of de dennen. Allemaal zeggen ze vriendelijk goedendag. Bram hoort het niet. In zijn hoofd is alleen maar plaats voor S’jes. Onder de kastanjelaar, bij de uitgang van het park botst hij pardoes op de pestkoppen. Seppe grijpt de tas van Bram, en gooit hem in het gras. ‘Heb je geen ogen in je kop, Sjitter? En wat zit er op je lippen? Groene sjit?’ Kevin port hem in zijn zij. ‘Tong verloren, Sjittertje?’ Bram haalt diep adem. ‘Seppe staat vol stekels, en hij niest slijmerige snottebellen,’ zegt hij zonder sjitjes. Vier monden zakken open van verbazing. ‘En nog iets …’ Bram kijkt hen één na één recht in de ogen. ‘Mijn naam is Bram.’ ‘Krijg nu wat,’ zegt Arno. ‘Bram is zijn sjitjes kwijt.’ ‘Maar toch blijft hij sjit,’ gromt Seppe. Hij geeft Bram een stomp in zijn maag, en duwt hem op de grond. Als hij hem opnieuw wil stompen, komt er een luid gekraak uit de kastanjelaar. Seppe kijkt op. Een bolster vol stekels raakt hem midden op zijn voorhoofd. Hij brult van de pijn. Een tweede bolster valt op zijn wang. Een derde schramt zijn pols.

30


31


Seppe springt opzij. Het maakt niets uit. De bolsters vliegen hem om de oren. Ze prikken gaatjes in zijn vel, en haken zich vast in zijn dikke trui. Hij ziet eruit als een stekelvarken, en zo krijst hij ook! De kastanjeregen stopt. Seppe rent weg. De anderen hollen hem achterna. Bram loopt naar de boom. ‘Dank u,’ zegt hij. Van boven komt alleen geritsel. Bram kijkt op de stationsklok. Halfvijf. Het etmaal is voorbij. Tijd om opnieuw te beginnen. Tijd om slisjes te gaan oefenen.

32


Bram kan geen S uitspreken, en daar wordt hij op school zwaar mee gepest. Het liefst van al zou hij alle S’en en alle pestkoppen wegtoveren. Maar geen enkele toverspreuk werkt. Dan leert hij Salix kennen en Malus en Tilia … Zullen zij hem kunnen helpen?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Martine Van Audenhove Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N2 – Sjittertje by die Keure - Issuu