Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N1 – Wit als sneeuw

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Wit als sneeuw Marijke Umans

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

7


Wit als sneeuw

’t Was koud, echt putje winter. Binnen brandde de kachel, buiten scheen de zon. Het was de dag dat ik geboren werd, de dag dat mijn leven begon. Ik was klein, had pikzwart haar een vaalwitte huid en bloedrode lippen ik kreeg de naam Sonia, het volk reageerde daarop als dwaze kippen!

SONIA?? WIE NOEMT

ZIJN KIND N

U SONIA IN

T NIE IND TEN? K E AT T D ITJE H E MO UWW E SNE

DEZE TIJD?

Is dat niet van Sonia de roversdochter? Dat is wel Ronja, hé! Aaah!

1


Mijn vader die is koning, leeft al jaren keurig hier in het paleis. Hij heeft sinds mijn geboorte een nieuwe vrouw: mijn stiefmama, ik vind haar dom en eigenwijs. Mijn stiefmoeder die kwam er, helaas voor mij, zeg dat wel, omdat mijn mama plots verdween, gewoon dood, in minder dan een tel! Mijn papa was in shock, want hij hield veel van die vrouw. Alleen kon hij niet voor me zorgen, toch niet zoals hij werkelijk wou. Hij snikte en hij treurde, hij zat in zak en as. Hij vond dat ik zonder mama, net was als een spiegel zonder glas. Toen dit nieuws werd verspreid, hebben wel honderd vrouwen zich aangemeld. Ze slijmden en ze fleemden bij papa en hebben zich zo als nieuwe moeder voorgesteld. De vrouwen kwamen stoefen en pronken, maar papa die vond niemand goed genoeg voor hem en mij, tot hij daar een vrouw zag staan, niet in maar naast de lange rij.

2


Volgens papa was ze mooi. Niet gewoon mooi, maar bloedmooi en charmant. Zo mooi dat zijn hart een tel stilstond, en zonder twijfel reikte hij haar meteen zijn koningshand.

Dat had hij beter nooit gedaan, de domme papa, maar hij was verblind door zijn verdriet. Mijn brave papa zag de gemeenheid en de wreedheid van die vrouw toen nog niet.

3


De vrouw lachte naar mijn pa, en voelde zich al op en top koningin, nog voor de trouw, voor het feest, nog voor de werkelijke bekroning! Ze was lui en had een boze tong. Ze was enkel op geld en schoonheid uit. Mijn stiefmoeder was een ramp! Een monster, een regelrechte tuttebellen-ijdeltuit! In de hal van het paleis hing een spiegel met randen van goud. Hij hing er al jaren, was machtig en oud. Hij bezat een kracht als geen ander, kon praten, zien en voorspellen. De spiegel in de koningshal kon …verhalen vertellen … Sinds de ontdekking van die spiegel door mevrouw de majesteit stond deze er uren in te kijken en herhaalde ze dezelfde vraag altijd:

4


Spiegeltje, spiegeltje in mijn hand wie is het mooiste in heel dit land?

Oh koningin, zo mooi als u is er geen één. U bent een parel voor het oog. De mooiste van iedereen! 5


Door al dat turen in de spiegel, zag mijn liefste stiefmama niet dat ik van kleine meid groeide tot een coole, zelfstandige jonge griet. Voor mij viel er niets te beleven. Ik voelde me opgesloten in het grote paleis. Ik verveelde me te pletter, alle dagen waren steeds hetzelfde grijs! Om de tijd te doden, zong ik uren in mijn toren. Ik maakte liedjes tegen mijn stiefmama, lelijk en luid, in de hoop dat ze de tekst zou horen.

6


Ik geloof dat het in de lente was. Het was alleszins een dag ergens in mei, toen er eindelijk iets gebeurde dat het leven zou veranderen voor mij. Net toen mijn lieve stiefmama vroeg aan de spiegel om te laten horen, hoe mooi en spuugknap ze was, en wie er op aard het mooist was geboren antwoordde de spiegel niet wat ze wou …

‘Mevrouwtje, u bent mooi, dat kan ik niet ontkennen, maar de allermooiste vrouw, moet ik eerlijk bekennen, loopt elders hier in huis. Ze zit uren op haar kamer. U zal haar vast herkennen. Ze is zo schoon, zo puur, zo af. Ze zal u altijd overtreffen, (tenzij ze eerder als u rust in haar graf.)’ Stiefmama werd razend, echt furieus ze ging door het lint, ergerde zich blauw

‘Dat kun je toch niet maken, dat kan nu toch niet zijn, ben je blind geworden? Dat vies klein rot venijn? Mooier dan mezelf, de mooiste koningin???

7


Dat kun je niet menen! Stomme spiegel, daar trap ik toch niet in! Niemand overtreft mijn schoonheid, niemand! Nu niet, nooit niet! Ik maak dat grut klein! Die griet verdient het niet dat zij er beter uitziet. Zij moet dood en zo meteen! Mooier dan mij is er geen één! Ze moet verdwijnen uit mijn zicht, dat stom onnozel wicht! Ik duld geen schoonheidsconcurrent zeker niet van zo’n serpent … WANT Ik ben de knapste, ik ben de braafste, zo mooi en welgevormd. Ik ben zo aardig, zo merkwaardig, ik heb een aantrekkelijke kont. Ik ben straf en bekwaam, schoonheid is mijn naam. Ik ben fraai en doorkneed, altijd charmant gekleed.

8


9


Via de een of andere koninklijke krant, verspreidde ze een boodschap aan alle jagers van het land:

Gezocht met spoed: een jager snel en goed om Sonia te doden volgens basismethode, schieten met een jachtgeweer, 1 knal, weinig bloed, weinig zeer. Ruk uit haar hart en breng het mij. Een beloning wacht op jou, en ik ben eeuwig blij! Verschillende mannen hebben zich aangemeld. Mijn stiefmama heeft gewoon de eerste de beste meteen voor deze taak aangesteld. Intussen bereidde ze geheel onschuldig een heerlijk afscheidsdiner voor mij en voor papa en gaf ze me na het dessert aan de jager mee. Ik vond het niet erg, zelfs ontzettend aangenaam om de trut te verlaten en met de jager tot diep in het bos mee te gaan. ‘Oh lieve jager,’ zei ik hem, hij was toevallig ontzettend knap. ‘Waarheen breng je mij? Spannend hé, vind je niet? Zo samen in het bos, zij aan zij?

10


In ’t paleis is ’t saai! Er valt echt niks te beleven, kom je me vaker halen? Af en toe, voor heel even?’ Heel diep in het bos gingen we even rusten. Ik bereidde me voor op hoe een prinses en een jager kusten. In plaats van een kus kreeg ik te horen: ‘Sonnie, kijk, het is heel simpel: je moeder wil je enkel nog in stukken. Je bent te mooi voor haar Ik moet je doden, en als bewijs minstens je hart eruit rukken.’ Ik had het kunnen denken, zo’n gemene vrouw! Een rilling bij die gedachte maakte me op slag compleet kou. Ik was sterk en liet me niet doen. Wat dacht dat mens wel? Dat ze te maken had met een oen? Ik had in de boekjes gelezen wat een blik van een vrouw met een man zoal doet, dus hapte ik naar adem en gaf de jager mijn allerliefste snoet.

11


‘Lieve jager,’ lachte ik, ‘neem mijn hand en ga met me mee. Over de bergen, diep in het bos, gelukkig aan zee. Verover mijn hart en trouw met mij, dan maak ik jou, en jij mij voor altijd, forever superblij! Dat is beter dan doden, jager, believe me ik heb zoveel te bieden, can’t you see?’ En toen stond ik daar met mijn ogen gesloten, mijn mond in een tuit, maar de jager deed niets geen zoen, geen gebaar, daar kon ik niet aan uit! Er was toch niks mis met mij? Ik rook lekker, en bovendien zag ik er redelijk goed uit, kon de jager dat niet zien? Hij liet me staan en zei: ‘Oh Sonia, ik wil wel maar kan het niet maken. Ik wil mijn duit graag ontvangen en heb nog een job of tien.’ Hij keek me aan en kneep in mijn wangen.

‘Maar mijn lief ding, ga jij alvast op verkenning en maak ons een romantisch plekje klaar. Ik kom dan later, als alles geklaard is als een echte prins naar daar.’ (beloofd en beloofd is beloofd, dat is waar!)

12


Ik zag het al helemaal voor me, in het bos of aan zee. Een huisje klein, alleen voor ons, voor ons echt met twee. Maar plots dacht ik aan de feeks en vroeg ik hem:

‘Maar hoe ga je dan in godsnaam mijn stiefmoe overtuigen? Mijn lieve jager, kleine heer … Of schiet je me toch nog, als ik mijn rug naar je keer?’ Hij antwoordde direct en doordacht: ‘Sonnie, hoe ik dat oplos, dat zul je later wel horen. Ik ben namelijk met een goed hart en een stel hersens geboren.’ Hij gooide een kus op zijn hand en verdween. Liet me daar achter, verward en alleen. Blijkbaar nam de jager toen hij bij mij is weggegaan van een varken een hart bloedend en rood en gaf het aan de trut en zei: ‘Het hart van je dochter, kijk, ze is dood.’

13


Mijn stiefmoeder knikte goedkeurend. Tevreden en voldaan nam ze het hart in ontvangst en rook er eens aan.

14


‘Ik ruik klein stom kind en protjeswind! Ik ruik onnozel wicht en bliksemschicht. Ik ruik ijdelheid en jaloezie, stinkpoep en rotte brie. Ik ruik tuttebel en nooit niet meer. Ik ruik ik ruik … de dood, die ik zeer hard adoreer!’ Stiefmama lachte en gaf een beloning aan de jager. Ze ging voort met haar plan. Ze dekte de tafel feestelijk en bakte het hart bruin in de pan. ‘Oh wat heerlijk,’ zei papa en at er smakelijk van. ‘Wel jammer,’ smakte hij ‘dat Sonia dit niet proeven kan.’

‘Weet jij trouwens waar ze is, mijn allerliefste vrouw? Ze is zo laat thuis, dat gebeurt toch niet gauw!’ Stiefmoeder keek hem recht in de ogen en veinsde een traan. ‘Lieve man, luister,’ zei ze. ‘Dat kind is zomaar weggegaan.’

15


‘Toen de spiegel vertelde dat ik mooier ben dan haar, nam ze meteen haar koffers en vertrok ze zomaar …’ Papa fronste, maar geloofde haar verhaal. ‘Vrouwen en schoonheid,’ zuchtte hij. ‘Dat begrijp je als man nooit helemaal.’ Meteen nog diezelfde avond liet hij de wereld weten, dat ik voor hem de mooiste ben en dat ik dat nooit mag vergeten! Intussen zat ik in het vliegtuig op weg naar de bergen en de zon naar een verlaten plek, waar die stiefmoeder me niet meer vinden kon! En daar, in dezelfde vlucht zaten dwergen, dat bleek zo, behaard en stoer. Ze stonken uren in de wind maar dat interesseerde me geen moer! Ze grapten en grolden een hele rit lang en zaten zo knus bijeen. Ze waren lief, leken eerlijk en echt niet gemeen.

16


De ene heette Ivo, een kleine stoere dwerg. Hij had echt geen manieren maar dat vond niemand erg. De tweede heette Harry, een echte domoor, een oelewapper. Hij was het kleinst van alle zeven maar was wel erg dapper. Er waren er vier onafscheidelijk: Greg, Dries, Mats en Stijn. Ze speelden samen spelletjes, spelletjes vol venijn. Ten slotte had je Ronald, die was echt niet te schatten! Hij viel overal in slaap en zijn voeten stonden vol met wratten.

17


18


Geland en wel ging ik met hen mee. Dat was onderweg beklonken, ze hadden namelijk een huisje in ’t bos, vlak bij de zee. Die zeven kleintjes hielden niet van poetsen, van orde evenmin, dus lieten ze mij als hulpje er al te graag mee in. Er was nog net één bedje apart van hun slaapzaal, want zij zeven sliepen en ze stonken in dezelfde kamer en snurkten werkelijk allemaal. Sindsdien bestond mijn leven uit poetsen, koken en zorgen, een dwergendag in, een dwergendag uit! Dat was fijn en druk, maar na een poosje wilde ik er wel eens tussenuit. Omdat ik het huis en de dwergen zoveel aandacht moest schenken, was er maar weinig tijd over om aan weggaan of aan het paleis terug te denken. De dwergen genoten van mijn aanwezigheid en ik zag aan hun ongelooflijke aanstellerij dat ze er stiekem van droomden om ooit op een dag te mogen trouwen met mij.

19


Ze zongen zo vals als een kat, maar vrolijk als wat, bijna elke dag vanuit hun bad:

‘Ik droom ik droom ik droom ervan dat het ooit wel echt eens kan dat Sonia met me trouwt en eeuwig van me houdt. Dat ze kan helpen bij: Schrobben van mijn rug kuisen van mijn teen knippen van mijn neushaar krabben op mijn been koken van wat lekkers wassen van mijn haar reinigen van mijn oren kijken naar elkaar doebidoedadoebididaa poetsen van mijn schoenen boenen van het hout dweilen van de vloer de voorraad onderhoudt strijken van de was verjagen van de spinnen zemen van de ramen elkaar altijd beminnen.’

20


De dwergen mochten dromen, er zelfs onderling over praten, wat zij niet wisten, was dat ik hen toch ooit zou verlaten! Ze waren wel stoer en heel attent, maar ik zag in geen van hen mijn toekomstige vent. Bovendien ging geen enkele nacht voorbij, zonder één keer te dromen over die knappe jager die beloofde om naar me toe te komen. Hij zou me komen halen, dus mijn verlangen was intussen vurig. Het wachten had lang genoeg geduurd! Ik werd erg ongedurig! De dwergen gingen elke dag uit werken en waren ’s avonds superblij met mijn zorg en mijn warmte. Ze voelden zich goed bij mij. Maar ik werd het beu, hoe langer hoe meer. Ik wilde meer spanning in mijn leven, ik wilde een gentleman, een echte romantische heer!

21


Omdat het zo lang duurde voor hij me begroette, liep ik af en toe door het bos en de bergen in de hoop hem zo te ontmoeten …

‘Prinsje prinsje, kom maar gauw! Prinsje prinsje, ik wacht op jou …’ Intussen was het in ’t paleis vredevol en rustig. Mijn stiefmoeder sliep op rozen, sinds de spiegel haar kort na mijn verdwijnen weer tot mooiste had uitgekozen. En op een dag vroeg ze uit verveling, of eerder gewoon als grap, hoe mooi ze ook weer was, hoe volmaakt en hoe knap.

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is nu weer de mooiste van heel dit land?’ Maar de spiegel antwoordde dit keer niet wat ze verwachtte: ‘O koningin, zo mooi als u is er geen één. U bent een parel voor het oog, u bent bijna de mooiste van iedereen.

O mijn majesteit, diep in het bos, over de bergen, aan zee, hier ver vandaan, leeft Sonia tussen dwergen en trekt ze haar het lot van hen aan.

22


Ze is niet mooi maar prachtig schoon, niemand kan haar evenaren, zelfs u kan dat niet met uw schoonheid, zelfs u kan dat niet gewoon …’ Mijn stiefmoeder brak. Ze voelde zich bespot, werd razend, ging over haar toeren! Maar gaf zich niet over aan het lot. Ze herpakte zich meteen en broedde op een plan, haar schoonheid terugwinnen zou ze, die lelijke oude tiran!

‘Van deze appel zal ze bijten en de dwergen met al hun stommiteiten zullen hun oogballen eruit krijten. Ze zullen schreien, huilen, janken en hun prinsesje dood moeten afdanken! Sterven zal ze, sterven, creperen, stikken, doodgaan, bezwijken, barsten, heengaan, sterven zal ze, sterven …’

23


Ze lachte schel en gemeen. En zo met een mand vol appels en vermomd als arme oude vrouw, ging ze per schip naar de dwergen, de bestemming die ze wou! Ik was met kookpotten in de weer, toen iemand klopte op de deur. Eindelijk dacht ik! Hij is daar. Ik vertoonde me met mijn beste humeur. Maar helaas, het was een vrouw, Van wie ik nauwelijks kon geloven dat dit mijn stiefmoe was. Zo oud, zo lelijk, zo krom voorovergebogen.

24


25


‘Mijn lief lief kind, zei ze. Wil jij een stukje fruit? Mooi meisje, ik kies speciaal voor jou de mooiste appel uit!’ Natuurlijk kende ik de afloop van dit verhaal. Ik speelde het spel met haar mee, ik was klaar voor verandering. Haar bezoek bracht mij op een idee … Ik lachte en hapte toe. Met smaak kauwde ik vol geduld op een stuk roodblinkende appel, compleet met gif gevuld … Nog geen tel later viel ik op de grond, met een klein stukje appel verborgen in mijn mond! Daar lag ik. Stil. Zij vertrok weer naar het paleis, met een lach zo schel en zo gemeen, een lach die na bleef klinken, die sneed door merg en been.

26


De dwergen kwamen thuis na een zwaar vermoeiende dag. Ivo liep voorop, hij was de eerste die mij zag. ‘Sonia! ’ riep hij luid. Ik hoorde hem wel maar kon zelfs mijn ogen niet meer bewegen. Hij blies op een hoorn, als alarmbel. De andere zes kwamen aangelopen, helemaal in paniek. Ze riepen, schreeuwden en tierden. Harry maakte zelfs muziek. Maar niets van wat ze ook probeerden kon helpen mij te wekken. Voor hen leek ik dood en ze huilden als zeven gekwetste gekken. De zeven dwergen bouwden zorgvuldig de allermooiste kist. Met een deksel uit glas en ze keken erg triest. Ik lag daar te liggen, het was nog saaier dan voorheen. Nu gebeurde er werkelijk NIETS. Ik lag daar nog eenzamer dan eenzaam alleen.

27


Harry die week geen enkel ogenblik een meter van mij vandaan. Voor hem was zijn leven samen met het mijne gedaan. En toen hoorde ik plots een paard. Ik begon spontaan te zingen. Was het de jager of niet? Ik kon me niet langer bedwingen … Ik moest en zou een glimp opvangen. In mijn hoofd zong ik een wijsje, mijn zelfgemaakte liefdeslied over ons paradijsje. Dat klonk als ze leefden nog lang en gelukkig. Dat klonk zo wonderschoon, dat klonk als echte liefde, echt niet gewoon! Ik hoorde de sporen van het paard, dichter en dichterbij. Ik plaste bijna in mijn broek, zo spannend was het, ik werd zo blij! Ik wilde op het glas blazen, schreeuwen, hier ben ik, gillen! Maar kon me nog steeds echt niet bewegen, laat staan het glas optillen.

28


Ik werd gek van ongeduld en het toppunt was: het beest heeft niet eens stilgestaan. Het bleef gewoon gaan, in volle galop, met volle gas. Mijn prins, mijn jager, was jij het dan niet? Ik stierf, voor een tweede keer van teleurstelling, van verdriet. Hij was er niet. Hij was zijn belofte niet nagekomen. Zoveel was zeker, dat ik voor niets had gewacht in mijn dromen. Mijn papa in het paleis had plots begrepen wat voor vlees hij in huis had gehaald. Hij heeft stiefmama verbannen en stierf van verdriet omdat hij tegenover mij zo had gefaald. Het paleis stond nu leeg te wachten op mij en aangezien de prins niet kwam, wrong ik met al mijn macht, mijn lichaam op mijn zij. Zo vloog het stukje appel uit mijn keel en kon ik stoppen met al mijn ‘ik ben dood en ik wil aandacht-gespeel’.

29


De dwergen schrokken zich te pletter, konden niet geloven wat ze zagen. Maar voor mij was het genoeg geweest, ze konden mij niet meer behagen. Nadat ik het nieuws van papa had gehoord, ben ik door het bos naar huis gegaan. En dit geloof je nooit, maar onderweg zag ik daar een lieve man staan. Hij werkte daar, als boswachter. Hij was grappig maar had geen paard, wel een dikke snor en een lelijke baard. We keken elkaar recht in de ogen. Ik werd zelfs verlegen, kun je dat geloven? Ik keek en was stil, ik zei echt niet veel, behalve euhum en euuu bleven de woorden steken in mijn keel. Hij was niet de mooiste maar wel stoer, warm en lief. Hij was groot, sterk en leek enorm sportief.

30


Maar ik moest gaan, mijn tocht voortzetten, op weg naar het paleis, dat kon niemand me beletten.

31


We hebben wel elkaars adres gevraagd en schrijven sindsdien. Dat maakt het draaglijk elkaar niet te zien. Dit hier is het laatste, het is nog maar een maandje oud. Hij schrijft daarin dat hij eigenlijk van me houdt:

Liefste S. In het bos schitteren de kleuren, groen, geel, bruin, wit, zwart en rood, maar niets is, mijn liefste, zo dieprood, zo bloedrood als jouw lippen. Niets zo pikzwart als je haar en zo wit als jouw huid vind ik ook niets terug. Ik mis je en kom naar je toe. Ik kom je halen. Als prins. Met een paard. Wacht op me! Liefs, John. PS Ik heb mijn snor geschoren en ook mijn baard is er niet meer. Een maand geleden. Een maand. Een kleine maand. Een lange maand. Een maand. Ik wacht. Dat doe ik. Ik wacht op mijn prins. Bestaat een prins? Zal hij komen? Ik zit en wacht. Meestal voor het raam op mijn kamer in het paleis. IK WACHT...

32


’t Was koud, echt putje winter. Binnen brandde de kachel, buiten scheen de zon. Het was de dag dat ik geboren werd, de dag dat mijn leven begon. Ik was klein, had pikzwart haar een vaalwitte huid en bloedrode lippen ik kreeg de naam Sonia, het volk reageerde daarop als dwaze kippen!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Marijke Umans Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 7 - N1 – Wit als sneeuw by die Keure - Issuu