ucatieve uitgaven
BIEB
Drie meisjes van Ieper Koen D'haene
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
6
Drie meisjes van Ieper
1
1 De klok van de Sint-Maartenskerk slaat zes keer als Lena, Lucia en Marima op de vismarkt komen. Een marktkramer met een dikke puist op zijn neus ment1 zijn paard en roept luid naar een vieze hond die geen zin heeft om plaats te maken. De hond schrikt op, slaat even zijn ogen op en maakt dan tegen zijn zin plaats voor de driftige koopman. ‘Papa zal weer woest zijn,’ moppert Marima. ‘Zoals de vorige keer toen we van de markt kwamen. Best dat oom Gilles er toen was, anders kregen we weer een pak rammel!’ Lena blijft staan en kijkt haar vriendin verbolgen2 aan. ‘Zeg, zoals jij het vertelt, lijkt het alsof je vader wel erg boosaardig is. Slaat hij je soms?’ ‘Soms wel, maar niet vaak. En niet hard, dat mag niet van mijn ma!’ ‘Haha,’ lacht Lena. ‘Zijn eigen kinderen slaat hij, maar zelf is hij bang van zijn vrouw. Zielig hoor …’ Marima legt haar hand op de schouder van haar vriendin. ‘Maar hij doet het echt niet vaak, hoor! Ik hou erg van mijn papa. Ik mag hem alleen niet boos maken.’ ‘Weet ik wel …’ zegt Lena. ‘Ik maakte maar een grapje. Ik ken je papa wel. Ik vind hem grappig!’ Lucia zegt de hele tijd niets en kijkt naar de drukte om zich heen.
2
De marktkramers ruimen hun waren op en vullen hun tassen en manden met wat ze die dag niet konden verkopen. Op de straatstenen trappelen nerveuze duiven rond. Ze hopen de restjes brood en vis in de modder te kunnen veroveren. Tegen de gevel van een herberg verzamelen de boogschutters. Straks gaan ze proberen de houten papegaai hoog op de kerktoren neer te schieten. Jammer dat de meisjes niet naar de wedstrijd kunnen blijven kijken. Ze moeten naar huis voor het helemaal donker wordt, anders zwaait er wat. Vooral de papa van Marima wil dat ze stipt op tijd thuiskomt. Ze moeten verder. Een vieze geur van rottende vis dringt de neuzen van de meisjes binnen als ze aan de verlaten vismarkt komen. ‘Bwah …’ klaagt Lena. ‘Die stinkende vis hier …’ Ze zeggen niks meer en ze lopen zo snel als ze kunnen met de hand voor hun mond en neus weg van het rumoerige plein.
3
Het wordt al donker als ze naast de Ieperlee bij het houten huis aan de Mesenpoort komen. Marima tast aan haar been. Vorige week kreeg ze een beet van een rat en die laat zich nog altijd voelen. Maar ze klaagt niet. Dat heeft haar grote broer haar geleerd. ‘Nooit laten merken dat je pijn of verdriet hebt!’ zegt hij altijd. En hij kan het weten. Zijn ene been is verlamd. Hij verbijt elke dag de pijn als hij zich naar de weverij sleept. ‘Laat me maar,’ zegt hij als iemand hem wil helpen. ‘Met twee slepen aan één been lukt toch niet!’ De meisjes schrikken als ze net voor de poort het aarden pad langs de vestingmuur op gaan. Uit het niets verschijnt ineens een wit paard en het blijft naast hen op het pad trappelen. Kwam het dan door de poort of hadden ze het gewoon niet gezien toen het achter hen liep? Maar … een paard hoor je toch naderbij komen? Het was net zo stil als ze hier kwamen. Vanachter het paard komt ineens een jonge man tevoorschijn. De meisjes blijven staan en zeggen niks meer. De jonge man is rijk gekleed met een blinkend wit hemd en een grote rolkraag. Hij neemt zijn zwarte pluimhoed af en maakt een diepe buiging voor hen. ‘Goedenavond,’ zegt hij plechtig. ‘Mijn naam is Malegijs. Ik ben blij jullie hier te ontmoeten. Mag ik mijn mooiste en trouwste paard aan jullie voorstellen?’
4
Terwijl hij het zegt, haalt hij een grote lantaarn uit zijn schoudertas. Het lijkt alsof hij een vlam tovert uit zijn hand. Hij maakt een snelle en sierlijke zwaai en het duurt maar even of er brandt een groot licht in de lantaarn. Pas nu zien ze hoe mooi het witte paardje versierd is. Zijn blinkende vacht is heel glad en er ligt een sierlijke doek over zijn rug. Er zijn groene papegaaien en kleurrijke bloemen op geborduurd. Aan de buik van het paard slingeren mooie bloemen die eruit zien alsof ze net van het veld zijn geplukt. De lange manen van het paard zijn kunstig gekamd en aan zijn staart hangen bonte linten uit dure stof. Op zijn rug ligt een zwart zadel en daarover ligt een mooie geweven doek. Lena, Lucia en Marima blijven met open mond naar het paardje gapen. Het kijkt hen met grote droevige ogen aan.
5
‘Wie van jullie heeft ooit al zo’n mooi paardje gezien?’ De meisjes zeggen niks en schudden het hoofd. ‘Het paardje komt uit Japan. Het is het mooiste paardje dat ik ooit heb meegebracht naar Ieper. Wel tien paarden uit alle hoeken van de wereld heb ik naar hier gebracht, maar dit is echt het allermooiste dier dat ik zag. Ik ben er erg trots op …’ Ineens blijft hij stil. Zijn ogen zijn verdrietig. De meisjes kijken hem verwonderd aan. ‘Maar …’ fluistert hij. Hij kijkt verlegen naar de grond, zijn lippen stijf op elkaar. Lena wil meer weten. ‘Wat, maar? Waarom vertel je nu niet verder?’ Lucia en Marima kijken een beetje bang naar hun vriendin. Ze zet altijd zo’n grote mond op. ‘Maar … Het paardje is ontzettend mooi, alleen … Het laat zich door niemand berijden. Het briest en springt van zodra je probeert om op zijn rug te gaan zitten. De hele weg van Japan naar hier liep het naast me of hing het achteraan met een touw vast aan een rijwagen of een ander paard. Nooit was het moe of bleef het achterop, maar het liet niemand toe om op zijn rug te zitten. Op elke plaats waar ik kwam, probeerden ruiters om het te bedwingen, maar één voor één vielen ze snel en hard op de grond …’ De drie meisjes blijven wat bedremmeld3 kijken. Waarom vertelt Malegijs hen dat verhaal?
6
‘Ze zeggen wel eens dat alleen jonge meisjes een wispelturig paard kunnen bedwingen …’ zegt Malegijs stil. ‘Kijk eens hoe stil het hier naast jullie staat …’ De meisjes kijken naar het paard. Het briest stilletjes als ze het aankijken. ‘Wil je dan dat wij het berijden?’ vraagt Lena. ‘Dat is zo …’ fluistert Malegijs. ‘Ik wou je vragen of jullie het willen proberen. Een klein tochtje op de rug van het paard maken. Dan is het van zijn angst verlost … Zeg mij waar jullie wonen, dan begeleid ik jullie veilig naar huis.’ Lena kijkt niet naar haar vriendinnen. Zoals altijd is zij het die kiest wat ze gaan doen. ‘Dat is goed! Waarom niet? Kijk eens hoe braaf het paardje is. Kijk eens hoe smekend zijn ogen. Hoe lief zijn blik …’ Lucia en Marima zijn verrast, maar Lena laat hen geen keuze. Ze stapt op Malegijs af en neemt het touw van hem over. ‘Kom …’ zegt ze, terwijl ze heel even achterom naar haar vriendinnen kijkt. Malegijs streelt over de gladde hals en de zachte manen van het wachtende paard en zet dan enkele stapjes opzij. ‘Toe maar …’ zegt hij. Tegen het paard of tegen de meisjes? Het paardje gaat even op zijn voorste knieën zitten.
7
Lena gaat naast het dier staan en kijkt Malegijs in de ogen. Hij legt een arm om haar middel en helpt haar het paard te bestijgen. Het paardje blijft stokstijf wachten en bekommert zich niet om wie op zijn rug is komen zitten. Lena neemt de teugels in haar handen en kijkt naar Lucia en Marima. Aarzelend komen ook zij naast het paard staan en zwijgend helpt Malegijs hen om beurt op de rug van het dier. Pas dan gaat het paard weer helemaal rechtop staan. De meisjes gaan dicht tegen elkaar zitten, want veel plaats blijft er niet over. Eerst Lena, dan Lucia en dan Marima. Lena aarzelt nu. Ze kijkt even naar Malegijs, want ze bereed nooit eerder een paard. ‘Wat nu?’ vraagt ze. Maar het paardje wacht niet op wat Malegijs zegt. Ineens begint het voorzichtig te stappen. Het springt niet, het huppelt niet, het steigert niet. Vredig loopt het over de grasstrook naast het pad. Lena houdt voorzichtig de teugels vast, maar ze moet er niks mee. Als ze dicht bij de Mesenpoort zijn gekomen, neemt Malegijs even het touw van haar over. Stil en traag stapt het paard naar rechts. Even later stappen de meisjes trots over het brede pad onder de poort. In de verte zien ze de groene bossen rond de Kemmelberg en de Catsberg.
8
Plots hinnikt het paardje luid. Het werpt zijn achterpoten omhoog, zodat Lena, Lucia en Marima moeite hebben om niet van zijn rug te vallen. Ze nemen elkaar stevig vast en Lena kromt haar handen tot een vuist om het touw niet te lossen. Maar het helpt niet. Het woeste paard denkt niet langer aan wie op zijn rug zit en galoppeert driftig over het grasveld naast het pad. Lena kijkt in paniek achterom. Waar is Malegijs? Hij moet hen helpen om het paard tot stilstand te brengen. Hen zeggen wat ze moeten doen. Nog even en ze vallen met zijn drieën hard op de grond. Zo wild is het paard ineens. Malegijs is nergens meer te zien. Lena tuurt over het veld, naar het pad en ver achter zich naar de stadspoort die snel verdwijnt. Waar is hij naartoe? Als ze in paniek haar armen om de nek van het paard wentelt, merkt ze dat het dier al lang niet meer huppelt over het gras. Steeds sneller gaat het paard met grote sprongen de hoogte in terwijl het steeds wilder en harder briest. Lena hoort haar vriendinnen schreeuwen van angst. Steeds hoger en sneller gaat het paardje. Wat moeten ze doen?
9
2 De meisjes durven niet naar beneden kijken als het paard als een wervelwind hoog boven het landschap zoeft. Lena klampt zich vast aan de hals van het paard. Lucia houdt haar armen stevig rond het lichaam van Lena. Marima knijpt haar handen in de harde stof van het hemd van Lucia. Bij elke windscheut of elke keer als het paard een andere richting kiest, schreeuwen de meisjes van angst. Maar wie kan hen horen? Wie kan hen helpen? Plots vliegt het paardje trager. Het draait een tijdje in grote kringen rond. Dan gaat het ineens lager vliegen. De meisjes durven hun ogen weer openen en kijken naar beneden. Onder hen zijn alleen maar bomen en ook verderop zijn enkel groene heuvels te zien. Waar zijn de huizen gebleven? De grote kerk van Ieper? De smalle straatjes? Het grote plein? Niets van dat alles zien ze nog. ‘Kijk!’ roept Lucia plots. ‘Kijk daar, een kasteel!’ Ze wijst met haar arm over het landschap. Lena en Marima moeten even zoeken tussen de bomen, maar krijgen het dan ook in de gaten. Op een lege plek in het bos staat een indrukwekkend kasteel. Het paard zweeft steeds lager en trager.
10
De meisjes kijken met open mond naar de ronde torentjes, spitse daken, mooie ramen en grote poorten van het gebouw. Waarom hebben ze dit kasteel nooit eerder gezien? Ze kwamen toch al in dit bos? Of was het er toen nog niet? Het paard daalt zacht tot op een grasveld naast de inkompoort van het kasteel. Het buigt door zijn knieën om de meisjes de kans te geven af te stappen. Met knikkende knieën gaan ze een voor een naast het paard staan. Hun mond valt open als ze het kasteel van hieruit bekijken. De toegangspoort is ontzettend groot en bezet met gouden ringen en glinsterende lijsten. Aan elke zijde van de poort is een ronde toren waarop kleurrijke wimpels wapperen. De muren zijn afgewerkt met mooie kantelen.
11
De ophaalbrug over het water is neergehaald. Er staan twee streng kijkende wachters met een spitse speer in de hand aan beide zijden van de toegangsweg. Wat nu? De meisjes kijken achterom naar het paardje. Maar het is er niet meer. Hoe kan dat nu? Ze hoorden toch niks? Ze speuren in de hoogte, maar er is geen spoor van een zwevend paardje te vinden. Ze kijken elkaar even aan. ‘Kom,’ zegt Lena. ‘We kunnen hier toch niet blijven staan? Ik ril van de kou. En van de honger.’ Opeens komt een van de wachters op hen af. Met een bang hart kijken de meisjes naar hem. Als hij bij hen komt, maakt de wachter een diepe buiging. ‘Waarde jonkvrouwen, in naam van de kasteelheer heet ik jullie van harte welkom in het kasteel van Kemmel.’ Hij blijft hen even aankijken. Ze weten niet wat te zeggen. ‘Dag …’ prevelt Lucia. ‘Komen jullie met me mee?’ Hij wacht niet op hun antwoord. Hij gaat naast hen staan, maakt een nieuwe buiging en laat hen voorgaan op de ophaalbrug. Ze schrikken als ook de tweede wachter diep buigt. Zijn harnas klettert tegen de spitse punt van zijn speer. Lena, Lucia en Marima weten niet of ze blij of bang moeten zijn.
12
3 De grote ruimte hangt vol kroonluchters met glinsterende glasparels. De zaal baadt in een fel licht. Wel honderd prachtig geklede mensen staan in een wijde boog rond de hoog klimmende vlammen in de grote haard. De schouw is versierd met bogen en er hangen mooie wandschilderijen aan de hoge muren. Er wordt luid verteld en hard gelachen en in een hoek van de zaal staan muzikanten die hemelse muziek laten horen. Als Lena, Lucia en Marima aarzelend de haardzaal betreden, wordt het heel stil. Iedereen kijkt hun kant op. Alle gesprekken houden op. Een grote man met een kleine ringbaard, getooid in een rijke mantel en met blinkende juwelen om zijn hals, komt op de meisjes af. Lucia en Marima gaan op hun knie zitten om de man te groeten, maar Lena schopt tegen hun been. ‘Doe nu niet zo gek …’ sist ze tussen haar tanden. Ze staan snel weer recht. Tot hun verbazing zien ze dat de kasteelheer ondertussen zelf op zijn knie is gaan zitten. Hij zet zijn sierlijke muts vol edelstenen af om hen te groeten.
13
‘Welkom in mijn kasteel. Van alle gasten die ik vanavond heb uitgenodigd, zijn jullie de allerbelangrijkste. Ik ben fier dat jullie naar mijn feest zijn gekomen …’ zegt hij plechtig. Lucia kan haar verbazing niet inhouden. ‘Maar … we zijn helemaal je gasten niet! We …’ Lena kijkt haar met bliksemende ogen aan. ‘Hou nu toch je mond …’ sist ze tussen haar tanden. De kasteelheer heeft niets gehoord. Hij staat op en zoekt tussen de mensen die zwijgend achter hem staan. ‘Elisabeth en Hortensia!’ roept hij luid. Twee dienstmeisjes komen tevoorschijn. Ook zij zijn mooi gekleed, maar ze dragen geen juwelen om hun hals. ‘Jawel, heer …’ ‘Ga met de juffrouwen mee. Ik wil dat, als ze hier straks terugkomen, hun schoonheid die van alle andere gasten overtreft.’ Er klinkt gemompel in de zaal, maar iedereen buigt voor Lena, Lucia en Marima als ze de dienstmeisjes volgen naar de kleedruimte van het kasteel. De grote zaal staat vol kleerkasten met prachtige jurken, plechtige rokken en feestelijke blouses. Andere kasten zitten volgestouwd met betoverende schoenen, die bezet zijn met fonkelende edelstenen en diamanten. Weer andere kasten zijn gevuld met sierlijke sjaals, handschoenen en hoeden.
14
Tegen de muren hangen grote wandspiegels. Elisabeth en Hortensia helpen de meisjes geduldig om de mooiste kleren te kiezen. Kirrend van vreugde en verbazing stappen ze van de ene jurk in de andere, passen ze schoenen en handschoenen, proberen ze de duurste juwelen uit. Om beurt komen ze voor de spiegel staan en giechelend bewonderen ze zichzelf en elkaar. Ze nemen de tijd om de mooiste kledij te vinden. De ruimte ligt vol gedragen jurken, rokken en blouses als ze uiteindelijk glunderend van trots terugkeren naar de feestzaal.
15
‘Oooh!’ klinkt uit honderd monden als de deur opent. De meisjes laten zich geduldig bewonderen en genieten van de blikken en kreten. De dienstmeisjes leiden hen naar de kasteelheer, die hen opwacht aan het hoofd van de tafel. ‘Nu zijn jullie nog meer dan eerst de voornaamste gasten in mijn kasteel. De schoonheid van alle anderen hier aanwezig verdwijnt in het niets. Ik ben vereerd dat jullie hier vanavond zijn. Is er nog iets wat ik voor jullie kan doen? Geen wens laat ik onvervuld …’ Lucia aarzelt niet. ‘Ik heb honger!’ zegt ze. Lena kijkt boos haar kant op. Maar de kasteelheer twijfelt niet. Hij kijkt naar een dienaar die kaarsrecht naast hem staat. ‘Laat de tafels zich vullen met de heerlijkste gerechten uit de keuken!’ zegt hij. De dienaar verdwijnt als de bliksem door de deur van de keuken. Enkele tellen later komen wel tien dienaren met dampende schotels tevoorschijn. De tafel vult zich met dure kookpotten en glazen schalen. Heerlijke geuren stijgen op en grote bekers vullen zich met lekkere wijn. Marima denkt aan de stinkende vis op de markt van Ieper. Ze twijfelt niet. Ze gaat naast de kasteelheer zitten en vult haar met goud omlijste bord met groenten, vlees en vruchten die ze nooit eerder heeft gezien. En wat smaakt die wijn heerlijk!
16
17
4 Ineens staat de kasteelheer recht en wordt het muisstil rond de tafel. ‘Om te vieren dat de drie jonkvrouwen van Ieper bij ons zijn vanavond, gaan we met zijn allen pandjesspel spelen,’ zegt hij luid. Er klinkt luid gejoel. Meteen komen de dienaren uit de keuken en in korte tijd is de tafel leeggemaakt. Alleen de kruiken wijn en de drinkbekers blijven op de tafel staan. Lucia en Marima kijken bang naar Lena. Lena staat recht. ‘Heer,’ zegt ze, ‘mijn vriendinnen en ik zullen helaas niet met jullie mee kunnen spelen. We moeten zo snel als het kan terug naar Ieper.’ Ook Marima staat nu recht. ‘Dat is zo. Mijn papa zal woest zijn als ik zo laat thuiskom,’ zegt ze met trillende stem. ‘Ik moest voor donker thuis zijn …’ mompelt Lucia, terwijl ze al naar de deur van de zaal kijkt. De kasteelheer kijkt hen recht in de ogen. Zonder iets te zeggen, gaat hij zitten. Hij kijkt somber en boos. Niemand waagt het om iets te zeggen. Hij gaat weer rechtop staan. ‘Nu maken jullie mij heel verdrietig. Ik gaf jullie mijn mooiste kleren en jullie kregen het lekkerste eten dat mijn koks kunnen klaarmaken.
18
Straks krijgen jullie de mooiste kamer voor de nacht. En nog willen jullie terug naar jullie arme ouders in hun armtierige huizen …’ Lena, Lucia en Marima voelen hun hart wild bonken van angst. Ze hebben de kasteelheer erg ontgoocheld en hij lijkt erg boos nu. ‘Ik kan jullie geen toestemming geven om terug te keren naar Ieper,’ zegt hij. ‘Ga zitten en speel met ons mee!’ De laatste woorden roept hij hard en krachtig en de klanken galmen tegen het plafond van de zaal. De meisjes schrikken, aarzelen niet en gaan snel zitten. Rond de tafel zijn alle ogen gericht op de kasteelheer. De boosheid verdwijnt niet uit zijn ogen en er is niemand die het waagt de stilte te doorbreken. Ineens steekt hij zijn hand op. ‘Staat hij alleen, dan telt hij niet. Staat het cijfer één ervoor, dan telt hij voor tien.’ Iedereen rond de tafel begint te roepen en te gebaren. De meisjes kijken bang om zich heen. Wat moeten ze doen? Ze denken na over wat de heer heeft gezegd. Opeens wijst hij met zijn arm een oude heer met een dikke neus aan de andere kant van de tafel aan. ‘Jij mag!’ buldert hij. Het wordt muisstil nu. Alle ogen zijn op de man gericht. ‘Het is een nul, heer,’ zegt hij met een bange maar heldere stem. ‘Juist!’
19
Dan mag de oude man een nieuw raadsel vertellen en iemand in de groep aanduiden. Als die het antwoord weet, is hij aan de beurt. Als hij het antwoord niet weet, moet hij iets van zijn dure kledij of diamanten in pand geven en in het midden van de tafel leggen. Lena, Lucia en Marima kijken bang om zich heen. Ook zij moeten raadsels oplossen en verzinnen. Maar ze zijn zo van slag, dat ze niet één keer het antwoord op een vraag weten. Hun dure kledij en hun edelstenen moeten ze een na een afgeven en op de steeds grotere berg op de tafel leggen. Marima denkt aan haar papa. Hij zou razend zijn als hij haar hier zag. Ze moest al heel lang thuis zijn geweest. Wat moet ze hier met die mooie kleren en edelstenen? Ze nipt4 nog eens van de wijn. Neen, niet nippen. Een grote teug neemt ze. Tegen de angst. Net nu ziet ze dat een bazige vrouw aan de overkant van de tafel Lena aanwijst om het volgende raadsel op te lossen. Het geroezemoes stijgt. Marima ziet de angst in de ogen van haar vriendin die anders zo stoer is. ‘Ik … ik weet het niet …’ bazelt ze. Weer is er geroep en geschreeuw rond de tafel. Lena aarzelt. Ze moet kiezen tussen haar jurk en de halskraag met fonkelende edelstenen. Ze kan niet kiezen. Ze was zo blij met de halskraag.
20
‘De schat van dit kasteel,’ had het dienstmeisje Hortensia gezegd. Wat kiest ze? De mensen om de tafel roepen. Lena gaat rechtstaan. Ze heeft gekozen en twijfelt niet meer. Haar handen verdwijnen achter haar rug en ze maakt het schitterende juweel los. Ze laat het in haar handen glijden. Dat is het laatste wat Marima ziet. Het wordt ineens donker voor haar ogen. Ze ziet niks meer. Ze hoort Lena haar naam mompelen. Ergens ver weg. Een hele tijd later hoort ze een diepe stem dicht bij haar oor. ‘Laat hen maar hier liggen …’
21
5 Lucia opent haar ogen. Ze rilt van de kou en zoekt naar een deken om over zich heen te trekken. Maar er is geen deken of doek. Ze voelt alleen nat gras en koude aarde. En ze draagt ook geen warm slaapkleed, maar alleen een flinterdun jurkje. Ze kijkt om zich heen. Het kost haar moeite om te zien waar ze is. Niet in een huis of op een bed, maar gewoon buiten op de grond. Zomaar. Ze sluit haar ogen en probeert zich te herinneren hoe ze hier terechtkwam. Het lukt haar niet. Ze weet nog vaag dat ze op de rug van een paard naar een kasteel vloog. Dat ze mooie kleren en lekker eten kreeg. Dat ze die kleren weer moest afgeven omdat ze ...
22
Hé, waar zijn Lena en Marima? Lucia springt op. In paniek kijkt ze om zich heen. Pas nu ziet ze waar ze is. Ze ligt in een grote put. Ze ziet muren van aarde om zich heen en het licht komt moeilijk zo diep tot bij haar in de put. Als ze omhoog kijkt, ziet ze enkel de kruinen van bomen. Dan kijkt ze dichter om zich heen. Lena en Marima liggen hier ook. Ze slapen nog. Ze dragen net zo’n armtierige jurk als zij. Lucia gaat bij Lena zitten en schudt haar wakker. Want als iemand hen uit deze ellendige put kan helpen, is het Lena wel. Zij is de stoerste van hun drieën. Marima bibbert van de kou. Ze zit met opgetrokken knieën te snikken. ‘Was mijn papa hier nu maar …’ jammert ze. Lena en Lucia kijken elkaar hulpeloos aan. Wat moeten ze doen? Geen van hen weet hoe ze in de put zijn terechtgekomen en nog minder hoe ze er weer uit kunnen raken. ‘Laten we nog eens heel hard roepen …’ zegt Lena. ‘Dat deden we nu al zo vaak,’ zegt Lucia. ‘Mijn keel doet pijn. En ik ga dood van de kou …’ Lena kijkt haar aan. ‘Je sterft alleen als je dat zelf wilt,’ zegt ze. ‘Wil je dat dan misschien?’ ‘Neen, dat niet … Maar hoe raken we hier uit? Ik heb het koud. Ik heb honger. Ik heb pijn. Ik ben bang …’
23
Lena zucht. ‘Komaan, nog een keer. Allen tegelijk. Iemand moet ons toch horen?’ Lucia kijkt omhoog. ‘Je ziet het toch ook? We zitten midden in een bos. Niemand komt hier voorbij. En ons geroep geraakt niet tot bij de weg of in het dorp …’ Lena kijkt haar vriendin boos aan. ‘Dat weet je toch niet? Misschien is daarboven wel een weg? Of is deze put niet zo ver van het dorp? Iemand heeft de put ooit gemaakt dus komt ook iemand hier ooit weer eens voorbij. Kom …’ Lena gaat in het midden van de put staan. Ze steekt haar armen uit naar haar vriendinnen. Ze staan dicht bij elkaar en roepen zo hard ze kunnen. ‘Help! Help ons!’ schreeuwen ze samen. ‘We vielen in de put,’ voegt Lena er luid aan toe. ‘Help!’
24
Zo roepen ze wel tien keer na elkaar, tot ze geen adem en kracht meer hebben. ‘Ik kan niet meer,’ zegt Lucia weer. ‘Mijn keel doet pijn.’ ‘Van de kou natuurlijk,’ zegt Marima. Ze kijkt om zich heen. Er is niks dat ze kan gebruiken om haar vriendin warm te houden. Ze neemt haar vriendin in haar armen en streelt traag en zacht over haar rug en schouder. Lena vindt nog een tak onder het gras. Ze kijkt omhoog en probeert de tak over de rand van de put te kegelen. Maar het lukt niet. De tak valt weer in de put en het scheelt niet veel of ze krijgt hem op haar hoofd terug. Ze haast zich naar de andere kant van de put. Marima kijkt Lena aan terwijl ze Lucia troostend in haar armen houdt. Wat nu? De drie meisjes zitten dicht tegen elkaar. Ze rillen van de kou. Plots horen ze ver weg mensen praten. Ze springen tegelijkertijd op en spitsen de oren. Ja, er is iemand. En ze horen nu ook een paard hinniken. Ze twijfelen niet. ‘Help! Help ons! We zijn in de put …’ Het praten boven houdt op. ‘Help ons!’
25
Ze kijken omhoog. Ineens zijn er dwarrelende bladeren. Twee mannenhoofden verschijnen aan de rand van de put. De meisjes voelen blijdschap en hoop. ‘Hoe kwamen jullie in de put terecht?’ roept een van de mannen. ‘Dat weten we niet … We werden ontvoerd door …’ begint Marima. Lena stoot haar aan en mummelt5 tussen haar tanden. ‘Zwijg toch, dat geloven ze toch niet. Laat mij maar …’ Ze kijkt snel naar de mannen bovenaan. ‘Gevallen!’ roept ze. ‘We waren aan het spelen en we pasten niet op’. Daarna spreekt ze ineens veel stiller. ‘Alstublieft … Help ons. Lucia sterft van de kou. En van verdriet …’ ‘Waar komen jullie vandaan?’ roept de andere man nu. ‘We komen uit Ieper …’ De mannen kijken elkaar aan. Ze praten een tijdje zacht met elkaar. Dan roept een van hen naar de meisjes. ‘We zoeken iets om jullie te helpen. Wees niet bang, het komt wel goed …’ De meisjes halen opgelucht adem. Nog even en er komt een einde aan dit vreselijke avontuur. Even later zitten ze dicht bij elkaar onder een stinkend maar warm deken in de laadruimte van een boerenkar.
26
De twee mannen komen terug van de markt van Ieper. Ze verkochten er worst en kippen. Hun rit van Ieper naar Belle ging over de Kemmelberg. Ze hielden er even halt om hun paard wat te laten rusten. Vlak bij de put waarin de meisjes zaten. Het kostte Lena, Lucia en Marima flink wat moeite om uit de put te raken. De mannen gingen in het bos op zoek naar een grote tak die ze tot bij de put sleurden en lieten neervallen. De meisjes klauterden van tak naar tak over de boom om boven te raken. Hun armen en benen zitten vol schrammen.
27
Toen ze bovenkwamen, maakten de mannen ruzie. De ene wou niet terugkeren naar Ieper. ‘Ze zijn veilig uit de put geraakt en kunnen nu toch gewoon te voet terug?’ Maar de andere man wou het niet zo. ‘Ze gaan dood van de kou als we hen niet terugvoeren,’ zei hij. De meisjes zijn erg stil. Lucia zit zachtjes te snikken. Van de kou. Van de pijn aan haar keel. Ook Marima huilt nu omdat ze bang is voor haar papa. ‘Wat moet ik hem straks vertellen …’ fluistert ze. ‘Hij zal willen weten waarom ik gisterenavond niet thuiskwam. Waar ik deze nacht ben gebleven. Waar mijn kleren zijn. Van wie ik deze jurk heb …’ ‘We weten het zelf niet eens …’ zegt Lucia. ‘Wat is er in godsnaam toch met ons gebeurd?’ Lena troost haar vriendinnen. ‘Het komt allemaal wel goed …’ zegt ze. Marima stelt zich voor dat iedereen naar hen kijkt als ze over de stenen weg doorheen de Mesenpoort rijden. Maar dat is niet zo. Niemand heeft enige belangstelling voor hen. De marktkramers hebben de hele reis naar Ieper geen woord gesproken. Niet tegen elkaar, niet tegen de meisjes. Het zijn norse mannen, maar ze hebben de meisjes wel uit de koude, diepe put gered. Aan de poort van de vismarkt houden de mannen halt. Ze kijken zwijgend achterom.
28
Lena, Lucia en Marima stappen uit en leggen de deken terug in de laadbak. ‘Hou de dekens maar …’ zegt de man met de grote ogen. Dankbaar slingeren ze de stinkende doek over hun schouders. ‘Dank je …’ prevelt Lena. De man knikt nog even naar de meisjes en spoort dan zwijgend zijn paard aan om weer te vertrekken. ‘En nu?’ zegt Marima bang. ‘Nu? Nu gaan we naar jouw huis. Je bent bang van je papa. Wij gaan met je mee. Misschien zal het hem minder boos maken …’ Ze stappen traag over de weg. Marima verlangt naar haar huis. Het is klein en laag, maar het zal er warm zijn rond het vuur in de haard. Maar ze is ook bang voor haar papa. Lena klopt tegen de deur. ‘Blijf maar achter mij staan,’ zegt ze tegen Marima. Marima verstopt zich achter de rug van haar vriendin. Het duurt maar een seconde vooraleer de deur openzwaait. Marima’s papa staat met bange ogen in de opening. ‘We zijn verdwaald …’ begint Lena bang maar moedig. ‘Waar is Marima?’ Marima komt aarzelend naast Lena staan.
29
Haar papa duwt Lena wild aan de kant en neemt zijn dochter in zijn armen. ‘Kind toch … Waar ben je geweest? Wat is er gebeurd?’ Hij kijkt haar even in de ogen en duwt haar dan voor zich uit de warme woning binnen. Hij duwt haar op de bank naast het vuur, neemt de natte doek weg en stopt haar onder dekens die hij van de bedden haalt. Ze zijn warm en zacht. ‘Wat was ik bang …’ prevelt hij. ‘En wat ben ik blij dat je er bent …’ Marima krijgt het heel warm. Van de warme dekens op haar schouder. Van het gloeiende vuur in de haard. En van de sterke armen van haar papa op haar schouder.
30
Nawoord Het verhaal van Malegijs’ paardje is een oude legende uit de streek van Ieper. Het verhaal over het vliegende paardje dat drie meisjes uit Ieper ontvoerde, wordt op verschillende manieren verteld. Maar elke keer komen de meisjes op een groot feest in het kasteel van Kemmel. Tijdens het spelen van het pandjesspel, verdwijnt de betovering. De meisjes worden wakker in een grote put op de top van de Kemmelberg. Die put is er nog altijd en wordt de ‘kinderput’ genoemd. Bij het vroegere gemeentehuis van Kemmel staat een beeldje van het paardje van Malegijs met de drie meisjes op zijn rug. Malegijs duikt in vele middeleeuwse verhalen op. Hij is een ridder-tovenaar en figureert onder andere ook in het beroemde verhaal van het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen.
31
Woorduitleg 1 2 3 4 5
32
mennen = met de teugels besturen verbolgen = verontwaardigd en boos bedremmeld = verward en verlegen tegelijk nippen = voorzichtig drinken mummelen = onduidelijk spreken
Een wonderlijk paardje zal Lena, Lucia en Marima, drie meisjes uit Ieper, naar huis voeren. Maar het paardje rijdt weg van de stad en zweeft met de meisjes op zijn rug naar een groot kasteel bij de Kemmelberg. Ze krijgen er mooie kleren, dure edelstenen en lekker eten. Tot de betovering ineens wordt verbroken …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Ellen Loncke Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.