ucatieve uitgaven
De Zestig van Texel met Knip
BIEB
Ron Langenus
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
6
De Zestig van Texel met Knip
1
1
Kaart 7 25
20
30
6
www.dezestigvantexel.nl
2-jaarlijks evenement op Tweede Paasdag
S3
5 4
8
S4
35
9
40
3
15
10 10
45
S2
FINISH
Stayokay 11
2
5
50
1 55
START S1 NIOZ
Start 60 km + 4 x 15 km Wisselplaatsen 4 x 15 km Start 120 km + Finish alle afstanden Kilometeraanduiding
2
1 Verzorgingsposten
2
't Horntje en de Mokbaai
Het is maandag 6 april 2015. Het is bijna 10u35. Ik ben op de afspraak. De afspraak met Knip in ’t Horntje. Dit is een kleine plaats: 20 huizen en 50 inwoners. Je mag het geen dorp noemen. Het is een buurtschap, die bij het dorp Den Hoorn hoort. Den Hoorn ligt een paar kilometer van hier. Ik zou het graag halen, vandaag. Ik hoop dat het me lukt. Overal om me heen zijn mensen die hetzelfde willen. We zijn met 73 vrouwen en 410 mannen. Dat maakt samen 483 deelnemers, klaar voor de start. Het is 10 graden. Heel goed om te lopen. Niet te veel wind. Wel uit het noorden, maar ja. We willen het graag halen. Daarvoor hebben we 7 uur de tijd. 7 uur voor 60 kilometer. We gaan niet wandelen. We gaan ook niet joggen. Ik haat dat woord even erg als het woord sportelen. We gaan lopen. Hardlopen, zeggen ze hier in Nederland. Langlopen, dat zeggen ze ook. We gaan rennen, maar niet racen. Voor de meesten van ons is dit geen wedstrijd tegen elkaar. Sommigen hollen al een beetje heen en weer. Anderen strekken en buigen hun spieren. Vandaag ga ik me niet opwarmen voor de start. Geen warming-up. Voor andere afstanden doe ik dat wel. Ten minste 5 minuten opwarmen en stretchen. Vandaag warm ik wel op na de start. Heel rustig beginnen, dat ga ik doen. Achteraan in de groep, geduldig het dorp uit, over de grote weg naar de duinen en dan een mooi tempo zoeken.
3
Dat is het eerste deel van mijn plan. Mijn plan om het te halen, het plan waar ik de hele nacht aan gedacht heb. Een ultraloop is een wedstrijd over een langere afstand dan een marathon. Dit heb ik nog nooit gedaan. Ik mag niet te snel lopen. En niet te traag. Juist lopen, dat moet ik doen. Juist lopen betekent soepel lopen, ontspannen, zoals een kat. Voor mij is dat moeilijk. Ik ben 58 en dat is oud voor een kat. Renelle maakt foto’s. We zijn een bonte bende. Ik zie mutsen, regenjasjes, rugzakjes, handschoenen, lange loopbroeken, korte loopbroeken, sportkousen, loopschoenen, drinkbussen en sportdrankjes in allerlei kleuren, maten en merken. Om 10u20 legt een grote veerboot aan. Die boot vaart heen en weer tussen de stad Den Helder en Texel. Er is geen brug over het water. Er is geen tunnel. Texel is een eiland. Van noord naar zuid 25 kilometer lang, van west naar oost nergens breder dan 8 kilometer. De omtrek, als je er omheen loopt dus, is ongeveer 60 kilometer. Als alle auto’s van de veerboot zijn gereden, en als alle wachtende auto’s richting Den Helder op de veerboot staan en de klep om 10u30 dicht gaat, mogen we starten. We kunnen veilig over de brede straat die van de veerhaven naar het noorden loopt. Renelle steekt haar duim op. ‘Tot straks,’ zegt ze. ‘Rond twaalf uur in het bos.’ Nu zijn we echt vertrokken. Na maandenlang trainen en dromen is het eindelijk echt begonnen. De eerste kilometer gaat tussen twee hagen van mensen.
4
Ik zie supporters met spandoeken. Anderen hebben iets op een stuk karton geschreven. Er wordt gepraat en gelachen. Iedereen is blij. Het is feest. In de zomer van 1974 was het ook feest, in Hoek van Holland, toen Knip aan zijn bekendste loop begon. Hij zou van zijn geboorteplaats naar Stockholm lopen. Stockholm is de hoofdstad van Zweden. Lopen is geen sport, maar een manier van reizen, zei Knip. Hij liep die warme zomer 1600 kilometer naar het noorden. Daar had hij 18 dagen voor nodig. In een busje reden een paar vrienden, waaronder zijn broer Bob, met hem mee. Twee leerlingen van de school waar hij lesgaf gingen ook mee. Zij startten op een tandem. Ik ben blij dat we onderweg zijn. Vandaag hier mogen zijn is geluk hebben. Ik mag lekker urenlang lopen. De eerste vijf kilometer gaan we de Mokbaai rond. Mok betekent meeuw. Meeuwen zie je hier veel. En andere vogels. Texel staat erom bekend: meer dan 370 soorten zijn hier al gezien.
5
Als je ver gaat lopen, mag je niet te snel starten. Hoe sneller je loopt, hoe sneller je hart gaat slaan. Hoe sneller je loopt, hoe meer je spieren moeten werken. Hoe meer je spieren moeten werken, hoe meer brandstof ze nodig hebben. Dat is ook zo bij een auto. De brandstof voor je spieren wordt door je bloed naar de juiste plaatsen in je lichaam gebracht. Je mag je brandstof niet te snel verbranden, want op is op. Een auto kan niet rijden zonder brandstof. Daarom zie je dat veel lopers sportdrankjes en energierepen en gels bij zich hebben. Ik weet dat ik te snel rond de Mokbaai loop. Dat is niet verstandig. Ik kan het niet helpen. Er komt een man uit de andere richting gelopen. Hij krijgt applaus van ons. Hij verdient het. Die man is bijna halfweg. Hij loopt vandaag 120 kilometer. Vannacht zijn 6 vrouwen en 31 mannen om 5 uur vertrokken om eerst 60 kilometer naar ’t Horntje te lopen en dan weer dezelfde 60 kilometer terug naar Den Burg, de hoofdplaats van Texel. Dat alles, die 120 kilometer, moeten ze in minder dan 13 uur en 1 seconde lopen. Maximum 13 uur dus. Ook zonder het te proberen weet ik dat ik dat niet kan. De makkelijkste 5 kilometer zitten erop. We hebben de baai gerond en verlaten de rijbaan om naar rechts, richting strand, te lopen. Bij de afslag staat een tafel met plastic bekertjes, gevuld met water. Ik loop ze voorbij zonder te drinken. Mijn sportdrankjes en gels zitten in mijn drankgordel. Straks, na ongeveer 1 uur lopen, zal ik eten en drinken.
6
3
De Hors en het strand
Texel verandert elke dag van vorm. Dat komt door de stroming van het zeewater. En door de wind. En door de stormen. Zand verdwijnt op de ene plaats en op een andere plaats komt er zand bij. We lopen over De Hors, land dat er 150 jaar geleden nog niet was. Een paar deelnemers lopen op blote voeten. Voor hen is dit een aangenaam stuk. Knip heette niet Knip. Zijn vrienden noemden hem zo. Hij heette Jan Knippenberg. Voor de Zweden was hij Jan Järnfot, wat Jan IJzervoet betekent. Hij begon te lopen in 1959, toen hij 11 was. Op blote voeten, op het strand bij Hoek van Holland.
© Jos Van Iersel www.janknippenberg.nl www.janknippenbergmemorial.nl
Jan Knippenberg met begeleiding van vader Joop tijdens de Westland Marathon in 1974 7
Loopschoenen heb je in allerlei prijzen, van 25 euro tot meer dan 150 euro. Je kunt erover lezen in boeken en tijdschriften die over lopen gaan. Zijn de duurste schoenen de beste? Moet ik dikke of dunne zolen hebben? Of tussenin? Er was een tijd dat ik die boeken en tijdschriften kocht en las. Dat doe ik niet meer. Vandaag loop ik op de schoenen die voor mij het prettigst aanvoelen. Gelukkig zijn dat geen hele dure. Loopschoenen gaan tussen 700 en 1000 kilometer mee. Elke week nieuwe schoenen, dat kan niet iedereen betalen. Knip trainde tot 700 kilometer per week. Hij repareerde de schoenen die hem het lekkerst zaten door er onderaan stukjes zool van andere schoenen aan vast te lijmen. Goede marathonlopers kunnen vandaag veel geld verdienen. Toen Knip naar Stockholm liep, kreeg hij daar geen geld voor. Een vriend met een garage leende de gekke avonturiers een busje en een zuivelfabriek schonk een paar kratten chocomelk en dat was het dan. O ja, hij kreeg ook dozen vol … peutervoeding cadeau. Daar at hij onderweg niet van. Hij at vooral aardappelen, spek en eieren. Soms dronk hij een biertje. Soms reed Bob verkeerd. Knip werd dan boos. Hij mepte op verkeersborden, zonder ze te beschadigen. Dan lieten de vrienden hem een tijdje alleen lopen. Er bestonden nog geen mp3-spelers, maar als er muziek uit een luidspreker in het busje kwam, muziek waar Knip van hield, ging een boze bui vlug over.
8
Ik kan niet dansen, maar ik hou van dansmuziek tijdens het lopen. Vandaag doe ik het zonder, omdat urenlang oortjes in je oren hebben niet gezond is en omdat ik de geluiden van de Zestig van Texel wil horen. Lopen door de duinen is mooi werk, al schiet het niet op. Het is vermoeiend. Overal om me heen zijn lopers. Ver en dicht voor me, ver en dicht achter me, ver weg en dichtbij naar links en naar rechts. Iedereen zoekt zich een pad dat zo hard mogelijk is naar het westen, naar de Noordzee. Daar is het zand harder dan hier en zak je minder diep weg. We draaien naar het noorden en lopen evenwijdig met de vloedlijn, de lijn tussen het water en het strand. Het is hier prachtig. Links de Noordzee, rechts een muur van duinen. De noorderwind blaast van het noorden naar het zuiden, pal in ons gezicht. Gelukkig heb ik aan een zonnebril gedacht. Ik heb een goede zonnebril. Het is een hele dure. Ik heb hem niet zelf gekocht. Het was een cadeau. Ik ben ook de zonnebrandcrème niet vergeten. Bescherming tegen de zon en tegen de wind. De wind blaast vandaag niet zo erg als vorige week. Toen was het hier stormweer. Ik herinner mij de storm van vorig jaar in november. De metershoge golven en de wind brulden woest. Het water leek tot aan de horizon bedekt met boze slagroom. We hebben geluk dat het vandaag niet stormt.
9
Ik haal een groepje van 7 lopers in en vertraag zodat ik bij hen blijf. Samen passeren we het 50-kilometerbord, wat betekent dat we 10 km gehad hebben. Nog 50 km voor de boeg. Bijna een uur gelopen! Ik ga trager dan ik had gepland. Dat komt door het losse zand, dat je ook het mulle zand mag noemen. Het is pas het begin van de reis. Ik word ongerust. De eerste 35 kilometer zal ik tegen de wind lopen. Dat gaat me veel tijd, kracht en snelheid kosten. Ga ik het wel halen? In ieder geval moet ik nu een sportgel eten en ook drinken. Knip had een hond, een bordercollie. Bordercollies kunnen 160 kilometer per dag aan. Samen op blote voeten langs de vloedlijn gingen ze. Knip en Witte. Op kop lopen is niet verstandig, zeker niet op het strand, zo tegen de noorderwind in. Schuilen in een groepje is verstandig. Maar ik kan het niet. Ik wil zoals Steve lopen. Steve Prefontaine was nooit de beste 5000-meterloper van de wereld, maar hij was de meest magische. Hij liep altijd op kop en daardoor verloor hij soms, omdat anderen aan het eind van de wedstrijd meer energie over hadden dan hij. ‘Lopen is kunst,’ zei Steve, ‘en als je niet op kop loopt, maak je geen mooi schilderij.’ Ik loop al een hele tijd op kop nu. Nog twee mannen lopen netjes uit de wind achter mij aan. De anderen van het groepje hebben we achtergelaten. Eindelijk mogen we van het strand af. We hebben ruim 8 km zand gehad. Een jonge man die 10 meter voor mij uit loopt, verlaat het parcours Hij loopt naar een jonge vrouw en twee nog veel jongere kinderen. Twee meisjes.
10
‘Papa!’ roept het kleinste meisje. ‘Wat ben je aan het doen?’ ‘Papa is aan het spelen,’ lacht mama. ‘Hij is aan het spelen in het zand.’ Papa lacht ook. Zo is dat. We spelen in het zand. Tussen het strand en het bos klimmen we een muur van duinen over. Als je van de zee wegloopt, is het altijd omhoog. En weer omlaag naar de dennen. Linksaf, richting noord. Oef, even uit de wind. Bedankt, bomen. Nog 2 kilometer naar het eerste aflossingspunt.
11
4
Croissants en speculaaspasta
We lopen over een pad door het bos. Ik word voorbijgelopen door twee sprintende heren. Niets aan de hand. Voor hen zit het er bijna op. Er zijn ook 175 estafetteteams die deelnemen aan De Zestig van Texel. Zij hebben 6u30 de tijd om de finish te halen. Elk team bestaat uit 4 lopers, die ieder ongeveer 15 kilometer lopen. De eerste lopers van elke ploeg zijn een half uur na ons vertrokken. In het midden van het bos is een picknickplaats en een snackbar. Daar wordt je tijd na een kwart van de wedstrijd opgemeten. Hier staan veel mensen te supporteren of te wachten op hun teamgenoot om aan het tweede stuk te beginnen. Er zijn tafels met sportdrank en water, bananen, peperkoek … Meer dan genoeg voor iedereen. De wedstrijd is goed georganiseerd. Bijna anderhalf uur heb ik gelopen. De snelheid zit niet goed, maar ik voel me wel goed. Renelle staat naast haar fiets op mij te wachten. Op haar kan ik altijd rekenen. Ze is al 40 jaar mijn beste vriendin. Dit is mijn plan: in plaats van 60 kilometer loop ik 4 keer 15 kilometer. Slim, hé! Alleen gierige Hollanders zeggen dat Belgen dom zijn. Met deel 1 ben ik klaar. Tijd voor twee croissants met speculaaspasta, die ik stappend opeet. Tientallen lopers passeren mij. Sommigen kijken mij vreemd aan. Zij hebben nog nooit iets gelezen over croissants en ultralopen. Ik trek er mij niets van aan.
12
Speculaaspasta is goede brandstof voor lopers en croissants zijn … heel lekker, vind ik. Ik heb gegeten en gedronken. Ik heb het zand uit mijn loopschoenen laten lopen. Ik heb 5 minuten gestapt. Ik ben klaar voor het tweede deel. ‘Tot straks,’ zegt Renelle. ‘Anderhalf uur ongeveer?’ ‘Ongeveer ,’ antwoord ik. Ze fietst ervandoor. Ik loop verder door het bos. Omdat we straks weer over het strand moeten, besluit ik om sneller te lopen zolang we een asfaltweg door het bos volgen. Nu is het mijn beurt om anderen in te halen. Ik vergeet alweer verstandig te zijn en sprint door het bos. Knip zou zijn hoofd schudden als hij me bezig zag, maar Steve zou zijn duim opsteken. Er is niet veel bos op Texel. Er is wel veel zand. Bij een volgende marktkraam (verzorgingspost) moeten we het bos verlaten en gaan we linksaf over een schelpenpaadje opnieuw richting Noordzee. Voor we bij het water komen, is er een moeilijk stuk met mul zand en steile duinen. Gedaan met inhalen. Iedereen werkt hard en komt traag vooruit. Het begint te regenen. Daar is het strand weer. En de wind. Het begint harder te regenen.
13
Samen met een jonge, grote loper loop ik het strand op. We praten niet, maar we verstaan elkaar goed. Om beurten lopen we op kop tegen de wind en de regen in. Dat gaat prima. Ik moet af en toe druppels van mijn zonnebril vegen. Bij kilometer 20 eet ik energiegel en drink ik sportdrank. 2 uur onderweg. Ik heb geen honger of dorst, maar het plan is het plan. Het tweede strandstuk is ruim 4 kilometer lang. Achter de duinen ligt hier het dorp De Koog. Ik ben blij dat we daar niet door moeten. Ik hou van alle Texelse dorpen, op één na: badplaats De Koog. Ik ga je niet vertellen waarom. Je kent me nu al goed genoeg om dat na een beetje gegoogel te begrijpen. Je moet het niet met mij eens zijn, natuurlijk. Mijn vriend buigt naar rechts af. Ik volg en loop hem voorbij. We mikken op een gat boven aan de hoge duinenrij. Daar leiden alle voetsporen naartoe. Hoe verder we van de zee weglopen, hoe dieper we in het zand zakken. We zwoegen omhoog. Dit is echt een hoge duin. Aan de andere kant gaat ze steil naar beneden. Onderaan begint meteen een tweede hoge duin. Er loopt een hard pad overheen. Dat maakt het makkelijker. Ik loop rustig, zowel bergop als bergaf. Mijn maat loopt van me weg. ‘Bedankt!’ roep ik hem na. Hij steekt zijn hand op.
14
5
De Nederlanden, De Muy en De Slufter
Onder aan het tweede duin lopen we kort over een harde weg. Daarna gaat het linksaf, recht mijn favoriete gedeelte van de Zestig in. Hier loopt een mooi, bijna recht pad door het natuurgebied De Nederlanden naar natuurgebied De Muy. Minder wind, minder regen. Stevige, verende ondergrond.
15
Het land is hier ruig. We lopen langs plassen met zoet water, waarin riet groeit. Dankzij de bomen en struiken hebben we weinig last van de wind. We zien duinen met steile hellingen, die we niet op of af moeten. De regen en de donkerste wolken verdwijnen. In een bosje dat het Oorlogsschip heet, geven dennen ons gratis schaduw. Onder de dennen ligt een verrassing. Meteen herinner ik me dat we ze vorig jaar in november, toen Renelle en ik delen van de Zestig verkenden met de fiets, ook hebben gezien. Ze versperden het fietspad. Twee stonden in het water te drinken. Schotse Hooglanders zien er groot en sterk uit. Ze zijn het ook. Ze hebben scherpe hoorns en lange, bruine haren. Vandaag liggen ze te soezen. Het zijn mooie beesten, vooral als ze stil blijven liggen. Gelukkig doen ze dat. Ze kijken naar de passerende lopers, maar vinden de wedstrijd niet interessant genoeg om eraan mee te doen. We verlaten De Muy en lopen langs de oostelijke rand van De Slufter, evenwijdig met een hoge zanddijk. De Slufter is een gebied dat niet door een dijk of duinenrij afgeschermd wordt van de zee. Men heeft vaak geprobeerd om een dijk te bouwen om van De Slufter een polder te maken, maar het is nooit gelukt. Honderd jaar geleden heeft men het opgegeven. Als het stormt, loopt De Slufter onder water. Toch kunnen hier planten leven: zoutmelde, zeekraal, zeealsem … Af en toe loopt iemand mij voorbij. Af en toe loop ik iemand anders voorbij. Op het brede pad is ruim plaats voor iedereen. Er zijn geen grote groepen van lopers meer. Sneller dan verwacht zie ik na een haakse bocht, die ons recht naar de dijk stuurt, twee lopers steil omhooglopen. Hier moeten we de zanddijk over. Ik besluit omhoog te stappen in plaats van te lopen, om energie te sparen. Ik ben bijna drie uur onderweg. 16
Boven aan de zanddijk zie ik het Park Slufteroord liggen. Daar is de tweede aflossingsplaats voor de estafettelopers. Er staan auto’s en bussen geparkeerd. Er klinkt muziek. Er zijn veel mensen. Ik dribbel langs een trap naar beneden en loop over een fietspad richting de chipmat. Renelle staat op me te wachten. ‘Gaat het?’ ‘Het gaat goed.’ ‘Je bent al halfweg.’ Weer neem ik de tijd om te eten en te drinken. Geen croissants deze keer, maar gel en sportdrank. Droge kousen. Belangrijk om geen blaren te krijgen. Om dezelfde reden heb ik mijn hielen afgeplakt met sporttape. Lopers lopen voorbij. Velen heb ik vandaag eerder onderweg gezien. De meesten stoppen niet. Ze eten en drinken terwijl ze lopen. Ik doe het rustig aan voor ik begin aan het derde deel van mijn plan, de derde vijftien kilometer. Vanaf hier krijgen we geen zand meer, alleen nog harde ondergrond. Liefst loop ik in een bos. Het is daar uitkijken dat je niet struikelt over boomwortels, maar de ondergrond is perfect om je spieren, pezen en gewrichten te sparen. Mogen lopen zonder ziek of gekwetst te zijn, is een geschenk. Ik heb al heel wat kwetsuren gehad. Ben al vaak gevallen ook. Knip viel niet één keer tussen Hoek van Holland en Zweden, tot hij vlak bij Stockholm was. Toen struikelde hij over een stoeprand.
17
6
De rode vuurtoren
Renelle zal over de Slufterweg van west naar oost fietsen. Ik moet eerst nog bijna 7 kilometer over het fietspad naar het noorden, naar de vuurtoren. Ik ga sneller dan daarstraks. De meeste deelnemers die passeerden toen ik droge kousen aantrok, loop ik weer voorbij. Er is een jonge dame bij met een vriendin op een mountainbike. Ze praten honderduit met elkaar. De loopster draagt een lange loopbroek, een sporttrui met lange mouwen, een muts en wanten. Ze lijkt nog helemaal niet moe. Waar de zanddijk stopt, gaat het fietspad op en neer en slingerend door de duinen verder. Dat op en neer is een verrassing. Als je Texel met een auto verkent, ga je denken dat het een vlak eiland is. Fietsend merk je al meer reliëf op en lopend of wandelend wordt het nog een ander verhaal. Ik passeer een loper die het moeilijk heeft. Hij zat een kwartier geleden nog in een groepje dat sneller ging dan goed voor hem was. Zijn spieren zitten vol melkzuur, dat is verbrande brandstof. De man heeft niet op tijd bijgetankt. Hij zal de wedstrijd niet uitlopen. Nu loop ik soms alleen. Dat komt door de glooiingen in de duinen. Ik krijg het moeilijk, voel pijn in de drie keer geopereerde knie. Ik weet dat als ik geduldig doorloop de pijn vaak verdwijnt. Het is een beschadigde zenuw die me plaagt. Dat is een vervelende kwetsuur, maar je mag ermee doorlopen. Niet te snel. Niet te traag.
18
Straks draaien we naar het zuiden, straks krijgen we de wind in de rug. Kom op, doe je best! De vrolijk roodgeschilderde vuurtoren komt dichterbij. Ik denk aan Knip. Ik weet niet waar zijn huis is. Ik hoef het niet te weten. Ik hoef het niet te zien. Hier woonde hij ergens, dicht bij de zee. Het eiland is smal. Iedereen woont hier dicht bij de Noordzee en dicht bij de Waddenzee. Het was een ideale plaats om te wonen voor Knip. Geen asfalt voor Jan, maar strand, duin en bospad waar het fijn lopen is met een hond. Als het in de zomer ‘s nachts volle maan was met laag tij, ging hij met zijn kajak varen.
19
Knip loopt vandaag alleen mee in mijn gedachten. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik mis hem. Er zijn veel mensen die hem nog veel meer missen dan ik. Knip is dood. Jan Knippenberg werd geboren in Hoek van Holland op 19 april 1948. Toen hij nog jong was, kreeg hij een probleem met zijn ruggengraat. De jonge Jan moest een korset dragen. Op zijn 11e deed hij het korset soms af om over het strand te gaan rennen. Al vlug kon hij niet meer zonder het lopen. Hij liep meer dan 200.000 kilometer op 36 jaar tijd, ongeveer 5 keer de wereld rond. Knip hield van ultralopen met weinig deelnemers. Of hij liep helemaal alleen. Van Hoek van Holland naar Stockholm bijvoorbeeld. RUN FOR FUN stond op het busje en op zijn trainingsjack. De Zweden vonden hem geweldig. De laatste kilometers reed een politieauto naast hem. Hij mocht aankomen in het Olympiastadion van de hoofdstad. In het stadion was toevallig een voetbalwedstrijd aan de gang. Alle toeschouwers juichten hem toe. ‘Daar heeft hij echt van genoten,’ zegt zijn broer Bob. ‘Sommige mensen gaan in de auto naar de fitnessruimte om daar op een loopband niet vooruit te komen. Daar begrijp ik niets van,’ zei Knip tegen mensen die niet begrepen waarom hij deed wat hij deed. Jan Knippenberg stierf op 23 november 1995. 47 jaar oud. 47 jaar jong. Hij was in zijn beste loopjaren 1m87 groot en woog 63 kg. Hij was heel sterk. Hij rookte nooit. Jan IJzervoet kreeg longkanker. Hoe kon dat toch gebeuren?
20
We moeten niet helemaal tot aan de vuurtoren lopen, maar steken de weg ernaartoe over en passeren een bord dat aangeeft dat er nog 25 kilometer te lopen zijn. 25 kilometer naar het zuiden, waarvoor ik nog 3 uur en 20 minuten de tijd heb. De zon breekt door als ik voorbij het reddingsboothuis van De Cocksdorp loop. Het wordt warm. Daar is de Waddenzee.
7
Langs de Waddenzee
We lopen maar een paar kilometer langs de zee en worden dan naar de brede binnendijkse weg van De Cocksdorp geleid. In de verte zie ik een kerktoren, huizen en veel mensen. Is dat het 44-kilometerpunt waar Renelle op me wacht? Wow, het gaat veel beter dan ik dacht. Maar ik vergis me. Ik weet niet hoe dit komt. We zijn pas 38 kilometer ver, geen 44. Dit is De Cocksdorp. Daar is geen aflossingspunt. Ik ben al vaak in De Cocksdorp geweest, hoe is het mogelijk dat ik me zo vergis?
21
‘Hup, meneer,’ roept een vriendelijke mevrouw naar mij. Het is hier zoals op veel plaatsen langs het parcours: de mensen langs de kant moedigen iedereen aan, van de eerste loper tot de laatste. Iedere deelnemer krijgt applaus. Dat is een groot verschil met sommige andere sporten, waar twee mensen of twee ploegen elkaar proberen te verslaan. De supporters van de tegenstanders zijn niet altijd vriendelijk voor elkaar of voor degenen die ze niet willen zien winnen. Natuurlijk, daar rechts, daar is de prachtige, brede Roggesloot, waar vroeger die geheimzinnige vissen in zwommen. Nu weet ik goed waar ik ben. Straks gaan we links omhoog de Lancasterdijk op en dan zien we de Waddenzee weer.
22
In de weide rechts beneden zitten veel vogels. Ik herken één geluid. Een graspieper. ‘Waarom heet die vogel zo?’ vroeg Renelle een paar maanden geleden aan onze natuurgids. ‘Omdat hij vaak in het gras zit. Als hij opvliegt, zegt hij piep,’ was het antwoord. We lopen niet boven op de dijk, maar op het lager gelegen brede fietspad aan de zeezijde. Waar is de noorderwind gebleven? We krijgen weinig hulp. Dat is pech. Geen duw in de rug. De dijk houdt de wind tegen. We lopen in de luwte van de dijk. Je kunt hier ver voor je uitkijken. Lopers en fietsers tot aan de horizon. Het gaat moeilijk. Mijn benen zijn moe. Mijn hoofd ook. Niet opgeven. Doorbijten. ‘Lopen zoals je fietst,’ zeg ik tegen mezelf. ‘Geen vuisten maken, los die handen.’ ‘Gaat ie lekker?’ vraagt een leuke Nederlander die snel voorbijkomt. ‘Ja hoor,’ lieg ik. ‘Toppie!’ lacht hij en laat mij achter. Het is eb. Er lopen mensen over de bodem van de Waddenzee. Wadlopers. Dat wil ik ooit eens doen, maar niet vandaag. Morgen ook niet. We worden omhoog gestuurd, gelukkig niet steil. Aan de andere kant van de dijk gaan we omlaag, naar de rijbaan aan de binnenkant van de dijk. Hier is een drankpost. Veel lopers stoppen om te drinken. Ik niet. Ik heb daarnet van mijn eigen voorraad gegeten en gedronken. Die is nu op. We passeren het marathonpunt, 42 kilometer gelopen. Vier uur en een kwartier onderweg.
23
Nog twee uur en drie kwartier de tijd voor 18 kilometer. Dat moet lukken, dat kan bijna iedereen. Niet flauw doen. Je wou dit toch zo graag? Je kunt het laatste aflossingspunt al zien, amper twee kilometer verderop. Daar staat Renelle al lang op je te wachten, slome! Wat is tenslotte 60 kilometer? De Australische aboriginals, dat waren pas lopers! Zij achtervolgden dagenlang in draf een kangoeroe, totdat die op een ochtend te stijf was om op te staan. Veel dieren kunnen sneller lopen dan een mens. Een kangoeroe haalt 50 kilometer per uur, maar aboriginals hielden het langer uit dan de spring-in-’t-velds. De indianen in Noord-Amerika joegen vroeger op dezelfde manier op bizons. Bizons kunnen net zo snel lopen als kangoeroes kunnen springen. De strafste lopers van allemaal zijn de Tarahumaraindianen uit Chihuahua in het noorden van Mexico. De Tarahumara lopen tot 250 kilometer in één dag. Regen en sneeuw kunnen hen niet tegenhouden. In Kenia, daar lopen schoolkinderen elke dag tot ... ‘Hier rechts en dan links,’ roept iemand van de organisatie. We zijn bij het Prins Hendrik Hotel, het derde en laatste aflossingspunt. De parkeerplaats van het hotel is ingericht als verzorgingspost. Er staan ook bussen om opgevers en de estafettelopers van het derde deel naar de aankomst te brengen. Ik kijk uit naar Renelle, maar ik zie haar niet. Het is hier druk. Ik loop over de chipmat het hotel en de parkeerruimte voorbij. Gelukkig, daar staat ze, onder die bomen aan de kant van de weg. Allerlaatste sportgel eten, water drinken, twee natte shirts uittrekken en een droog onderhemd, droge kousen en mijn geheime wapens aantrekken.
24
8
De molen Het Noorden
Mijn gele loopschoenen uit Amerika wegen bijna niets. Ze verslijten vlug. Ik gebruik ze alleen voor korte wegwedstrijden en voor vandaag, voor de laatste 16 kilometer. Met die schoenen loop ik altijd goed. Het is vervelend dat het me niet lukt om ze rechtopstaand aan te trekken. Zitten in het natte gras onder de bomen dan maar. Als ik weer rechtop sta, voelen mijn benen raar aan. Ze hebben geen zin om te werken. Ga lekker terug zitten, zeggen ze. Terwijl ik een paar rekoefeningen doe, lopen en fietsen de pratende vriendinnen voorbij. Zo te zien en vooral te horen, gaan ze nog steeds lekker.
25
Ik heb te lang op het gras gezeten. Stijf. Krampen zitten klaar, maar ze blijven uit. Kom op, naar de molen. Het is een hele mooie. Moeilijk gaat ook. Je kunt de molen van hier zien staan, het is maar anderhalve kilometer ernaartoe. Het gaat traag. Ik loop toch weer mensen voorbij. Er zijn meer fietsers dan daarstraks. Sommige lopers en fietsers hebben afgesproken om alleen het laatste stuk samen te doen. Renelle en ik hebben afgesproken in Den Burg, bij de finish. De weg is vlak en breed, maar er komen auto’s uit de andere richting die iedereen opzij dwingen. Bij de molen, die Het Noorden heet, gaan we een smal pad op, dat tussen waterbekkens loopt. Eens het laatste waterbekken voorbij, lopen we omhoog en worden we rechtsaf gestuurd, weg van de dijk. Ik zou liever de volgende tien kilometer tussen de dijk en de Waddenzee lopen, maar het parcours gaat door het binnenland, naar het piepkleine Oost. Dat is een buurtschap van het dorp Oosterend, waar we daarna door moeten. Rechts van ons hebben we een mooi uitzicht op de molen en de rechthoekige waterbekkens. ‘Ik kom een beetje meerijden,’ hoor ik een bekende stem zeggen. ‘We moeten toch dezelfde kant uit.’ ‘Oké, maar niet praten, a.u.b.’ Lopers kunnen lastig zijn. Soms, vooral als het goed gaat, hebben ze graag dat je ‘Hup meneer! ‘ en ‘Kom op, nog een klein stukkie!’ roept en soms, vooral als het slecht gaat, hebben ze graag dat je helemaal niets zegt.
26
Renelle rijdt achter mij aan. Zo zal ik niet te veel energie gebruiken om haar tempo te volgen. Het gaat vlot, ik ben blij dat ze er is. Vijf Oosterse kinderen die er heel westers uitzien, staan langs de kant van de weg om high-fives uit te wisselen met de lopers. Ik heb alweer dorst. Renelle reikt me sportdrank aan. ‘Hé meneer, lekker, mag ik ook eens drinken?’ roept een van de kinderen. De andere vier lachen met hem mee. Ik steek mijn duim op.
27
Veel mensen vinden Oosterend het mooiste dorp van Texel. Het heeft smalle straatjes met oude huizen en verschillende kerken. De bekendste staat in het midden van een plein met een rechthoek van kasseistraatjes eromheen. Dicht bij zijn enkele winkels, restaurants en een café. Ook ik bezoek graag Oosterend, maar niet vandaag. Haakse bochten, stoepranden en kasseien zijn niet de beste vrienden van deze loper. Precies een week geleden stortregende het in Lier. Dat is een mooie stad in de provincie Antwerpen, met veel water en bruggen en kasseien. Op die mooie gladde kasseien ben ik in een haakse bocht hard gevallen. Ik dacht meteen dat ik de Zestig van Texel wel kon vergeten, maar ik had geen breuken of kneuzingen. Wel geschaafde knieën en ellebogen, een buil en een blauw oog. In de post van het Rode Kruis bij de aankomst van de halve marathon van Lier werkte een vrijwilliger drie kwartier om alles te ontsmetten en te verbinden. Bedankt, vrijwilligers van het Rode Kruis. Jullie doen fantastisch werk! Er zit veel volk op de terrasjes van Oosterend. Ze zitten te genieten, maar jij mag nog niet, jij moet altijd maar verder. Eens Oosterend uit, lopen we de lange weg af naar het oosten, terug naar de Lancasterdijk. ‘Dit stuk hebben we al verkend,’ zegt Renelle. ‘Ben je nog niet moe?’ vraag ik. ‘Het begint toch te wegen. Het is niet makkelijk om overal op tijd te zijn en alles voor meneer klaar te leggen. Jij moet alleen maar lopen en aan niets denken.’ ‘Dat is zo,’ geef ik toe. Onder aan de dijk is een drankpost waar ik stop om daarna rustig naar boven te stappen terwijl ik drink. Eenmaal boven is het nog 10 kilometer naar de finish. Vijf uur en tien minuten onderweg. Ik begin opnieuw rustig te lopen. Daar zijn de pratende meisjes weer. 28
9
Naar de haven van Oudeschild
Het gaat beter nu. Het gaat véél beter. Dat is het vreemde aan lang lopen. Je kunt het moeilijk krijgen, maar dat wil niet zeggen dat het alsmaar slechter zal gaan. Je moet volhouden. Verderop gaat het misschien beter. Op school is dat net zo. Een slechte toets is nog geen slecht rapport. Een slecht rapport is nog geen slecht jaar. Dit is weer een mooi stuk. Nog vijf kilometer naar Oudeschild. Ik word niet meer ingehaald, maar loop veel volk voorbij. Mijn magische gele schoenen doen hun werk. Ik word er vrolijk van. Links van mij blinkt de Waddenzee in de zon met mij mee.
29
We zijn bijna in Oudeschild. Het gaat nog steeds goed. Ik zie de molen die in het midden van het stadje staat. De Traanroeier heet die. Ik weet nu zeker dat ik het niet in minder dan zes maar wel in minder dan zeven uur zal halen. Ik vertraag. Het is niet ver meer maar nog ver genoeg. Het is tijd om te genieten en ervoor te zorgen dat ik niet uitgeput aankom. We verlaten de dijk. Renelle en ik fietsen en lopen tussen loodsen en langs kaden. Er staan weinig toeschouwers. Oudeschild is de thuishaven van de Texelse vissersvloot. Je kunt hier heerlijk vis eten. Bij springtij, als het water van de zee heel hoog staat, loopt een gedeelte van Oudeschild onder water en kun je sommige restaurants niet bereiken. Toen we dat voor de eerste keer zagen, konden we onze ogen niet geloven, maar de Texelaars vinden het heel gewoon.
10
De Hoge Berg
Bij de laatste vijf kilometer staat er elke kilometer een bord. Dat helpt. Het geeft moed. Wie op dit tijdstip tot hier is geraakt, gaat het zeker halen. De Waddenzee kan ik niet meer zien, die zit achter de dijk aan mijn linkerkant. ‘Rij maar vooruit,’ zeg ik. ‘Fietsers en lopers mogen niet samen over de finish van de organisatie.’ ‘Oké.’ Oudeschild en het 5-kilometerbord liggen achter me. De weg loopt langzaam omhoog en ik ook. Bij het Fort De Schans, dat met Napoleon te maken heeft, staat het 4-kilometerbord. Wat kwam die Napoleon hier eigenlijk zoeken?
30
Hij ging zelfs tot in Rusland oorlog voeren! Was Frankrijk niet groot genoeg voor dat kleine mannetje? Texel is al zo groot als je er te voet omheen wil. We mogen omlaag tot kilometer 3, maar dan begint de beklimming van De Hoge Berg. Die is maar 15 meter hoger dan de zee, en toch, na 58 kilometer lopen is het een hoge berg. Het land rondom is groen met witte schapenstippen. Ik versnel de berg op. Ik loop liever bergop dan bergaf. Omlaag weer, nog 2 kilometer. Daar links, achter die bomen, is de begraafplaats van Oudeschild. We lopen er vandaag niet naartoe. We gaan rechtdoor en dan links. Weer omhoog. Nog 1 kilometer. Rechtsaf, omlaag. Minder dan 1 kilometer. Nu gaat iedereen sneller. Sommigen gaan heel snel. Dat zijn waarschijnlijk lopers van estafetteteams. ‘Kom op, kerel, nog een paar honderd meter, sprinten!’ brult een woeste meneer met een blikje bier in zijn hand. Ik schrik ervan. Ik sprint niet. Wie mij nog voorbij wil, die mag dat. Twee hagen van toeschouwers zonder blikjes klappen en juichen. Ik glimlach. Daar is het spandoek. Ik loop over de finish. Aluminiumfolie dat tegen het afkoelen beschermt, wordt om de schouders van elke aangekomen loper gelegd. Tussen alle druk pratende atleten en hun supporters, tussen alle kraampjes met drank en soep, tussen alle stille tegen de draad zittende mensen met hun hoofd in hun handen, staat één lege stoel. Ik ga erop zitten. Ik ben zo moe. Waarom wou ik deze ultraloop doen? De Zestig van Texel? Nooit meer. Ik heb de Zestig van Texel uitgelopen in 6 uur en 15 minuten. Renelle heeft mij perfect geholpen. Dank u, Renelle. Drie minuten later heeft ze mij gevonden. ‘Proficiat,’ zegt ze.
31
Ik krijg een kus. ‘Ga je dit nog doen?’ ‘Het was geweldig. Binnen twee jaar wil ik weer meedoen. Dan wil ik onder de zes uur lopen.’ Knip schudt zijn hoofd. Ik ben niet zoals hij. Wie wel? 371 lopers hebben het binnen de 7 uur gehaald. Driekwart van de deelnemers dus. Het is niet makkelijk. Mikel, zoon van Jan, is één van de 371. Voor hem ben ik extra blij. Ik hoop dat degenen die ook 60 kilometer liepen maar daar meer dan zeven uur voor nodig hadden zich geen verliezers voelen. Want dat zijn ze zeker niet. Morgen gaan Renelle en ik samen elektrisch fietsen. We zoeven eerst naar de Hoge Berg, naar de begraafplaats van Oudeschild. Het is even zoeken naar het graf van Jan. Er staan geen verse bloemen, maar versleten hardloop- en bergschoenen. In het midden een halve kajakpeddel. Uit de verticale grafsteen zijn stukken weggesneden, zodat je een beeld ziet dat je nooit meer zult vergeten: Een man en een hond, blootsvoets, lopen voor altijd over een blauw strand. De hemel boven Texel weent zacht. Wij moeten verder.
© Mikel Knippenberg www.janknippenberg.nl www.janknippenbergmemorial.nl
32
Nu zijn we echt vertrokken. Na maandenlang trainen en dromen is het eindelijk echt begonnen. Ik zie supporters met spandoeken. Anderen hebben iets op een stuk karton geschreven. Er wordt gepraat en gelachen. Iedereen is blij. Het is feest.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Marijke Meersman Foto’s: Mikel Knippenberg, Jos Van Iersel Met dank aan de organisatie van De Zestig van Texel. In het bijzonder aan Martien Baars voor de aanvullingen. Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.