ucatieve uitgaven
BIEB
De wereld rond Stijn Moekaars
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
5
De wereld rond
Je ziet niet wat je ziet, schilder ik een pijp of schilder ik het net niet. Ceci n’est pas une pipe. Ik schilder duiven in wolken of wolken als duif. Ik schilder mezelf en schuif in het zwart op een doek van kleur. Ik schilder geur, koud of warm, zacht met hart. Ik ben niet wie je ziet, ik ben Magritte.
1
ik wou dat ik met jou in een luchtballon kon ik ga mezelf wensen boven alle mensen dan zal ik jou zoenen tussen meeuwen, schudden aan de wolken en het laten sneeuwen arm in arm of dichter, lekker warm, zitten wij knus daarboven ik zal het jou beloven, ik vertel het jou eerst: dit is ons ballonnenfeest!
2
Ik draai aan de globe, mijn wereldbol met een lichtje in. Er hangt geen wolkje aan de lucht, zegt het laatste nieuwsbericht. Je wilt gaan duiken in de oceaan met zwembroek aan, en spontaan zwemmen er al vissen om me heen. Geef mij maar zee, land om op te staan. Heb je zin om mee te gaan? Dat mag, natuurlijk mag dat. Hang een lege rugzak aan, en vul hem onderweg met wat je ziet en hoort, met wat ik jou zeg. Jij draait aan de globe, jouw wereld en ik licht je in. Er hangt een gedicht in de lucht met plaats voor je eerste zin.
3
Ik ben een droom. Ik ben een doos en dicht. Ik ben dichter in de doos en een dichter in de doos. Ik ben een droom in de doos en een deksel op de droom. Ik ben een dromer in een dichte doos met een droom en droog de tranen uit mijn ogen. Ik ben een traan en droog op in een doos met een droom. Ik dicht de tranen van mijn droom aan elkaar.
4
Zo zit het dus, zo zit het dus met de kus: maak van je lippen een lange tuit, nee, joh, niet zo lang, je ziet er niet uit. Zo een beetje, dat is al beter, en dan, weet je, dan staat er aan de andere kant, iemand die net hetzelfde doet, dat is plezant, en dan … bweuk, wat heb jij gegeten, look of spruiten? En tanden poetsen, zeker vergeten? Het zit dus mis met die kis. Oeps, sorry, met die kus zit het echt mus.
5
‘Dit is de kaart van de wereld,’ zei je op een maandag. Je zette je vinger in het midden. ‘Hier woon ik,’ fluisterde jouw zoete glimlach. Toen schoof je vinger, mijlenver opzij. ‘Maar hier woon jij, te ver van mij.’ ‘Plooi de kaart dan dicht,’ lachte ik vederlicht. ‘Dat is al een begin,’ zei je toen. ‘Maar hoe dan? Hoe ga je dat doen?’ ‘Haak de keerkringen in elkaar. Plooi de polen tot bij de evenaar. Klaar!’ Jij keek naar de wereld en blij. ‘Ik wil geen grens tussen ons, geen noorderlicht of woestijn. Zo wil ik jou bij mij, zo moet het zijn.’
6
O, ik ben de mooiste, de allermooiste kijk maar, mijn haar en mijn kin ik, ik ben de mooiste, de allermooiste ik ben de Queen van All-in. O, ik ben de knapste, de allerknapste kijk naar mijn haar en mijn snor ik, ik ben de knapste, de allerknapste ik ben de King Junior. Zullen we trouwen? Samen kindjes bouwen? O, jij bent de liefste, de allerliefste kijk naar deze baby hier met krullen en een kinnetje ze kraait zo van plezier. O ja, er is ook een snor, natuurlijk maar een beginnetje.
7
Hallo, bonjour, je m’appelle eh.. ik heet eh.. O la la, j’ai oublié. Ik ben het vergeten maar na een kopje thee zal ik het wel weer weten. Hallo, bonjour, je m’appelle eh.. ik heet eh.. O la la, je ne sais plus. Ik weet het niet meer, maar na deze verse peer weet ik het zeker weer. Hallo, bonjour, je m’appelle euh.. ik heet eh.. O la la, c’est parti. Het is helemaal weg, maar luister wat ik zeg, wat een geweldige chance. Mijn naam is Frans!
8
Een klein meisje, Kato, zag het zo: schrijven lijkt op tekeningen maken: bolletjes, streepjes en krulletjes, die vrolijk in elkaar haken. Je kunt het leren, vanaf je eerste klas. Maar dit is gek, dit ontdekte ze pas: alle woordjes beginnen te leven als jij er kleur aan wilt geven.
9
Ik droom mezelf
Ik droom mezelf een alfabet, ik droom het zo van a tot zet, een hok, een bok, een vuur, een mies. Ik droom soms proper, soms eens vies. Ik droom mezelf een indiaan, een cowboy schiet met een banaan, een boot die vliegt tot aan de maan, en ik die nooit op straf moet staan. Ik droom mezelf een huppelpas, een rode droge regenjas. Ik droom een zachte zoen van mij. Die is voor jou, mijn lieve jij. Ik droom mezelf een zachte droom. Ik droom een wage wiege boom, een nest met warme pluimen in en ik … ik dommel in.
10
‘Ik haat humor,’ bromde de clownvis en keek wat sip in zijn bokaal. ‘Ik ken geen mopje, geen grapje, zelfs geen sappig verhaal.’ Toen kwam een meisje, die keek met grote ogen naar de vis. Ze tikte tegen het glas en dacht: hier is precies iets mis. ‘Haai,’ zei het meisje meteen. ‘Waar, waar?’ vroeg de clownvis verschrikt en keek angstig om zich heen. Hij had zich bijna in zijn bokaalwater verslikt. ‘Warempel en gewis,’ mompelde de net bekomen vis, ‘wel sapristi en asjemenou.’ Hij zocht droog papier, bedacht een titel voor zijn verhaal: ‘Vijftig tinten haaienblauw’
11
Dit is pas raar, dit ken ik niet, zo glad, geen enkele haar. Je weet niet wat je ziet. Het lijkt op een bolletje met een bult. Is het gevallen, was het zijn eigen schuld? Waar is het einde dan, waar is het begin? Zit er iets te duwen misschien, daar binnenin? Wat zeg je tegen mij? Dit is geen vreemd bolletje maar een ei.
12
Het zit hier zo krap, dacht een kuikentje op een zonnige lentedag. Ik snap niet hoe ik hier ben in geraakt en of ik nog niet naar buiten mag. ‘Hoe geraak ik vrij?’ zuchtte het donzen bolletje in het ei. ‘Duw ik tegen de kant met mijn kippenvleugel of mijn kippenrug? Prik ik door de rand, met mijn eitand? Ik moet hier uit en vlug.’ Toen klonk er een vreselijk buiten-eiselijk kabaal. ‘Wat is dat allemaal?’ keek het diertje met schrik. ‘Een stok in het kippenhok? Gekakel? Gepik?’ ‘Dat wil ik niet, o nee, niet met mij,’ zei het kuiken in het ei. ‘Weet je wat ik ga doen? Ik cocoon!’
13
tik tik tik hier ben ik ik spring blij uit het ei. tik tik tik hier ben ik ik zie jou, zie jij mij? tik tik tik hier ben ik nog zo klein maar ik, ik mag er zijn!
14
Ei in mij Ik heb zo’n raar gevoel vanbinnen, alsof het gaat beginnen. ’t Zit erin, het moet eruit bij koninklijk besluit. Het zit in jou, het zit in mij je kunt er niets aan doen. Het zit in jou, het zit in mij dit giga-supersonische ei. Het maakt niet uit hoe oud je bent hoe groot, hoe slim, hoe snel. Luister naar je ei vanbinnen, broed het uit, jawel! Jij bent jij en ik ben ik: het eiwit en het geel. Jij bent jij en ik ben ik, samen kunnen we veel.
15
Heb je ’t al gehoord, weet je het al? De kerstman is in het land, maar dan wel in de kerststal. De os en de ezel kijken wat naar elkaar. De kerstman hier? Dat vinden ze toch wat raar. De herders fluisteren: ‘Die hebben we nog nooit gezien. Zo dik, zo veel rood en nog ho ho ho bovendien.’ De drie wijzen schudden verbaasd het grijze hoofd. De kerstman hier? Toch niemand die dat gelooft. Ook Jozef en Maria krijgen het wat benauwd. Alleen het kindje slaapt rustig in het kribbeke van hout. Je begrijpt het niet? Ik zal het geheim met je delen: mijn broer zit weer met de kerstspullen te spelen.
16
Met carnaval doe ik een beetje raar Ik schmink mijn gezicht en doe pluimen in mijn haar Ik ben een prinses of een ridder op zijn paard een groene kikker met een drakenstaart Ik gooi confetti en slingers, meterslang met carnaval is niemand bang Dit is mijn masker het voelt een beetje raar Ik ben even iemand anders en toch mezelf, kijk maar
17
Vakantiejob Vanochtend toen ik in mijn bed nog lekker lag te dromen, van superheld en van mijn lief die zeker langs ging komen, kreeg ik een schok van mijn toffe wekker. Ik moest eruit en na ’t ontbijt was ik weer kipkiplekker. Ik mocht beginnen bij de boer, die had wel duizend kippen. Maar met al dat kipgekakel begon ‘k spontaan te flippen. Ik heb toen alle kippen snel op een stok gezet. Jammer voor de vele eitjes: ze zijn nu omelet.
18
Vleermuizen In een klein kasteeltje hing er aan het hoog plafond een superkleine vleermuis, die wel heel mooi zingen kon. Van de zon en van de maan en van een ijsje met banaan en van een supertrampolien. Ah, die wil ik zeker zien. In een hoge eikenboom, ergens in een sprookjesbos, hangt een hele vreemde vleermuis met wel zeven schroefjes los. Want hij fladdert alle nachten op een wondertje te wachten als vampier, dit moet ik kwijt, pas maar op als hij jou bijt! Zie jij soms een vleermuis tussen hoge bomen door, zwaai dan even naar dat diertje, want dat vindt ie prettig, hoor. Nee, hij vliegt niet in je haar. Nee, zelfs in geen honderd jaar, maar eet stapels vlieg en mug. Da’s fantastisch, vlieg maar vlug!
19
Vlinder Fladder heen en weer, tussen rozen en het mos. Vlinder Fladder nog een keer door de wei en door het bos. Op een dag was jij een ei, met broertjes, zusjes op een rij. Jij at lekker van het blad, omdat jij zo’n honger had. Na dat ei, een speldenprik, werd jij een rups zo lekker dik. Na nog happen, lekker snel, knapte jij haast uit je vel! Je voelde je opeens zo raar, en maakte toen je huisje klaar. Het grote wonder dat begon in jouw donzige cocon. Je kroop toen door de dikke muur. Dat duurde zeker wel een uur. Je vleugels droogden in de zon. Je vlinderleventje begon!
20
Briepel Vandaag doe ik eens briepel op mijn witte boterham, verder van voren wat zoute boter en een stukje achterham. Ik draai de kleine deksel van de grote briepelpot. Met mijn mes neem ik wat briepel, ’t lijkt verdacht op groen snot. Pats, daar valt een grote klodder op de tafel naast mijn bord. Sapristi, want ik besef dat dit een grote knoeiboel wordt. Ik probeer dan met mijn vork het goedje op te nemen. Maar de briepel floept eraf en briepelt langs mijn benen. Ik probeer met een grote lepel om dat spul te vangen. Maar de briepel schiet eraf tot boven op mijn wangen.
21
Ik graai naar mijn hoofd en wil die troep vergaren. Maar het briepelt lekker door, tot in mijn eigen haren. Wil je briepel als ontbijt? Ja, wil je het proberen? Geen probleem, maar weet dan wel: briepel kun je niet goed smeren.
22
Ik zag je even dansen, gisteren in het maanlicht. Jij danste poëzie, een wondermooi gedicht. Je danste heen en weer, je armen op en neer. Ik zag je vleugels wiegen, met vederlicht gewicht. Jij danste woorden, zinnen, een waar verhaal bij deze. Jij vroeg: Wat weet jij van mij? Ik kon je bijna lezen.
23
‘Dag,’ zegt het masker. ‘Dag,’ zegt de kleine danseres. ‘Ben jij het masker?’ ‘Ja,’ zegt het masker, ‘ik ben het masker uit Afrika.’ ‘Is dat ver, Afrika?’ vraagt de kleine danseres. ‘Dat hangt ervan af,’ zegt het masker. ‘Waarvan dan?’ ‘Vanwaar je woont,’ zegt het masker. ‘A ja,’ zegt de kleine danseres. ‘Wat doe jij hier?’ ‘Ik kijk naar mensen die ook een masker op hebben,’ zegt het masker. ‘Heb jij er eentje op?’ De kleine danseres kijkt verbaasd. ‘Ik? Nee hoor, zegt ze. Ik heb niets te verbergen.’ ‘Helemaal niets?’ vraagt het masker. ‘Nee,’ zegt de kleine danseres. ‘Helemaal niets.’ ‘Een ietsiepietsie misschien?’ ‘Ook geen ietsiepietsie,’ antwoordt de danseres. ‘Iedereen mag zien dat ik dans zoals de leeuw.’ ‘Leeuw?’ lacht het masker. ‘Dat wil ik zien, dan voel ik mij weer helemaal thuis.’ ‘Hmm, thuis,’ knikt de danseres en kijkt naar haar planeet.
24
Poëzie is spelen met taal, goochelen met woorden, puzzelen met zinnen en zoveel meer. Een gedicht kan je blij maken, je ontroeren tot tranen toe. Een gedicht neemt je mee op reis, doet je dromen van een andere wereld. Maar bovenal is poëzie genieten. Neem tijd om een gedicht te lezen. Of lees eens een gedicht voor aan je mama, papa, aan je opa of oma. Zelfs de vis in zijn bokaal houdt van poëzie. Probeer het maar!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Emily Van Overstraeten Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.