ucatieve uitgaven
BIEB
Een vreemde vogel Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
5
Een vreemde vogel
1
2
Er was iets vreemds aan de hand met Benjamin. Zijn vader en zijn moeder vonden het ook, net als zijn oudere broer. En zoals dat gaat in een doodgewoon dorp, gingen er allerlei praatjes de ronde. De bakker zei tegen de slager: ‘Die Benjamin is een vreemde vogel. Daar zal zijn vader nog een heel pak last mee krijgen!’ Waarop de slager knikte en antwoordde: ‘Zo is het! Zijn vader is een knappe timmerman die de beste meubels maakt en zijn moeder naait de mooiste bruidskleren ter wereld. Zijn broer, Lodewijk heeft een hele knappe kop en zal het nog ver schoppen. Maar Benjamin …?’ De vrouw van de houthakker was erbij komen staan. Ze boog haar hoofd wat dichter naar de mannen toe en fluisterde: ‘Benjamin is de grootste luiaard die er bestaat. Hij zit altijd te lezen bij het haardvuur met zijn voeten op de rooster. Boek na boek verslindt hij!’ ‘Met boeken lezen, kun je je brood niet verdienen,’ sprak de slager en hij kapte een varkensbout los. Zo was het inderdaad gesteld met Benjamin. Al wat zijn vader voorstelde vond hij maar niets. Kleermaker, paardentemmer, schapenhoeder, pillendraaier, loodgieter en nog vele andere beroepen werden door de vader opgesomd. ‘Benjamin, je moet toch iets leren om de kost te verdienen!’ ‘Vader, door mijn boeken leer ik de hele wereld kennen!’ sprak Benjamin en hij las verder.
3
Zijn vader ging schuddehoofdend terug naar zijn werk. Op een dag las Benjamin een griezelig boek over geesten en skeletten en nog veel meer. De hoofdpersonages beefden en sidderden van de schrik en allemaal hadden ze kippenvel. Benjamin begreep er niets van. In dit boek stond toch niets waar een mens schrik voor moest hebben. Lodewijk was wel een angsthaas. Die durfde ’s avonds niet eens langs een kerkhof te wandelen. Of wanneer er ’s avonds bij het vuur verhalen verteld werden waarvan je kippenvel kreeg, dan zei Lodewijk altijd: ‘O, wat griezelig!’
4
Benjamin hoorde het aan en kon maar niet begrijpen wat dat betekende. ‘Ik vind het helemaal niet griezelig. Dat zal wel weer zo’n kunst zijn waarvan ik niets begrijp.’ Ook de griezelige hoofdstukken in dit boek waren flauw en vervelend. Hij klapte het dikke boek dicht en opeens stond zijn moeder voor zijn neus. ‘Benjamin, ik heb er genoeg van! Je bent groot en sterk, ik wil dat je iets leert!’ zei ze met haar armen gekruist. Benjamin dacht er even over na en antwoordde: ‘Moeder, ik wil best wat leren. Wat mij betreft zou ik graag leren griezelen, daar begrijp ik geen sikkepit van.’ Lodewijk begon te lachen toen hij dat hoorde en dacht bij zichzelf: mijn hemel, mijn broer is een grotere domkop dan ik dacht. Daar komt niets van terecht!’ Vader zuchtte en antwoordde: ‘Griezelen zul je wel leren, maar je brood zul je daarmee niet verdienen.’ Kort daarop kwam mijnheer pastoor op bezoek om de nieuwe kast op te halen die vader had gemaakt. ‘Hendrik, je ziet er niet al te best uit,’ sprak mijnheer pastoor. ‘Gaan de zaken misschien niet goed?’ Vader schudde het hoofd. ‘Met de zaak gaat het prima. Mijn zorg gaat naar Benjamin. Stel u voor, mijnheer pastoor, toen zijn moeder hem vroeg om iets te leren, antwoordde hij: ‘Ik wil alleen leren griezelen!’ Wat moeten we met die jongen?’ ‘Als dat alles is,’ antwoordde mijnheer pastoor, ‘dan kan hij dat wel bij mij leren. Ik kan best een hulpje gebruiken.
5
Stuur hem vanavond maar naar mij toe, ik zal hem wel bijschaven. Bij mij zal hij beslist leren griezelen.’ De vader vond het een prima idee en hij stuurde zijn jongste zoon het huis uit. Benjamin ging naar de kerk en mijnheer pastoor nam hem bij de arm. ‘Luister goed, Benjamin. Ik ben al oud en kan niet goed meer de trappen op. Jij moet stipt om middernacht de klok luiden in de klokkentoren. Pas op, het is er donker! En vergeet niet dat om twaalf uur het uur der spoken en geesten aangebroken is!’ Mijnheer pastoor lachte in zijn vuistje. Hij zou die jongen eens lekker laten griezelen. Die nacht stond Benjamin op en klom de toren in naar boven. Rond zijn hoofd vlogen de vleermuizen verschrikt weg. Enkele ratten stoven piepend in alle hoeken en gaten weg. 6
‘Waarom gaan jullie weg?’ vroeg Benjamin verbaasd. ‘Jullie zouden me gezelschap kunnen houden!’ Hij greep het klokkentouw en begon uitbundig de klok te luiden. Het was een leuk werkje vond hij en hij liet zich bengelen aan het touw. Naar boven en naar beneden en hop weer terug. Griezelen zal ik hier niet leren, dacht hij. De volle maan schoof langzaam op en haar licht viel door een torenraampje naar binnen. Bij de trap die naar beneden kronkelde, stond opeens een witte gedaante. De spookverschijning stak de armen uit naar de jongen en sprak met een akelige stem: ‘Ik kom je halen om je naar het rijk der geesten te brengen.’ Benjamin bungelde nog steeds aan het touw. ‘Zeg, stuk voddenlaken, wat doe jij daar midden in het holst van de nacht?’ riep hij. ‘Hoor jij niet in bed te liggen, net als ieder fatsoenlijk wezen?’ De geestverschijning kwam dichterbij. Benjamin riep voor de tweede maal: ‘Wat moet je hier? Spreek of ik gooi je de trap af.’ De pastoor in het witte laken dacht: zo’n vaart zal het wel niet lopen. Als ik me stilhoud en nog wat akelige geluiden uitstoot, zal die jongen vast en zeker bang worden. Maar Benjamin voelde niets van angst. Hij had geen zin in spelletjes met beddenlakens.
7
‘Ik zeg het nog een keer, grote luierdoek! Als je niet maakt dat je wegkomt, scheur ik je aan repen. Of ik maak kleine zakdoekjes van je waaraan iedereen zijn snot mag afvegen.’ Toen dat ook niet hielp, duwde hij het spook de trap af. Mijnheer pastoor viel tien treden naar beneden en bleef in een hoek liggen jammeren. Daarop luidde Benjamin nog eens de klok, liep naar huis en zonder een woord te zeggen ging hij naar bed en sliep de hele nacht door.
8
De volgende dag kwam mijnheer pastoor niet opdagen in de kerk. De mensen zaten te wachten en begrepen er niets van. Ook de moeder van Benjamin wachtte op hem. Toen ze terug thuis was, wekte ze Benjamin en vroeg: ‘Waar is mijnheer pastoor? Jij bent de enige die het kan weten, want jij was vannacht bij hem in de klokkentoren.’ ‘Nee, moeder,’ antwoordde Benjamin, ‘mijnheer pastoor was niet in de klokkentoren. Wel stond er een of andere grapjas in een tafellaken of beddenlaken onnozel te doen en voor spook te spelen. Ik heb hem driemaal gewaarschuwd, maar hij bleef me plagen. En omdat ik hem als een boef heb beschouwd, heb ik hem van de trap geduwd. Gaat u er maar heen, dan zult u zien of hij dat was. Als het mijnheer pastoor is, dan spijt het me vreselijk.’ De vrouw holde weg naar de kerk. Daar vond ze mijnheer pastoor die in de hoek nog steeds lag te jammeren, want hij had een been gebroken. Samen met haar man droeg ze hem naar beneden en ze brachten hem met paard en kar naar de dokter. Daarna gingen ze voor Benjamin staan. ‘Wat zijn dat voor goddeloze streken? Die moet de duivel in je oor hebben geblazen!’ ‘Vader,’ antwoordde hij, ‘luister even: ik ben geheel onschuldig. Mijnheer pastoor stond daar midden in de nacht als iemand die kwaad in de zin heeft. Ik wist niet wie het was en heb hem driemaal gevraagd om weg te gaan.’
9
‘Ach,’ sprak de vader, ‘met jou beleef ik niets dan narigheid, ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien!’ Benjamin zag dat zijn vader het meende. ‘Ja, vader, heel graag. maar wacht tot het dag is, dan trek ik eropuit om te leren griezelen.’ ‘Leer wat je wilt,’ sprak vader, ‘het is mij om het even. Hier heb je vijftig centen, ga daarmee de wijde wereld in en zeg aan niemand waar je vandaan komt en wie je vader is, want ik schaam mij voor je.’ ‘Ja, vader, zoals u wilt,’ sprak Benjamin. Toen de dag aanbrak, stak Benjamin de vijftig centen in zijn zak, deed wat eten in een doek en bond die aan een stok.
Hij koos de weg in de richting van de zon. De hele tijd zei hij hardop in zichzelf: ‘Kon ik maar griezelen, kon ik maar griezelen.’ Een man hoorde dat en volgde Benjamin tot hij aan de heuvel kwam. De heuvel werd door iedereen de Doodsberg genoemd, maar dat wist Benjamin niet. 10
Op de top van de heuvel stond een hoge, dode boom. Aan de drie onderste takken hingen, zoals aan een galg, de dode lichamen van misdadigers. Drie moordenaars waren het. ‘Hé, jongeman, zie je die hoge boom daar staan?’ sprak de man. ‘Ga daaronder zitten en wacht tot de nacht invalt, dan leer je wel griezelen.’ ‘Bedankt voor de tip,’ zei Benjamin. ‘Als ik zo snel leer griezelen, dan krijg jij mijn vijftig centen. Kom morgen maar bij mij terug.’ Benjamin ging onder de dode boom zitten en wachtte tot de avond viel. En omdat hij het koud had, maakte hij met sprokkelhout een vuur aan. Toen het middernacht werd, blies de wind zo nijdig en kil dat hij het ondanks het vuur niet warm kon krijgen. En toen de wind de gehangenen tegen elkaar sloeg, dacht hij: ik heb het hier beneden al zo koud, wat zullen die daarboven rillen. Benjamin zette de ladder tegen de galgboom, klom naar boven, knoopte de een na de ander los en haalde ze alle drie naar beneden. Daarna pookte hij het vuur op, blies het aan en zette de drie lijken eromheen, zodat zij zich konden warmen. Zij zaten daar als hoopjes en bewogen niet. Door de wind vielen ze voorover en hun kleren vatten vlam. Benjamin riep: ‘Hé, pas op! Jullie kleren vatten vuur.’
11
De doden hoorden echter niets, ze zwegen en lieten hun oude kleren verbranden. Toen werd Benjamin boos en zei: ‘Als jullie niet willen opletten, dan kan ik er ook niets aan doen. Ik heb geen zin om samen met jullie te verbranden.’ Hij nam ze een voor een weer op en hing ze terug in hun lus aan de dode boom. Daarna ging hij bij zijn vuur zitten en sliep in. 12
De volgende morgen kwam de man de vijftig centen ophalen. Hij vroeg: ‘Weet je nu wat griezelen is?’ ‘Nee,’ antwoordde Benjamin naar waarheid. ‘Hoe zou ik dat weten? Die daarboven hebben hun mond niet opengedaan en zij waren zo dom dat zij die paar oude lappen die zij aan hun lijf droegen, lieten verbranden.’ De man begreep dat hij geen vijftig centen zou verdienen. Hij ging weg en sprak: ‘Zo’n vreemde vogel heb ik nog nooit ontmoet.’ Weer vertrok Benjamin met de zon mee, al mompelend: ‘Ach, kon ik maar griezelen.’ Dat hoorde een reiziger die op weg was naar de herberg. ‘Wie ben jij?’ vroeg hij. ‘Ik ben niet meer dan een vreemde vogel,’ sprak Benjamin. ‘Waar kom je vandaan?’ wilde de man weten. ‘Van het land der dwazen,’ zei Benjamin, die nog steeds dacht aan de drie domkoppen bij het vuur. ‘Wie is je vader?’ vroeg de man die steeds nieuwsgieriger werd. ‘Dat mag ik niet zeggen,’ sprak Benjamin. ‘Het enige wat ik kan zeggen, is dat ik wil leren griezelen.’ ‘Laat dat domme geklets,’ sprak de reiziger, ‘kom en ga met mij mee. Je ziet eruit alsof je een bad en een bed kunt gebruiken.’ De jongen ging met de reiziger mee en ’s avonds kwamen zij bij een herberg aan. Benjamin nam een bad en kreeg een heerlijke maaltijd.
13
Maar toen hij voldaan was, dacht hij weer aan zijn wens. ‘Kon ik maar griezelen, kon ik maar griezelen,’ sprak hij weer hardop. De herbergier die dat hoorde, begon te lachen en sprak: ‘Als je dat wenst, weet ik wel iets. Ik ken een plaats …’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en glimlachte. Hij kreeg een stomp van de elleboog van zijn vrouw. Ze vond Benjamin een hele mooie jongeman en hij zag er daarbij erg vriendelijk uit. ‘Zwijg toch, man!’ zei ze. ‘Al zo veel jongemannen hebben het met hun leven beboet. Het zou jammer zijn van die mooie ogen als ze het daglicht niet meer zouden zien.’ Maar Benjamin antwoordde: ‘Ik ben niet bang! En juist daarom ben ik eropuit getrokken. Ik wil weten wat griezelen is!’ Hij liet de herbergier dan ook niet met rust voor die alles vertelde. ‘Hier niet zo ver vandaan staat een betoverd kasteel waar iemand kan leren wat griezelen is, als hij drie nachten in dat slot wil waken. Diegene die erin slaagt, mag trouwen met de dochter van de koning. En geloof me, zij is de mooiste jonkvrouw die door de zon beschenen wordt. In het kasteel zijn ook grote, door boze geesten bewaakte schatten.
14
Zij doen er alles voor om die te beschermen. Vele jongemannen zijn al naar binnen gegaan, maar niemand heeft het er drie nachten uitgehouden. Erger nog: niemand van hen is teruggekomen.’ De volgende morgen ging Benjamin naar de koning en sprak: ‘Laat mij in uw betoverde slot binnen en ik zal drie nachten waken.’ De koning keek hem aan. Hij vond Benjamin een leuke jongeman. Daarom wilde hij iets meer doen dan anders. ‘Je mag drie dingen vragen om mee te nemen.’ Benjamin dacht na en zei: ‘Ik wil vuur, een draaibank en een houtsnijbank met een mes.’ De koning liet al die dingen naar het slot brengen. Toen de nacht inviel, legde Benjamin in een van de kamers een groot vuur aan, zette de houtsnijbank met het mes ernaast en ging op de draaibank zitten. 15
‘Ach, kon ik maar griezelen!’ sprak hij. ‘Maar hier zal ik het ook wel niet leren, vrees ik.’ Toen de klok twaalf sloeg, wilde hij net het vuur aanblazen, toen hij plots geschreeuw hoorde in de hoek. ‘Au, miauw, wat hebben wij het koud!’ ‘Daar hoef je niet zo om te krijsen,’ zei Benjamin, ‘als jullie het koud hebben, kom dan bij het vuur zitten om je te warmen.’ Hij had het nog maar net gezegd of twee reusachtige katten sprongen naar hem toe en gingen ieder aan een kant van hem zitten. Hun hoektanden leken geslepen zoals bij een sabeltandtijger en ze keken hem met vurige ogen wild aan. Hun klauwen leken op scherpe dolken. Na een poosje, toen zij warm waren geworden, spraken zij: ‘Vriend, zullen we eens kaarten?’ ‘Waarom niet,’ antwoordde hij, ‘maar laat eerst jullie poten zien.’ Zij strekten hun klauwen uit. ‘Bij het zien van jullie klauwen is de zin om te kaarten me vergaan.’ Hij sloeg ze dood en op dat moment verdwenen ze alsof ze er nooit waren geweest. Toen kwamen er uit alle hoeken katten en honden aan gloeiende kettingen naar hem toe gesprongen. Zij schreeuwden verschrikkelijk, trapten op zijn vuur, trokken het uit elkaar en probeerden het uit te doven. Hij pakte zijn houtsnijmes en riep: ‘Ik heb niet om jullie gezelschap gevraagd! Scheer jullie weg!’
16
17
Hij sloeg erop los en telkens hij een dier raakte, verdween het als sneeuw voor de zon. Toen de laatste in rook was opgegaan, blies hij het vuur weer aan en warmde zich. Uitgeput viel hij in slaap. ’s Morgens kwam de koning en toen hij hem daar zag liggen, dacht hij dat de spoken hem hadden gedood. De koning was verbaasd dat de jongen nog leefde, maar ook verheugd en hij vroeg hoe het gegaan was. ‘Goed,’ antwoordde Benjamin. ‘Laat de volgende nacht maar komen, want ik moet nog steeds leren griezelen.’ De tweede nacht ging hij weer bij het vuur zitten. Tegen middernacht hoorde hij lawaai en gestommel. Plots plofte er een halve mens uit de schoorsteen voor zijn voeten neer. ‘Hola,’ riep hij, ‘er is een stuk te kort!’ Toen begon het lawaai opnieuw en de andere helft viel ook naar beneden. De twee stukken kropen naar elkaar toe en opeens stond er een aartslelijke man voor Benjamin. Hij zette zich op de draaibank en keek de jongeman gemeen aan. ‘Helaba,’ zei Benjamin, ‘die bank is van mij.’ Hij duwde de lelijkaard eraf en toen vielen er nog meer mannen naar beneden. Ze droegen een doodskop en knoken met zich mee en ze begonnen te kegelen. ‘Doe je mee?’ vroeg de lelijkste. ‘Ik wil wel,’ sprak Benjamin, ‘maar je bal is niet helemaal rond.’ Hij nam de doodskop, klemde die in de draaibank en draaide hem glad en rond. ‘Nu rolt hij beter,’ sprak hij. Hij speelde mee tot middernacht, tot alles voor zijn ogen opeens verdween. Hij ging liggen en sliep rustig in.
18
19
De volgende morgen kwam de koning naar hem kijken. ‘Hoe is het je deze keer vergaan?’ vroeg hij. ‘Ik heb plezier gemaakt,’ antwoordde Benjamin, ‘maar griezelen heb ik niet geleerd.’ De derde nacht kwamen zes zwarte wezens naar binnen en zetten een doodskist op de grond. Benjamin nam het deksel eraf en zag een dode man liggen. Hij voelde aan zijn gezicht; het was ijskoud. ‘Ocharme, ik zal je een beetje warmen,’ zei hij. Hij wreef de armen om het bloed weer in beweging te krijgen. Toen dat niet hielp, bedacht hij dat wanneer twee mensen in bed liggen, ze elkaar verwarmen. Hij ging naast de dode liggen en nam het lijk in zijn armen. Na een poosje werd de dode warm. Hij begon te bewegen en sprak: ‘Ik zal je wurgen!’ ‘Wat!’ riep Benjamin. ‘Dat is stank voor dank!’ Hij wierp de man weer in de kist en sloot het deksel. Daarop kwam er een man binnen die groter was dan alle anderen. Zijn ogen waren bloeddoorlopen en uit zijn neus droop groen slijm. Zijn lange baard was gemaakt van donkere vlechten en kettingen. ‘Nu zul je leren griezelen, want je moet dood,’ sprak de man. ‘Niet zo haastig,’ antwoordde Benjamin. ‘Eerst moeten we meten wie de sterkste is.’ ‘Dat wordt een lachertje,’ sprak de monsterachtige man, ‘maar als je toch sterker bent dan ik, dan laat ik je gaan.’
20
21
Benjamin volgde de man door donkere gangen. Ze kwamen aan in de kamer van een smid. De man nam een bijl en sloeg het aambeeld met één slag de grond in. ‘Dat kan ik nog veel beter,’ zei Benjamin en hij liep naar het andere aambeeld. De man ging naast hem staan om toe te kijken en zijn vieze baard hing tot op de grond. Benjamin greep de baard van de man vast en klikte de grootste ketting vast in het slot aan het aambeeld. ‘Nu heb ik je,’ sprak de jongen, ‘nu ben jij het die moet sterven.’ Daarop begon de lelijkaard te jammeren en te smeken voor zijn leven. ‘Als je me in leven laat, zal ik je drie schatten geven,’ zei hij. Benjamin liet het hem driemaal beloven en maakte toen de baard los. De man bracht hem weer terug naar het slot en toonde hem in de kelder drie kisten vol goud. Hij sprak: ‘Daarvan behoort één deel aan de armen, één deel aan de koning en het derde is voor jou.’ De klok van het kasteel sloeg twaalf uur. De lelijkaard verdween en de jongen stond in het donker. Het leek alsof de monsterachtige man er nooit was geweest. Benjamin vond de weg naar de kamer terug en viel uitgeput in slaap bij zijn vuur. De volgende morgen kwam de koning. ‘Nu zul je wel geleerd hebben wat griezelen is.’ ‘Nee,’ antwoordde Benjamin, ‘het was niet veel bijzonders.
22
Griezelen kan ik nog steeds niet, maar ik heb wel drie schatten gekregen. Eén voor de armen, één voor u en één voor mij.’ De koning sprak: ‘Jij hebt het slot verlost en daarom mag je met mijn dochter trouwen.’ ‘Is ze mooi?’ vroeg Benjamin, die zeker wilde zijn. ‘Ze is als de mooiste vogel in het luchtruim,’ zei de koning. ‘Dat klinkt goed,’ zei Benjamin. ‘Een mooie vogel en een vreemde vogel maken goede nesten. Maar ik weet nog steeds niet wat griezelen is.’ Daarop werd het goud naar boven gebracht en de bruiloft werd gevierd. De armen in het land kregen hun deel, zodat niemand nog arm was. Maar Benjamin bleef zeggen: ‘Kon ik maar griezelen.’ De prinses werd het een beetje beu en op een dag zei haar kamermeisje: ‘Ik zal u helpen en dan leert hij heus wel griezelen.’ Zij ging naar buiten naar de rivier die achter de paleistuin stroomde en liet daar een hele emmer vol palingen uit ophalen. ’s Nachts toen Benjamin in een diepe slaap was, liep de prinses naar hem. Ze trok zacht de deken van hem weg en goot de emmer met kronkelende rivierpalingen over hem heen. Als door een bij gestoken, sprong hij op, zijn ogen wijd open gespreid.
23
‘Wat is dit? Wat is dit? Zo griezelig!’ riep hij uit. Hij sprong en danste op het bed om de snotterige en kronkelende palingen van zijn lijf te krijgen. Een paling was in zijn pyjamabroek gegleden. Hij riep het uit. ‘Help! Help me!’ De prinses lag in een deuk van het lachen. Toen de palingen terug in de emmer waren, sprak Benjamin: ‘Nu weet ik wat griezelen is. Dankzij mijn lieve vrouw.’ Hij nam haar in zijn armen en kuste haar.
24
Benjamin is een vreemde vogel. Het lijkt alsof hij van niets of niemand bang is. Nadat hij een streek uithaalt waar zijn ouders niet mee kunnen lachen, begint zijn avontuur. Hij moet en zal leren griezelen!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.