ucatieve uitgaven
BIEB
Een bed op wieltjes Kolet Janssen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
4
Een bed op wieltjes
1
Het onthaal
Vlak voor het ziekenhuis stapten Ella en Abdel uit de bus. Ze liepen naar de grote glazen deuren. Er hing een bordje naast dat je binnen niet mocht roken. Eronder stond een grote asbak. De deuren schoven vanzelf open en Ella en Abdel liepen de grote hal in. Ella hield een klembord met een pen in haar hand. Ze moesten voor school een reportage maken. Sommige kinderen gingen naar een grote winkel, naar de bioscoopzaal of het zwembad. Abdel en zij gingen naar het ziekenhuis. Spannend! Abdel stapte meteen naar een mevrouw die achter een balie zat. Ze was aan de telefoon en zocht iets op in haar computer. Ze praatte vriendelijk en knikte erbij, ook al kon de persoon aan de andere kant van de lijn dat natuurlijk niet zien. Eindelijk was ze klaar. ‘Kan ik jullie helpen?’ vroeg ze. ‘Wij maken voor school een reportage over het ziekenhuis,’ begon Abdel. De mevrouw glimlachte. ‘Dat is een leuk idee,’ zei ze. ‘Maar een ziekenhuis is groot en alle mensen die hier werken, zijn meestal druk bezig. Weten jullie al waar je wilt beginnen?’ ‘Hier misschien?’ probeerde Ella. 1
‘Oké, ik leg jullie uit wat wij hier aan het onthaal doen,’ zei de mevrouw. Ze had een naamkaartje op haar bloes waar ‘Anne’ op stond. ‘Wij helpen mensen die niet precies weten waar ze naartoe moeten,’ legde ze uit. ‘Soms komen mensen hier voor een onderzoek. Of ze willen een zieke opzoeken die ze kennen. Of ze moeten zelf worden opgenomen. Dan kunnen wij hen wijzen waar ze moeten zijn. Als iemand zelf patiënt is, moet hij naar de inschrijvingen. Dat is aan die kant van de hal. Daar moet hij dan zeggen of hij komt voor een kort onderzoek of voor een echte opname. Bij een opname krijg je een bed op een kamer en blijf je ook ’s nachts in het ziekenhuis. Elke patiënt krijgt een dossier. Dat maken ze met behulp van zijn identiteitskaart en de verwijsbrief die hij van zijn dokter kreeg. Er staat op hoe hij heet, waar hij woont, bij welke dokter hij in behandeling is en waar hij verzekerd is. Daar maken ze een heel vel met stickers van die telkens opnieuw gebruikt worden, zodat niet elke dokter of verpleegkundige alle gegevens opnieuw moet overschrijven. Als je alleen maar de weg zoekt naar een ziekenkamer, kunnen wij je ook helpen. Er staan wel pijlen met kleurtjes naar de verschillende afdelingen, maar veel mensen horen toch nog graag van ons waar ze juist moeten zijn.’
2
Ella keek naar de pijlen die op de muren en langs de grote trap stonden. Het waren er zo veel, dat je hoofd er van ging tollen! ‘Daar om de hoek zijn de liften,’ ging Anne verder. ‘Waarom staan daar allemaal rolstoelen?’ wilde Abdel weten. Hij wees naar een rij rolstoelen naast de deur. Het leken wel karretjes in de supermarkt! ‘Soms komen er mensen binnen die niet goed kunnen lopen, omdat ze pijn hebben of ziek zijn,’ zei Anne. ‘Die mogen dan zo’n rolstoel gebruiken in het ziekenhuis. Want soms is het een heel eind lopen naar de afdeling waar je moet zijn!’ De telefoon rinkelde en Anne nam op. Ze praatte kort, zocht weer iets op in haar computer, drukte op een paar knopjes en was klaar. ‘Mensen bellen vaak naar het ziekenhuis omdat ze willen weten of iemand hier opgenomen is. Dat kan ik nakijken in de computer. Of omdat ze als familielid willen horen hoe het met iemand gaat. Dan verbinden wij hen door met de afdeling. Kijken jullie maar wat rond hier!’ De telefoon rinkelde opnieuw en er stonden ook twee mensen achter hen om iets te vragen. Maar Anne bleef er vrolijk en rustig bij. ‘Daar is de bloemenwinkel,’ wees Abdel. ‘Waarom kopen mensen eigenlijk bloemen voor iemand die ziek is?’
3
Ella haalde haar schouders op. ‘Gewoon, omdat bloemen leuk zijn om naar te kijken?’ Verderop was er een winkel met kranten, tijdschriften, boeken en ballonnen. ‘Als je ziek bent, ben je zielig en dan mag je veel cadeautjes krijgen,’ vond Abdel. ‘Wat zou jij het liefste krijgen als je ziek was?’ vroeg Ella. Daar hoefde Abdel niet lang over na te denken. ‘Chocola en snoep!’ riep hij. ‘En jij?’ ‘Zo’n armbandje misschien,’ wees Ella. Er hing een hele staaf met roze en blauwe armbandjes. ‘Of een puzzelboekje, dat is ook leuk en dan heb je iets te doen.’
4
Ze liepen naar de andere kant van de hal. Daar was de cafetaria. Mensen zaten er aan tafeltjes of in zetels iets te eten of te drinken. Sommige mensen hadden gewone kleren aan, maar anderen liepen in pyjama en kamerjas en op pantoffels. ‘Kijk, er zijn ook patiënten hier,’ wees Ella. ‘Die zijn het vast beu op hun kamer,’ lachte Abdel. ‘Waar beginnen we, boven of beneden?’ vroeg Abdel. ‘Beneden,’ besliste Ella. ‘We nemen de lift naar de kelderverdieping.’ Maar beneden reden alleen mensen rond met grote karren vol lakens, handdoeken en verbandspullen. ‘Hier zijn vast de voorraadkamers,’ bedacht Abdel. ‘Daar hebben we niet veel aan. Toch maar wat hoger dan!’ ‘Ik zou wel eens willen weten hoeveel lakens er hier elke dag in de was gaan,’ zei Ella. Een vrouw met een blauwe schort aan stapte samen met hen weer in de lift. Ze had Ella’s vraag gehoord. ‘De lakens en handdoeken gaan gewoon de deur uit naar de wasserij,’ zei ze. ‘Elke dag opnieuw een hele vrachtwagen vol vuile lakens weg en evenveel schone lakens weer terug.’ Ze lachte toen ze uitstapte op de gelijkvloerse verdieping. ‘Alleen alles schoonmaken moeten we natuurlijk zelf doen: de vloeren, de bedden, de wasbakken en de wc’s. Veel werk hoor!’ Ze stapte weg.
5
Abdel zag een pijl die naar de achterkant van het gebouw wees. ‘Spoedafdeling,’ stond erop. ‘Zullen we daar eerst gaan kijken?’ Ella schreef snel nog iets op haar klembord en liep daarna mee.
2
De spoedafdeling
Op de spoedafdeling heerste er een drukte van belang. In de wachtzaal zaten wel twintig mensen. Sommigen zaten met gesloten ogen achterovergezakt in hun zetel. Anderen lazen een tijdschrift. Een man had zijn linkerarm voorzichtig op zijn knieën gelegd. Een kleuter met grote huilogen en zijn vinger in een dik verband zat op de schoot van zijn mama. ‘Tussen het autoportier,’ hoorde Abdel de mama tegen iemand zeggen. Ella en Abdel gingen op zoek naar iemand die hen wat uitleg kon geven. Onderweg kwamen ze langs een aantal kamertjes met gordijntjes in plaats van deuren. Als ze open waren, zagen ze telkens een soort onderzoekstafel staan waar je op kon liggen. In rekken aan de muur lag allerlei soorten verband. Achter een balie zat een man in een wit uniform met een naamplaatje waar ‘Ludo’ op stond. Hij keek hen vragend aan. ‘Heeft u even tijd voor ons?’ vroeg Ella beleefd, nadat ze hadden uitgelegd dat ze voor een schoolproject kwamen.
6
7
Ludo lachte. ‘Dat weet ik nooit van tevoren,’ zei hij. ‘Nu is het even wat rustiger, maar als er straks opeens een ziekenwagen binnenrijdt, wordt het meteen druk. Op deze afdeling kun je dat nooit voorspellen! Al is het wel zo dat de drukste dagen zaterdagen en zondagen zijn: mensen gaan dan klusjes doen thuis en verwonden zich met de zaagmachine of de boor. Of ze vallen met de fiets of er gaat iets fout bij het sporten … Maar de ergste periodes vallen in de winter: als het gesneeuwd heeft of nog erger, als het ijzelt. Dan komen de gebroken armen en benen hier bij bosjes binnen!’ ‘Waarom staan hier geen gewone bedden in die kamertjes?’ wilde Ella weten. ‘Niemand blijft op deze afdeling slapen,’ legde Ludo uit. ‘De meeste mensen kunnen na onderzoek en behandeling gewoon weer naar huis. Als het toch iets ernstiger is, sturen wij de patiënten door naar een andere afdeling van het ziekenhuis. Wij hebben dus geen bedden met lakens nodig. Een onderzoekstafel is genoeg.’ ‘Hier komen dus mensen die een heleboel verschillende dingen kunnen mankeren,’ zei Abdel. ‘Moeten jullie dan alles kunnen genezen?’ ‘Hier staan wel toestellen voor allerlei noodgevallen,’ zei Ludo. ‘Een hartslagmeter, een beademingstoestel, noem maar op.
8
Veel patiënten die we hier zien, hebben gewone verwondingen of breuken. Om te zien of iets gebroken is en ook om na te gaan of de botten rechtgezet moeten worden, maken we vaak röntgenfoto’s. Dat zijn foto’s van je botten, waarbij we doorheen je huid en spieren kunnen kijken. Bij een eenvoudige breuk krijgt de patiënt dan een gipsverband om, zodat het bot netjes kan genezen zonder te verschuiven. Als hij eerst moet geopereerd worden, omdat het bot verschoven is, gaat hij naar een andere afdeling. Kom maar even mee naar de gipskamer.’ In die kamer lag een hoop rommel op de vloer. ‘Gips is zacht als het vloeibaar is en hard als het droog is,’ legde Ludo uit. ‘Tegenwoordig gebruiken we kunstgips. Je mag zelf je kleurtje uitkiezen! Eerst gaat er een verbandje om je arm of been heen, daarna een laagje watten en ten slotte het gips. Dat moet dan een paar weken of langer blijven zitten, tot je bot weer stevig aan elkaar zit. Dan halen we met een speciaal zaagje het gips eraf. Dat lijkt eng, maar het gaat altijd goed, hoor!’ ‘Hoe lang moeten die mensen in de wachtzaal nog wachten?’ wilde Ella weten. ‘Dat verschilt,’ zei Ludo. ‘We behandelen hen om de beurt, zoals ze binnenkomen. Maar soms moet er een andere dokter bij komen en dan moeten we wachten.
9
En natuurlijk, als er iemand binnenkomt die dringende hulp nodig heeft, gaat die altijd voor.’ ‘Dat moeten jullie dus goed in de gaten houden,’ zei Abdel. ‘Precies!’ zei Ludo. Daar klonk het geluid van een ziekenwagen. Ludo repte zich weg. ‘Werk aan de winkel!’ riep hij nog. Toen verdween hij door een deur. Maar daar mochten Ella en Abdel niet doorheen. Ze wandelden weer naar de uitgang. Onderweg zagen ze de kleuter aan de hand van zijn mama naar buiten lopen. Hij had een nieuw verband om zijn vinger en huilde niet meer. ‘Die hoeft niet te blijven!’ lachte Abdel.
3
Cardiologie of de hartafdeling
‘Hier lag mijn opa vorig jaar,’ herinnerde Ella zich opeens. Alle gangen in het ziekenhuis lijken op elkaar, maar ze herkent het schilderij met allemaal hartjes dat tegen de muur achter de balie hangt. ‘Dit is de hartafdeling. Mijn opa kreeg een overbrugging.’ ‘Wat is dat voor iets?’ vroeg Abdel. ‘De aders rond zijn hart waren bijna verstopt en die hebben ze dan vervangen door stukjes goede aders uit zijn been,’ legde Ella uit. ‘Hij moest hier een poosje blijven en wij zijn hem komen bezoeken.’ Ze lopen over de gang.
10
Er zijn kamers met twee bedden en kamers met niet meer dan één bed. Een verpleegkundige kwam net een kamer uit. ‘Mogen wij even iets vragen?’ zei Abdel beleefd. ‘Waarom staan er soms twee bedden en soms maar één in die kamers?’ ‘Dat heeft met geld te maken,’ legde de verpleegkundige uit. Ze heette Fatou, dat stond op haar naamplaatje. ‘In een tweepersoonskamer is het goedkoper. Maar als je erg ziek bent, krijg je sowieso een eenpersoonskamer. Daar hoef je dan niet extra voor te betalen. Veel mensen vinden het gezelliger om niet alleen te liggen, vooral als ze niet zo erg ziek zijn.’ Ella knikte. Dat kon ze best begrijpen! ‘Worden mensen hier aan hun hart geopereerd?’ vroeg Abdel. Dat zou hij wel graag eens van dichtbij zien! ‘Nee hoor, dat gebeurt in het operatiekwartier,’ zei Fatou. ‘Wij maken de mensen klaar voor de operatie en we vangen hen op als ze weer terugkomen. Maar het opereren gebeurt door een chirurg. Dat is een dokter die heel precies kan snijden en alles vanbinnen kan repareren. Er is ook altijd een anesthesist bij, dat is een dokter die je verdooft zodat je heel diep slaapt en geen pijn voelt. Pas als de patiënt weer helemaal wakker is, komt hij met bed en al naar zijn kamer bij ons.
11
En wij verzorgen hem dan totdat hij weer beter is en naar huis kan. Kom maar even mee met mij, dan gaan we naar mevrouw Craenendonck. Die vindt het vast leuk om bezoek te krijgen.’ Fatou stapte een kamer binnen. In het bed lag een oude mevrouw met een krans van grijze haren. Er was verder niemand. Op het tafeltje naast haar bed stond alleen een glas water. Ze zat half rechtop in bed, met een tijdschrift op schoot. ‘Mevrouw Craenendonck mag morgen weer naar huis,’ vertelde Fatou. ‘Deze kinderen willen alles weten over het ziekenhuis. Mogen ze even bij u blijven?’ ‘Natuurlijk!’ lachte mevrouw Craenendonck. ‘Ik zal ze alles vertellen wat ik weet!’ Fatou ging weer verder, want er waren nog andere patiënten die op haar lagen te wachten.
12
‘Zorgen ze hier goed voor u?’ stak Abdel meteen van wal. ‘Ja hoor, prima!’ antwoordde mevrouw Craenendonck. ‘Ik moest geopereerd worden aan mijn hart. Een kleine operatie, zei de dokter, maar ik was er toch best bang voor, hoor! Maar ze waren hier meteen heel lief. Ik moest een dagje van tevoren komen, zodat ze me nog eens goed konden onderzoeken. Ik vind het altijd fijn als ze alles goed uitleggen, zodat ik begrijp wat er gaat gebeuren. En dat doen ze hier allemaal! De verpleegsters en ook de dokters kwamen van tevoren nog even langs. En op de dag van de operatie kreeg ik eerst een middeltje om een beetje slaperig te worden. Daarna reden ze me met bed en al naar de operatiekamer. Daar zag ik de dokters weer, maar nu hadden ze groene pakken aan en groene mutsjes op. Ik kreeg een spuitje om me te verdoven en toen wist ik helemaal niets meer … Tot ik weer wakker werd in de uitslaapkamer. En toen was alles al achter de rug! Ik sliep eerst nog veel en toen kwam ik weer naar hier. De eerste dagen deed het wel wat pijn, maar ik kreeg goede pijnstillers. Stilaan mocht ik ook weer drinken en eten. En nu ben ik sterk genoeg om morgen weer naar huis te gaan, naar mijn hondje! Die wordt nu door de buurman uitgelaten en gevoerd.’
13
‘Is het eten hier lekker?’ wilde Ella weten. ‘Dat valt best mee,’ vertelde mevrouw Craenendonck. ‘Ik moet een dieet volgen voor hartpatiënten, met weinig zout en vet. Maar je mag altijd nog kiezen uit twee menu’s. Het smaakt me meestal wel, hoor! Eerst moest ik in bed zitten om te eten, maar nu eet ik aan dat tafeltje. Dat is een stuk handiger natuurlijk.’ ‘Is dat een tekening van uw hondje?’ vroeg Ella. Op het deurtje van de muurkast hing een tekening van een bruin met witte hond. ‘Jerry’ stond er in grote letters bij. ‘Ja, dat is Jerry!’ zei mevrouw Craenendonck blij. ‘Die tekening heeft mijn kleinzoon Felix gemaakt. Een lieve jongen, maar hij woont helaas nogal ver weg. Hij is maar één keer op bezoek kunnen komen. En toen had hij die tekening bij. Hij weet precies wat ik nodig heb!’ ‘Hoe is het hier ’s nachts? Kunt u hier goed slapen?’ vroeg Abdel. ‘Ach, er gaat natuurlijk niets boven je eigen bed. Het is hier nooit helemaal donker en er is altijd wel iets te horen. En als je pijn hebt, slaap je sowieso niet zo goed. Maar de verpleegsters zijn ook ’s nachts heel lief. Als je ze belt, komen ze snel kijken wat er scheelt.
14
Dan helpen ze je om naar het toilet te gaan of om een beetje te drinken, als dat nog niet alleen lukt.’ ‘Nog het allerbeste en fijn dat u morgen weer naar huis mag!’ groette Ella en toen stapten ze weer de kamer uit. Op de gang liep een man in pyjama voorbij. Hij hield een soort kapstok op wieltjes vast, waaraan een doorschijnend zakje hing dat met een buisje aan zijn hand was vastgemaakt. Ella staarde ernaar. De man stopte en keek haar aan. ‘Komen jullie stage lopen of zijn jullie daar nog te jong voor?’ glimlachte hij. ‘Nee,’ schudde Ella haar hoofd. ‘We maken een reportage voor school over het ziekenhuis.’ De man zuchtte. ‘Schrijf maar op dat ik me hier verschrikkelijk verveel,’ zei hij. ‘Je moet hier altijd maar wachten. Wachten op de operatie, wachten op de dokter, wachten tot de pijn weggaat, wachten tot het bezoek komt, wachten tot je naar huis mag. Ik verveel me dood!’ ‘Wat zit er in dat zakje?’ wilde Abdel weten. ‘Dat is een infuus,’ zei de man. ‘Eerst lag ik in bed met dat ding aan een haak boven mijn hoofd. Er zitten medicijnen in. Soms geven ze je ook voedsel op die manier, als je zelf niet kunt eten. Niet echt voedsel natuurlijk, maar alle bouwstoffen die je nodig hebt.’
15
‘Doet het pijn, dat buisje in je hand?’ vroeg Ella. ‘Heel eventjes als ze in je hand prikken om het aan te brengen,’ zei de man. ‘Maar daarna voel je het al gauw niet meer. Het is alleen vervelend dat je er altijd om moet denken dat er iets aan je hand hangt. Ook als je slaapt. Gelukkig mag het infuus nu aan zo’n ding op wieltjes, zodat ik rond kan lopen. Zo zie ik toch eens iets anders dan de muur tegenover mijn bed.’ ‘Moet u nog lang in het ziekenhuis blijven?’ wilde Abdel weten. ‘Nog wel een poosje,’ zei de man. ‘Eerst willen ze zien dat alles goed gaat. Succes met de reportage, hoor!’
16
Ze kwamen aan het einde van de gang. ‘Waar zouden die operatiekamers zijn?’ vroeg Abdel zich af. ‘Die zou ik wel eens willen zien!’ Er kwam een verpleger binnen die zijn handen inwreef met iets wat uit een pompje aan de muur kwam. Nu ze erop letten, zagen de kinderen overal van die pompjes. ‘Wat is dat?’ vroeg Abdel. ‘Ontsmettingsmiddel,’ zei de verpleger, die Kwinten heette. ‘In een ziekenhuis moet alles heel schoon zijn. Wij moeten er goed op letten dat we geen ziektekiemen van de ene zieke naar de andere overbrengen. Daarom wrijven we onze handen hier telkens mee in. We mogen ook geen ringen dragen, omdat daar vuiltjes achter kunnen blijven zitten. En alles wordt hier elke dag gepoetst! Daarom mag ook niet zomaar iedereen een operatiekamer binnenwandelen. Ik hoorde wel wat je zei, maar dat kan nu eenmaal niet. Want in een operatiekamer moet het nog schoner zijn dan in de rest van het ziekenhuis.’ ‘Komt dat rare luchtje dat altijd in een ziekenhuis hangt daarvandaan?’ vroeg Ella. ‘Dat is een mengeling van speciale schoonmaakmiddelen en medicijnen, denk ik,’ zei Kwinten. ‘Als je een poosje hier werkt, ruik je het niet meer.’ ‘Waarom is het altijd zo warm in een ziekenhuis?’ vroeg Abdel.
17
‘Dat is niet zo moeilijk te begrijpen,’ lachte Kwinten. ‘De meeste patiënten liggen hier in pyjama. Die moeten het ook lekker warm hebben!’ ‘Kom, we gaan weer verder!’ zei Ella. Ze zwaaide naar Kwinten en liep naar het halletje met de liften. ‘Nog eentje hoger,’ zei ze.
4
Verloskunde
‘Wat is dat, verloskunde?’ vroeg Abdel. ‘Bevrijden ze daar mensen uit de gevangenis?’ Ella stompte hem tegen zijn rug. ‘Nee, gekkie! Dat is waar de baby’tjes geboren worden.’ ‘Moeten die dan verlost worden?’ mopperde Abdel. ‘Ze worden toch gewoon geboren?’ ‘Dat is ook een soort verlossen, toch?’ zei Ella wijsneuzig. ‘Eindelijk uit de buik van hun mama. Volgens mij is het daar best krap! Die kindjes zijn blij als ze verlost zijn, denk ik.’ De balie op de afdeling verloskunde zag er vrolijk uit. Er hing een hele sliert geboortekaartjes en er stonden ballonnen en bloemen in een vaas. Opzij stond een schaal met doopsuiker. Abdel legde uit aan de verpleegster, Carine, wat ze kwamen doen. Die toverde meteen een brede lach op haar gezicht.
18
‘Onze afdeling is de vrolijkste van het ziekenhuis,’ zei ze. ‘Bij ons vind je bijna nooit zieke mensen. Moeders die gaan bevallen komen naar hier omdat het veiliger is om in het ziekenhuis een baby te krijgen, niet omdat ze ziek zijn. Een baby krijgen is iets heel gewoons. De mama en de baby doen het bijna helemaal zelf. Wij vroedvrouwen helpen alleen een beetje. We kijken of alles goed blijft gaan met de baby en moedigen de mama aan. Een bevalling duurt soms wel een hele dag, dus dan kan de mama wel wat steun gebruiken. De dokter komt er meestal ook bij als de baby echt geboren wordt. We zorgen voor de mama en voor de baby. En voor de papa als dat nodig is, want die is er meestal ook bij. Een geboorte is een heel speciaal moment en wij willen ervoor zorgen dat mensen dat samen zo goed mogelijk kunnen beleven.’ ‘Wat doen jullie met zo’n pasgeboren baby?’ wilde Ella weten. ‘Die krijgt meteen al een rapport,’ lachte Carine. ‘We geven hem of haar een cijfer voor zijn huidskleur, zijn ademhaling, zijn hartslag en nog een paar dingen. Zo kijken we of alles in orde is met de baby. Daarna mag de baby meteen naar zijn mama en papa.’
19
‘Blijven ze dan nog lang hier?’ vroeg Abdel. ‘Sommige mensen gaan al snel weer naar huis, anderen blijven een paar dagen,’ vertelde Carine. ‘De kamers zijn groot genoeg, ook de papa kan blijven slapen. Zo kunnen baby en ouders rustig aan elkaar wennen. De baby begint te drinken en krijgt zijn eerste badje.’
20
‘Gaat er nooit iets mis?’ vroeg Ella. ‘Soms wel,’ gaf Carine toe. ‘We blijven altijd heel waakzaam. Soms gaat de bevalling zo moeilijk dat de baby in problemen komt. Dan krijgt hij bijvoorbeeld even een beetje extra zuurstof. Soms merken we in de eerste dagen dat de baby niet reageert zoals andere baby’s. Dan wordt hij verder onderzocht om na te gaan of hij een ziekte of een handicap heeft. We helpen dan ook de ouders om goed voor hun baby te leren zorgen. Af en toe wordt een baby’tje veel te vroeg geboren. Na vijfentwintig of dertig weken in plaats van na veertig weken bijvoorbeeld. Dan is zo’n baby piepklein en weegt hij nog geen kilo. Hij moet dan in een speciale warme plek, een couveuse. Dat is een soort kastje van plexiglas, waarin de baby ligt met alleen een luiertje aan. Als de baby nog niet zelf kan ademhalen, helpt een machine daarbij. Die piepkleine baby’tjes worden extra goed verzorgd. Dag en nacht zijn er mensen die op hen passen. Soms blijven ze maandenlang in het ziekenhuis voordat ze met hun ouders mee naar huis mogen.’ Ella en Abdel bedankten Carine en liepen nog even over de gangen. Bijna aan elke deur hing een geboortekaartje. Ella las hardop de namen: ‘Brecht, Youssef, Tara, Louise, Stan … oh, kijk hier! Een tweeling! Sander en Sarah.’
21
De deur van de kamer met de tweeling stond op een kier. Ella gaf er voorzichtig een duwtje tegen. Een vrouw lag in het bed te slapen. Er stonden twee kleine babybedjes. Zachtjes sloop Ella dichterbij. In het ene bedje lag de baby te slapen. Hij was kaal en rimpelig en had zijn vuistje tegen zijn kinnetje gedrukt. In het andere bedje lag een baby met een heleboel zwart haar. Hij was wakker en liet zijn handjes in de lucht dansen. Zo mooi! Ella bleef eventjes staan kijken en sloop dan weer naar de deur, waar Abdel was blijven wachten. Hij snapte niet wat er zo mooi was aan baby’tjes. Ze konden niet eens praten of spelen! ‘Die tweeling zag er heel verschillend uit,’ zei Ella. ‘Dat kan,’ zei Abdel betweterig. ‘Dan zijn ze twee-eiig. Uit twee verschillende eitjes gegroeid, betekent dat. Ze zijn dan eigenlijk gewoon broers of zusjes, die toevallig even oud zijn. Ik heb zo twee neefjes, die helemaal niet op elkaar lijken. Als de tweeling uit één eitje komt dat daarna pas gesplitst is, zijn ze eeneiig en dan lijken ze wel heel veel op elkaar.’
22
Er kwamen mensen de gang in: een papa met drie kinderen. ‘Hé, dat is Laurens van onze klas!’ riep Abdel. Hij liep erheen. ‘Heb je een broertje gekregen?’ vroeg Ella. Laurens was verrast toen hij hen zag. Hij schudde het hoofd. ‘Nee hoor, een nichtje,’ zei hij. ‘Mijn tante Jozefien heeft een meisjesbaby gekregen.’ ‘Leuk!’ zei Ella. Ze keek naar het kaartje op de deur. ‘Fleur’ stond erop. ‘Ik had liever een neefje gehad,’ zei Laurens. ‘Ik heb al twee zussen en drie nichtjes. Ik ben de enige kleinzoon. Ik wil ook wel eens voetballen.’ ‘Meisjes kunnen ook voetballen,’ zei Ella meteen. Maar ze snapte wel wat Laurens bedoelde. Het was gewoon leuk om van allebei wat te hebben in je familie: meisjes én jongens. Maar dat kon je niet kiezen! ‘Kom, we gaan naar een andere afdeling,’ besloot Abdel. Hij had er hier opeens genoeg van. Al die baby’s, het werd hem een beetje te veel!
23
5
De kinderafdeling
‘Dit is de kinderafdeling,’ zei Abdel toen hij de deur van de gang openduwde. Ze zagen het meteen. Het was er vrolijker en kleuriger dan op de meeste andere gangen. Er hingen grote posters aan de muur en kindertekeningen. ‘Waarom liggen kinderen op een aparte afdeling?’ vroeg Ella zich af. De vrouw achter de balie, Sofie, hoorde het meteen. ‘De meeste kinderen vinden het leuker met andere kinderen dan als ze met volwassenen of oude mensen op een kamer zouden moeten liggen. Ze hebben elkaar meer te vertellen en ze houden van dezelfde dingen. En er zit ook een praktische kant aan natuurlijk: we hebben hier kleinere bedden bijvoorbeeld. En een heleboel speelgoed.’ De kamers op de kinderafdeling hadden ook ramen naar de kant van de gang. Zo konden de verplegers iedereen goed in de gaten houden. Ella en Abdel liepen langs de kamers. Op de meeste kamers was er ook een volwassene: een mama of een papa. ‘Mogen papa’s en mama’s hier ook blijven als het geen bezoekuur is?’ vroeg Abdel. ‘Ja hoor,’ zei Sofie. ‘Papa’s en mama’s zijn geen bezoek, die horen gewoon bij het kind en helpen het ook om beter te worden.
24
Veel kinderen vinden het een stuk leuker als hun papa of mama bij hen blijft, zeker als ze nog klein zijn. Of als ze nog maar pas in het ziekenhuis zijn. Papa’s en mama’s mogen hier zelfs slapen in een speciale zetel. Maar als een kind lang moet blijven, lukt het voor de ouders soms niet meer om er altijd te zijn. Dan moeten ze voor de andere kinderen zorgen of naar hun werk gaan. Maar de meeste papa’s en mama’s proberen er heel vaak te zijn.’ ‘Is er veel verschil tussen een kinderafdeling en een gewone afdeling?’ vroeg Ella. ‘Een heleboel dingen zijn hetzelfde,’ zei Sofie. ‘Kinderen moeten ook onderzocht worden en medicijnen krijgen en geopereerd en verzorgd worden. Ze moeten eten en slapen en naar de wc. Maar alles is een beetje aangepast op kindermaat. Zo moeten we heel precies nakijken hoeveel een kind van een bepaald medicijn moet innemen, want dat hangt af van het gewicht van het kind. En kleine kinderen kunnen niet altijd goed zeggen wat ze voelen, daarom houden we hen extra goed in het oog. Dan kunnen we zien of ze pijn hebben bijvoorbeeld. En wat ook anders is: er wordt hier vaak gespeeld en af en toe ook geleerd.’ ‘Geleerd?’ vroeg Abdel. ‘Er is toch geen school in het ziekenhuis?’ ‘Toch wel, we hebben hier een ziekenhuisschool waar de kinderen een paar uurtjes per dag naartoe kunnen.
25
Als de kinderen op bed moeten liggen, komt er iemand van de school naar hen toe. Dat gebeurt alleen als ze een poos in het ziekenhuis moeten blijven. De juf of meester van de ziekenhuisschool heeft dan overlegd met de juf of meester van de klas van het zieke kind en zo weten ze wat ze best doen. Op die manier raakt het kind niet te veel achter door in het ziekenhuis te zijn. Veel kinderen vinden het ook leuk, want anders liggen ze zich toch maar te vervelen. Er komt ook iemand met de kinderen spelen. Hier is de kamer van Joyce. Ik vraag even of ze het goed vindt om met jullie te praten!’ Sofie verdween naar binnen. Even later was ze er al weer. Ze mochten naar binnen bij Joyce. ‘Hallo,’ zeiden Ella en Abdel. Ze legden uit waar ze mee bezig waren. ‘Cool,’ zei Joyce. ‘Ik lig hier al bijna twee maanden, dus misschien kan ik jullie helpen. Wat willen jullie nog weten?’ ‘Verveel je je nooit?’ vroeg Ella. ‘Best wel,’ zuchtte Joyce. ‘Ik heb botkanker. Toen het pas ontdekt was, moesten ze allerlei proeven en testjes doen. En nu krijg ik medicijnen en willen ze kijken of die goed werken. Het doet pijn als ik stap, dus blijf ik meestal in bed. Maar dat is dus best wel saai! Eerst was mama of papa hier de hele tijd, maar ik heb nog een kleiner broertje, dus nu komen ze gewoon elke avond. Er komt iemand van de ziekenhuisschool en ik krijg veel bezoek van familie en buren en zo, maar er zijn nog genoeg momenten dat ik me echt verveel! Ik heb mooie boeken gekregen en ik kan tv kijken, maar ik zal heel blij zijn als ik weer naar huis en naar school kan. Ik mis mijn vriendinnen …
26
Die mogen maar af en toe op bezoek komen. Bij sommige behandelingen moet je op een helemaal gesloten kamer liggen. Dan mogen alleen je ouders binnen en moeten ze zich telkens helemaal ontsmetten. Niet leuk allemaal, maar het moet nu eenmaal om te kunnen genezen!’ ‘Is de verpleging lief?’ vroeg Ella. ‘Ja hoor,’ zei Joyce. ‘De liefste vind ik Leila. Die weet altijd iets grappigs te vertellen. Soms is zij er ook ’s nachts. Als je dan wakker bent, van de pijn of omdat je niet kunt slapen, is het fijn als er iemand even met je komt praten. Ik zal haar echt missen als ik hier weg ben! Ik kom vast nog wel eens op bezoek!’ ‘Waarom staat jouw bed op wieltjes?’ wilde Abdel weten. Joyce lachte. ‘Zo zijn alle ziekenhuisbedden toch? Dan kunnen ze je in je bed overal naartoe rijden. Kijk maar, de deuren zijn zo breed dat een bed er precies doorheen kan. Maar als het bed in de kamer staat, zetten ze het klem met die klepjes.
27
Anders zou het bed wegrollen als ik erin of eruit wil stappen, en dat zou niet zo handig zijn. Zo’n ziekenhuisbed is wel leuk, hè? Weet je hoe ze dat handvat boven mijn hoofd noemen? Een papegaai! Omdat papegaaien vroeger vaak op zo’n ding zaten, maar dan groter. Het is heel handig om je aan op te trekken, zeker als je pijn in je buik hebt door een operatie.’ ‘Wat een mooie tekening hangt daar!’ wees Ella. Op de muur tegenover het bed hing een grote collage. ‘Van mijn klas!’ zei Joyce blij. ‘Die hebben ze speciaal voor mij gemaakt. En mijn juf komt me elke week opzoeken.’ Ella en Abdel gingen weer verder. Ze wensten Joyce nog veel beterschap.
28
6
De polikliniek
‘Help, is het al zo laat?’ schrok Ella. ‘Ik moet naar huis!’ Ze namen de lift naar beneden. Voor hen stond een pijl naar de polikliniek. ‘Daar zijn we nog niet geweest,’ merkte Abdel op. Hij liep een deur door en kwam weer bij een balie. Er zat een vrouw achter die Yvonne heette. Ella zuchtte en volgde Abdel. Ze was nu toch al te laat. Snel stuurde ze een sms’je naar haar mama dat ze later zou zijn. ‘De polikliniek is voor iedereen die niet moet blijven slapen in het ziekenhuis en toch een raadpleging bij een artsspecialist of een kleine ingreep nodig heeft, die je niet gewoon bij de huisarts of de tandarts kunt laten doen,’ legde Yvonne uit. ‘Bijvoorbeeld een wijsheidskies laten trekken. Of je amandelen laten knippen. Bij kinderen is het bijvoorbeeld iets als speciale buisjes in de oren plaatsen, zodat ze minder oorontstekingen krijgen. Het kan dus van alles zijn.’
29
‘Worden de mensen dan ook verdoofd voor die ingrepen?’ vroeg Ella. ‘Meestal wel,’ zei Yvonne. ‘Soms worden ze alleen plaatselijk verdoofd. Als je aan je hand moet geopereerd worden, hoef je meestal niet helemaal in slaap te worden gebracht. Je herstelt dan ook weer sneller. Soms krijg je toch een lichte, algemene verdoving. Dan moet je wat langer hier blijven.’ ‘Waarom blijven die mensen niet gewoon wat langer op een andere afdeling in het ziekenhuis?’ vroeg Abdel. ‘In het ziekenhuis liggen is duur: voor jezelf en voor ons land. Het is goedkoper om meteen weer naar huis te kunnen. En de meeste mensen vinden het ook fijner om thuis te zijn. Daarom is er dus de polikliniek.’
30
7
En de rest
‘Ik denk dat we het belangrijkste nu wel gezien hebben,’ zei Ella. Abdel grijnsde. Hij had net in een rekje een folder gevonden. ‘Er zijn nog heel wat dingen die we niet hebben gezien,’ zei hij. ‘De ziekenhuisapotheek, waar ze alle medicijnen bewaren en naar de afdelingen sturen. De vergaderruimtes voor de verpleging en de artsen en de andere hulpverleners. De keuken waar elke dag honderden maaltijden worden klaargemaakt. En wist je dat er op het dak een echte helihaven is?’ ‘Wat is een helihaven?’ vroeg Ella. ‘Daar kan een helikopter landen,’ zei Abdel. ‘Soms moet iemand heel snel naar het ziekenhuis worden gebracht over een grote afstand. Of er moet een dokter van ver komen. Soms komen er zelfs organen uit een ander land om hier bij iemand ingeplant te worden. Een helikopter hoeft niet in de file te staan, dat is een voordeel!’
31
‘Weet je waar ik nog iets meer over wil weten?’ vroeg Ella. Abdel schudde zijn hoofd. ‘Over de schoonmakers hier,’ zei Ella. ‘Die zijn hier de hele tijd druk aan het werk om alles netjes en schoon te houden. Kijk, daar is weer zo iemand!’ Een mevrouw met een blauwe schort en een karretje met emmers, flessen en doekjes zwabberde de gang. ‘Mag ik even iets vragen?’ zei Ella. ‘Is het fijn om schoon te maken in het ziekenhuis?’ De vrouw lachte. ‘Alles moet hier altijd heel schoon zijn,’ zei ze. ‘Je moet elke dag de bedden met nat afvegen, de wasbakjes en de wc’s met een speciaal product poetsen, enzovoort. Dat is veel werk, hoor! Maar het leukste is, dat we onder het werk door ook een praatje kunnen maken met de zieken. Die mensen liggen daar maar de hele dag op bed en ze zijn blij als er iemand iets tegen hen zegt. Dat vind ik het leukste aan mijn werk!’ Ze glimlachte en ging weer gauw aan de slag. Ella stopte haar balpen in haar zak. ‘En nu gaan we naar huis,’ zei ze. ‘Weet jij nog waar de uitgang is?’ Abdel lachte. Hij loodste Ella snel door de gangen tot in de inkomhal. De bus kwam er net aan. Wat zouden ze op school een heleboel te vertellen hebben!
32
Ella en Abdel maken voor school een reportage over het ziekenhuis. Ze bezoeken alle mogelijke afdelingen en raken met verplegers en patiënten aan de praat. In een ziekenhuis werken heel wat mensen: van in de kelder tot op het dak! En allemaal helpen ze mee om zieke mensen weer beter te maken.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Stijn Claes Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.