Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 3 - N1 – Weggegooid geld

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Weggegooid geld Christina Guirlande

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

3


Weggegooid geld

Het was nog maar de derde dag van de kerstvakantie en Stef verveelde zich al. Zijn ouders hadden voor deze twee weken vakantie niets bijzonders gepland. Over enkele dagen zouden ze samen Kerstmis vieren. Daarna was er ook weer het nieuwjaarsbezoek bij oma en opa. Stef zou er zoals ieder jaar cadeautjes krijgen en wat geld. ‘Voor je spaarrekening.’ Hij hoorde het oma al zeggen. En opa zou aanvullen met ‘Jaja, een appeltje voor de dorst!’1 ‘Bel een van je vrienden op,’ stelde mama voor. ‘Mag het?’ vroeg Stef. ‘En Lot dan?’ Hij wees naar de kinderwagen bij het raam. ‘Jullie moeten wel heel stil zijn. Ze slaapt eindelijk.’ Stef zuchtte. Vooruit dan maar. Hij zou Toon bellen en hem vragen of hij zin had om een namiddag langs te komen. Maar Toon was niet thuis. Hij wist dat al zijn klasgenoten op reis waren, naar de bergen en de sneeuw, naar zee, of naar de zon. ‘Jammer,’ zei mama. ‘maar voor ons is een vakantie op dit ogenblik veel te duur. Bovendien is een baby nergens beter dan thuis.’ 1


Daar had je het weer, dacht Stef boos. De baby, altijd maar de baby. Zijn kleine zus eiste veel te veel aandacht op, vond hij. Er moest altijd met haar rekening gehouden worden. Ze gooide voortdurend zijn plannen in de war. Kleine Lot was nog maar vijf maanden oud. Ze kreeg tandjes. Het kostte veel moeite om haar in slaap te wiegen. Meestal ging er een luid concert aan vooraf. En wanneer ze zich dan eindelijk in slaap had gehuild, moest iedereen stil zijn en op de toppen van zijn tenen lopen. Zoals nu. Stef zuchtte. Hij bedacht wat hij zou kunnen doen deze namiddag, maar hij vond niets. Het dikke boek uit de bibliotheek was uitgelezen. Een nieuw boek halen kon niet, want de bib was gesloten. De televisie dan maar. Of zijn tablet. Stef stond halfweg op de trap naar zijn kamer, toen er heel voorzichtig op de keukendeur werd geklopt. Mama keek vragend naar Stef en Stef naar mama. Misschien is Toon ondertussen thuisgekomen en heeft hij mijn oproep gezien, dacht Stef. Hij kwam vlug weer naar beneden om mama voor te zijn. Het was niet Toon, maar wel buurman Pros die op de deurmat wachtte. Stef moest moeite doen om zijn teleurstelling te verbergen. ‘Oh, jij bent het,’ zei hij. ‘Wie had je dan wel verwacht?’ vroeg de buurman. ‘De Kerstman?’

2


Stef haalde zijn schouders op. Buurman moest niet zulke flauwe grappen maken. Daar hield hij niet van. ‘Kom toch binnen,’ zei mama, ‘het tocht met de deur half open.’ Buurman Pros veegde zorgvuldig zijn voeten aan de mat en volgde mama naar de woonkamer. Toen hij bij het raam de kinderwagen opmerkte, bleef hij onmiddellijk staan. ‘Kom maar verder,’ zei mama fluisterend, ‘ze slaapt.’ Buurman Pros knikte, hield zijn wijsvinger tegen zijn mond en fluisterde terug: ‘Ik had je iets willen vragen. Deze namiddag brengt de postbode een pakketje, maar ik moet dringend naar de stad. Zou jij het pakketje willen aannemen? Dan hoef ik achteraf niet meer naar het postkantoor.’ ‘Dat zal ik zeker doen,’ beloofde mama, ‘ik hou de postbode wel in de gaten.’

3


‘Dank je wel,’ zei buurman Pros opgelucht. ‘Het is een belangrijke zending, zie je.’ Stef had maar met een half oor geluisterd, maar nu werd hij toch wat nieuwsgierig. Misschien kwam het pakketje wel uit Amerika, waar de dochter van Pros woonde. Of misschien had het iets met schilderen te maken, want Pros was een kunstenaar. Hij schilderde vooral dieren. Je had hem maar te vragen om een leeuw of een tijger te schilderen, of een hond of een kat. Een paar uur later keek het gevraagde dier je vanop het doek of het papier aan, echter dan echt. Buurman Pros keek op zijn polshorloge. ‘Ik ga dan maar weer,’ zei hij, opeens gehaast. ‘Komt het pakketje van ver?’ probeerde Stef benieuwd. Pros bleef opnieuw staan, met de deurklink in zijn handen, en draaide zich om. ‘Stef toch!’ keef2 mama. ‘Uitvragen is heel onbeleefd!’ Maar Pros werd helemaal niet boos. Integendeel. ‘Wel,’ antwoordde hij, ‘eigenlijk heeft het te maken met de tentoonstelling in het stadsmuseum die ik vanmiddag wil bezoeken. Het is vandaag de laatste dag. Morgen is het te laat. Dan wordt ze afgebroken en komt er een andere in de plaats.’ ‘Van wie zijn de schilderijen?’ vroeg mama nu zelf. ‘O, het is geen tentoonstelling van schilderijen, hoor. Het is een heel bijzondere tentoonstelling.’ Nu werd Stef pas echt nieuwsgierig. Wat wilde Pros de schilder absoluut gaan bekijken?

4


Het leek wel of de buurman zijn gedachten kon lezen. ‘Heu… Als je nu eens met me meeging?’ stelde hij voor. ‘Als we niet treuzelen, halen we nog net de autobus. Die stopt bij het museum. Geen ellende met het zoeken naar een parkeerplaats.’ Mama knikte naar Stef dat het mocht. Hij verveelde zich toch en dan had hij deze namiddag tenminste iets omhanden. In een ijltempo trok Stef zijn jas aan, nam zijn muts en sjaal en stond nog vóór Pros op straat. ‘Hollen hoeft nu ook weer niet,’ zei Pros. ‘De halte is net om de hoek.’ En daar stonden ze niet alleen. Nog heel wat mensen wilden naar de stad voor de laatste feestaankopen. Stef en Pros vonden een zitplaats net achter de chauffeur. Met hem praten mocht niet, tenzij om een inlichting te vragen of om te betalen wanneer je geen ticket had. Dat kon je lezen bij het instappen. Stef vond het helemaal niet erg om dat mooie plaatsje af te staan aan een mevrouw met een kleuter op de arm. Wat hij erg vond, was dat de rit zo kort was. Na amper vijftien minuten stopte de bus bij het museum. Stef kende het gebouw aan de buitenkant, maar hij was er nog nooit naar binnen geweest. Het had aan de zijgevel3 een rij zuilen4 en een kleine tuin met een graspleintje en enkele magere, kale boompjes. Het was tenslotte putje winter.

5


Het was een oud maar mooi onderhouden gebouw. Pros vertelde dat het honderden jaren oud was, dat het veel groter was geweest en dat dit de overgebleven resten waren. Onder de zuilengang door kwam je aan de brede toegangsdeur. Pros kende het gebouw als zijn broekzak. En iedereen die in het museum werkte, kende Pros de schilder. Hij was een van hun trouwste bezoekers. De laatste jaren had hij geen enkele van de tentoonstellingen in het museum gemist.

6


‘Ha, die Pros!’ groette de man aan de balie5. ‘Je bent toch nog gekomen. We vroegen ons al af waar je gebleven was. Je kleinzoon meegebracht?’ ‘Mijn buurjongen, Stef,’ verbeterde Pros. ‘Mijn kleinzoon woont in Amerika. Ik kon nu pas komen, omdat ik het de laatste tijd heel druk had.’ De tentoonstelling was gratis en Stef volgde zijn buurman naar de verdieping onder het dak. Hij wist nog altijd niet wat hij te zien zou krijgen. Schilderijen waren het niet, dat had Pros zelf gezegd. Tekeningen dan? Beeldhouwwerken misschien? Nee, geen beelden, dacht Stef er onmiddellijk bij. Toch niet op de verdieping. Er was ook een groep van een twintigtal mensen op weg naar boven. Ze praatten heel luid, maar toen ze de tentoonstelling binnenstapten, werd het vanzelf muisstil. Het was een vreemde stilte, vond Stef. ‘Een stilte zoals het hoort in een museum,’ fluisterde Pros. Het eerste wat Stef deed, was naar de muren kijken. Schilderijen hingen er inderdaad niet. Tekeningen evenmin. Er hingen wel lijsten met foto’s, maar Stef kon nog niet goed zien wat ze voorstelden. Alle bezoekers keken vooral naar beneden, naar de toonkasten en de tafels die met een glasplaat waren afgedekt. In die toonkasten en onder die glasplaten lag geld! Grote en kleine muntstukken. Ronde en minder ronde. Glimmende en bijna zwarte.

7


De bezoekers bogen zich over de kasten en de tafels om de munten beter te kunnen bekijken. Sommigen hadden zelfs een vergrootglas meegebracht. Ook buurman Pros.

8


Stef begreep er niets van. Waarom kwamen deze mensen naar geld kijken? Oud geld nog wel, waar je niets mee kon kopen. Zachtjes trok hij Pros aan zijn mouw. ‘Wie zijn die mensen?’ vroeg hij fluisterend. ‘En wat doen wij hier eigenlijk?’ Buurman Pros had die vragen verwacht. ‘Dat zijn allemaal echte verzamelaars,’ verklaarde hij, ‘verzamelaars van oude munten.’ ‘Jij ook?’ vroeg Stef ongelovig. ‘Ja, ik ook. Vertelde ik je dat nog niet? Ik heb thuis een hele verzameling oude munten. Ik ben al jaren een echte numismaticus.’ ‘Een wàt?’ vroeg Stef, zo luid dat iedereen opkeek. ‘Een nu-mis-ma-ti-cus,’ herhaalde Pros fluisterend. ‘Waar is dat nu goed voor,’ vroeg Stef, ‘geld verzamelen waar je niets mee kunt doen.’ ‘Je kan er wel veel bij leren,’ zei Pros geduldig. ‘Kom maar mee.’ Stef volgde Pros naar de toonkasten. Naast elke munt lag een vergrote foto. Onder de foto kon je lezen hoe oud het muntstuk was. Maar ook uit wat voor metaal het geslagen was. Uit koper, zilver of zink bijvoorbeeld. Ofwel uit ijzer of uit brons. Dat waren de oudste munten. Zelfs de afmeting van elk stuk werd vermeld, én het gewicht! En ook wie of wat er op het muntstuk werd afgebeeld. Dikwijls was dat een keizer, een koning of een koningin.

9


Of een leeuw, een wapenschild of een kroon. Het oudste tentoongestelde muntstukje was geslagen in Rome, in het jaar 125 van onze tijdrekening. Er waren ook munten uit de tijd van de Noormannen, uit de tijd van ridders en kastelen, uit eigen land en uit de buurlanden. Stef geloofde zijn ogen niet. Nieuwsgierig liep hij van de ene kast of tafel naar de andere. Af en toe vroeg hij Pros om zijn vergrootglas. Er waren mooie munten bij, met een gladde of gekartelde rand. Van andere munten waren er stukjes afgebroken. ‘Waar kwamen die munten allemaal vandaan?’ vroeg Stef zich af.

10


Ook op deze vraag wist buurman het antwoord. ‘Kijk maar goed bij de uitleg onder elke vergrote foto. Daar kun je meestal lezen waar het muntstuk gevonden is.’ Stef liep opnieuw naar de eerste toonkast en begon opnieuw bij het begin. Sommige muntstukken kwamen uit een muntschat, toevallig gevonden bij de afbraak van een huis. Of ze waren gekocht bij andere verzamelaars. Of geschonken aan het museum. Andere stukken waren letterlijk boven water gekomen bij het baggeren6 in een rivier. Maar de meeste munten waren gevonden in de grond, bij opgravingen. ‘Schatten opgraven bestaat dan echt, en niet alleen in verhalen!’ stelde Stef verwonderd vast. ‘Maar natuurlijk! En dit allemaal is het bewijs’, lachte Pros, terwijl hij naar de toonkasten wees. Stef knikte, dacht na, maar zei niets. ‘Vergeet niet naar de lijsten boven de kasten te kijken,’ merkte Pros op. ‘Die zijn ook de moeite waard, hoor!’ Stef keek vlug naar de afbeelding boven elke toonkast. Er waren oude tekeningen bij waarop je kon zien hoe munten ‘geslagen’ werden, vroeger en nu. Ofwel waren het foto’s van opgravingen. Daar keek Stef wat langer naar. Daarna boog hij zich opnieuw aandachtig over de toonkasten.

11


‘Pros, hier liggen geldstukken met een gaatje in!’ riep hij plots verwonderd uit. In het museum, waar het zo stil was dat je een speld kon horen vallen, werd opeens hard gelachen. Pros legde haastig zijn vinger op zijn mond. ‘Die geldstukken heb ik nog gekend, toen ik een kleine jongen was,’ fluisterde hij, ‘maar dat is lang geleden.’ Stef moest moeite doen om het niet uit te proesten. Geldstukken met een gaatje in het midden! Het idee! Jammer genoeg was het bezoek afgelopen. De tijd was om en het museum werd gesloten. De namiddag was voorbij gevlogen, vond Stef. Hij had zich geen seconde verveeld. Het was al donker buiten en het regende. Gelukkig hoefden ze niet lang op de bus te wachten. Hij kwam stipt op tijd. Mama zag onmiddellijk dat het bezoek aan het museum was meegevallen. Stef straalde. En hij begon honderduit te vertellen over wat hij had gezien. Kleine Lot kraaide en lachte op mama’s arm. Haar tandjes lieten haar met rust. Stef mocht zo luid praten en roepen als hij wilde. Pros had glunderend meegeluisterd. Hij stelde met vreugde vast dat Stef heel veel onthouden had. Maar nu werd het toch tijd om naar zijn eigen huis te gaan. Mama wees naar het pakketje op de keukentafel. Pros dankte mama, schudde enkele keren met het pakje en knipoogde naar Stef.

12


‘Voor mijn verzameling,’ zei hij, met pretlichtjes in zijn ogen. Stef wist onmiddellijk wat er in het pakje zat. Geld natuurlijk. Oud geld waar je niets mee kon kopen in een winkel. Oud geld met veel verhalen. Toen papa thuiskwam, vertelde Stef alles opnieuw. Papa luisterde geboeid en trok zijn wenkbrauwen op. Had hij niet op zolder nog een blikken doos met oude munten? Oude munten, verzameld toen hij nog op school zat? Hij zou er zo vlug mogelijk naar op zoek gaan. ‘Als we morgen vroeg opstaan, maken wij er een dagje van,’ had papa voor het slapengaan beloofd. ‘Ik ben thuis tot 6 januari.’ ‘Echt waar?’ vroegen mama en Stef tegelijk. ‘Ik heb nog vrije dagen over en ik vond dat ik die nu …’ ‘Ik ook!’ onderbrak mama haastig, en Stef knikte mee. ‘Gaan we dan toch nog met vakantie?’ vroeg hij blij. ‘Dat nu ook weer niet,’ zei papa. ‘We blijven lekker in de buurt, dicht bij huis.’ Stef keek teleurgesteld. ‘Hier is ook veel te beleven, hoor,’ ging papa verder. ‘Ik heb al een ideetje voor morgen.’ Wat zou dat dan wel kunnen zijn, vroeg Stef zich af. Vast iets heel saais en vermoeiends. Maar papa verklapte nog niets. Van dat vroege opstaan kwam bovendien niets in huis. Dat was de schuld van Lotje. Ze had die nacht niemand wakker gehuild! En daardoor had iedereen zich verslapen. Behalve Stef. Want ook hij had een plannetje gemaakt gisteravond.

13


En net als papa had hij er aan niemand iets over gezegd. Mama en papa hadden eindelijk weer eens een rustige nacht gehad. Maar Stef had helemaal niet goed geslapen. De hele nacht had hij liggen woelen in zijn bed. Hij vroeg zich af wat papa van plan was. En ook zijn eigen plannetje hield hem wakker. Het was nog stikdonker toen hij uit zijn bed stapte. Vlug graaide hij zijn kleren bij elkaar en op blote voeten sloop hij naar beneden. Op de onderste trede bleef hij staan en luisterde. Boven bleef gelukkig alles stil. In de keuken maakte hij licht en hij schoot bibberend in zijn kleren. Zijn muts, sjaal en handschoenen had hij de vorige avond al klaargelegd. Warm aangekleed liep hij naar buiten. In de tuin was het nooit echt pikdonker. Dat kwam omdat de straatverlichting de hele nacht bleef branden in de laan achter de tuin. In het berghokje met het tuingereedschap nam hij de grote schop van de haak. Het had niet gevroren en toch kostte het Stef veel moeite om met de schop in de grond te graven. Hij kreeg het er warm van. Hij maakte tien putten in de kale groentetuin, maar hij vond niets. Geen enkel muntstuk. Niet eens een kleintje. Hoe diep moest je dan wel graven om een schat te vinden? vroeg hij zich hardop af. Dat wist hij niet. Hij wist ook niet dat hij de hele tijd door twee paar ogen werd gadegeslagen. Mama en papa hadden alles gezien vanuit het venster van hun kamer.

14


Straks, aan tafel, zouden ze het er niet over hebben. Dat moest Stef zelf doen. Zo hadden ze het met elkaar afgesproken. Maar papa kon het niet laten. ‘Er was vannacht een everzwijn in onze tuin,’ zei hij, terwijl hij een boterham smeerde en ernstig probeerde te blijven. ‘Het heeft de halve groentetuin omgewoeld.’ ‘Hebben jul… jullie m… mij… bespioneerd?’ stotterde Stef en hij werd zo rood als een tomaat. ‘Ik vind je wel heel moedig,’ zei papa nu gemeend, ‘het was nog bijna nacht en het was koud …’ ‘En ik had grote honger!’ vulde Stef aan met volle mond. Mama streek hem over zijn bol en noemde hem haar grote held. Die held moest wel beloven niet meer alleen op avontuur te gaan, en zeker niet zo vroeg op een wintermorgen. ‘Straks gaan we samen op avontuur, jij en ik,’ beloofde papa geheimzinnig. ‘Waar naartoe?’ vroeg Stef nieuwsgierig. ‘Op zolder!’ Papa lachte omdat Stef zo beduusd7 keek. Een half uur later zochten ze tussen de dozen met oude boeken en afgedankt speelgoed naar een schat. Een schat op zolder. ‘Gevonden!’ riep papa opeens, blij als een kind. Hij rammelde met een gedeukte blikken doos en blies het stof weg. Stef mocht de doos openmaken. En ja hoor, er zaten munten in. Grote en kleine. Maar lang niet zo veel als papa had verwacht.

15


Stef goot de inhoud op de vloer. De schat was niet veel zaaks. Het waren muntstukken van net vóór de euro: drie stukken van vijf frank, zeventien stukken van één frank, negen muntjes van een halve frank, enkele vieze speelgoedmunten in plastic en vijf blinkende knopen van een jas! ‘Ik dacht nochtans …’ mompelde papa, maar hij maakte zijn zin niet af. Met een grote zucht liet hij zich neervallen in een oude krakende schommelstoel.

16


‘Als schattenzoekers zijn we met glans mislukt,’ zei hij droogjes. En toen moesten ze allebei hard lachen. Zo hard dat mama onder aan de trap bezorgd riep: ‘Alles in orde daarboven?’ ‘Prima,’ antwoordde papa schaterend, ‘maar het is hier wel berekoud. We komen naar beneden.’ Stef gooide de munten opnieuw in de doos en nam ze mee onder zijn arm. Papa keek hem vragend aan. ‘Het begin van mijn verzameling,’ zei Stef kordaat. ‘Pros helpt me wel om te starten.’ In de woonkamer vroeg Stef nieuwsgierig wat papa had bedoeld met dat ideetje van de vorige avond. ‘Een stevige winterwandeling maken vanmiddag,’ zei papa plagend. Maar die viel letterlijk in het water. De regen stroomde de hele dag met bakken uit de lucht. En zo had Stef tijd genoeg voor de eerste dag in zijn leven als numismaticus. Op oudejaarsavond mocht Stef voor het eerst opblijven tot middernacht om het nieuwe jaar welkom te heten. Maar het was hem niet gelukt om zo lang wakker te blijven. Na het lekkere eten was hij op de bank in de woonkamer in slaap gevallen. Net voor de klok twaalf keer zou slaan, hing oom Frank aan de telefoon. Lotje werd er gelukkig niet wakker van. Ze sliep in haar bedje op de verdieping.

17


Maar het deuntje van papa’s mobieltje deed Stef opschrikken uit een mooie droom. Het kon niet erger. Hij was nog wel net een grote schat aan het opgraven. Oom Frank, de broer van papa, wenste iedereen alle geluk toe voor het nieuwe jaar. Maar hij had ook een vraag. Of ze niet met het hele gezin een paar dagen kwamen logeren? Mama verslikte zich bijna in een praline. ‘Met de baby?’ riep ze in paniek. ‘En dat in de winter! En dan nog naar Duitsland! Geen denken aan!’ ‘Tante Riet zou het heel fijn vinden,’ probeerde oom Frank, ‘en ik ook, natuurlijk. En Leni zal blij zijn haar neefje Stef terug te zien.’ Maar het hielp allemaal niets. Mama hield voet bij stuk8. Ze bleef thuis en daarmee uit. Papa haalde het onderste uit de kan9 om haar op andere gedachten te brengen. In een andere omgeving zou ze zich lekker kunnen ontspannen, zei hij. En ze zou heerlijk kunnen kletsen met tante Riet. ‘Ja maar, de baby …’ Over Lotje hoefde ze zich geen zorgen te maken, stelde papa haar gerust. Ze zouden toch met zijn zessen zijn om die kleine schat te verwennen. Mama zei niets meer, maar dat wilde nog niet zeggen dat ze akkoord ging. Oom Frank en tante Riet woonden in de stad Aken, net over de grens. Oom Frank was enkele jaren geleden naar die stad verhuisd voor zijn werk.

18


Van dan af zagen de twee broers elkaar niet zo vaak. Met de wagen woonden ze twee uur en dertig minuten van elkaar. Echt heel ver was dat niet, maar toch te ver om zomaar af en toe bij elkaar binnen te waaien. ‘En,’ vroeg papa, ‘wat doen we? Frank is nog altijd aan de telefoon. Zeg ik ja of zeg ik nee?’ ‘Goed dan, zeg maar ja,’ zei mama, maar je hoorde aan haar stem dat het niet van harte was. Ondertussen was het nieuwe jaar al begonnen en niemand had het gemerkt. Het bezoek op nieuwjaarsdag bij oma en opa verliep volgens het boekje. Eerst waren er de drie dikke zoenen en een knuffel, dan mocht Stef zijn nieuwjaarsbrief voorlezen. Daarna werd er lekker getafeld. En ten slotte kregen Stef en Lotje hun ‘appeltje voor de dorst’. Nog diezelfde avond begon mama de koffers te pakken voor de reis. ‘Stop!’ riep papa opeens, ‘de hele kleerkast inpakken is niet nodig, hoor! We gaan niet overwinteren in Spanje! En wij zijn maar vijf dagen weg!’ ‘Er zit niets te veel in,’ vond mama, ‘alleen wat warme kleren. In januari kan het hard winteren. En een baby heeft veel nodig.’ En ze ging gewoon door met het volproppen van de koffers. De volgende morgen, na het badje van Lot, werd de auto geladen en konden ze vertrekken. Pros stond op de stoep van zijn huis en wuifde hen druk zwaaiend uit.

19


Stef zat achter in de auto. De reiswieg van zijn zusje, die door papa stevig was vastgeriemd, stond naast hem op de achterbank. Lotje brabbelde vrolijk een taaltje waar niemand iets van begreep. Een poosje later was Lotje ingedommeld. Stef moest ook moeite doen om wakker te blijven. Hardop liedjes zingen mocht niet. Daarom keek hij naar buiten en telde eerst alle rode auto’s. Daarna voor de afwisseling de groene. Dan de bestelwagens. En daarna de auto’s met een vreemde nummerplaat, maar dat waren er veel te veel. En dan was het middag. Nog enkele minuten en Stef zou zijn oom en tante en zijn nichtje Leni terugzien. Leni was zijn lievelingsnichtje. Dat kon ook niet anders, want hij had er maar eentje. ‘Aangekomen! Iedereen uitstappen!’ zei papa terwijl hij de auto parkeerde.

20


Het weerzien was heel hartelijk. Er werd gezoend en geknuffeld, oom Frank zei dat Stef flink gegroeid was, en tante Riet vond Lotje de schattigste baby van de hele wereld. Leni gaf Stef een stevige hand. ‘Tjuus!’ zei ze, wat ‘goeiendag’ betekent. Stef was er nu zeker van, saai zou het niet worden de vijf volgende dagen. Onmiddellijk daarna gingen ze aan tafel. Ook tante Riet had voor lekker eten gezorgd. Dat was nu al de derde feestmaaltijd in drie dagen tijd. Mama zei dat ze, als ze weer thuis was, dringend op dieet moest. Maar nu liet ze het zich toch nog heel lekker smaken. Na de mierzoete10 taart was het tijd voor een verdiend middagdutje. Maar daar hadden Stef en Leni helemaal geen zin in. Terwijl de volwassenen en kleine Lot indommelden, muisden ze er stilletjes tussenuit. Leni toonde Stef met trots haar schoolboeken. Die waren allemaal in het Duits, want Leni zat op een Duitse school. Met haar vrienden en klasgenoten sprak ze Duits, maar thuis met mama en papa Nederlands. Gelukkig maar, dacht Stef. Hij zou anders niet met Leni hebben kunnen praten. Behalve ‘ja’ en ‘nein’ snapte hij niets van die vreemde taal. Als een strenge schooljuf probeerde Leni haar neefje enkele woorden bij te brengen, maar verder dan een stevige lachbui bracht Stef het niet. Het was alsof zijn mond vol kauwgom zat, zei hij. Juf Leni stopte dan maar met de les en lachte mee.

21


‘Wat doen we vanmiddag?’ vroeg Stef. ‘Het programma ligt al vast,’ wist Leni. ‘De mama’s blijven thuis bij kleine Lot en wij trekken met de papa’s de stad in.’ Dat vond Stef best. Hij was heel benieuwd wat ze te zien zouden krijgen. Een uurtje later gingen ze, warm aangekleed, ook al was het helemaal niet winters koud, op stap naar de autovrije binnenstad. Omdat oom Frank in het centrum woonde, hoefden ze niet eens zo ver te gaan. Papa had altijd gezegd dat het heel druk was in de winkelstraten van Aken, maar er was weinig volk op de been. Er waren zelfs heel wat winkels gesloten. ‘Tot eergisteren kon je hier op de koppen lopen,’ vertelde oom Frank. ‘Maar vandaag, op tweede nieuwjaarsdag, is er van de eindejaarsdrukte niets meer te merken.’ ‘Het geld is op,’ zei papa. ‘Maar binnenkort begint de drukte wel opnieuw.’ Op het marktplein had Stef ogen tekort. Hij raakte maar niet uitgekeken op de gevel van het prachtige stadhuis, dat meer dan zeshonderd jaar oud was. En toen zag hij de grote fontein met het standbeeld erbovenop. Het moest wel een beeld van een koning of een keizer zijn, want de man droeg een kroon. In zijn ene hand hield hij een wereldbol en in zijn andere een scepter11. ‘Karel de Grote,’ zei oom Frank, ‘onze beroemdste inwoner ooit. Hij was keizer over een onmetelijk gebied, meer dan duizendtweehonderd jaar geleden.’

22


‘En hij stichtte in dat grote rijk overal scholen,’ vulde papa plagend aan. ‘Jullie mogen hem wel dankbaar zijn!’ ‘Hij draagt een rokje!’ wees Stef. ‘Hoe gek!’ ‘Dat is een maliënkolder, een soort vest van metalen ringetjes,’ verklaarde oom Frank. Het beeld stond op een reusachtige kom die door de inwoners de ‘erwtenkom’ wordt genoemd. ‘Aken is een fonteinenstad,’ ging oom Frank verder. ‘We zullen er nog wel zien vandaag.’ Oom Frank had gelijk. In de omgeving van de Dom, de grote kerk uit de tijd van Karel de Grote, waar je zijn schrijn12 en zijn houten troon nog kunt bezichtigen, was er tegen de grond een groot waterbekken met mooie bronzen beelden er omheen. Ze stelden een vader voor die wat geld gaf aan zijn zoontje, een marktkramer, een vrouw, een gierigaard en … een ambtenaar van de belastingen!

23


‘De fontein van het geld,’ verklaarde oom Frank. Stef liep benieuwd dichterbij. Er rinkelde een belletje in zijn hoofd. Stef trok zijn handschoenen uit, liep dichterbij en ging op de stenen rand zitten. En toen zag hij het. Er lag geld in het water! Blinkende geldstukjes. Geen vijf of tien maar wel honderd. Of misschien nog veel meer! Een echte schat! Zijn mond viel open van verbazing. Opeens kwam er een jong stel naast hem bij de fontein staan. Het meisje draaide zich om en gooide een geldstuk over haar schouder in het water. Nu begreep Stef er niets meer van. Wie gooide er nu geld weg! ‘Waarom …’ begon hij. Maar papa, oom Frank en Leni liepen al een eind verder en sloegen een straat in. Stef haastte zich om hen bij te benen13 en hij slikte zijn vraag in. Hij dacht opeens aan buurman Pros en aan zijn eigen pas begonnen verzameling. Na het avondeten stelde Stef opeens vast dat hij zijn handschoenen kwijt was. ‘Ze liggen vast nog bij de fontein’, wist hij. Omdat Leni goed de weg kende, mochten ze er samen naar op zoek. ‘Niet langer wegblijven dan nodig!’ riep tante Riet hen na. Was dat boffen! Nu Leni nog op zijn kant krijgen, dacht Stef. Maar dat was niet eenvoudig. ‘Doe het toch maar niet, Stef,’ smeekte ze.

24


‘Dat mag niet hoor! Als we betrapt worden, zal er wat zwaaien! Het is diefstal!’ Maar vijf minuten later stond Leni op de uitkijk terwijl Stef de geldstukjes uit het water graaide en in zijn jaszakken stopte. De muntjes waar hij niet bij kon, liet hij liggen. Het water was veel te koud om er op blote voeten in te stappen. Achteraf warmde hij zijn verkleumde handen in zijn handschoenen, die hij gelukkig teruggevonden had op de stenen rand van de fontein. Leni moest plechtig beloven niets te verklappen. Eigenlijk had hij niets verkeerd gedaan, vond Stef. Het was toch geld dat de mensen niet meer nodig hadden, ze hadden het zelf weggegooid.

25


‘s Avonds ging iedereen vroeg naar bed, want feestvieren is heel vermoeiend. Stef en Leni telden op hun kamer het geld na. Stef was een beetje teleurgesteld. Behalve enkele muntstukken die hij niet kende, waren het bijna allemaal stukjes van twee of vijf eurocent. Niets voor zijn pas begonnen verzameling. Maar al bij al had hij toch een mooi bedrag uit het water gevist. ‘Wat doen we ermee?’ vroeg Leni. ‘Iets kopen, natuurlijk!’ zei Stef vastbesloten. ‘En als ze vragen waar dat geld vandaan komt?’ ‘Eerlijk gevonden!’ zei Stef. ‘Waar of niet?’ Maar bij het ontbijt, na een onrustige nacht, biechtten ze alles op. Het bleef enkele seconden ongewoon stil. Iedereen keek naar iedereen. Tot mama opeens riep: ‘Mijn zoon is een dief! Ik schaam me dood!’ ‘Maar het is toch weggegooid geld, mama! Ik heb het zelf gezien!’ verdedigde Stef zich. En toen kreeg papa een onbedaarlijke lachbui. Enkele ogenblikken later lachte iedereen. Behalve mama. ‘Je brengt dat geld onmiddellijk terug!’ eiste ze. Stef keek naar papa en oom Frank. Die knikten allebei dat het moest. Stef zuchtte. Of Leni mee mocht? ‘We gaan allemaal mee!’ beloofden de twee papa’s. Zelfs tante Riet en mama met Lotje in de kinderwagen gingen mee.

26


Het ‘weggegooide geld’ was in zes hoopjes verdeeld, zodat het niet al te veel zou opvallen wanneer het weer in het water werd gelegd. Onderweg vertelde oom Frank dat het geld geregeld wordt opgehaald en besteed aan een goed doel. Stef kwam ook te weten waarom sommige mensen geld in het water gooien. ‘Terwijl ze dat doen, spreken ze een wens uit,’ zei oom Frank. ‘Of ze denken dat ze dan, hoe ver ze ook hiervandaan wonen, ooit nog naar onze stad zullen terugkeren.’ Eerst kwamen ze bij de ‘Fontein van het geld’. Stef ging op de rand zitten en liet de inhoud van een jaszak in het water glijden. Alleen de levensgrote beelden hadden het gezien. Daarna stapten ze naar de ‘Keizerfontein’ op het plein. En daar gooide papa zijn handvol muntjes in het bekken. Oom Frank deed hetzelfde bij de ‘Kippendief’, waar de bronzen figuren het verhaal uitbeeldden van een man die een haan en een hen had gestolen en verraden werd door acht hevig kakelende kuikens.

27


28


Een eindje verderop was het de beurt aan Leni. Bij het ‘Turelure-Liesje’ mikte ze zonder zich te haasten één voor één haar handvol eurocenten in het water. Tante Riet mocht in de ‘Fontein met het monster’ wat geld weggooien. Stef keek terwijl wat bang naar het angstaanjagende bronzen dier, half panter, half draak, boven op de fontein. En ten slotte mocht mama de laatste centen in het water van de ‘Poppenfontein’ laten glijden. Wat keek ze opgelucht! En wat keek Stef verwonderd naar de vreemde bronzen maskers, naar het paard en zijn ruiter, de strenge professor, het marktvrouwtje en het meisje, maar vooral naar de guitige harlekijn. ‘Dit is de leukste fontein van allemaal,’ zei oom Frank. ‘Je kunt alle bronzen figuren bewegen. Ook de armen, de handjes en de benen.’ Leni deed het maar wat graag voor. Ze liet de harlekijn wat vooroverbuigen, pakte een arm beet en stak die met een klik omhoog. Nu was er geen houden meer aan.

29


Stef en Leni, papa en oom Frank, tante Riet en zelfs mama zetten de figuren in allerlei gekke houdingen. Iedereen was door het dolle heen. Tot oom Frank onverwacht zei: ‘Ik trakteer op wafels met slagroom!’ En opeens stond de Poppenfontein voor een poosje alleen.

30


De volgende dagen mochten Stef en Leni in hun eentje naar de Poppenfontein. Elke dag stonden de figuren in een andere houding. Maar niet voor lang. Daar zorgden Stef en Leni wel voor. ‘Ik wil hier nog heel lang blijven,’ zuchtte Stef. Maar dat kon niet, want de vakantiedagen waren voorbij. Mama had het heel fijn gevonden, bekende ze eerlijk. Deze korte vakantie had haar veel deugd gedaan. ‘Duizend keer dank voor deze heerlijke dagen,’ zei papa. Oom Frank antwoordde dat dat echt niet nodig was. Stef was blij dat hij nu ook heel wat zou kunnen vertellen op school. Maar niet over het opgeraapte geld uit de fontein. Dat avontuur zou hij misschien later wel aan Pros in het lang en in het breed vertellen. Hij was er zeker van dat Pros het zou begrijpen en hem niet zou uitlachen. Toen de auto weer was ingeladen en het geknuffel en gezoen achter de rug was, mocht Stef voor de laatste keer naar de Poppenfontein om afscheid te nemen. Hij zette de harlekijn kaarsrecht, spreidde zijn lange bronzen slungelbenen en stak zijn twee armen in de lucht. En, om er zeker van te zijn dat hij zo gauw mogelijk zou terugkeren, gooide hij een muntstuk van een hele euro in het water. ‘Tjuus, harlekijn, tot ziens,’ groette hij, en hij knipoogde. Harlekijn knipoogde terug. Of dacht Stef dat alleen maar?

31


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

32

een appeltje voor de dorst hebben = iets sparen om het later te kunnen gebruiken kijven = ruziemaken zijgevel = muur aan de zijkant van een gebouw zuilen = grote stenen palen die dienen om een gebouw te ondersteunen balie = tafel of toonbank waarachter personeel staat om klanten te helpen baggeren = modder of slijk weghalen uit het water beduusd = verward en verlegen tegelijk voet bij stuk houden = niet toegeven het onderste uit de kan halen = alles proberen mierzoet = heel erg zoet scepter = staf van een koning schrijn = bewaarplaats bijbenen = inhalen


Buurman Pros neemt Stef mee naar het museum. Daar loopt een bijzondere tentoonstelling over munten. Stef heeft de smaak te pakken en wil ook met een muntenverzameling beginnen. Dan nodigt oom Frank onverwacht de familie van Stef uit om enkele dagen te komen logeren. De stad waar oom Frank woont, is bekend om haar fonteinen. En in die fonteinen ligt geld. Dat brengt Stef op een idee …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Foto’s: Christina Guirlande, Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 3 - N1 – Weggegooid geld by die Keure - Issuu