Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 3 - N1 – Prinsesje van ijs

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Prinsesje van ijs Inge Bergh

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

3


Prinsesje van ijs

1


Oudjaar Het was koud en guur1 die avond. De wind joeg ons door de stad. We tuimelden over hoeden en tolden tussen benen door. Langzaam bedekten we de straten onder een winters tapijt. En overal onder of boven ons holden mensen elkaar gehaast voorbij. Koning Winter was meester in de stad. Zijn ijzige adem schilderde bloemen op de ruiten. Webben bevroren tot glinsterende kant2. Aan dakgoten groeiden glimmende ijspegels. Maar niemand nam de tijd om al dat moois te bewonderen. Het was de laatste avond van het jaar. Buiten vroor het de stenen uit de straat. Maar binnen in huis was het knus en warm. Daar wachtte het haardvuur, de kalkoen en de kan met jus3. De mensen haastten zich naar hun huizen. Hun sjaals en mutsen stevig over hun neuzen en oren getrokken. Hun armen vol pakjes en presentjes4. In gedachten overliepen ze lijstjes met dingen die ze nog moesten doen voor het feest vanavond. Was het zilverwerk wel goed gepoetst? Blonken de kristallen glazen en de spiegels? Was er kalkoen genoeg? Waren er genoeg kaarsen in huis? Niemand zag het arme meisje dat rillend op de stoep zat.

2


Zwavelstokjes Het meisje had geen muts of wanten aan. En ook een jas om warm in weg te duiken had ze niet. De wind waaide los door haar dunne kleren heen. Mijn broers en zussen vlijden5 zich op haar lange blonde haren. Ze nestelden zich op haar schouders. Maar een muts en sjaal van sneeuwvlokjes is niet warm. Het meisje beefde van kou en ellende. Ik zag hoe ze opkeek naar de mensen op de straat. Wat moest ze hun wollen sjaals en jassen benijden6! Rillend stak ze een zwavelstokje omhoog.

3


‘Mevrouw, meneer, koopt u een zwavelstokje van mij? Een zwavelstokje om het vuur in uw haard aan te maken? Om straks uw kaarsen mee aan te steken? Mevrouw? Meneer?’ Maar de mensen keken niet op of om. De koude wind sneed door alles heen. En wat hadden ze nog veel te doen voor het feest van vanavond. Ze holden naar hun warme huizen. Haastten zich naar bakker en slager. Ze zagen het bibberende meisje niet. Hoorden haar smekende stem niet. Niemand kocht een zwavelstokje.

4


Koud huis Ik zag het huis toen ik naar de aarde dwarrelde. Achter de ramen flakkerden7 geen kaarsen. In de haard brandde geen vuur. Het huis stond in de straat als een kapot lampje in een snoer van lichtjes. De voordeur ging open. Een klein meisje glipte erdoor. In haar hand klemde ze een bosje zwavelstokjes. Achter haar waaide een barse8 stem de straat op.

‘Durf niet terug te komen voor al je zwavelstokjes verkocht zijn! Hoor je mij? Kom deze deur niet door zonder een fles bier en een beurs vol centen. Ik sla je zo de straat weer op.’ Het meisje zuchtte. Ze trok de deur achter zich dicht. Het leek alsof ze opgelucht was toen die in het slot viel. Rillend trok ze haar dunne sjaal strak om haar schouders. Heel even keek ze nog om. Maar de deur bleef dicht. Het monster zat binnen. Het was er even koud als buiten.

5


Pleintje Ik zag hoe het meisje de straat uit slofte. Haar schoenen waren veel te groot. Ze had de tenen opgevuld met kranten. Je zag het papier door de versleten neuzen heen zitten. Bij een pleintje hield ze halt. Je rook er de kruidige geur van warme drank en de zoete geur van versgebakken koek. Het meisje voelde in haar schort. Daar zaten de zwavelstokjes. Misschien kon ze straks ook een stukje koek kopen. Ze schoof aan bij het koekenkraam en stak haar zwavelstokjes omhoog.

‘Meneer, koopt u een zwavelstokje van mij?’ Maar de koekenbakker schudde zijn hoofd. Zijn oven gloeide al. En ook de drankstoker had zijn vuur al branden. Hier zou ze haar zwavelstokjes niet verkocht krijgen. Was ik de gure winterwind geweest, dan had ik met één felle adem alle vuren kunnen doven. Helaas was ik maar een sneeuwvlokje. Ik kon mij op het vuur werpen, maar zou enkel sissend verdampen. Het vuur zou er niet minder heet om branden. Machteloos dwarrelde ik met het meisje mee.

6


Vroeger In een winkelstraat niet ver van het pleintje hield het meisje halt. Hier zou ze haar zwavelstokjes verkopen. Het werd al donker en binnenkort zouden de winkels hun deuren sluiten. De mensen haastten zich om nog snel hun laatste inkopen te doen.

‘Mevrouw, meneer, koopt u een zwavelstokje van mij? Een zwavelstokje om het vuur in uw haard aan te maken? Om straks uw kaarsen mee aan te steken? Mevrouw? Meneer?’

7


Haar stem klonk ijl. Haar vingers beefden. Ze had het zo koud. Ze keek naar de warm ingepakte dames en heren en droomde van het feest dat ze die avond niet zou krijgen. Straks zou ze weer naar een koud en donker huis moeten gaan. Sinds haar moeder gestorven was, werd er bij het meisje thuis niet meer gefeest. Leefde haar grootmoeder nog maar … Dan had ze bij haar langs kunnen gaan. Haar grootmoeder had altijd wel iets lekkers op het vuur staan. Soep die traag en dik door je keel gleed en de kou uit je botten dreef. Warme appels met rozijnen en kaneel. Of pannenkoeken waar ze suiker uit een bus over strooide. Suiker, zo wit en zacht als die ene zwevende sneeuwvlok daar.

8


Lantaarnman Vanuit de verte zag ik hoe een man naar het meisje wandelde. Hij zag er heel chic uit met zijn hoge hoed en lange jas. Zou hij een zwavelstokje kopen? Het meisje trok haar sjaal wat strakker om haar tengere9 schouders. Opnieuw stak ze haar hand met zwavelstokjes omhoog.

‘Meneer, koopt u een zwavelstokje van mij?’ De man droeg een lange stok met een wiek erop. Het was zijn taak om alle lantaarns van de stad aan te steken. Hij had zijn eigen vuurtje bij zich. Maar ook al had hij geen zwavelstokje nodig, toch groef hij voor de zekerheid nog eens diep in zijn zakken. Hij was niet rijk en wist hoe het was om hongerig en koud door de straten te zwerven. Maar zijn zakken waren leeg.

‘Het spijt me, meisje, ik heb helaas geen cent te veel.’ Met een vlammetje op de wiek stak hij de lantaarn boven het meisje aan. Met honderden sneeuwvlokjes dansten we om het vuur van de lamp heen. Maar het meisje zag ons niet. Moedeloos liet ze zich op de grond neerzakken.

9


Knusse dromen De kou kroop langs de stenen huizen omhoog. We zweefden zachtjes neer en bedekten zo veel van de straat als we konden. Een tapijt van zachte vlokjes voor een meisje dat niks had. Het meisje trok haar benen onder haar dunne rok en blies haar handen warm. Ze probeerde aan warme en knusse dingen te denken. Aan de vurige hitte van een gloeiende kachel. Aan een zacht bed waarin een gloeiende baksteen de lakens verwarmde. Het warme, zachte lijfje van een spinnende poes. Het gekriebel van een warme sjaal en dikke kousen. Maar het hielp niet. Ze bleef maar bibberen van de kou. Het meisje had warmte nodig die niet zo vluchtig was als haar adem en haar dromen. Maar ze had enkel wat zwavelstokjes die niemand wou kopen. Ik zag hoe ze naar de zwavelstokjes in haar verkleumde10 handen keek. Hoe ze die liet vallen in haar rok. En hoe ze één stokje vastnam. Ze aarzelde. Hoeveel warmte kon één vlammetje geven? Kon ze zomaar een zwavelstokje verkwisten11? Hoe kwaad zou vader niet zijn? Maar ze had het zo koud!

10


Kachel Rits! Ik zag hoe het meisje het zwavelstokje tegen de lantaarnpaal afstreek. Het kopje knetterde en spetterde en ontvlamde toen. Zo snel ze kon maakte het meisje met haar handen een kommetje. Zo beschermde ze het vlammetje tegen de gure wind. De wamte kroop als een leger mieren over haar huid. Haar vingers prikten en gloeiden. Ze bracht het brandende zwavelstokje dicht bij haar gezicht. Nu gloeide zelfs het topje van haar neus en ook haar lippen leken te ontdooien. En plots gebeurde het …

11


Daar stond de kachel van grootmoeder. Door het zwartbeslagen ruitje zag het meisje de vlammen dansen. Bovenop de kachel stond een pannetje. Het deksel op het pannetje danste en kleine wolkjes stoom ontsnapten. Het meisje rook de zoete geur van pap. Toen ging het vlammetje uit. En alles werd weer donker en koud. Daar konden geen honderd sneeuwvlokjes iets aan veranderen.

12


Feesttafel Rits! Ik keek toe hoe het meisje een nieuw stokje afstreek. Het zwavelstokje knisperde en knetterde. Daar had het meisje al vlug een nieuw vlammetje. Voorzichtig bracht ze het dicht bij haar gezicht. Haar gezichtje gloeide en opnieuw gebeurde het. Het meisje stond terug in het huis van haar grootmoeder. Op de feestelijk versierde tafel brandden hoge kaarsen. Hun licht danste over grootmoeders mooiste servies. Het meisje zag een kom met gepofte aardappelen. Een bord met gestoofde peren. Schalen vol pruimen en appeltjes. Een kannetje warme wijnsaus. En te midden van al dat lekkers lag een gebraden gans. Verrukt liep het meisje rond de tafel. Ze stelde zich voor hoe ze met haar vork in het zachte vlees van de gans zou prikken. Hoe de gestoofde peer op haar tong zou smelten. Hoe de kruidige wijnsaus haar buik zou verwarmen. Het water liep haar in de mond. Toen ging het vlammetje uit. En alles werd weer donker en koud.

13


Kerstboom Rits! Opnieuw stak het meisje een zwavelstokje af. De kop van het stokje sputterde en knetterde. Daar verscheen opnieuw een dansend vlammetje. Ik zag hoe het meisje zich ontspande. Het meisje rook de geur van dennennaalden. Voor haar stond de prachtigste kerstboom ooit. In de boom bengelden glazen engeltjes en porseleinen ballen. Zilveren belletjes en fluwelen strikken versierden de takken. En op de top van de boom stond een vergulde12 piek. Grootmoeder had papieren prentjes aan zijden linten gehangen. Die hingen nu als slingers, kris-kras in de boom. Op de prentjes zag het meisje besneeuwde bergen. Kinderen op sleeën. En hertjes in het bos. Maar dat was nog niet alles. Onder de boom lag een hele berg pakjes. Dozen met fluwelen linten rond. Zijden zakjes met grote strikken. Het meisje strekte haar handen uit. Het leek wel of ze mij wilde vangen. Maar toen ging het vlammetje uit. En alles werd weer donker en koud.

14


Een wens Het meisje staarde naar alweer een verbrand zwavelstokje in haar hand. De prachtige kerstboom was weg. Net als de feesttafel plots was verdwenen. En net als de warme kachel maar een droom was gebleken. Voor haar lag alleen nog maar een verlaten straat. Met tranen in haar ogen staarde het meisje naar de donkere hemel boven haar. Plots trok een ster een zilveren spoor door de hemel.

15


‘Een vallende ster!’ riep het meisje uit. En ze herinnerde zich wat grootmoeder altijd zei. Vlug sloot ze haar ogen. Ik hoorde hoe ze haar diepste wens fluisterde. Toen ze haar ogen weer opendeed, was de ster verdwenen. En met de ster ook de hoop die het meisje had gevoeld. Misschien had ze het alleen maar gedroomd? Het meisje voelde hoe de kou haar weer in haar greep kreeg. Bibberend tastte ze in de zak van haar schort. Ze had nog zeven zwavelstokjes over. Nog één keer wou ze dromen. Nog één keer wou ze onbezorgd gelukkig zijn.

16


Grootmoeder Rits! Dit keer streek het meisje al haar zwavelstokjes af. Ze hield ze als een boeketje vurige bloemen in haar hand. En bleef toen stil tegen de lantaarnpaal aan liggen. We landden op haar neus, maar ze veegde ons niet weg. We kietelden haar hals, maar ze schudde ons niet van zich af.

17


‘Meisjelief, kom geef me je hand. Dan hoef je nooit meer kou te lijden. Mijn liefste schat, kom met me mee. Ik heb je zo gemist.’ Niemand anders dan het meisje hoorde de stem boven de huilende wind uit. NIemand anders dan het meisje zag de oude vrouw staan in het schijnsel13 van de dansende vlammetjes.

‘Lieve oma, je bent gekomen!’ prevelde14 het meisje. Met haar laatste krachten nam ze de hand van haar grootmoeder vast. Toen de vlammetjes doofden, verdween het lieve vrouwtje. En het meisje ging stralend met haar mee.

18


Nooit meer koud Het was koud en guur die nacht. Koning Winter was nog steeds meester in de stad. Maar de feestende mensen voelden de koude wind niet. Beschut in hun huizen openden ze pakjes. Ze zongen en dansten en wensten elkaar veel geluk in het nieuwe jaar. Niemand wist dat ergens daarbuiten een klein dood meisje lag.

19


Koning Winter verfde haar lippen blauw. Hij vlocht kristallen in haar wimpers en haren. Bevroor haar verbaasde blik. En strooide glinsters over haar lach. Wat was het meisje blij geweest toen ze haar oma zag! Nooit zou ze het nog koud hebben. Nooit zou ze nog honger lijden. En ze zou nooit meer moeten smeken:

‘Mevrouw, meneer, koopt u een zwavelstokje van mij? Een zwavelstokje om het vuur in uw haard aan te maken? Om straks uw kaarsen mee aan te steken? Mevrouw? Meneer?’

20


Prinsesje van ijs Die nacht dwarrelde ik naar beneden. Samen met al mijn broers en zussen liet ik mij vallen. Koning Winter had ons geroepen. We tuimelden over hoeden en tolden tussen benen door. We werden opgelikt door kinderen. Uit de lucht gehapt door honden. Bleven liggen op daken. Of smolten in schoorstenen en vuurmanden.

21


Maar ik had een meisje gezien. En ik was haar gevolgd. Ik zag hoe verdrietig ze was. Hoe hongerig en hoe koud. Ik hoorde haar liefste wens. Zag hoe vreugde haar hart verwarmde. En op het laatst heb ik haar mee toegedekt. We waren met honderden die nacht. Samen vlijden we ons neer, als waren we het zachtste dons. En we vormden het mooiste wat we die nacht konden zijn: een deken van vlokjes voor een prinsesje van ijs.

22


23


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

24

guur = nat, winderig en onaangenaam koud kant = fijne stof jus = saus van boter waarin vlees gebraden is presentjes = cadeaus vlijen = voorzichtig neerleggen benijden = jaloers zijn flakkeren = onrustig branden bars = onvriendelijk en streng tenger = slank en fijntjes verkleumd = stijf van de kou verkwisten = verspillen verguld = met een laagje goud bedekt schijnsel = zacht licht prevelen = onduidelijk praten


‘Die nacht dwarrelde ik naar beneden. Samen met al mijn broers en zussen liet ik mij vallen. Koning Winter had ons geroepen. We tuimelden over hoeden en tolden tussen benen door. We werden opgelikt door kinderen. Uit de lucht gehapt door honden. Bleven liggen op daken. Of smolten in schoorstenen en vuurmanden. Maar ik had een meisje gezien. En ik was haar gevolgd. Ik zag hoe verdrietig ze was. Hoe hongerig en hoe koud.’ In deze bewerking van ‘Het meisje met de zwavelstokjes’ vertelt een sneeuwvlokje haar verhaal.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Steffie Padmos Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 3 - N1 – Prinsesje van ijs by die Keure - Issuu