ucatieve uitgaven
BIEB
Je eigen verhaal Aag Vernelen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
8
Je eigen verhaal
Dit is een boek voor alle kinderen die van schrijven houden. Of beter: dit is een boek voor alle kinderen die houden van het schrijven van verhalen. Misschien droom je ervan ooit een verhaal te schrijven, maar weet je niet hoe eraan te beginnen. In ieder geval, met dit boek kun je aan de slag! Ik laat je stap voor stap zien hoe je zelf een verhaal kunt schrijven. Ja, ook jij! Met dit stappenplan is het niet eens moeilijk. Het is zelfs heel erg leuk! Neem alvast pen en papier bij de hand! Denk eens even aan je eigen lievelingsboek. Je hebt er vast eentje. Als je het in huis hebt, neem het er dan bij. Het kan je helpen bij het maken van de oefeningen. Als je daar zin in hebt, kun je kort opschrijven wat je er zo mooi aan vindt.
1
Inspiratie Waar vind je ideeën voor een verhaal, dingen om over te schrijven, ‘inspiratie’ zoals dat heet? Wel, overal! Kijk maar eens goed om je heen, en luister. Misschien hoor je op de bus wel twee mensen een boeiend verhaal vertellen. Of zie je in een boek of op een postkaart een mooie tekening of foto die je op ideeën brengt. Of beleef je zelf iets waar je een verhaal over kunt schrijven. Je hoeft er je nog geen zorgen over te maken. Door de opdrachten in dit boek te doen, krijg je vanzelf massa’s ideeën!
2
Opdrachtje: Vertel tegen iemand (je mama, je juf of een vriend bijvoorbeeld) waar je lievelingsboek over gaat. Toen ik zo oud was als jij, schreef ik ook al verhalen. Eerlijk gezegd vond ik dat heel leuk, maar lang niet altijd gemakkelijk, want ik geloofde dat ik alle ideeën voor mijn verhalen uit mijn eigen hoofd moest halen, dat ik ze zelf moest bedenken. Toen ik wat ouder was, ben ik zelfs een hele tijd gestopt met schrijven omdat ik ervan overtuigd was dat ik niet genoeg fantasie had om schrijfster te zijn. Gelukkig heb ik op een dag ontdekt dat ik helemaal geen fantasie nodig heb om verhalen te schrijven! Ik hoef alleen maar om me heen te kijken of in mijn eigen herinneringen te duiken, en de verhalen komen vanzelf.
3
Mijn allereerste boek, dat ‘Een plek naast de sla’ heet, gaat bijvoorbeeld over een meisje dat een gewonde vogel vindt en hem verzorgt. Dat meisje … was ikzelf! Toen ik een jaar of acht was, heb ik net als het meisje uit het boek een merel gevonden en hem verzorgd. In het boek heet het meisje niet Aag, zoals ik, maar Fien, en heeft ze geen blond haar, zoals ik, maar rood haar. En de vogel, een merel, vond ik in het echt op straat, terwijl hij in het boek tegen een raam vliegt. Je hoeft het dus niet allemaal precies op te schrijven zoals het gebeurd is, maar wat je zelf meegemaakt hebt, kan je wel prima ideeën geven om een verhaal op te bouwen.
4
Schrijfopdracht Denk aan iets wat je meegemaakt hebt. Iets wat veel indruk op je gemaakt heeft. Schrijf bijvoorbeeld over het grappigste dat je ooit hebt beleefd. Of het engste. Of beschrijf het meest droevige moment uit je leven. Stel dat je ooit in de klas een flinke uitbrander1 kreeg van je juf. En misschien zelfs straf erbij. Dan kun je opschrijven wat je precies deed waardoor je die straf kreeg, wat de juf tegen je zei en hoe het afliep. Of schrijf over een hele leuke dag die je beleefde met je opa aan zee. Wat deed je allemaal precies? En hoe voelde je je erbij? Of misschien ben je ooit wel eens verdwaald in een groot bos of in de stad en kun je daarover schrijven. Dat zijn maar ideeën om je inspiratie te geven. Bij deze oefening mag je over alles schrijven, als je het maar zelf meegemaakt hebt. Het maakt niet uit of het vandaag gebeurd is, vorige week, of vijf jaar geleden.
5
Opwarmen Net als bij sporten, is het bij schrijven belangrijk om jezelf op te warmen. Hoe je dat doet? Door te schrijven! Maar niet meteen aan je verhaal. Je kunt bijvoorbeeld alles wat in je hoofd in de weg zit op een blaadje neerschrijven. Alles waar je aan denkt, schrijf je dan van je af. Zo maak je je hoofd leeg voor een verhaal. Is dat niets voor jou? Dan kun je ook een leuke oefening als opwarmer doen. In dit hoofdstuk geef ik je twee fijne opwarmertjes mee die je kunt doen als je er zin in hebt.
6
Je favoriete plek Denk aan je meest favoriete plekje. Dat kan je eigen kamer zijn, of een plekje in de tuin of … Schrijf het antwoord neer op de volgende vragen: - Wat zie je als je op je favoriete plek bent? - Welke geluiden kun je er horen? - Hoe ruikt het er? - Wat voel je als je er bent? (ik bedoel hiermee geen gevoelens zoals blij of verdrietig, maar eerder wat je voelt met je huid, bijvoorbeeld: het is er warm, er waait een fris windje op je huid …) - Kun je er ook iets proeven? Probeer zo volledig mogelijk te zijn. Met deze opdracht oefen je jezelf in ‘zintuiglijk schrijven’. Dat is een belangrijke kunst voor een schrijver. Als je iets beschrijft met al je zintuigen, kan de lezer zich precies inleven!
7
De spin Nog iets belangrijks dat een schrijver moet kunnen, is zich inleven in de gevoelens en het leven van iemand anders. Dat kun je oefenen met de volgende opdracht: stel je voor dat je een spin bent. Ben je zo’n elegante hooiwagen2 met een klein lijf en lange poten, of ben je een dikke, zwarte spin met korte poten, of een enge kruisspin, of …? Er komt een jongetje op je af dat heel hard schrikt als hij je ziet. Schrijf een brief naar die jongen en probeer hem te overtuigen waarom je helemaal niet eng bent. Geef zoveel mogelijk redenen waarom hij niet hoeft te schrikken! Het helpt om in te beelden dat je echt die spin bent. En je wilt echt niet dat iedereen bang van je is!
8
Opbouw van een verhaal Een verhaal is op een bepaalde manier opgebouwd. Net zoals bij het bouwen van een huis eerst de kelder wordt gebouwd, dan de muren en dan pas het dak, is er bij het schrijven van een verhaal ook een bepaalde volgorde van ‘bouwen’. Er bestaan ontzettend veel verschillende soorten verhalen, en daarom bestaan er ook verschillende manieren om een verhaal op te bouwen. In dit boek laat ik je kennismaken met één manier. Het is dus niet de enige juiste manier, het is gewoon één van vele manieren om het aan te pakken. De opbouw die ik in dit boek volg, vind je vaak terug in een prentenboek, of bijvoorbeeld in een sprookje. Hij bestaat uit vier delen.
9
1 De voorstelling van je personages In dit deel van je verhaal, dat niet lang hoeft te zijn (een pagina volstaat) stel je de mensen of dieren voor die een rol spelen in je verhaal. Dat zijn je personages. 2 Het probleem In dit deel verklap je aan de lezer het grote probleem dat het hoofdpersonage, dat is de belangrijkste persoon uit je verhaal, moet proberen op te lossen. 3 De gebeurtenissen In dit deel beschrijf je verschillende pogingen van het hoofdpersonage om het probleem op te lossen. Het is belangrijk dat al deze pogingen mislukken. 4 De ontknoping of de oplossing van het probleem Pas in het laatste deel wordt het probleem van het hoofdpersonage ook écht opgelost.
10
Elk van deze delen wordt verder in het boekje uitgelegd. Stap voor stap krijg je opdrachten om je verhaal volgens dit schema op te bouwen. 1 De voorstelling van je personages: wie, waar, wanneer? Denk even aan je lievelingsboek. Welke mensen (of dieren) komen erin voor? Wie beleeft het verhaal? Die mensen of dieren noemen we de personages van het verhaal.
11
De eerste stap in het schrijven van je verhaal is het bedenken van je hoofdpersonage. Het hoofdpersonage is de belangrijkste persoon uit je verhaal. Het is het personage dat het volledige verhaal beleeft. Alles wat gebeurt in je verhaal, zie je door zijn of haar ogen. Natuurlijk doen er ook nog andere personages mee in je verhaal. Dat zijn dan de nevenpersonages. Eerst ga je je hoofdpersonage vormgeven. Ook dat doe je stap voor stap. Stap één : zoek een afbeelding van je hoofdpersonage Pak een stapel tijdschriften of neem wat prentenboeken uit je boekenkast. Blader er rustig door en kies een foto of een tekening van een personage dat je leuk vindt. Dat kan een mens zijn van alle leeftijden: een baby, een jongen van acht, een meisje van twaalf, een volwassen man of een oud vrouwtje bijvoorbeeld.
12
Maar je hoeft niet voor een mens te kiezen. Je personage kan ook een dier zijn of een fantasiefiguur zoals een tovenaar of een heks. Heb je een personage gevonden dat je aanspreekt? Dan kan je de volgende opdracht doen! Stap twee: maak een lijstje Vul het volgende lijstje over je personage aan. Mijn personage heet … De leeftijd van mijn personage is … Mijn personage woont in … Wat mijn personage het allerliefste doet is … Het lievelingseten van mijn personage is … De leukste eigenschap van mijn personage is … De minst leuke eigenschap van mijn personage is … Mijn personage kan heel erg goed … Mijn personage droomt ervan om … De familie van mijn personage bestaat uit … De beste vriend of vriendin van mijn personage is … Mijn personage maakt vaak ruzie met …
13
Stap drie: laat je personage aan het woord Nu je al heel wat over je personage weet, is het tijd om hem of haar even aan het woord te laten. Neem een leeg blad papier en een pen. Begin te schrijven : ‘Ik ben …(de naam van je personage) en ik…’ Ga nu verder met schrijven. Probeer niet te veel na te denken. Schrijf gewoon neer wat in je opkomt, alsof je personage praat doorheen jouw pen. Wees nieuwsgierig naar wat hij of zij je te vertellen heeft. Schrijf ongeveer een half blad vol, of meer, als je personage veel te vertellen heeft.
14
Lees daarna terug wat je geschreven hebt. Ben je verrast door wat je personage verteld heeft ? Heb je het gevoel dat jij dit verzonnen hebt, of lijkt het eerder alsof je personage écht tegen jou heeft gepraat? Stap vier: stel je personage voor Schrijf nu een stukje tekst waarin je jouw personage aan de lezer voorstelt. Maar je gaat niet zomaar over je personage vertellen. Je laat hem of haar iets doen of beleven, waardoor duidelijk wordt wat zijn of haar belangrijkste eigenschap is. Stel bijvoorbeeld dat jouw personage een erg onhandige pinguïn is, die Eddy heet. Dan kan je stukje tekst als volgt gaan: ‘Toen Eddy de pinguïn die ochtend wakker werd, had hij zin in een lekker glaasje appelsap. Hij stond op en waggelde meteen naar de keuken. Onderweg struikelde hij over het tapijt. ‘Oeps!’ riep Eddy. ‘Daar lag ik bijna!’ In de keuken keek hij in de koelkast.
15
Even later zat Eddy neer met een lekker glaasje sap. Toen hij wilde opstaan, gooide hij per ongeluk zijn glas omver. Vliegensvlug stond Eddy op om een vaatdoek te halen. Bam! Hij knalde met zijn knie tegen de tafelpoot. Zo hard, dat het omgevallen glas van de tafel viel en in duizend stukjes brak.’ Je ziet dat er nergens in het stukje vermeld staat dat Eddy erg onhandig is. Maar door wat hij beleeft in de tekst (hij struikelt, gooit zijn glaasje om en stoot zich aan de tafel), kom je als lezer toch te weten dat hij onhandig is. Schrijf nu een gelijkaardig tekstje over jouw personage. In het voorbeeldtekstje is Eddy het enige personage, maar als je om jouw eigenschap te tonen een tweede personage nodig hebt, mag dat natuurlijk ook. Als je hoofdpersonage bijvoorbeeld heel bazig is, heb je een tweede personage nodig waar je hoofdpersonage bazig over kan zijn, bijvoorbeeld zijn kleine zusje.
16
Het tekstje dat je nu hebt geschreven, kan het begin zijn van je verhaal. Het eerste deel van een verhaal bestaat altijd uit de voorstelling van de personages. Daarin leert de lezer de personages van het verhaal kennen. Niet alleen het hoofdpersonage, maar ook de nevenpersonages. Het begin van het verhaal geeft de lezer het antwoord op de volgende vragen: - Over wie gaat het verhaal? - Waar speelt het verhaal zich af?
17
2 Het probleem Je hebt nu al een hoofdpersonage voor je verhaal, waar je heel wat over weet, en misschien ook wel één of enkele nevenpersonages. Je weet hoe je hoofdpersonage heet, hoe oud hij (of zij) is, waar hij woont, wat hij graag doet, waar hij goed in is … Al deze informatie hoeft niet in je uiteindelijke verhaal te komen, maar het is goed als schrijver om je hoofdpersonage door en door te kennen. Zo kun je het verhaal als het ware door zijn ogen schrijven en ga je geen dingen schrijven die niet kloppen. Je verhaal wordt zo heel geloofwaardig, heel echt. Om een verhaal te schrijven, heeft je hoofdpersonage ook een probleem nodig. Een probleem dat opgelost moet worden. Dat probleem is heel belangrijk voor je verhaal. Daar draait je verhaal rond. Zonder probleem zou je verhaal niet spannend zijn en zonder spanning heb je geen verhaal. Dus de volgende stap is het bedenken van een probleem.
18
Welk probleem heeft je hoofdpersonage? Het kan zijn dat hij iets heel graag wil hebben dat hij nog niet heeft. Of hij wil iets kunnen wat hij nog niet kan. Of hij wil iets doen wat maar niet lukt … Het is belangrijk om een probleem te kiezen dat niet meteen kan opgelost worden. Want het is net de zoektocht naar de oplossing die je verhaal vormt. Stel dat Eddy de pinguïn op een morgen wakker wordt en vaststelt dat zijn appelsap op is. Zijn probleem is dan dat hij heel graag sap wil, maar die is op! Als er naast het huis van Eddy een winkel zou zijn waar ze appelsap verkopen, zou Eddy daar meteen naartoe kunnen en zou zijn probleem meteen opgelost zijn.
19
Het verhaal dat Eddy dan zou beleven, zou maar heel kort zijn, en helemaal niet spannend. Maar stel dat alle appels in de hele wereld weg zijn, behalve in een land ver weg van Eddy’s huis, dan kan het verhaal net héél spannend worden. Want dan moet Eddy een spannende, misschien wel gevaarlijke reis maken om opnieuw aan appelsap te geraken. Probeer het probleem van je hoofdpersonage heel eenvoudig te houden. Hij of zij heeft maar één probleem, en geen tien problemen. Je moet het probleem in één korte zin kunnen samenvatten. Bijvoorbeeld: Eddy wil graag appelsap, maar die is op. Eddy voelt zich eenzaam en wil graag een vriend hebben. Eddy wil leren zwemmen. Eddy vindt een gewonde vogel. Hoe kan hij die weer beter maken?
20
3 De gebeurtenissen Nu je weet welk probleem je hoofdpersonage heeft, kun je verder schrijven aan je verhaal. Het grootste deel van het verhaal bestaat immers uit het proberen op te lossen van het probleem. Je begrijpt dat het probleem niet van de eerste keer mag opgelost zijn. Dan zou je verhaal erg kort zijn! Laat je personage drie pogingen doen om zijn probleem op te lossen, en laat alle drie pogingen mislukken!
21
Neem bijvoorbeeld het probleem van Eddy: hij wil graag appelsap, maar moet daarvoor naar het andere einde van de wereld. De pogingen van Eddy kunnen zijn: - Hij bouwt een boot, maar de boot zinkt - Hij maakt vleugels om te vliegen, maar hij stort neer - Hij neemt de fiets, maar krijgt een lekke band Probeer over elke poging minstens een half blaadje vol te schrijven. Elke keer wordt je personage ook iets meer ontmoedigd3. 4 De ontknoping of de oplossing van je probleem Het laatste deel van je verhaal is de ontknoping, ofwel de oplossing van het probleem van je personage. Eindelijk wordt het probleem van je personage opgelost! Eddy kan bijvoorbeeld een grote tros ballonnen kopen en zo over de oceaan vliegen, naar het andere eind van de wereld, waar er appels zijn om sap van te maken.
22
Het is belangrijk dat je personage zijn probleem helemaal zelf oplost. Zo wordt hij of zij de held of heldin van het verhaal. Dat maakt je verhaal sterker. Als een vriend van Eddy bijvoorbeeld plots aan zijn deur zou staan met een fles appelsap, zou dit maar een slap einde zijn, vind je niet? Maar als Eddy erin slaagt om het zelf te gaan halen aan het andere eind van de wereld, is dat een veel leuker einde. Laat je personage een groot succes behalen! Het is ook leuk als de uiteindelijke oplossing onverwacht is, of grappig, of ontroerend. Schrijfopdracht Schrijf hoe het probleem van je personage uiteindelijk wordt opgelost. Dit is de ontknoping van je verhaal. Proficiat! Je verhaal is nu helemaal klaar!
23
Woorduitleg 1 iemand een uitbrander geven = iemand op zijn fouten wijzen op een strenge manier 2 hooiwagen = spin met een klein lijf en lange poten 3 ontmoedigd = moedeloos, het bijna niet meer zien zitten
24
Misschien droom je ervan ooit een verhaal te schrijven, maar weet je niet hoe eraan te beginnen. In ieder geval, met dit boek kun je aan de slag! Ik laat je stap voor stap zien hoe je zelf een verhaal kunt schrijven. Ja, ook jij!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Foto’s: Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.