ucatieve uitgaven
BIEB
Caspar Jolig Noëlla Elpers
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
8
Caspar Jolig
‘Wil je met mij gaan vliegeren?’ vraagt Felix aan zijn papa. Zijn papa zit onder een parasol in een dik boek te lezen. Voeten in witte sokken, sandalen die netjes naast elkaar geplaatst staan in het zand. ‘Te warm,’ zegt hij, ‘veel te warm.’ ‘Waarom mocht ik geen vriendje meenemen op vakantie?’ vraagt Felix. ‘Te druk, veel te druk.’
1
Felix zucht, zijn papa antwoordt liever op moeilijke vragen. Hij weet in welk land de hoogste berg staat. Hij kan je vertellen wanneer gewoon licht verandert in een regenboog van kleuren. De papa van Felix weet veel maar kan zelf niets verzinnen, hij heeft geen fantasie. Hij kan ook niet voetballen. Zijn benen steken dun en wit uit een korte broek met flodderpijpen. Eigenlijk heeft papa een hekel aan zand en zee, denkt Felix. Hij gaat gewoon mee om mama een plezier te doen. Felix kijkt naar zijn mama: geel haar, bruine huid en een felroze bikini. Ze leest in een tijdschrift over het leven van filmsterren. Soms leest ze boekjes met zoenende mannen en vrouwen op de voorkant, dan mag Felix haar zeker niet storen. ‘Ga je mee zwemmen?’ vraagt Felix. ‘Nu niet, schat,’ zegt mama terwijl ze aandachtig in haar tijdschrift bladert. ‘Ga je mee pootjebaden?’
2
‘Straks misschien, als mijn rug wat bijgebruind is.’ ‘Waarom mocht ik Joeri niet meenemen?’ ‘Dit gesprek hebben we al zo dikwijls gevoerd. We hebben het toch gezellig samen, zo met ons drieën?’ Joeri mag niet mee omdat zijn mama bang is dat Joeri haar weer een zanddouche geeft. Dat heeft hij vorig jaar per ongeluk gedaan toen ze ruzie kregen over een ingestort zandkasteel. De mama van Felix verandert niet graag in een zandkroket. Zand en zonnebrandcrème zijn geen goede combinatie. Mama laat haar tijdschrift zakken en gluurt over haar zonnebril. ‘We zijn hier al drie dagen en je hebt Caspar Jolig nog niet gezien. Waarom ga je niet kijken of hij vandaag op de pier zit?’ En dat doet Felix … Hij loopt de pier op die als een houten brug tot ver in zee gaat. Aan het eind zitten de vissers bijna in volle zee te vissen.
3
Felix herinnert zich nog haarscherp de dag dat hij Caspar Jolig voor het eerst zag, nu drie jaar geleden. Felix was zes en hij liep met zijn vader over de pier. Ze keken naar de pas gevangen vissen en krabben. De zee was wild, daar beneden sloegen de golven woest tegen de pijlers. Plots kreeg Felix een oude visser in de gaten. Naast hem stonden een meisje en een vrouw. Het leken wel vlinders met hun wapperende, blauwgroene jurken. Felix hield zijn adem in. Het meisje glimlachte, een lach die tot in haar sproeten glansde. Ze keek naar iets wat de oude visser in zijn handen hield. Die visser was Caspar Jolig.
4
Caspar Jolig zat op een visserskist en sprak met een grote vis. Hij had de vis stevig in zijn handen en hield hem met zijn gapende bek vlak voor zijn gezicht. Hij keek de vis diep in de ogen. De staart van het beest zwiepte, maar eigenlijk deed hij geen moeite om te ontsnappen. Het was alsof Felix naar de twee kleurige figuren en naar de oude man werd toegezogen. Hij trok zijn papa mee bij de hand. Felix wilde horen wat die man aan de vis vertelde. ‘Ben je er weer, kleine grijze,’ zei Caspar Jolig tegen de vis, ‘dacht je soms dat ik je niet zou herkennen? Ik heb je toch al dikwijls verteld dat ik jou niet in de pan wil bakken?’ ‘Waarom niet?’ vroeg Felix. ‘Hé!’ zei Caspar Jolig. ‘Waar kom jij zo opeens vandaan? Wil je me niet storen als ik met mijn vis praat? Trouwens, vanwaar komt al dat haar onder je pet? Van je vader zul je het niet hebben, zie ik.’
5
Verbaasd keek Felix naar het steile haar van zijn vader. Caspar keerde de vis plots met zijn grote bek naar het meisje. ‘Zeg nog eens dag tegen Alison.’ Hij liet de kaak van de vis bewegen. Daarna gooide hij de vis met een grote zwaai terug in het water.‘Zwem dan kleine grijze, zwem!’ riep de oude man hem na. ’Dat was geen kleine maar een grote,’ zei Felix. Caspar fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ben je daar nog? Wat weet jij nu over vissen, wijsneus? Voor mij zal die vis altijd de kleine grijze blijven,’ zei Caspar.
6
‘Is hij niet lekker?’ ‘Tuurlijk wel,’ zei Caspar, ‘heerlijk met echte boter, peterselie en citroen. Om duimen en vingers bij af te likken.’ ‘Waarom eet je hem dan niet op?’ ‘Niet doen!’ klonk het verschrikt uit Alisons mond. Haar groene ogen keken kwaad naar Felix. ‘De kleine grijze eet je niet op,’ zei Caspar Jolig plechtig. ‘Hij was de eerste vis die ik gevangen heb toen ik met pensioen ging als duikbootkapitein. Hij was nog te klein om op te eten. Ik had medelijden met hem en heb hem teruggegooid. Datzelfde jaar heb ik dezelfde vis nog drie keer gevangen en teruggesmeten. Sindsdien vang ik hem bijna elk jaar een keer. Of hij vindt mijn regenwormen lekker, of hij kent mijn dobber en wil mij gedag zeggen … Of misschien is hij wel een betoverde prins die verliefd is op mijn kleindochter. Wie zal het zeggen? Elke keer als ik die vis vang, is mijn kleindochter er toevallig bij.’ De papa van Felix wilde doorlopen, maar Felix was nieuwsgierig.
7
‘Bent u echt een duikbootkapitein?’ vroeg hij. ‘Nou en?’ zei Caspar Jolig. ‘Dat is niets bijzonders vergeleken met mijn vriendschap met de kleine grijze.’ ‘Heb je echt haaien, walvissen en inktvissen onder water gezien?’ vroeg Felix. ‘Alles,’ zei Caspar met grote overtuiging, ‘ik was zelfs bevriend met een inktvis. Als ik ging duiken in mijn duikerspak kwam hij op mijn hand zitten om zich te laten aaien. Hij wilde niet loslaten en zoog zich vast met zijn zuignappen.’ ‘Was het een grote?’
8
‘Een kleine zwarte. Ook toen hij groter werd en hij niet meer op één hand kon zitten.’ Caspar Jolig wreef over zijn stoppelige kin en keek Felix schuin aan. ‘Toevallig lijk jij wat op die inktvis. Je bent even koppig en nieuwsgierig. Ik durf wedden dat ze ook voor jou moeten opzij gaan als je kwaad bent … Toch kan een inktvis liefdevol zijn als je hem wat beter kent. Hoe heet jij?’ ‘Felix.’ ‘Dat is een goede naam voor een inktvis,’ zei de oude man. ‘Mijn naam is Caspar Jolig.’ Hij wees naar de vrouw naast hem. ‘En zij is de zeemeermin die ik voor mijn zoon heb opgevist. Haar naam is Grace. Ze spreekt zeetaal, Engels en een beetje Nederlands.’ Hij wees naar het meisje. ‘En dit is mijn kleindochter Alison,’ zei hij. ‘Vorig jaar sprak ze nog vloeiend Nederlands maar die taal begint ze langzaam te vergeten sinds ze twee jaar geleden naar Engeland verhuisde. Haar vader is mijn zoon.
9
Grace en Alison komen me elke zomer bezoeken als mijn zoon op zee is. Gerrit is maandenlang op zee, de bofkont.’ Grace lachte verontschuldigend naar Felix en zijn papa. ‘Wij moet gaan … eten maken,’ zei ze in gebroken Nederlands. Ze wees naar de glanzende vissen die in een net in het water hingen. ‘Vissen bakken.’ Caspar Jolig stond op. Felix zag dat hij erg kromme benen had. ‘Ik zal de vis hier meteen maar schoonmaken en de graten eruit halen,’ zei hij. Felix zette een stap achteruit. ‘Dat wil jij zeker niet zien, hé, kleine zwarte?’ zei hij tegen Felix. ‘Te gevoelig? Toch ben je goed gezelschap.’ Hij wees naar zijn roze oorschelp waar wit haar in groeide en zei tegen de papa van Felix: ‘Luisteren, dat kunnen er niet veel meer tegenwoordig. Die kleine zwarte kan dat nog.’
10
‘Ik wou dat hij naar mij ook zo goed luisterde,’ mompelde zijn vader, maar Felix was de enige die dat hoorde. ‘Kom nog eens langs als het mag,’ zei Caspar Jolig tegen Felix.
En dat deed Felix, zo vaak als hij kon, elk jaar weer. Soms hield Alison haar grootvader gezelschap. Felix merkte op dat Caspar Jolig en zijn kleindochter dezelfde ogen hadden: felgroene met spatjes zonlicht erin. Alison zei bijna nooit iets terwijl haar grootvader een echte kletsmajoor was. Soms mocht Felix de regenwormen aan de vishaak van Caspar Jolig hangen.
11
‘Doet dat geen pijn?’ vroeg hij ongerust. ‘Regenwormen zijn vreemde wezens,’ zei Caspar. ‘Ik hang er slechts een klein stukje van aan mijn vishaak en de rest van de worm laat ik in de grond zitten. De kans bestaat dan dat de regenworm blijft leven.’ Felix ging elk jaar terug naar dezelfde plek aan zee. Toen hij zeven was, begon Felix weer over Caspars verleden als duikbootkapitein. ‘Wat zeg je nu?’ zei Caspar Jolig verontwaardigd. ‘Ik ben nooit een duikbootkapitein geweest! Wie heeft je die onzin wijsgemaakt, kleine zwarte? Ik werkte als speksnijder op een walvisvaarder. Als er een walvis langszij de romp van het schip hing, klom ik op dat beest. Ik sneed de speklagen los en pelde de walvis als een rijpe sinaasappel. Ik was daar heel bedreven in.’
12
Het jaar daarna zei Caspar Jolig geschokt: ‘Wat een schande. Wie heeft gezegd dat ik walvissen gestroopt heb? Dat is een roddel! Walvissen zijn heel slim. Met hun sonar kunnen ze op kilometers afstand met elkaar communiceren. En ze kunnen nog zingen ook! Ik zou nooit een dier kunnen doden dat kan zingen. Ik weiger bijvoorbeeld lijsters te eten. Voor goede zangers heb ik namelijk veel respect want zingen kan ik niet. Ik zing zo vals als de sirene van een stoomboot. Wist je niet dat ik mijn hele leven een doodgewone visser geweest ben op een doodgewone vissersboot? Niet dat ik geen avonturen beleefd heb… Ik herinner mij in het bijzonder de nacht van de reuzeninktvis.’ Caspar Jolig staarde naar hat water en zweeg. ‘Die reuzeninktvis … Wat is er mee gebeurd?’ vroeg Felix voorzichtig. ‘Huh? Wat? Oh ja, de reuzeninktvis … Wel, die is op een nacht in onze netten verstrikt geraakt. Het monster ontsnapte en glipte het water in.
13
Hij greep de boot met zijn acht armen beet en schudde ermee alsof het een speelgoedje was. De mast brak af als een luciferhoutje! Ik ben op zijn kop gesprongen en keek dat monster diep in de ogen. Het bleek een watje te zijn, de inktvis huilde. Ik legde mijn oor tegen zijn glibberkop en luisterde naar zijn gedachtengolven. Ach, in feite was het zielig. Het beest had verdriet. Ik masseerde zijn voorhoofd en daar werd die reuzenoctopus kalm van. Hij loste de boot en is weer in de fonkelende zee gedoken. Ik zweer dat het waar is!’
14
‘Waarom heet jij Caspar Jolig?’ had Felix op een keer aan hem gevraagd. ‘Jolig is mijn achternaam. En ik heet Caspar om dezelfde reden waarom jij Felix heet. Je ouders hebben je zo genoemd, jongen. Misschien hield je moeder wel van de tekenfilm Felix the cat. Of misschien zag je vader die naam op een blikje kattenvoer en vond hij die wel aardig klinken. Past trouwens goed bij je, die naam. Je lijkt wel wat op een zwart-wit, eigenwijs katertje. Een naam heeft zo de neiging om aan je vast te kleven met de jaren. Je moet nooit mensen vertrouwen die hun naam plotsklaps veranderen. De naam Caspar past mij uitstekend. Ken jij Caspar, Melchior en Balthazar soms niet, kleine zwarte?’ ‘Nee,’ zei Felix. ‘Nee?! Verdorie toch, wat leren ze je tegenwoordig op school? Caspar was een van de drie koningen, ik ben naar hem genoemd. Caspar kwam uit Afrika. Weet je hoe het kwam dat de drie koningen op zoek gingen naar Jezus?’ ‘Het was iets met een ster …’
15
‘Zeer zeker was het iets met een ster! Toen Jezus nog niet geboren was, stond er op een hoge berg een uitkijkpost. Op die berg kwamen de beste astronomen en tovenaars van alle landen samen om naar de sterren te kijken. Ze speurden dag en nacht naar de lucht, op zoek naar ongewone verschijnselen aan de hemel. Op de geboortedag van Jezus verscheen er een ster boven die berg. De ster schitterde fel, het was net alsof ze beter wou zijn dan de zon. Toen klonk er een stem: ‘Vandaag is er een hemelse koning geboren op aarde. Ga heen en aanbid hem!’ De astronomen en tovenaars renden de berg af en gingen het nieuws vertellen aan de koningen van hun land. De drie koningen, Melchior, Balthazar en Caspar vertrokken elk vanuit hun eigen land en kwamen elkaar tegen op de Calvarieberg in Jeruzalem. Vanaf dat punt trokken ze samen verder. Ze volgden de ster tot die bleef stilstaan boven de grot waar het kind geboren werd …’
16
Caspar Jolig zweeg. ‘En wat heeft die koning Caspar met jou te maken?’ vroeg Felix. ‘Tijdens mijn hele leven heb ik ook de sterren bestudeerd, net zoals koning Caspar,’ zei Caspar Jolig dromerig. ‘Fantastisch, jongen. Ik raad je aan om ook een sterrenkijker te worden.’ ‘Dat ben ik al. Maar ík ben niet genoemd naar een kater op een blikje kattenvoer,’ zei Felix. ‘Ik ben genoemd naar mijn grootvader.’ ‘Heeft je grootvader ook gek haar?’ vroeg Caspar. ‘Dat weet ik niet, toen hij stierf was hij al jaren kaal.’ ‘Arme Felix, dan zul je nooit weten waar jouw weerbarstig hoofdje vandaan komt …’ zei Caspar Jolig en hij streek eens over het haar van Felix. Felix had vorige zomer nog twee keer gezien dat Caspar Jolig de kleine grijze ving en telkens was Alison erbij. Iedere keer moest ze lachen. Daar was Felix blij om.
17
Alison kreeg grappige kuiltjes in haar wangen als ze lachte. Elk jaar kende ze iets minder Nederlands, maar ze verstond het wel. Felix en Alison stonden elkaar altijd verlegen aan te kijken. Nooit had Felix durven vragen of ze met hem op het strand kwam spelen, en zeker niet met Joeri erbij. Die vond meisjes stom. Dit keer zit Caspar Jolig niet op zijn gewone plek. Felix loopt over de pier en kijkt naar de rug van elke visser. Eén van hen kijkt om. ‘Ben jij Felix?’ Felix knikt. Hij kent de man. Het is Jef, een vissersmaat van Caspar. ‘Waar is Caspar?’ vraagt Felix.
18
Jef schraapt zijn keel: ‘Wel, hoe zal ik het zeggen … Vorige week heeft Caspar Jolig de kleine grijze nog gevangen toen zijn kleindochter stond te kijken.’ ‘Hij heeft de vis toch niet opgegeten?’ zegt Felix. ‘Nee jongen, drie dagen geleden is hij gewoon doodgegaan.’ ‘De kleine grijze?’ Jef schudt zijn hoofd. ‘Caspar Jolig,’ zegt hij. ‘Hij is gestorven op de beste manier die je kunt bedenken: in zijn slaap. Maar het is erg voor Alison, Gerrit en en Grace. Zo onverwacht. Erg voor jou ook …’ Felix rent weg. Hij ziet niks door de tranen in zijn ogen. ‘We weten niet eens het adres van Caspar Jolig,’ zegt de papa van Felix. ‘Zouden die Grace en haar dochtertje nog in het land zijn?’ vraagt zijn mama. ’Wacht eens! Ik ken het adres van de boetiek waar Grace haar schelpkettingen verkoopt. Ze zullen wel arm zijn, net zoals die oude man.’
19
Grace en Alison zijn niet arm, denkt Felix boos. En Caspar Jolig was steenrijk: hij had een schatkist vol verhalen in zijn hoofd. Felix zwijgt want hij wil wel dat zijn mama het adres van Caspar Jolig gaat vragen. De mevrouw van de boetiek weet het adres niet, maar ze weet wel dat Grace, Alison en haar papa Gerrit nog in het land zijn. De dagen gaan voorbij. Caspar Jolig is dood en ik zal Alison en haar moeder nooit meer terugzien, denkt Felix. Op een avond wil de papa van Felix gaan wandelen in het donker. Wat Felix die avond ziet, heeft hij nooit eerder gezien. Elk golfje geeft groen licht in het donker. Als er een schip door het water snijdt, trekt het een schitterende streep. ‘Wat is dat?’ vraagt Felix. ‘Zeevonken,’ zegt zijn papa. ‘Miljoenen. Zeevonken zijn kleine diertjes die je met het blote oog niet kunt zien. Ze geven licht in het donker.’
20
De nuchtere uitleg van zijn papa kan niet beschrijven hoe mooi het maanlicht op het water speelt … Dan ziet Felix plots twee fladderende figuren samen met één kaarsrechte over het oplichtende zand naar hem toelopen. De kleinste figuur vliegt op hem af. ‘Felix!’ Het is Alison, ze staat plots voor hem. ‘Opa is dood,’ zegt ze zacht. ‘Ik weet het.’ Ze kijkt om naar de lange man die met de ouders van Felix staat te praten. ‘Dat is daddy,’ zegt ze. Terwijl de grote mensen praten, kijken Alison en Felix naar de lichtgevende golven.
21
‘Mooi,’ zegt Alison, ‘jij weet wat het is?’ ‘Er was eens een reuzenoctopus,’ zegt Felix. ‘Hij was erg gesteld op een reuzenkwal. Ze leefden in de donkere zee. De reuzenkwal danste onder water. Ze had ontelbare lichtgevende stipjes in haar wuivende slierten. De octopus vond dat prachtig. Op een dag viel er een lichtstraal naar beneden. Op die lichtstraal zat een gouden zeepaardje. De kwal pakte het diertje op met een van haar slierten. Ze vond het zó mooi, net een juweel. ‘Boven de zee zijn lichtpuntjes, meer dan in al jouw slierten samen,’ zei het zeepaardje. Dat wilde de reuzenkwal wel eens zien. Maar de octopus vond het geen goed idee. ‘Het is gevaarlijk daarboven,’ zei hij. ‘Je bent hier beneden geboren, daar zal wel een reden voor zijn.’ De reuzenkwal wilde niet luisteren en de octopus werd boos. Hij begon wild te dansen en zwarte inkt te spuwen. Toen de inktwolk opgetrokken was, viel er een lichtstraal in de diepte. Het zeepaardje klom op het licht naar boven als op een laddertje. De reuzenkwal volgde het …’
22
‘Wat gebeurde met de kwal?’ ‘Toen ze bovenkwam, is ze uit elkaar gespat. Al die lichtjes op het water zijn kleine stukjes van de reuzenkwal.’ ‘Droevig,’ zegt Alison, ‘zien de octopus en de kwal elkaar dan nooit meer?’ ‘Op nachten zoals deze klimt de reuzenoctopus met zijn zware lijf naar boven. Hij kijkt naar de lichtpuntjes op het water. Hij probeert ze te vangen met zijn zuignappen en huilt.’
23
‘Hoe weet jij dat?’ ‘Het zijn de gedachtengolven van de reuzenoctopus. Wist je dat jouw grootvader de gedachtengolven van walvissen en inktvissen kon lezen?’ Alison knikt. ‘Weet je wat je hij ooit tegen een reuzenoctopus zei? Het is niet zo erg om dood te gaan als je weet dat er ergens een stukje van jezelf blijft voortleven.’ Alison spreekt langzaam. Ze denkt na over ieder woord: ‘Opa zei: Felix is een inktvis. Alison is een zeekat. Een zeekat lijkt wat op een inktvis. Zeekat ziet eruit als een duikbootje, verandert van kleur. Mooie kleuren. Zeekat is nieuwsgierig.’ ‘Zeekat en inktvis kunnen vrienden zijn,’ zegt Felix. Felix en Alison staan dicht naast elkaar. ‘Opa leeft,’ zegt Alison. Even raakt ze met haar wijsvinger het voorhoofd van Felix en haar eigen voorhoofd aan. ‘Hier … en hier,’ zegt ze.
24
Felix verveelt zich op vakantie aan het strand. Totdat hij Caspar Jolig leert kennen. De visser vertelt hem allerlei bijzondere verhalen.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Hanne Holvoet Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.