ucatieve uitgaven
BIEB
In het Wielewalenbos Noëlla Elpers
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
7
In het Wielewalenbos
Oom Jasper springt als een gek over de veldweg en speelt op de blokfluit. De wind drijft de fluittonen in de richting van het Wielewalenbos. Dat mysterieuze bos is in de verte al te zien. Arthur heeft moeite om oom Jasper en zijn zusje Luna bij te benen. Op momenten als deze is hij jaloers op Luna. Ze is al tien en heeft langere benen dan hij. Arthur is pas acht en een echt opdondertje. ‘Wacht!’ roept hij boos. Oom Jasper blijft stilstaan en kijkt vrolijk om. Het zonlicht speelt door zijn rode krullen die vlammen als vuur. Zijn hemd, zijn broek en zijn ogen zijn zo groen als het gras in de weilanden rondom. Arthur en Luna zien hun oom niet zo vaak. Hij is de jongste broer van hun vader. Oom Jasper is al dertig en hij woont nog bij oma.
1
De grootouders van Arthur en Luna wonen ver weg, in een uithoek van het land. Oom Jasper is best aardig, maar ook eigenaardig, vindt Arthur. Hij houdt bijvoorbeeld van groen, het is duidelijk zijn lievelingskleur. Hij is dol op muziek en speelt tuba, klarinet en blokfluit. ‘Waarom rusten we niet even?’ vraagt oom Jasper. ‘Dan maken we intussen een krans van madeliefjes.’ ‘Ja, leuk,’ zegt Luna. ‘Stom,’ zegt Arthur. ‘Ik zou het toch maar doen,’ zegt oom Jasper ernstig. ‘Een krans van madeliefjes is ideaal om je te beschermen in het Wielewalenbos.’
2
‘Hoe kan een krans je nu beschermen?’ vraagt Arthur. ‘Beschermen tegen wat?’ zegt Luna. ‘Vandaag is het de eerste mei,’ zegt oom Jasper, ‘en op één mei zijn zelfs de bomen onbetrouwbaar, hoor maar:
Op de eerste dag van mei zijn de olmen triest en de eiken kwaad. De wilgen gaan lopen voor wandelaars laat.’ ‘Bomen kunnen toch niet lopen? Ik ben niet bang voor bomen,’ zegt Arthur. ‘Blijf maar dicht in mijn buurt. Het Wielewalenbos is heel oud en bijna zo groot als een woud, je kan er nog in verdwalen,’ zegt oom Jasper. Luna maakt twee kransen van madeliefjes. De ene hangt ze om de hals van Arthur, de andere zet ze als een kroontje op haar hoofd.
3
Arthur trekt zijn krans stuk en gooit hem op de grond. Oom Jasper raapt hem op en zet de krans op zijn eigen hoofd. ‘Zo,’ zegt hij, ‘nu ben ík tenminste veilig.’ ‘Veilig voor wat?’ vraagt Luna nog eens. Oom Jasper antwoordt niet, want Arthur schiet in de lach. ‘Je lijkt op een engel,’ zegt hij. ‘Die krans zal jou nog beter staan, want je hebt hetzelfde haar en dezelfde sproeten als ik,’ zegt oom Jasper. ‘Ben je zeker dat je hem niet terug wil hebben?’ ‘Heel zeker,’ zegt Arthur. De veldweg leidt naar de rand van het Wielewalenbos. Eiken en beuken rijzen torenhoog op, hun stammen zijn groenig, de blaadjes vers. ‘Prachtig voer voor meikevers,’ zegt oom Jasper. Tussen de boomstammen valt het zonlicht in vlekken en strepen. Het ziet er geheimzinnig uit. ‘Kijk, de lelietjes-van-dalen staan in bloei,’ roept Luna opgetogen.
4
Ze bukt zich en plukt. Ze snuift de heerlijke geur van de roomwitte klokjes op.
‘Het mag toch?’ vraagt ze aan oom Jasper. ‘Eigenlijk niet,’ zegt hij,’ als iedereen die hier komt die bloemen plukt …’ ‘Maar er zijn er zo veel,’ zegt Luna. ‘Vooruit, voor één keer mag het,’ zegt oom Jasper, ‘maar geen wortels uitrukken!’
‘Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe, wiele-wie-joe!’
5
‘Hoorde je dat?’ zegt oom Jasper. ‘Dat is een wielewaal. De wielewaal vlecht zijn nest in de loofbomen die als wachters aan de rand van het bos staan.’ Arthur en Luna gaan met z’n tweeën dieper het bos in. Luna merkt niet eens dat ze met haar lang, wit haar in een overhangende tak blijft haken. Haar madeliefjeskrans blijft aan de grijptak achter. Zelfs Arthur raakt betoverd door de zoete geur van de meiklokjes. ‘Waw, net of ik in een natuurfilm rondloop,’ zegt hij.
‘Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe, wiele-wie-joe!’ ‘Heb je dat gehoord? De wielewaal ...’ zegt Luna. Arthur antwoordt niet. Hij is gestruikeld over een stugge graspol die zich op zijn pad bevindt. Hij is op zijn knieën gevallen en zit in een kring van paddenstoelen, op een blauwe heuvel vol bloemen. Luna staat nu ook als gevangen in die paddenstoelenkring. Ze houdt haar adem in.
6
‘Boshyacinten,’ zegt ze verbaasd. ‘Waar zijn de meiklokjes gebleven? Waar zijn we?’
‘Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe, wiele-wie-joe!’ ‘Daar heb je die wielewaal weer,’ zegt Luna. ‘Dat is de wielewaal niet,’ zegt Arthur, ‘het is die graspol die fluit.’ Hij wijst naar de graspol die staat te beven en te schudden. Het lijkt wel alsof het struikje zichzelf uit de grond probeert te rukken. ‘Ben je gek?’ zegt Luna. Maar nu hoort ze het ook: de graspol fluit! Hij bootst een wielewaal na. De graspol richt zich op en staat nu op acht hoge wortelpoten. Vlak onder het gras dat meer op een haardos lijkt, verschijnen vier venijnige oogjes.
7
Tussen de poten hangt iets wat aan een maag doet denken. De maag beweegt. Er komt geluid uit … De graspol zingt :
‘Mijn naam is Tourmentine Toermentijn. Ik ben verdwaalkruid, geen rozemarijn. Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe, wiele-wie-joe! Mensen doen verdwalen is wat ik doe!’ ‘Wat was dat?’ vraagt Luna. De graspol kijkt haar boos aan en roept met een scherp stemmetje:
‘Ik ben Tourmentine Toermentijn. Ik tel tot één en twee en bij drie ... zijn jullie de tijd en de weg kwijt.’ Arthur kijkt rond. ‘We zijn verdwaald, Luna,’ zegt hij angstig. ‘Zie jij oom Jasper ergens?’ Luna kijkt om zich heen maar ze ziet alleen blauwe heuvels vol boshyacinten en bomen.
8
‘Oom Jasper, waar ben je?’ roept ze. De takken van de hoge bomen bewegen in de wind. Even denkt ze dat ze het gezicht van oom Jasper tussen de bladeren ziet. Of is dat fantasie? ‘Ik zie niemand,’ zegt ze teleurgesteld, ‘maar hij kan niet ver weg zijn. Kom.’ Luna pakt haar broer bij de hand. Arthur en Luna lopen verder. Het lijkt wel of ze uren dwalen. Het wordt frisser en het zonlicht wordt zwakker ... Is het soms al avond? Net als ze beginnen te geloven dat ze het voorval met de graspol gedroomd hebben, komen ze terug bij die gekke struik en dezelfde paddenstoelenkring uit. Tourmentine krijst en springt haast uit de grond van kwaadaardig plezier. Arthur ziet een dikke regenworm in haar maagmond verdwijnen. ‘Monster,’ roept hij, ‘lelijk onkruid!’ Tourmentine wiegelt heen en weer en zingt:
‘Al wat je zegt, dat ben je zelf. Maar ik, meneer, ik ben een elf.’
9
‘Een elf?’ roept Arthur, ‘zo ziet een elf er niet uit!’
‘Geloof wat je wil, maar zeg nu zelf: zag jij ooit al eens een elf?’ Arthur stormt op de graspol af, die Tourmentine houdt hem voor de gek! Hij is woedend. Tourmentine is ook razend. Haar haardos staat stijf overeind en Arthur trekt eraan.
‘tuutààà, tuutààà, tuutààà!’ Tourmentine bootst een ambulance na! De handen van Arthur gloeien als vuur. Hij jankt het uit van de pijn. ‘Au, au, dat haar steekt als een brandnetel!’
10
‘We moeten hier weg,’ zegt Luna geschrokken. Ze sleurt Arthur bij de graspol vandaan. Arthur en Luna dwalen rond en zoeken oom Jasper. Ze roepen hem, het geluid weergalmt tussen de boomstammen ... Niemand antwoordt. De benen van Luna worden zwaar. ‘We moeten rusten,’ zegt ze. Arthur kijkt om zich heen, hij is ook doodmoe. ‘We zijn allebei uitgeput,’ zegt Luna, ‘we kunnen hier beter wachten tot morgen. Als we deze avond niet thuiskomen, zullen onze ouders de politie wel inschakelen. Dan komen ze ons zoeken.’ Arthur en Luna leunen tegen een boomstam die met zijn takken naar de eerste sterren wijst. Arthur is onrustig, Luna zucht. ‘Heb jij ook het gevoel alsof we in de gaten gehouden worden?’ fluistert Arthur. ‘Stil maar, en probeer wat te slapen,’ zegt Luna sussend. Maar stiekem voelt ze het ook. Ze zit met wijdopen ogen in de duisternis te staren.
11
Tegen de morgen sukkelen Arthur en Luna in slaap. Luna droomt dat ze een klokje hoort tingelen. Als ze wakker wordt, tingelt het klokje nog. In het ochtendlicht ziet ze een schittering: het is een lichtje dat op en neer beweegt, en dan heen en weer. Ze geeft Arthur een por. Hij schrikt wakker. Het lichtje danst tussen de bomen. Arthur en Luna zitten ademloos te kijken. Het lichtje komt dichterbij, nog dichter ... Het is een wezentje, iets groter dan twintig centimeter. Het draagt een bloemklokrokje, een bloesje van boterbloemen en een manteltje van vlindervleugels. Het fladderding heeft grasgroen haar en ogen zo blauw als vergeetme-nietjes. Achter haar puntige oren heeft ze koekoeksbloemen gestoken. ‘Wie ben jij?’ fluistert Luna.
‘Mijn naam is Pariset en ik ben koket.’ Arthur kijkt verbaasd naar het figuurtje in haar fladderende vlindermanteltje.
12
‘Ben je een fee?’ vraagt hij.
‘Al wat je zegt dat ben je zelf. Maar ik, meneer, ik ben een elf.’
‘Dat zei Tourmentine ook,’ zegt Luna verbaasd. Bij het horen van die naam wordt Parisets gezichtje felgroen van woede. Ze strijkt neer op een blad en stampvoet.
‘Tourmentine Toermentijn, dat stuk venijn! Het kreng is al eeuwen jaloers op mij want ik ben mooi en niet lelijk als zij.’
13
‘Tourmentine lijkt op een graspol,’ zegt Arthur. ‘Ze heeft acht stekkepoten en vier akelige ogen.’ Pariset steekt een sierlijk voetje uit en wiebelt met haar teentjes waartussen een bloempje zit. Nu ziet ze bleekgroen en haar woede lijkt op slag verdwenen. Ze trekt speels aan het rechteroor van Arthur. Ze giechelt en zegt op vleiende toon:
‘Ze heeft geen fraaie beentjes en mooie wiebelteentjes. En, heeft ze een lieve jongen zoals jij, doen verdwalen op de eerste mei?’ ‘Ja, mij en mijn zusje Luna,’ zegt Arthur.
‘Wat is een zusje? Wat ik zie, zonneklaar, is enkel een meisje met prachtig wit haar.’ Bij die woorden vliegt Pariset naar Luna en met een fijn handje trekt ze gemeen aan Luna’s haren ... ‘Auw,’ zegt Luna.
14
Ze kijkt geërgerd naar Pariset die met een sierlijk gebaartje haar groene lokken over haar schouders gooit. Pariset knippert met haar ogen en zegt op een vals toontje:
‘Meisjes, meisjes, ze zijn net als de elfen ... Het is altijd hetzelfde, ze zijn altijd jaloers ...’ ‘Luna is niet jaloers. Waarom doe je zo gemeen tegen mijn zusje?’ vraagt Arthur. Pariset slaat om als een blad aan een boom. Ze is plots poeslief en zegt tegen Luna:
‘Wij elfen krimpen en om het krimpen tegen te gaan willen elfenmannen en -vrouwen het liefst met mensen trouwen. Luna, met je mooie maannaam, trek het je niet aan: elfenmeisjes zijn nooit aardig voor mooie mensenmeisjes ...’
15
Pariset strijkt neer op de schouder van Arthur en laat bedroefd haar vleugels hangen. ‘Doe je daarom zo raar tegen Luna?’ zegt Arthur. Pariset knikt. Er loopt een piepklein traantje over haar bleke wang. ‘Ik begrijp het wel, hoor,’ zegt Luna sussend. Pariset trilt met haar vleugels om het verdriet van zich af te schudden en zucht:
16
‘Die lelijke graspol is mijn vijand, ze doet niets liever dan streken uithalen. Liefst van al laat ze kinderen verdwalen. Het is goed dat jullie mij tegengekomen zijn: ik voer eeuwig oorlog tegen dat stuk venijn. In deze oorlog doen de elfen andere elfen krimpen. Mijn aartsvijand is Tourmentine Toermentijn.’ Van onder haar vlindermantel haalt Pariset een toverstokje. Het ziet eruit als de nerf van een beukenblad. Het puntje gloeit. Pariset steekt het stafje recht voor zich uit.
‘Tourmentine, lelijk ding! Voor altijd in een heksenkring: alem, aghemm, ghalwing.’ Door de toverspreuk van Pariset verschijnt Tourmentine in haar paddenstoelenkring. De graspol fluit schel en boven haar hangt een wolkje. Het is alsof ze stoomt van woede.
17
Pariset vliegt met een ondraaglijk hoge kreet op haar af. Ze begint razend haartjepluk te doen.
Scheldwoorden vliegen over en weer:
‘Stuk brandnetel!’ ‘Gekrompen wijf!’ ‘Jaloers onkruid!’ ‘Ik trek die bloemrok van je lijf!’
18
Tourmentine verdedigt zich tegen de aanval van Pariset door op en neer te springen op haar acht stekkepoten. Ze schudt heftig met haar grasbos, maar slaagt er niet in haar wortelpoten uit de grond te trekken. Tourmentine fluit en gilt. Het lijkt wel alsof er een oorlog uitgebroken is tussen de vogels. Ze roept een toverspreuk en doet Pariset nog een centimetertje krimpen. Pariset wordt gifgroen van kwaadheid. Ze valt weer aan in duikvlucht. Ze trekt een graspluk uit de haardos van Tourmentine en verschroeit wat sprieten met haar toverstok. Tourmentine, die toch al geen schoonheid is, ziet er in een oogwenk verschrikkelijk uit. Nu richt Pariset haar toverstaf op de graspol. Ze zegt een paar onverstaanbare woorden die heel akelig klinken. Op slag verandert Tourmentine in een groene, stekelige rups met een boosaardig gezichtje. Pariset blaast de punt van haar toverstaf uit.
19
Ze vliegt naar Arthur en veegt haar handjes af aan zijn trui. Haar ogen schitteren als blauwe sterren. Haar gezicht heeft de bleekgroene kleur teruggekregen. Ze gaat op de schouder van Arthur zitten en fluistert in zijn oor:
‘Zo, opgeruimd staat netjes ... Lieve jongen, maak me blij. Mooie jongen, dans met mij! Kom mee naar het elfenbal diep in het Wielewalenbos en dans met mij op het mos.’
20
Luna heeft het gefluister van Pariset toch verstaan. Ze schudt verwoed van neen. Het is een valstrik, denkt Arthur benauwd, die elf probeert me te betoveren … ‘Ik wil naar huis,’ piept hij. De stemming van Pariset draait weer om zoals een blad in de wind. Ze haalt luchtig haar schouders op en legt zich onmiddellijk neer bij de beslissing van Arthur. Ze zwaait met haar toverstafje en zegt:
‘Je bent wel groot, maar toch te klein. Komaan, trek je trui uit en doe ze weer aan: binnenstebuiten en achterstevoren … zo vind je de weg die je was verloren.’ Pariset is als een lichtje dat uitfloept, ze is als bij toverslag verdwenen. Arthur en Luna weten niets beters te verzinnen dan hun trui binnenstebuiten en achterstevoren aan te trekken. Zo gaan ze weer op wandel door het bos.
21
Slechts een paar tellen later vinden Arthur en Luna oom Jasper, slapend onder een boom in het groenige middaglicht.
Hij kijkt verbaasd op als het tweetal plots voor zijn neus staat. ‘Was je niet ongerust ?’ vraagt Arthur scherp. ‘Waarom dan?’ ‘Heb je ons niet gezocht? We zijn een dag en een nacht weg en jij zit hier rustig te dutten!’ zegt Luna verwijtend. Oom Jasper kijkt op zijn horloge.
22
‘Ik heb jullie hooguit vijf minuten uit het oog verloren,’ zegt hij lachend. Arthur kijkt zelf op het horloge van oom Jasper. ‘Het is echt nog maar vijf na drie,’ zegt hij verbaasd. Oom Jasper kijkt de kinderen onderzoekend aan. ‘Op de eerste mei verloopt de tijd soms anders,’ zegt hij. ‘Vooruit of achteruit, al naargelang de wind waait. Arthur, je ziet bleek. Heb je soms op het mos gedanst?’ ‘Hij heeft niet gedanst,’ zegt Luna vlug. ‘Dat mag je nooit doen, hoor! Aha, jullie hebben je trui binnenstebuiten en achterstevoren aangetrokken. Dat is verstandig, een verkeerd gedragen trui beschermt je even goed als een madeliefjeskrans. Kom, we gaan naar huis.’ Op de terugweg speelt oom Jasper een betoverend melodietje op de blokfluit. De ijle klanken maken de slaperige gele en witte vlinders wakker. Ze fladderen boven het bloemenveld en rond het hoofd van oom Jasper. Eén vlinder zet zich een ogenblik op de neus van Arthur.
23
Oom Jasper zingt nu. Zijn liedje trilt weemoedig tussen de pinksterbloemen en het fluitenkruid:
‘Ik ben een groene man die met de elfen dansen wil en kan. Luister naar mij, want ik kan het weten: wie in de wereld van de mensen woont danst beter niet met het kleine volkje. Mensenkind, zal je dat nooit vergeten? Geloof wat je wil, maar zeg nu zelf: zag jij ooit al eens een elf?’
24
De wind drijft de fluittonen van oom Jasper in de richting van het Wielewalenbos. Dat mysterieuze bos is in de verte al te zien. Daar verdwalen Luna en Arthur en komen ze allerlei vreemde figuren tegen …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Sanne Vanderkrieken Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.