Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 7 - Thema 6 - N2 - Proefplezier

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Proefplezier Stijn Moekaars

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

7


Proefplezier

Inleiding: zintuigen Misschien heb je al gehoord van ‘zintuigen’. Je lichaam heeft organen die ervoor zorgen dat jij prikkels waarneemt. Een prikkel is bijvoorbeeld het geluid van een hond die blaft, het licht van de ondergaande zon of de geur van versgebakken wafels. Al die prikkels komen terecht in je hersenen. Het is een soort sein dat door de zenuwbanen terechtkomt in die hersenen. Daar word je bewust van wat deze prikkels zijn, dus van wat je hebt waargenomen. Welke zintuigen heb je? De zintuigen zijn: voelen, ruiken, proeven, horen en zien. In dit boekje lees je (vooral) over het zintuig ‘proeven’.

1


Proeven Proeven doe je met je tong. In je tong zitten de smaakzintuigen. Steek je tong eens uit naar jezelf in de spiegel. Dan zie je op en aan de zijkant van je tong allerlei groefjes. Hierop zitten de smaakknopjes. Je kan hiermee vier verschillende smaken herkennen: zoet, zout, bitter en zuur. Ook je reukzintuig is van groot belang bij het proeven. Je hebt zeker wel gemerkt dat je niet zo goed proeft als je verkouden bent. Veel ‘proefplezier’ bij het lezen!

2


De zoute soep ‘Hoelang duurt dat hier nog?’ Hoofdkok Pol ijsbeert zenuwachtig heen en weer in zijn keuken. Zijn koksmuts met een gouden ster erop wiebelt gevaarlijk heen en weer. ‘Het moet nog even doorkoken,’ sust Riet de kokkin. ‘Nog heel even.’ ‘Die soep moest al lang klaar zijn,’ gromt kok Pol nog een keer. ‘De koning wil zijn soep door en door gaar,’ zegt Riet kortaf. ‘Dat weet je best. Hij wil absoluut geen halfgare wortelschijfjes. En streepjes prei in zijn soep ook niet.’ ‘Dan moest je maar wat vroeger beginnen,’ antwoordt Pol weer. ‘Ik moet hier ook alles doen,’ moppert Riet.

3


‘Dat begrijp ik niet,’ zegt Pol. Hij duwt zijn koksmuts wat rechter op zijn hoofd. ‘Ik heb vorige week toch twee koksjongens uit het dorp aangenomen. Ze zouden toch hier in het paleis komen werken?’ ‘Bedoel je Joppe en Jef?’ vraagt Riet verbaasd. ‘Die twee, ja,’ knikt de chef-kok. Hij kijkt rond in zijn keuken. ‘Waar zijn ze eigenlijk?’ ‘Dat vraag ik mij ook al de hele namiddag af,’ zucht Riet. ‘Ze zijn in de verste verte niet te bespeuren. Net als ik ze nodig heb.’ Pol kijkt verbaasd naar de kokkin. ‘Ik dacht dat het twee handige hulpjes zouden zijn.’ Riet schudt van nee. ‘Die Joppe doet niets anders dan grommelen. Bij elk karweitje dat ik hem opdraag. En Jef loopt met zijn hoofd in de wolken. Fijne hulp in de keuken, hoor.’

4


Net op dat moment stormen de twee kwajongens de keuken binnen. ‘Het is niet waar!’ roept Joppe. ‘Het is wel waar!’ roept Jef terug. ‘Jij hebt het zeker gedaan.’ ‘Die woorden neem je terug.’ Joppe dreigt met een mager vingertje naar Jef. ‘Ik neem niets terug,’ zegt Jef. ‘Jij bent het geweest en daarmee b...’ Plots graaien twee grote handen de twee jongens bij de kraag. ‘Zo, zo,’ bromt Pol de kok. ‘Hier zijn de twee geweldige hulpjes van onze keuken.’ Verbaasd bengelt Jef heen en weer. Joppe spartelt met zijn benen. ‘Ik heb het niet gedaan!’ roept hij nog een keer. ‘Dat klopt,’ zegt Pol. ‘Jij hebt het niet gedaan. En jij ook niet,’ gromt hij naar Jef.

5


Pol schudt de twee jongens stevig heen en weer. ‘Jullie hebben nog helemaal niets gedaan. Niets!’ buldert zijn stem door de keuken. ‘Als straf gaan jullie ketels schuren. Vooruit!’ Pol wijst naar de hoek van de keuken. Daar staat een hoge stapel zwartverbrande ketels. Joppe krijgt tranen in zijn ogen als hij de berg afwas ziet. Jef zucht diep en rolt zijn mouwen op. ‘Vooruit dan maar,’ mompelt hij. ‘Zie je nu wat er van komt,’ sist Joppe tussen zijn tanden. Hij begint als eerste een ketel te schuren. ‘Door jouw schuld moeten wij hier slavenarbeid doen.’ Jef haalt zijn schouders op. ‘Had jij de staldeur maar niet m...’

6


Joppe schept zijn hand vol water en gooit het naar Jef. ‘Ik ben het niet geweest!’ roept hij. ‘Schuren!’ brult Pol door de keuken. Verschrikt beginnen de twee jongens uit alle macht te schuren. ‘Hoe staat het met het soepje, mijn duifje?’ Pol kijkt poeslief naar Riet. ‘Nog een beetje bijkruiden en dan is de soep klaar,’ knikt ze verlegen. Riet strooit wat zout in de ketel. Ze draait een paar keer aan de pepermolen. Ze proeft even en knikt. ‘Perfect,’ lacht ze. ‘Zoals altijd,’ zegt Pol. ‘Je weet het. De koning wil zijn soep op tijd. En niet te heet en niet te flauw. Ik ga even kijken of de gasten al zijn aangekomen.’ ‘Dan ga ik alvast de soepkommen halen,’ stelt Riet voor.

7


Joppe gluurt over zijn schouder naar het grote fornuis. Zijn ogen beginnen te glinsteren. ‘Hoor je dat, Jef?’ fluistert hij. ‘De koning wil zijn soep niet te heet en niet te flauw.’ Jef knikt. ‘Ik heb een plannetje,’ gaat Joppe verder. Verbaasd kijkt Jef naar Joppe. ‘Een plannetje? Wat ga je doen?’ Joppe kijkt nog eens over zijn schouder. Er is niemand meer in de keuken. Vlug rent hij naar het fornuis. Hij graait een handvol zout uit de stenen pot. Die strooit hij in de soepketel. En nog één en nog één. ‘Wat doe je nu?’ zegt Jef verschrikt. ‘De koning wil zijn soep niet te heet en niet te flauw,’ grinnikt Joppe. ‘Ik doe er nog een vleugje zout bij.’

8


‘Een vleugje?’ zegt Jef bang. ‘Je bent niet goed snik. Die soep is niet meer te eten.’ Joppe haalt zijn schouders op. ‘Vlug, kom terug,’ sist Jef, ‘ik hoor wat.’ Riet komt met de soepkommen terug de keuken binnen. Net op tijd staat Joppe weer bij de ketels. Dan vliegt de deur open. ‘De gasten zijn er,’ roept Pol. ‘De soep mag geserveerd worden.’ Met een rood hoofd vult Riet de kommen. Ze zet ze op het karretje. Dan stuift ze ermee naar buiten. ‘Nu gaan we wat beleven,’ fluistert Joppe. Hij knipoogt naar Jef.

9


Wat later klinkt er applaus door het paleis. Verbaasd kijkt Joppe naar Jef. ‘Wat is dat nu? Applaus?’ De twee koksjongens begrijpen er niets van. Pol komt met rood aangelopen hoofd de keuken binnen. Vlak achter hem hijgt Riet met een lege soepkom in de hand. ‘Jullie twee,’ roept de chef-kok. Hij wijst dreigend naar Joppe en Jef. ‘Weten jullie hier iets van?’ ‘Waarvan?’ vragen de jongens tegelijkertijd. ‘Van het zout in de soep!’ buldert Pol. De twee koksjongens schudden allebei van nee. ‘W…w…wij w..w…weten van niks,’ stottert Jef. ‘De koning vindt de soep fantastisch lekker!’ gaat Pol verder. ‘Hij heeft de soep zelfs uitgeroepen als nieuw nationaal gerecht. Pekelsoep à la reine.’

10


De insectenverzameling Joppe zit op zijn hurken bij de grote vijver van het paleis. Hij graait met zijn handen door het water. ‘Wat doe je?’ vraagt Jef die voorbij wandelt. ‘Ik vang insecten in de vijver,’ zegt Joppe. ‘Zonder schepnet?’ merkt Jef op. ‘Dan zul je al véél hebben gevangen.’ ‘Nog niets,’ zucht Joppe. ‘En ik wil een grote verzameling insecten.’ ‘Ik weet iets,’ zegt Jef opeens. ‘Ik ben zo terug.’ Even later komt de koksjongen terug met een grote zeef. ‘Hier, een insectenvanger,’ zegt Jef. ‘Waar komt die vandaan?’ wil Joppe weten. ‘Uit de keuken natuurlijk,’ lacht Jef. Joppe kijkt bang in de richting van de keuken. ‘Als Pol het maar niet ziet.’

11


‘Vang jij nu maar insecten,’ wijst Jef. ‘Maak je maar geen zorgen.’ Joppe gaat met de zeef heen en weer in het water. ‘Eens kijken of ik al iets heb gevangen,’ mompelt hij. Voorzichtig haalt hij de zeef omhoog. ‘Nee, niets.’ ‘Je moet heel zachtjes aan doen,’ stelt Jef voor. Joppe probeert het nog een keer. Dan haalt hij de zeef uit het water. ‘Hoera!’ juicht hij. ‘Ik heb een heleboel insecten gevangen!’ Jef kijkt in de zeef. ‘Jouw insecten bewegen niet,’ zegt hij verwonderd. Joppe duwt met zijn vinger tegen de zwarte stukjes. ‘Je hebt gelijk,’ mompelt hij. ‘Wat is dat nu?’

12


13


‘Volgens mij heb jij velletjes gevangen,’ zegt Jef. ‘De velletjes van een libel. Ze zijn net uit hun eerste huid gekropen.’ Joppe blaast boos. ‘Ik kan ook wel uit mijn vel springen. Ik gooi ze terug in het water.’ ‘Nee, wacht!’ roept Jef. ‘We kunnen jasjes van de libellen toch bewaren. Ze zien er zo mooi uit.’ ‘Tja,’ zucht Joppe, ‘maar waar zou jij die bewaren?’ ‘Ik heb een idee,’ zegt Jef. ‘Kom mee.’ Samen rennen de twee koksjongens naar de keldertrap naast de keuken. ‘Voorzichtig,’ fluistert Jef. ‘Kijk even of er iemand in de kelder is.’ Joppe duwt de kelderdeur voorzichtig open. De scharnieren knarsen in de hengsels. Joppe steekt zijn hoofd achter de deur. Dan zwaait hij met zijn hand naar Jef. ‘Kom maar,’ knikt hij, ‘de kust is veilig.’

14


De twee jongens gaan langzaam de trap af. Onderaan staat een hoog rek met glazen potten waarin de voorraad zit. Jef wijst naar een hoge stapel. ‘Hier staan de augurken in het zuur,’ fluistert hij. ‘We nemen zo’n pot. Dan steken we de libellen erin.’ ‘Goed idee,’ knikt Joppe. ‘Met die zure azijn blijven ze wel jaren goed. Dan kunnen we ze nog heel lang bestuderen.’ ‘Zoals echte wetenschappers,’ grinnikt Jef. Joppe draait een grote pot open. ‘Eerst een beetje plaats maken voor de jasjes,’ grapt hij. Hij haalt een grote augurk uit de bokaal. Dan neemt hij een grote hap. ‘Joe oek een hoep?’ vraagt hij met zijn mond vol augurk. Jef haalt zijn neus op. ‘Ik hou niet zo van zuur.’

15


‘Doe jij ze er maar in,’ wijst Joppe naar de zeef. Jef schudt de zeef leeg in de grote augurkenpot. Dan draait hij de pot dicht. Voorzichtig zet hij het weer tussen de andere potten. ‘Dat ziet er goed uit,’ knikt Joppe. ‘Je ziet nauwelijks dat er iets anders in zit.’ Dan glippen de jongens de kelder weer uit. Ze hangen de zeef vlug terug aan de haak. Die avond staat er koude schotel op het menu. ‘Gezond eten is nodig,’ zegt de koningin. Ze prikt even in de dikke buik van de koning. ‘Ik hou van sappige tomaatjes. Ik hou van stevige augurken en knapperige sla.’ ‘Ik niet,’ mompelt de koning. ‘Maar er is niets aan te doen, zeker.’ Chef-kok Pol en kokkin Riet maken een grote schotel klaar voor de koning. Er ligt een berg sla in het midden.

16


Er liggen schijfjes tomaat en grote groene augurken rond. De koning trekt een zuur gezicht. ‘Neem maar een grote hap,’ stelt de koningin voor. ‘Je zal zien dat het best meevalt.’ ‘Vooruit dan maar,’ bromt de koning. Hij neemt een grote augurk van de schotel. Hij doet zijn ogen stijf dicht. Dan neemt hij een grote hap. Het kraakt en krokt in zijn mond. Langzaam begint de koning te glimlachen. ‘Niet slecht,’ mompelt hij, ‘niet slecht. Een lekkere, zure knapperige augurk. Een applaus voor chef-kok Pol en kokkin Riet,’ roept hij en hij klapt vrolijk in zijn handen.

17


Een bitter smaakje ‘Mijn lieve koningin,’ zegt de koning. ‘Ik heb een idee.’ De koningin zit bij het haardvuur. Ze borduurt een gouden kroon op een wit doekje. ‘Hmm,’ humt ze. ‘Lieverd,’ probeert de koning weer. ‘Ik heb een idee.’ ‘Hmm,’ humt de koningin nog eens. ‘Iedereen in het paleis moet voor mijn verjaardag een gedicht maken.’ ‘Dat doen ze toch al elk jaar,’ zegt de koningin. ‘Ja, ja,’ bromt de koning. ‘Maar dit jaar wil ik gedichten die over eten gaan.’ ‘Over eten?’ vraagt de koningin verbaasd. ‘Wat heb je daar nu aan?’ De koning trommelt met zijn worstenvingertjes op zijn dikke buik.

18


19


‘Ik hou van lekker eten. Een smakelijk gedicht voor het eten is toch heerlijk, niet?’ ‘Als jij het zegt,’ mompelt de koningin. ‘Natuurlijk zeg ik dat,’ zegt de koning knorrig. ‘Ik wil van iedereen in het paleis een gedicht. Een lekker gedicht voor mijn verjaardag.’ Kokkin Riet zit aan de lange tafel in de keuken. Voor haar ligt een groot wit blad. ‘Een gedicht voor de koning,’ zucht ze. ‘Een lekker smakelijk gedicht. Hoe verzint ie het? Ik maak veel liever een heerlijke zoete taart. Daar doe ik dan slagroom op en een dikke rode kers. Maar een gedicht? Pfff.’

20


Pol komt naast haar staan. ‘Ik help je wel,’ sust hij. ‘Mijn gedicht is toch al klaar.’ ‘Daar geloof ik niks van,’ fluistert Joppe tegen Jef. Hij roert in een grote ketel. Pol draait zich met een ruk naar de twee koksjongens. ‘Wie zei dat daar?’ gromt hij. Joppe wijst naar Jef. Jef wijst naar Joppe. ‘Ik zal het jullie laten horen,’ stoeft de chef-kok. Hij zet zijn koksmuts recht. ‘Ahum, ahum,’ kucht hij. ‘Mijn gedicht heet Een koninklijk gerecht’. Pol buigt even en begint.

21


Een koninklijk gerecht Bij de koning hoort een koninklijk gerecht Zeg dat chef-kok Pol het heeft gezegd Een bord met kaviaar, kikkerbillen, rozig gaar Zoute soep à la reine Tongetjes van kwartel, klein maar fijn knisper knasper zure augurk zoete koffie van Wenen of den Turk Driewerf hoezee voor de koning dit jaar Dit koninklijke gedicht is nu hapklaar. De chef-kok buigt weer voorover. ‘Dat is heel mooi,’ lacht Riet. ‘Dank je wel,’ knikt Pol, ‘dank je wel.’ ‘Hapklaar, hapklaar,’ sist Joppe tussen zijn tanden. ‘Halfgaar zal ie bedoelen.’ Jef grinnikt achter zijn vuistje.

22


Pol kijkt boos naar de twee koksjongens. ‘Zie maar dat jullie gedicht op tijd klaar is.’ ‘Natuurlijk,’ knikt Jef. ‘We beginnen er meteen aan,’ springt Joppe zijn vriend bij. ‘Na de afwas,’ zegt Pol nors. Jef kijkt sip naar de grote berg. ‘Dat krijgen we nooit op tijd gedaan.’ ‘Dat die chef-kok maar wacht,’ gromt Joppe.

23


Die avond zit de koning aan de lange tafel. Hij klapt vrolijk in zijn handen bij elk gedicht dat hij te horen krijgt. Dan zijn de twee koksjongens aan de beurt. Ze maken een diepe buiging voor de koning. ‘Ahum, ahum,’ kuchen ze. ‘Ons gedicht heet Een koninklijk gerecht’. Verbaasd kijkt chef-kok Pol in de richting van de twee jongens. ‘Een koninklijk gerecht?’ gromt de kok. ‘Dat is toch mijn gedicht?’ ‘Laat maar eens horen,’ roept de koning. Hij zwaait naar de jongens dat ze mogen beginnen. De twee jongens buigen diep voor de koning.

24


Een koninklijk gerecht Er was eens een koninklijke kok, die kookte in zijn koninklijke saus een paar lepeltjes oorsmeer en een afgedragen vuile sok. Hij proefde dit koninklijke gerecht en dacht: Bweuk, het smaakt wat bitter. Maar mijn sok, driewerf hoera, is nu nog witter dan witter! De twee jongens buigen weer diep voor de koning.

25


De koning wipt van zijn troon. Hij duwt zijn kroon recht op zijn hoofd. Hij kijkt met kleine priemoogjes naar de twee jongens. Dan kijkt hij naar chef-kok Pol en weer naar de jongens. Het wordt heel stil in de eetzaal. Dan begint de koning te lachen. Hij proest het uit. ‘Heerlijk, verrukkelijk. Wat een smakelijk, origineel gedicht.’ ‘Bravo,’ roepen de gasten. Ze klappen vrolijk in hun handen. ‘Bravo voor Joppe en Jef!’

26


Zoet Die avond zit kokkin Riet op het lage bankje bij de vijver. Het werk in de keuken zit erop. Langzaam zakt de zon aan de horizon. ‘Wat is het hier toch heerlijk,’ zucht ze. De wind waait zachtjes tussen het riet. Een kikker kwaakt. ‘Dag Riet,’ klinkt het opeens. Verschrikt hupt de kokkin omhoog. ‘Oh, sorry,’ zegt Pol vlug. ‘Ik wilde je niet laten schrikken.’ ‘Oh, jij bent het,’ zegt Riet. ‘Ik zag je in de verte zitten,’ gaat Pol verder. Riet knikt. ‘Ik geniet zo van de vijver. Hier is het zo rustig na een drukke werkdag.’ ‘Het was inderdaad erg druk vandaag,’ zegt Pol. Hij gaat naast de vijver staan. Hij tuurt naar de zon die langzaam rood kleurt.

27


‘Je wordt er wel eh … een beetje moe van.’ ‘Kom hier maar zitten,’ zegt Riet. Ze wijst naar het bankje. ‘Ik heb nog wat lekkers meegebracht. Als je wilt, natuurlijk.’ Dan zet de kokkin een mandje op haar schoot. Ze haalt er een groot stuk taart uit. ‘Heerlijk!’ lacht de kok en hij gaat op de bank zitten.

28


‘Wacht even,’ zegt Riet. ‘Je mag de taart niet zomaar opeten.’ Verbaasd kijkt Pol naar het stuk taart. ‘Wat bedoel je?’ ‘Je moet eerst je ogen sluiten.’ ‘Dat begrijp ik niet,’ zegt Pol. ‘Doe nou maar wat ik zeg,’ knikt de kokkin. De chef-kok doet zijn ogen dicht. Riet houdt het stuk taart onder de neus van Pol. ‘Zeg me wat je ruikt,’ gaat ze verder. ‘Ik ruik …,’ begint de kok, ‘... ik ruik aardbeien ... en pudding.’ ‘Welke pudding?’ ‘Gele pudding,’ knikt de kok. ‘Er zit vanille in. En ik ruik slagroom. Zoete geklopte room.’

29


‘Wat ruik je nog?’ wil Riet weten. Chef-kok Pol houdt zijn ogen stijf dicht. Hij ruikt nog een keer diep. Hij knikt. ‘Cake,’ fluistert hij. ‘Ik ruik goudgele cake. Er zitten stukjes chocolade in.’ ‘Welke chocolade?’ wil Riet weten. ‘Hm … zwarte schilfertjes chocolade. En een beetje amandelen. Maar die heb jij geroosterd.’ ‘Heel goed,’ zegt Riet. ‘Zo heb ik nog nooit taart gegeten,’ zegt Pol. ‘Nu mag je een klein hapje nemen,’ stelt de kokkin voor. Voorzichtig bijt Pol in de taart.

30


31


‘Zalig,’ mompelt hij. ‘Die chocolade. Ze smelt helemaal op mijn tong. Die zoete pudding. Het is net alsof het feest is in mijn mond.’ ‘Dat is het,’ lacht Riet. ‘Een zoet feest in je mond.’ Dan geeft ze Pol een klinkende zoen. De chef-kok wordt er helemaal warm van. De vuurrode zon zakt weg aan de horizon. ‘Kijk,’ zegt Pol. Hij wijst naar boven. Rond de maan schitteren zachtjes enkele sterren.

32


Misschien heb je al gehoord van ‘zintuigen’. De zintuigen zijn: voelen, ruiken, proeven, horen en zien. In dit boekje lees je (vooral) over het zintuig ‘proeven’. Laat het smaken!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Luc Sauviller Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 7 - Thema 6 - N2 - Proefplezier by die Keure - Issuu