ucatieve uitgaven
BIEB
Rosse kat Moniek Vermeulen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
6
Rosse kat
‘En, Jakob, heb je kunnen slapen vannacht?’ Jakob steekt zijn duim op naar Rahem. ‘Ja, hoor! Het was zalig in mijn nieuwe kamer.’ ‘Top!’ zegt Rahem, en hij geeft Jakob een duwtje in zijn zij. Jakob lacht. Hij kent Rahem iets langer dan een maand. Sinds 1 september. Toen startte Jakob op zijn nieuwe school. En meteen klikte het tussen Rahem en hem. Het lijkt wel of ze al eeuwen de beste vrienden zijn.
1
Tijdens de grote vakantie hadden Jakobs ouders beslist om te verhuizen. Ze wilden weg uit de drukke stad. Ze kochten een huis in Struivelde, een klein dorp, nog heel landelijk. Maar het huis kwam pas in oktober vrij. Jakob startte het nieuwe schooljaar wel in de school in Struivelde. Dat vonden zijn ouders de beste oplossing. Zo moest Jakob niet eerst nog een maand naar zijn oude school. En gisteren zijn ze dus verhuisd.
2
‘Mag ik dan vanavond naar Kado komen kijken?’ smeekt Rahem. ‘Tuurlijk! Mams heeft gezegd dat het mag. Kado moet wel nog minstens twee weken binnenblijven. Zo kan ze wennen aan haar nieuwe omgeving.’ Rahem knikt heftig. ‘Dat hebben we met onze kat ook zo gedaan, toen wij verhuisden. Maar ik ben echt poepnieuwsgierig, man! Op de foto’s op je tablet te zien, is Kado een pracht van een rosse kat.’
3
Na schooltijd fietst Rahem met Jakob mee naar huis. Bij huisnummer 13 van Jakobs straat rijden ze wat sneller. Vanuit hun ooghoeken staren ze allebei naar het grote huis, waarvan op één na alle rolluiken gezakt zijn. ‘Hij zit er weer,’ fluistert Jakob. Rahem knikt. ‘Ik zei het je toch al: hij zit daar elke dag, op dezelfde plaats voor dat ene raam. En de rolluiken van de andere ramen blijven dag en nacht omlaag.’ ‘Wat een engerd!’ ‘Zelfs mijn mama vindt hem een griezel,’ bevestigt Rahem. ‘Ze zegt dat veel mensen zeggen dat hij een beetje gek is.’ Jakob voelt een rilling over zijn rug lopen. Heel even steekt hij zijn tong uit naar de man voor het raam. ‘Wat doe je nu?’ zegt Rahem verschrikt. ‘Ach,’ lacht Jakob zijn schrik weg, ‘die man kan dat toch niet zien!’
4
‘Dag mams!’ Jakob gooit zijn boekentas in een hoek van de hal en loopt meteen door naar de woonkamer. Hij geeft mams een zoen. ‘Rahem is meegekomen. Hij wil Kado nu eindelijk eens in het echt bewonderen!’ Rahem grinnikt. ‘Dan ben ik zeker dat ze echt bestaat,’ grapt hij. ‘Dag Jakob, dag Rahem,’ zegt mams. Ze kijkt heel ernstig. Jakob wil meteen doorlopen naar de keuken. ‘Kado ... Kado ..!’ ‘Wacht even, Jakob,’ zegt mams. Haar stem trilt een beetje. ‘Er is een probleem.’
5
Jakob kijkt zijn mams verbaasd aan. ‘Kado is weg,’ stamelt ze. ‘Wááááát?! Waar is ze dan?’ ‘Ze glipte buiten toen buurvrouw Ingrid dag kwam zeggen. Die liet de deur even op een kier en ...’ ‘Stomme buurvrouw!’ tiert Jakob, ‘kon die niet opletten! Wat een oen!’ Mams zucht. ‘Het is eigenlijk mijn fout, Jakob. Ik had Ingrid moeten verwittigen. Zij wist immers niet dat Kado hier in huis zat.’ ‘Dan ben jij ook een oen!’ buldert Jakob, ‘de allergrootste oen die er bestaat! Jij wist toch wel dat Kado niet naar buiten mocht. Wie weet waar ze nu is! Ik wil haar niet kwijt! Ik zie haar zo graag!’ Woedend stormt hij naar buiten. Rahem gaat hem beteuterd achterna.
6
Jakob ligt in bed, maar hij kan niet slapen. Hij draait en keert en hij heeft het heel warm. Hoe mams, Rahem, hijzelf en later op de avond paps ook zochten en riepen, Kado liet zich niet zien. Jakob was totaal overstuur1. Mams had hem een glas warme melk gegeven, om rustig te worden. Ze was niet boos op hem. Dat vindt Jakob vreemd. Hij heeft mams wel erg uitgescholden. Dat mag eigenlijk niet. Maar nu ziet mams dat duidelijk door de vingers.
7
Jakob veronderstelt dat ze het voorval zelfs niet aan paps verteld heeft. ‘Kado komt wel terug,’ had ze hem proberen gerust te stellen. Maar Jakob is er helemaal niet gerust op, Kado kent immers de buurt hier nog niet.
8
‘En?’ vraagt Rahem wanneer Jakob de volgende morgen de speelplaats opstapt. Jakob schudt zijn hoofd. ‘We hebben deze morgen nog geroepen en gezocht,’ zucht hij, ‘maar Kado was nergens te zien. En we hebben heel lekker eten voor de deur gezet. Maar ook daar komt ze niet op af. En het is anders zo’n lekkerbek ...’ ‘Misschien is ze terug naar je oude huis,’ oppert2 Rahem. En meteen komt er een lach om zijn mond. Hij balt zijn rechtervuist en klopt ermee in zijn linkerhand. ‘Ja, dat zal het zijn!’ probeert hij Jakob gerust te stellen. Katten doen dat. Ze stappen soms uren aan een stuk, om hun oude buurt weer op te zoeken.’ Maar Jakob blijft zijn hoofd schudden.
9
‘Mams heeft al gebeld naar de mensen die in ons vorig huis gaan wonen. Ze zijn gisteravond nog gaan kijken. Maar Kado was er niet. Toen heeft paps onze vorige buren gebeld. Maar ook die hebben tevergeefs gezocht.’ Jakob doet zijn best om niet te wenen. Rahem pakt zijn vriend stevig vast. ‘Straks in de klas mag je er van meester Toon vast over vertellen,’ sust hij. ‘Dat lucht op.’ Jakob glimlacht flauwtjes. ‘Ja,’ mompelt hij, ‘maar dat brengt Kado toch niet terug.’
10
11
‘Is de affiche zo goed, denk je?’ Rahem steekt zijn duim in de lucht. ‘Fooooooooormidastisch goed gedaan!’ roept hij, en hij trekt daarbij een gekke snoet. Zo imiteert3 hij meester Toon die zo doet wanneer iemand een moeilijke vraag juist beantwoordt. Maar Jakob lijkt het niet te merken. Hij kijkt sip voor zich uit. ‘Denk jij dat we Kado nog terugvinden, Rahem?’ Eerst reageert Rahem niet, maar dan herpakt hij zich. ‘Tuurlijk wel!’ roept hij uit. ‘Met deze affiche gaat het zeker lukken. Komaan, we vragen aan je mams om een hele stapel te printen. Dan gaan we op weg om de affiches in de brievenbussen te steken.’ Wanneer hij Jakobs beteuterde gezicht ziet, roept hij: ‘Zeg! Je geeft toch nog niet op? Vooruit met de geit, eh, met de kat ...’
12
‘Doe jij de linkerkant van de straat, Jakob? Dan doe ik de rechterkant.’ ‘Oké,’ zegt Jakob. Hij is blij dat Rahem hem helpt bij zijn zoektocht naar Kado. ‘En zorg dat je geen enkele brievenbus overslaat, Jakob. Iedereen moet het weten.’ ‘Komt in orde,’ zegt Jakob. En hij gaat al op weg naar de eerste brievenbus. Maar dan twijfelt hij. ‘Eh, wat doe ik met huisnummer 13?’ ‘Nee!’ gilt Rahem ogenblikkelijk. ‘Geen affiche in de brievenbus van die zombie!’
13
‘Maar misschien heeft die man Kado gezien,’ stamelt Jakob geschrokken. ‘Laat ons hopen van niet,’ fluistert Rahem. ‘Luna zegt dat ...’ Meteen brengt Rahem zijn hand voor zijn mond. Hij zegt geen woord meer. ‘Wat zegt Luna, Rahem?’ vraagt Jakob verwonderd. ‘Euh... euh...’ mompelt Rahem. ‘Niets. Laat maar. Maar ik zou toch geen briefje in de bus stoppen, daar.’ Jakob kijkt Rahem argwanend4 aan. ‘Wat zegt Luna, Rahem?’ vraagt hij nog eens. Zijn stem klinkt nu heel dreigend. ‘Vertel, Rahem!’ Rahem prutst wat aan zijn neus. Dat doet hij steeds als hij zenuwachtig is. ‘Wie a zegt, moet ook b zeggen!’ gaat Jakob nog verder. ‘Vooruit, Rahem: Wat. Zegt. Luna?’
14
‘Dat...dat...’ Rahem krijgt de woorden bijna niet uit zijn keel. ‘Dat die man honden eet, en ratten en ...’ Het lijkt wel of het bloed uit Jakobs gezicht wegtrekt. ‘Katten?’ maakt hij Rahems zin af. Rahem knikt. ‘Maar ik denk dat Luna wel wat overdrijft,’ zegt hij nog snel om zijn vriend te kalmeren. ‘Je kent haar toch!’
15
‘En?’ vraagt mams lief. Heb je de affiches in het dorp verdeeld?’ Jakob knikt. Zijn gezicht ziet nog altijd heel bleek. ‘Kom hier,’ zegt ma bezorgd. Ze geeft haar zoon een dikke knuffel. ‘Er is nog hoop, Jakob,’ sust ze. ‘Je moet erin geloven. Een kat is een sterk dier. Misschien vindt Kado de weg naar hier niet terug. Of zit ze ergens vast in een schuur. Of ...’ ‘... is ze opgegeten,’ vult Jakob aan. Mams lacht. ‘Gekkerd!’ zegt ze, ‘een kat opeten, dat doet toch niemand.’ Jakob staart stil voor zich uit. Ik weet wel beter, denkt hij. Mams aait Jakob zacht door zijn haar. ‘Zal ik je lievelingseten klaarmaken?’ ‘Hoeft niet,’ doet Jakob stug5. ‘Ik doe het toch,’ lacht mams, ‘ik maak gehaktballetjes in tomatensaus. Loop jij dan even naar de winkel om een kilootje tomaten?’
16
Het is druk in de winkel. Jakob loopt gang in en gang uit. Hij is er niet goed bij met zijn gedachten. Hij heeft ook helemaal geen zin in balletjes in tomatensaus. Hij heeft nergens zin in. Het liefst kroop hij gewoon in zijn bed. Helemaal alleen, om wat te wenen. Maar mams wilde per se dat hij tomaten gaat kopen. Waar liggen die rotgroenten toch, denkt hij verveeld. Even speelt de gedachte door zijn hoofd om meteen de winkel te verlaten. En dan mams te zeggen dat de tomaten uitverkocht waren. Maar dat doet hij toch maar niet. Mams bedoelt het goed. En ook zij mist Kado heel erg. Net als paps. Dat weet hij wel zeker, ook al laten ze het niet merken. Een stem doet Jakob plots opschrikken. ‘Hé, jongeman, wil je me even helpen, alstublieft. Ik heb een probleem ...’
17
Met een ruk draait Jakob zich om. Hij kijkt recht in het gezicht van een man. Dat gezicht komt hem bekend voor, maar hij kan het niet meteen thuisbrengen. Jakob pijnigt zijn hersens. Van waar kent hij die man? Dan wordt Jakobs gezicht helemaal bleek. De man die vlak voor hem staat, is de engerd uit huisnummer 13!
18
Het liefst van al wil Jakob weglopen. Weg van die griezel. Weg van die dierenhater. Weg van die diereneter. Maar hij doet het niet. Hij lijkt wel aan de vloer vastgeplakt. ‘Kan je me helpen?’ vraagt de man nog eens. Zijn stem klinkt helemaal niet eng, merkt Jakob op. Wantrouwig bestudeert Jakob de man. Hij ziet er geen griezel uit, denkt Jakob. De man die voor hem staat, lijkt een gewone man, zoals paps, of meester Toon, of opa. Ik heb het verkeerd voor, flitst het door Jakobs hoofd. Dit is vast niet de man uit huisnummer 13. Maar meteen veegt de man alle twijfel weg: ‘Ben jij niet die jongen uit mijn straat? Die met zijn lange tong?’
19
Jakobs hoofd wordt meteen bloedrood. Even volgt er een ijzige6 stilte, maar dan lacht de man. ‘Geeft niets hoor,’ sust hij. ‘Ik heb ook een lange tong. Kijk maar.’ Als een echte kwajongen steekt hij zijn tong uit naar Jakob. ‘Wie heeft de langste, denk je?’ joelt de man.
20
‘En wil je me nu helpen?’ De man zucht diep. ‘Ik ben helemaal niet gewend om boodschappen te doen. Normaal kom ik daarvoor mijn huis niet uit. Wat niet betekent dat ik nooit aankopen doe,’ lacht hij wanneer hij de vragende blik van Jakob opmerkt. ‘Ik bestel via het internet, en men bezorgt alles netjes bij mij thuis. Maar vandaag is er een noodgeval. Vandaag wil ik immers mijn rosse kat eten ...’ ‘Wááát?’ Jakob geeft de man geen kans om verder te praten. Ik heb me toch vergist, flitst het door zijn hoofd. Die man gaat een kat eten! Een rosse kat! Kado???
21
Jakobs ogen schieten vuur. ‘Jij griezel!’ tiert hij luid. ‘Ga jij mijn kat opeten?’ ‘How, how, how!’ zegt de man en hij kijkt heel boos. ‘Ben jij niet goed snik, snotneus? Ik, een kat opeten? Zo’n beschuldiging pik ik niet.’ ‘Maar je zei …’ ‘Zwijg!’ gebiedt7 de man. ‘Ik eet geen kat! Ik eet ook geen hond, en geen konijn en geen rat! Ik eet helemaal geen vlees! Ik koop dus ook nooit vlees. Maar vandaag wel. Want sinds gisteren heb ik een huisgenoot. Tijdelijk, hoop ik. Ze kwam zo maar bij mij binnen. Het is een schatje! En zolang ik niet weet waar ze echt thuishoort, wil ik goed voor haar zorgen. Dus wil je me NU helpen en me tonen waar ik het allerlekkerste kattenvoer vind, hier in de winkel. Dan kan ik eindelijk de rosse kat eten geven!’
22
‘Het katteneten staat daar!’ zegt Jakob. ‘Maar ik heb een beter idee.’ Hij wijst naar een affiche die aan een rek vlak bij de kassa van de winkel hangt. De man neemt zijn bril en doet een paar stappen in de richting van de affiche. Terwijl hij leest, klaart zijn gezicht op. ‘Dat is ze!’ roept hij uit. ‘Die kat zit bij mij! Ik bel ogenblikkelijk naar die mevrouw om te zeggen dat haar zoon zijn kat bij mij mag komen halen.’ Jakobs gezicht klaart helemaal op. ‘Je hoeft niet te bellen,’ lacht hij, ‘die mevrouw haar zoon weet het al ...’
23
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7
24
overstuur = erg geschrokken; in de war opperen = voorstellen imiteren = iets of iemand nadoen argwanend = met een gevoel dat je het niet vertrouwt stug = onvriendelijk en kortaf ijzig = onaangenaam, zonder gevoel gebieden = een bevel geven; zeggen dat iets moet
Jakob wil graag zijn kat aan zijn beste vriend tonen. Jammer genoeg is het dier ontsnapt. Waar zou de rosse kat naartoe zijn? En wat heeft ‘de griezel’ van huisnummer 13 ermee te maken? Jakob en Rahem zoeken het uit.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Magali Eeckelaert Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.