ucatieve uitgaven
BIEB
De hemel voor Siebe Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
6
De hemel voor Siebe
‘Triiiing!’ De schoolbel rinkelt voor de laatste keer. Tristan kijkt naar de laatste kinderen die de schoolpoort uit rennen. Waar blijft Siebe toch? denkt hij. Hij weet toch dat ik gehaast ben! Als ik te laat in de muziekschool kom, zwaait er wat! Tristan kijkt naar het schoolplein dat bijna leeg is. Eindelijk! Daar is Siebe! Hij holt over het verlaten schoolplein. Zijn jas hangt open en zijn sjaal sleept over de grond.
1
Zijn wangen zijn zo rood als appels en buiten adem roept hij: ‘Tristan, ik ben knikkerkampioen geworden! Kijk eens!’ Met stralende ogen toont hij het volle washandje waar mama een koordje door heeft genaaid. Het washandje zit boordevol met knikkers. Het touwtje kan amper dicht. ‘Siebe, we moeten ons haasten.’ Ongeduldig trekt Tristan zijn broertje mee.
2
Hij gaat het voetpad op en stapt met veel te grote stappen. Siebe struikelt bijna. Hij kan zijn grote broer bijna niet volgen. De knikkerzak weegt zwaar en hij heeft ook nog zijn schooltas op zijn rug. Opeens klinkt er nog een stem. ‘Hé, Tristan, wacht op mij!’ Dora, het buurmeisje, rent achter hen aan. Ze is even oud als Tristan en zit in dezelfde klas van de muziekschool. Ze leren allebei piano. Net als Tristan wil ze niet te laat komen voor haar pianoles. Vandaag mogen ze een nieuw stuk leren. Een muziekstuk van een componist die al lang dood is. Bach heet hij. Siebe dribbelt achter hen aan. Hij praat honderduit. Zijn stemmetje klinkt over alles heen. Soms staat hij even stil om in zijn knikkerzak te gluren.
3
Daarna moet hij weer hollen om de anderen bij te houden. ‘Tristan, je raadt nooit wat ik heb in deze zak. De hemel! De allermooiste reuzenknikker die er bestaat!’
4
Hij toont een hele grote donkerblauwe knikker waarop kleine zilveren spikkeltjes staan. Het lijken gloeiende sterretjes in de donkere nacht aan de hemel. Maar Tristan heeft geen tijd. ‘Siebe, ik zal hem straks bekijken. Schiet nu eens op!’ Tristan ziet op de klok van de kerktoren dat hij nog maar tien minuten heeft. Hij moet iets verzinnen om zijn broer sneller te laten lopen. ‘Hé, knikkerkampioen, zullen we om ter eerst …?’ … tot aan de stoplichten? wilde hij nog zeggen, maar Siebe is al weg. Siebe wil altijd de eerste zijn. ‘Ik doe mee!’ roept Dora. De twee kinderen beginnen te spurten, de kleine, hollende jongen achterna. Eerst door het parkje bij de bib. Dan langs de vijver waar de zwanen wonen. En dan hollen ze door de winkelstraat recht naar de grote weg.
5
Siebe holt met zijn korte beentjes zo hard als hij kan. Het is moeilijk met een zware boekentas op je rug en een nog veel zwaardere knikkerzak in je handen. Siebe krijgt een flinke voorsprong en af en toe kijkt hij over zijn schouder achterom. Wauw! Het is echt zijn geluksdag vandaag! Knikkerkampioen en misschien ook loopkampioen! Nog even de grote weg over en dan ben ik als eerste thuis, denkt hij. Wat zal mama grote ogen opzetten als ze mijn knikkers ziet. En zeker als ze ‘de hemel’ ziet. Niemand heeft zo’n mooie reuzenknikker. Tristan ziet zijn broertje in de verte kleiner worden. Daar is het grote kruispunt al. Tristan zwaait met zijn hand. ‘Siebe, wacht op mij! Je moet wachten bij de lichten!’ De auto’s overstemmen zijn woorden. Siebe hoort het niet.
6
Tristan begint sneller te lopen. Hij moet Siebe tegenhouden. Mama heeft nog zo gezegd: ‘Altijd samen oversteken bij de lichten!’ Siebe kijkt over zijn schouder en ziet Tristan zwaaien. Zijn broer roept iets, want zijn mond beweegt. Siebe kan het niet horen. Hij glundert en roept: ‘Ik zal de eerste aan de overkant zijn!’ Dan gebeurt alles snel. Veel te snel. Tristan beseft het nauwelijks. Hij ziet niet of het licht rood is of groen. Hij weet alleen dat Siebe rennend de grote weg oversteekt. Hij hoort de gierende banden van een auto die plots moet remmen. Hij hoort het gillen van een vrouw. Hij hoort een akelige klap. ‘Siebe!!!’ roept hij. Hij ziet mensen lopen en naast hem ziet hij het witte gezicht van Dora. Opeens lijkt het alsof de wereld stilstaat. Zijn benen rennen, maar in zijn hoofd is het stil.
7
Zo stil als sneeuw die valt. Er gaat maar één woord door zijn hoofd: Siebe. Op de straat, vlak bij de stoep, ligt Siebe. Er staan mensen omheen. Ze roepen door elkaar. Iemand roept luid om een dokter. De chauffeur van de auto houdt zijn handen voor zijn gezicht. Tristan wringt zich tussen de mensen door. Iemand wil hem tegenhouden. Maar Tristan is sterker. Hij rukt zich los en knielt naast zijn broertje. Siebe kijkt hem aan. Zijn gezicht is wit. Er is bloed op zijn voorhoofd.
8
Hij fluistert: ‘Tristan, het … het touwtje is gebroken. De hemel is … is eruit gevallen …’ Dan gaan zijn ogen dicht. Slaapt hij? Tristan schudt de kleine hand in zijn hand, maar Siebe wordt niet wakker. Iemand legt een kussen onder het hoofd van zijn broertje. Zachte handen trekken hem weg. Een ziekenwagen met loeiende sirene stopt vlakbij. Twee mannen halen een draagbed uit de auto en nemen Siebe mee. Ze rijden even snel als ze gekomen zijn. Slapende Siebe is weg. Tristan staat stil als een beeld. Hij kijkt naar de plaats waar zijn broertje lag. Er ligt bloed op de straat. En knikkers. Overal. Een hand trekt hem mee. Het is Marie, de mama van Dora. ‘Kom Tristan, ik breng je naar huis.’ Dora kijkt strak voor zich uit. Ze durft niet naar Tristan te kijken.
9
Als Tristan binnenkomt, ziet hij mensen die hij niet kent. Mama zit aan de tafel en huilt. Een mevrouw van de politie legt haar hand op mama’s arm. Ze spreekt zacht. Mama kijkt even op als Tristan binnenkomt, maar haar ogen zien hem niet echt. Ze zegt niets. Ze vraagt niets. Ze geeft geen zoen. Papa loopt rondjes in de kamer. Opeens trekt hij zijn jas aan en loopt naar buiten. Tristan hoort de auto starten. ‘Wacht, ik ga mee,’ roept mama in de richting van de open deur. Ze holt naar buiten en komt niet meer terug. De agente buigt zich naar Tristan. ‘Tristan, je ouders gaan nu naar je broertje in het ziekenhuis. De buurvrouw zal vanavond voor je zorgen.’ Dora heeft nog steeds niets gezegd. Marie knikt en neemt hem bij de hand. ‘Tristan, je kunt bij ons slapen. Het zou wel eens laat kunnen worden.’ Tristan laat zich aan zijn hand meetrekken.
10
In zijn hoofd zit nog steeds maar één woord: Siebe! In het huis van Dora hangt de geur van pannenkoeken. Maar hij heeft geen honger. Marie praat honderduit tegen hem, maar hij hoort haar woorden niet. Hij zit op een stoel en wacht. De wereld lijkt nog altijd stil te staan. Waar is Siebe? Zou hij nog slapen? Zou er iemand het bloed van zijn hoofd hebben geveegd? En de knikkers? Waar zijn de knikkers van Siebe? Bruusk staat Tristan recht. Zijn stoel valt om. Ik moet zijn knikkers gaan zoeken, denkt hij. Als Siebe wakker wordt, zal hij zeker naar zijn knikkers vragen. Voor Tristan bij de deur is, is Marie al bij hem. Hij trekt zich los en roept: ‘Siebes knikkers!’ Zijn stem klinkt raar. Alsof ze van iemand anders is. ‘Ik ga met je mee,’ zegt Marie. ‘Ik ook,’ roept Dora.
11
Buiten is het bijna donker. Het regent zacht. De lichten van de auto’s doen de straten glimmen. De wereld is stil blijven staan, denkt Tristan. Toch blijven de auto’s rijden. Er lopen mensen met paraplu’s op straat. Een oude man laat zijn hondje uit. Een jongen en een meisje lopen arm in arm. Hij zoent haar. Zij lacht. Marie, Dora en Tristan stoppen bij de lichten. Vanaf het voetpad kijkt hij naar de straat. De regen heeft het bloed weggespoeld. Er is geen spoor meer te zien van wat er is gebeurd. Geen Siebe, geen bloed, geen knikkers. Waar zijn ze? Tristan kijkt in de goot en tussen de stenen. Hij kijkt bij het zebrapad. Alle knikkers zijn verdwenen. ‘Tristan, ik denk dat andere kinderen de knikkers van Siebe hebben opgeraapt!’ zegt Marie.
12
‘Hier!’ roept Dora. Ze zit gehurkt op de stoep. Opgelucht houdt ze een grote knikker tussen haar twee vingers.
De hemel! De lievelingsknikker van Siebe! Nu komt alles in orde, denkt Tristan. Even later eet Tristan toch één pannenkoek met stroop. Daarna tekent Dora een jongetje met een knikkerzak.
13
‘Geef jij het aan Siebe?’ vraagt ze. Hij knikt. Dora is lief. De eerste woorden komen terug uit zijn mond. ‘Siebe zal er blij mee zijn,’ fluistert hij met een stem die terug op de zijne lijkt.
Marie maakt het logeerbed op, vlak naast het bed van Dora. Ze laat het lampje branden en de deur blijft op een kier. ‘Tristan?’ Dora fluistert. ‘Ja.’ ‘Jij hebt geluk.’
14
‘Waarom?’ ‘Omdat jij een broertje hebt en ik niet.’ Tristan denkt na. Ze heeft gelijk. Hij is een gelukzak. Even later slaapt Dora en Tristan luistert naar de geluiden in het donker. Hij hoort de telefoon rinkelen. Enkele keren. Marie praat met een stille stem. Tristan voelt onder zijn hoofdkussen. De hemel van Siebe is warm. De sterretjes geven licht.
15
Tristan wordt wakker van de rinkelende telefoon. Het is al licht buiten. Marie staat bij de trap met de gsm in haar hand. Ze glimlacht naar hem. ‘Zal ik zeker doen, tot straks,’ zegt ze zacht en ze drukt af. Ze geeft hem een kus. Er zijn tranen in haar ogen. ‘Wie was het?’ vraagt hij. ‘Was het mama?’ ‘Kom maar eerst ontbijten,’ zegt ze, ‘daarna gaan we meteen naar het ziekenhuis. Naar Siebe.’ Dora zit al aan tafel, er hangt choco aan haar mond. Tristan heeft geen honger. Hij hoort hoe Marie in de keuken haar neus snuit. Even later zitten ze in de auto. Marie zegt niets. Ze houdt het stuur met beide handen vast en tuurt naar de rijweg. Af en toe kijkt hij naar haar gezicht. Haar neus is rood en ze heeft vlekken op haar wangen. Hij durft niets te vragen. Ze gaan naar Siebe, dat is het belangrijkste. Tristan voelt in zijn broekzak. De hemel ligt heerlijk warm in zijn hand.
16
In het ziekenhuis stopt de lift op zes. Siebe is zes jaar, denkt hij. Op het einde van de gang komen mama en papa uit een kamer. Ze laten de lichtgele deur op een kier staan. Tristan rent naar voren, struikelt bijna over zijn voeten, en laat zich vallen in mama’s armen. Hij ruikt haar geur en voelt haar warmte. Haar gezicht is nat van de tranen.
17
‘Mijn grote jongen,’ zegt ze, ‘papa en ik moeten je iets vertellen.’ Tristan schudt zijn hoofd en rukt zich los. Hij wil niets horen. Ze moeten niets vertellen. Niet nu. Hij drukt zijn handen tegen zijn oren, maar papa neemt ze zachtjes weg. ‘Tristan, luister even. Siebe …’ Papa houdt op met spreken en slikt een paar keer. ‘Siebe zal niet meer wakker worden …’ Papa bijt op zijn lip. Zijn ogen zijn vochtig. Papa heeft nog nooit gehuild. ‘Nee!’ roept Tristan. ‘Dat kan niet! Siebe moet wakker worden. Jullie liegen!’ Met volle kracht stampt hij tegen de lichtgele muur. Twee, drie keer. Het doet pijn. Alles doet pijn. Mama trekt Tristan dicht tegen zich aan. ‘Ik weet wat je voelt, Tristan. Ik kan het ook niet geloven. Toch is het zo. Siebe is met zijn hoofd tegen de auto gebotst. Het is niet meer te genezen. Siebe zal sterven.’ Ze snikt.
18
‘Ik wil Siebe zien. Nu!’ Tristan schrikt van zijn eigen stem, zo luid klinkt ze. De dokter fluistert iets in mama’s oor. Ze knikt. ‘Natuurlijk mag jij je broertje zien,’ zegt ze.
Achter de lichtgele deur ligt Siebe. Rond zijn hoofd is een verband gewikkeld. Zijn gezicht is bijna even wit als het verband. Tristan komt op zijn tenen dichterbij. Ik mag hem niet wakker maken, denkt hij. Jawel! Ik moet hem wakker maken. De hand van zijn broertje is koud en beweegt niet meer. De mond van Siebe staat een beetje open, alsof hij nog iets wilde zeggen vlak voor hij in slaap viel. Hij ziet er niet leuk uit zo, vindt Tristan. De gesloten ogen van zijn broertje lijken zo ernstig. Misschien heeft hij wel pijn.
19
‘Siebe,’ fluistert Tristan, ‘slaap je?’ Het blijft stil in de kamer. Alleen het piepende geluid snijdt de stilte in stukjes. Een machine verbonden met Siebe. Piep, piep, piep. Tristan kent het geluid van op tv. Mama en papa staan achter Tristan. ‘Siebe, ik heb de hemel teruggevonden. Kijk maar!’ Hij haalt de warme reuzenknikker uit zijn zak en schuift hem in het slappe handje van zijn broertje. Dan kijkt hij naar het gezicht van Siebe. Verbeeldt hij het zich? Zag hij niet even Siebes wimpers trillen? Hij drukt de vingers van Siebe toe, om de hemel met sterren. Er komt leven in Siebe. Heel even. Zijn wimpers en zijn lippen trillen. Echt! Het is echt waar! Dan sluit hij zijn mond. Siebe glimlacht. Tristan glimlacht ook. ‘Een warme hemel voor jou,’ fluistert hij. De machine stopt met piep, piep, piep.
20
Slechts één lange, veel te lange piep klinkt door de kamer. Tristan weet wat het betekent. Het wil zeggen dat Siebe dood is. Net nu hij zo levend lijkt. Hoe lang hij hier staat, weet hij niet. Alles is stil geworden. Alsof de wereld niet meer bestaat. ‘Het is hier zo koud,’ zegt Tristan, ‘Siebe gaat het ook koud krijgen.’ Mama knikt en legt een extra dekentje over de kleine, stille jongen. Ze aait het gezichtje. En ze kust heel innig, met gesloten ogen, de bleke wang. De tijd gaat voorbij. ‘Kom, we moeten gaan,’ zegt papa. Tristan wil het liefst blijven. Hij schudt zijn hoofd. Papa fluistert: ‘We komen straks terug. Jij mag de knuffels van Siebe en zijn lievelingskleren uitzoeken.’ De gang is eindeloos lang, ze lopen hand in hand. Alle drie.
21
Alles lijkt een droom. Een boze droom. De tegels op de vloer. De lichten in de gang. De auto op weg naar huis. De lege plaats van Siebe naast hem. Straks zal hij wakker worden. Dan is de boze droom weg. Maar de boze droom blijft. Als ze thuiskomen, zijn Marie en Dora er. Iets later komen opa en oma, en de meter en peter van Siebe. Het huis is opeens te vol. Papa telefoneert de hele tijd. Tristan vlucht naar boven, naar het kamertje van Siebe. Het is er stil. De knuffels van Siebe zitten op bed en lachen alsof er niets gebeurd is. Op de stoel ligt een hoopje gestreken wasgoed.
22
De lievelingstrui van Siebe is erbij. Een trui met knikkers op. Tristan trekt ze ertussenuit. Het stapeltje kleren valt op de grond. De deur gaat open en papa komt binnen. Hij gaat naast Tristan op het bed zitten. ‘Papa, wat zal er nu gebeuren met Siebe?’ Papa zucht en aait Tristans hoofd. ‘Siebe wordt begraven. Zijn dode lichaam krijgt een plekje onder de lindeboom van het kerkhof. Wij zullen veel huilen, maar de vogels zullen blijven zingen. We zullen elkaar troosten als het nodig is. We zullen Siebe erg missen. En toch zal hij altijd bij ons zijn.’
23
Even is het stil. Tristan denkt na. ‘Wat bedoel je, papa?’ Tristan fluistert het. Papa trekt Tristan dicht tegen zich aan. ‘In onze gedachten zal Siebe blijven leven. Het zal een beetje lijken alsof hij op reis is. Naar een plaats waar hij heel graag zal zijn.’ ‘Ik weet waar,’ zegt Tristan, ‘Siebe gaat naar de knikkerhemel. Daar zal hij altijd de eerste zal zijn. De kampioen in alles. Een warme hemel met meer dan duizend sterren.’
24
Siebe is trots op zijn knikkers. Hij is een echte knikkerkampioen. Na schooltijd moet zijn broer Tristan snel naar de muziekles. Maar Siebe heeft meer oog voor zijn knikkers. Dan gebeurt er iets vreselijks …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.