ucatieve uitgaven
BIEB
Altijd wat met Lander Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
5
Altijd wat met Lander
1
Met een slag viel de deur van de keuken in het slot. Robbe drukte zijn neus tegen het venster en keek naar binnen. ‘Lander?’ riep hij zacht. Het was altijd wat met Lander. ‘Toe, laat me binnen. Ik heb zo veel schoolwerk te doen.’ Het bleef stil in de keuken. Lander had de stoel tegen de deur geschoven. En hij was er zelf op gaan zitten. Op zijn hoofd droeg hij een oude kookpot. ‘Mijn helm,’ zei hij altijd. Robbe duwde tegen de deur, maar er was geen beweging in te krijgen. Er zat niets anders op dan te wachten op mama. Op opa moest hij ook niet rekenen. Die zat meestal bij zijn treinbaan op zolder. Opa’s oren waren niet meer zo best. ‘Toe, Lander, doe de deur open. Ik moet dringend …’ Ook dat hielp niet. Lander zat als een blok voor de deur. Als een krijger die niet van plan was zijn land te verlaten. Lander was even oud als hij. Ze waren een tweeling. Maar Lander was anders.
2
‘Lander, als je opendoet, krijg je een sticker van me.’ Lander was gek op stickers. Hij verzamelde plaatjes van bekende mensen. ‘Wil je graag een sticker van De 3 Poppies?’ ‘Lander boos op jou!’ riep Lander. ‘Lander, waarom ben je boos?’ De helm van Lander bonkte tegen de deur. ‘Omdat jij niet lief is!’ snikte Lander. ‘Maar Lander, ik ben nu toch lief tegen je?’ ‘Nee. Jij is niet lief. Jij belooft altijd en jij niet doen!’ Robbe dacht na. Zijn broer had wel een beetje gelijk. Maar het was ook zo moeilijk met iemand als Lander. Robbe had iets goed te maken, wist hij. Hij stond op. ‘Lander, je krijgt nu een sticker.’
3
De deur ging open en daar stond de krijger met zijn helm op. Landers kleine oogjes lachten. Samen gingen ze naar boven. ‘Ik vind je nu wel lief,’ zei hij. ‘Mag ik de sticker van Joke van De 3 Poppies?’ vroeg hij. Hij straalde toen hij de sticker kreeg. En hij kuste Joke in haar jurk vol hartjes. Beneden viel de deur in het slot. Mam was thuis. ‘Joehoe, ik ben thuis!’ riep ze. ‘We eten om zes uur! Bloemkool met worst! Daarna moet ik met opa naar de dokter. We mogen echt niet te laat komen.’ ‘Bloemkool met worst,’ fluisterde Lander glunderend tegen Joke. Ze zag er nog fris uit na meer dan honderd natte zoenen. ‘Lander, nu moet ik mijn huiswerk maken,’ zei Robbe. ‘Ik moet voor school een stamboom maken.’ Lander huppelde met Joke in zijn hand de kamer uit. Robbe maakte in zijn schrift een mooie tekening van een stamboom. Op iedere tak kleefde hij een kleine foto van zijn familie. Maar van de ouders van opa had hij niets. Vlug liep hij naar de zolder.
4
Opa zat gebogen aan zijn werktafel. Met een fijn mesje sneed hij houtjes in gelijke stukjes, niet groter dan lucifers. ‘Opa, wat maak je?’ ‘Ik maak een stukje spoorweg. Deze houtjes zijn de dwarsliggers voor de ijzeren sporen.’ ‘Maar opa, dat kun je toch in de winkel kopen?’ ‘Wat ik maak, kun je niet kopen,’ antwoordde opa een beetje knorrig. ‘Zo was het vroeger. Alles werd met de hand gemaakt. Net als mijn oude treintje daar.’ Opa knikte in de richting van een treintje. Robbe had het nooit eerder gezien.
‘Dit treintje heb ik nog gekregen van mijn vader, jouw overgrootvader.’ ‘Opa, heb je een foto van jouw vader voor mijn stamboom?’
5
Opa knikte. ‘Hierboven staat een oude koffer. Daar heb ik dit treintje teruggevonden.’ ‘Mag ik ook eens kijken?’ vroeg Robbe. ‘Straks als ik van de dokter terugkom,’ zei opa. ‘Het luik is te gevaarlijk voor jou alleen.’ Beneden aan de trap riep mama. Lander zat al aan tafel. Hij droeg nog steeds zijn helm. Hij prikte met zijn vork in de pan.
Een uur later was alles op. Daarna was het tijd om naar de dokter te gaan. ‘Robbe, houd jij Lander een beetje in het oog? Lander, wil jij goed luisteren naar Robbe?’ De twee broers knikten. Lander ging in de sofa zitten. Met Joke op zijn schoot keek hij naar de show van De 3 Poppies.
6
Hij neuriede alle liedjes mee. Zijn ogen waren niet van het scherm weg te slaan. Stil sloop Robbe de kamer uit. Met een beetje geluk kon hij met zijn werk klaar zijn voor opa terug was. Dan hoefde hij alleen nog maar de fotootjes in zijn schrift te kleven. Het zou een prachtige stamboom worden. Het beroep moest naast de naam en de foto staan. Papa is machinist bij de trein. Opa was vroeger conducteur. De papa van opa werkte ook op een trein. Oma is al dood. Mama werkt in het loket in het station. Ik wil uitvinder worden. Het ging goed. Robbe keek door het venster naar buiten. Het schemerde al. Straks zou het misschien te donker zijn om op zolder rond te neuzen. Als hij nu al eens een kijkje nam? Hij had een sterke zaklamp en Lander was nog steeds stil. De show van De 3 Poppies duurde twee uur. Dus met wat geluk zou Lander hem nog even met rust laten. Opa had gelijk: het was moeilijk om het luik op te tillen. De ladder onder zijn voeten wankelde gevaarlijk. Met zijn zaklamp bescheen hij de donkere ruimte.
7
Daar stond een koffer. Robbe zette zich ernaast. Eerst vond hij de kleine autootjes die nog van opa waren geweest toen hij klein was. Er lag een oud uniform met een echte helm. Dat was iets voor Lander! Er lag ook een oud schrift. Het papier was oud en het knisperde. Op het etiket stond in sierlijke letters een naam geschreven. Robbe Bloem Met een schok besefte Robbe dat hij naar zijn eigen naam keek. Wie was het die dit had geschreven? Augustus, 1835 Zou het van de vader van de vader van de vader van opa zijn? Hij las de eerste zin. ‘Ik ben twaalf jaar oud en ik wil uitvinder worden.’ Wat? Dit was te gek! De Robbe uit het schrift wilde net als hij uitvinder worden! Robbe las verder en hoorde niets van beneden. Lander had zin in iets. Hij was gek op snoep. Van mam mocht hij geen chocola of koekjes eten. ‘Slecht voor zijn hart,’ zei de dokter. ‘Mijn hart is heel groot,’ had Lander gezegd.
8
‘Een groot hart kan ook ziek worden,’ zei mam. ‘En ik wil niet dat jou iets overkomt. Ik zou niet kunnen leven zonder mijn krijger.’ Ze knuffelde hem. Lander wilde graag met mama trouwen. Of met Joke. Lander ging verder op zoek. Achter de koffie en de bloem vond hij drie repen chocola. Hij zong brommend: ‘Robbe let niet op mij. Chocola is voor Lander en Joke.’ Hij zette zijn helm af. ‘Je eet niet met een hoed op,’ zei pap altijd. Lander dribbelde naar de sofa. Daar wikkelde hij heel voorzichtig de wikkel eraf. Joke op zijn schoot mocht kijken hoe hij de hele reep opat.
9
‘Ik sterk hart,’ zong hij. ‘Robbe let niet op Lander. Ik let op mij. Joke, wil jij ook een stukje?’ Hij hield de reep voor Jokes neus. ‘Dat kan niet,’ lachte hij. ‘Jij is van papier.’ Joke kreeg een zoen van chocola. Ze zag er opeens minder blond uit en er kwam een bruine veeg op haar witte jurk. ‘Joke mag niet vuil zijn. Ik jou wassen.’ Lander schoof een stoel tegen de spoelbak en maakte een sponsje nat onder de kraan. Voorzichtig wreef hij over Jokes jurk. De sticker werd nat. Er kwamen kreukjes in. ‘Joke moet drogen. Op de verwarming.’ Terwijl Joke lag te drogen, duwde Lander weer de knop van de dvd-speler in. Hij zong mee. ‘Het is zoentjesdag, zoentjesdag …’ Robbe kon niet stoppen met lezen. Hoe kon dit? Heel lang geleden was er een jongen geweest. Net als hij.
‘… Dit is mijn dagboek. Niemand mag het lezen. Mijn schooltijd is voorbij. Ik ben nu boerenknecht. Van de meester kreeg ik dit schrift en een potlood.
10
Ik wilde verder studeren, maar het mocht niet. Een zoon van een boer moet ook boer worden. Moeder probeerde voor me op te komen. Maar vader riep kwaad: ‘Ik heb slechts één zoon! Hij moet voor het land zorgen!’ Moeder zei triest: ‘Maar we hebben toch twee zonen!’ Toen werd vader vreselijk boos en riep uit dat Corneel niet goed snik was. Dat mijn broer een kind van de duivel was. Corneel begon te huilen en ik nam hem mee naar de poesjes op de hooizolder. Vader mocht niet weten dat er poesjes waren geboren. Hij zou ze verdrinken. Corneel bleef bij de poesjes en vergat onze boze vader …’ Robbe bleef lezen. De tijd ging voorbij zonder dat hij er iets van merkte. Robbe Bloem had dus ook een broer die anders was. Zo vreemd! Met rode wangen las hij verder.
‘… Ja, ik wil uitvinder worden. Ik kan er met niemand over praten. Ook niet met mijn broer. Corneel is anders. Anders dan iedereen. Maar hij is ook de liefste van de hele wereld.
11
Hij is een hoofd kleiner dan ik, maar veel struiser gebouwd. Hij denkt zoals een kleuter. Daarom heeft vader een hekel aan hem. Neen, Corneel zal nooit de boerderij kunnen overnemen. Hij kan peren rapen, de mesthoop omdraaien en houtblokken brengen. Corneel lacht naar de vogels en laat zijn armen fladderen net als zij …’ Hoe laat was het? Robbe keek op zijn horloge. Gek, het leek alsof hij hier al een eeuw zat. En toch was het nog maar een half uur. Zouden mama en opa al terug zijn? Hij spitste zijn oren. Alleen de muziek van de meidengroep in de verte. Oef, Lander was braaf. Robbe boog zich weer over het schrift.
‘… Corneel is altijd goedgezind. Hij brengt de zon op de hoeve. Gelukkig, want met vader is het soms niet meer uit te houden. Hij zegt dat het door de schuld van de duivel komt dat Corneel zo is. De duivel! Ik kan het woord niet meer horen!
12
Alles wat vader niet kent, komt van de duivel. Op school had de meester verteld over een nieuw voertuig, de stoomtrein. Het had geen paard nodig. Ik wilde er alles over weten. Maar op een dag moest ik mee op het land werken. Ik wilde geen akker ploegen. Hij gaf met zijn stok een klap tegen mijn billen en brulde: ‘Een zoon moet zijn vader gehoorzamen. En niet naar praatjes van de duivel luisteren. Die locomotief is een duivelstuig. Hij kan alleen maar rijden als hij vurige kolen heeft gevreten. Dit is het bewijs dat het om de duivel gaat.’ Hij stuurde me alleen het veld op. Ik ploegde de aarde en huilde in stilte. Toen stonden er opeens drie mannen voor mijn neus. Met hun hoge hoeden en zwarte pakken leken ze op grote kraaien.
13
‘Hé jongen!’ riepen ze, ‘weet jij waar de boer van dit land is?’ Ik knikte. ‘Wat willen jullie van mijn vader?’ ‘We brengen hem goed nieuws,’ zeiden ze. ‘Als hij zijn land verkoopt, zal hij rijk zijn. We willen hier de spoorlijn bouwen. Het is Gods wil.’ Ze keken me aan. ‘Gelooft jouw vader in God?’ ‘Hij gelooft vooral in de duivel,’ zei ik. De mannen liepen in de richting die ik aanwees. Onze hoeve, een stipje in de verte. Ik hield mijn vingers gekruist in mijn broekzakken en bad. ‘Oh God, laat mijn vader het land verkopen. Ik wil geen boer worden.’ Natuurlijk wilde mijn vader het land niet verkopen. Hij riep: ‘Nog één stap op mijn land en ik prik jullie vast aan deze riek.’ De mannen vluchtten pijlsnel het erf over …’ Robbe draaide voorzichtig de bladzijde om. Hoe zou het met Lander zijn? Hij boog zijn hoofd door het gat en luisterde. De meisjes zongen van ‘ik ben verliefd’.
14
‘… De mannen kwamen niet meer terug. De andere boeren hadden wel hun land verkocht. Men werkte aan de spoorlijn. Dag na dag werden de houten dwarsliggers gelegd. Daarna werden de ijzeren sporen vastgemaakt. Het ging zeer vlug vooruit. De jongens in de buurt lachten me uit en zeiden dat mijn vader een dwaas was. Iets buiten het dorp bouwde men het stationsgebouw. Op een avond gebeurde er iets. Ik was na het avondeten naar het veld gestapt om in mijn schrift te schrijven. Ik moet in slaap zijn gevallen. Ik werd wakker toen het donker was. Toen hoorde ik enkele mannenstemmen …’ Lander had drie repen chocola gegeten. Joke was droog. Er zat een kreukje vlak boven haar ogen. ‘Joke, jij hebt rimpel,’ zei hij. Joke lachte. De telefoon ging. Lander nam op. ‘Hier is ik,’ riep hij. Het was mama. ‘Lander?’ Lander knikte heftig met zijn hoofd. ‘Lander, is Robbe daar?’
15
‘Lander zal kijken,’ zei hij en hij keek rond. ‘Robbe is niet daar,’ riep hij luid. Daarna keek hij naar de hoorn. Mam zat achter de gaatjes. ‘Mam, Joke is hier,’ riep hij blij. ‘Lander, waar is Robbe?’ Lander haalde zijn schouders op. ‘Lander, nu moet je goed naar me luisteren. Opa en ik zullen wat later thuiskomen. Er is veel volk in de wachtkamer. Zeg tegen Robbe dat hij voor jou een half bad laat vollopen. Een half bad, hoor je me? Jij mag erin. Daarna doe jij je pyjama aan. Begrijp je me, Lander?’ Het leek alsof mama een beetje boos was. ‘Lander? Ben je daar nog?’ Lander knikte. ‘Lander, geef antwoord.’ ‘Een half bad en pyjama aan,’ zei Lander. ‘Robbe let niet op mij. Ik let op mij en op Joke.’ Mam zuchtte diep aan de andere kant. ‘Is Robbe op zijn kamer?’ Lander knikte. Telefoneren was leuk. Zeker met mam. ‘Lander, ga nu naar Robbe en zeg hem alles.
16
En als er problemen zijn, dan duw je op het knopje 3. Dat is het nummer van mijn gsm. Begrepen, Lander?’
Lander knikte. Hij had alles begrepen. Hij legde de hoorn neer. Knopje 3 op de telefoon. Dat was niet moeilijk. Hij klom de trap op. Zijn benen waren te kort, zijn hart bonsde als hij moest klimmen. Robbe was niet in zijn kamer. Niet in de badkamer. Niet in de andere kamers. In opa’s kamer? Zuchtend bereikte hij de grote zolderkamer. Geen Robbe te zien. Er klonk geritsel boven zijn hoofd. Lander keek naar boven. Er was een donker gat met een ladder. ‘Een gat in het dak,’ mompelde Lander. ‘Robbe, waar is jij?’ Het hoofd van Robbe verscheen.
17
‘Is er wat Lander? Je weet dat je van opa hier niet alleen mag komen.’ ‘Ik is niet alleen. Jij is er ook.’ Robbe lachte. Soms kon zijn broer heel slim uit de hoek komen. ‘Ik moet naar bad met halve pyjama aan,’ zei Lander. ‘Ik ben er zo, Lander. Nog even iets uitlezen.’ Weg was het hoofd van Robbe. Lander vond het niet erg. Hij keek rond. Er stond een treintje. Ook leuk. Robbe las verder. Onder hem klonk: ‘Toet! Toet!’
‘… Het was duidelijk dat de mannen niet gezien wilden worden. Ze liepen naar een stapel bielzen. Dat zijn balken voor onder de spoorrails. Stil laadden de mannen de houten balken op de kar. Dit was diefstal! En ik kon niets doen! Ik kon die nacht moeilijk in slaap vallen. De volgende ochtend stond de veldwachter voor ons huis. Boos riep hij dat mijn vader de houten balken had gestolen.
18
En er was een plakkaat kapotgemaakt bij het station. Iemand had mijn vader daar gezien, zei hij. Toen reed hij weg. Mijn vader was woedend en vloekend liep hij door het huis. Hij zwaaide met zijn stok en Corneel vluchtte het huis uit, bang voor de stok. Ik vertelde moeder alles. Ook dat één stem me vertrouwd in de oren had geklonken. Ze schudde haar hoofd. ‘Vader is een driftkop en een stijfkop. Maar een dief is hij niet.’ Ik moest die dag mee met moeder naar de markt. Wat verder stond boer Driessens. Toen hij me zag, barstte hij in lachen uit. ‘Daar, de zoon van de grootste ezel! Boer Bloem is een dief!’ Iedereen keek naar mij. Ik voelde mijn wangen tot aan mijn oren rood worden …’ Lander zette het locomotiefje terug neer. ‘Robbe komt niet. Halve pyjama en bad en nummer 3,’ mompelde hij. ‘Heeft mama gezegd.’
19
Hij trok naar de badkamer en draaide de kranen open. Nu ook badschuim erbij. Er stonden vele flessen. Hij rook er een voor een aan. Alles rook lekker. Hij liet Joke even ruiken. Ze lachte. Lander goot van alles een flinke teug bij het badwater. Het schuim werd hoog. Zo hoog dat hij het water niet meer kon zien. Het leek op wolken.
In de badkamer hing een heerlijke geur van bloemen. Een wolk maakte de spiegel dof. Lander kon zijn gezicht niet meer zien in de spiegel. Met één vinger schreef hij 3. Dat kon hij goed. Opeens voelde hij water aan zijn voeten. Verwonderd keek hij naar de plas water op de grond. Voor de rest was er in de badkamer alleen maar schuim te zien. En wolken.
20
Oei, dacht hij. Het water mag niet uit de badkamer. Hij deed het slotje dicht. Dat mocht niet van mama. Maar nu moest het. ‘Water mag niet weg,’ zei hij. ‘En Joke mag niet nat worden.’ Het werd warm in de badkamer. En vochtig. Niet leuk. Het water was te warm. Bad en halve pyjama aan, had mama gezegd. Het lukte niet met de broek. Robbe moest helpen. Joke mocht niet nat. ‘Robbe?’ riep hij. Robbe hoorde niets. Hij las door.
‘… Ik liep tot bij het station dat nog niet af was. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg een boze stem. Een agent.
21
‘Ik doe niets! Ik kijk alleen maar wat rond!’ riep ik. ‘Maak dat je wegkomt!’ Hij draaide ruw mijn kin naar zich toe en keek me diep in de ogen aan. ‘Ik zal je laten gaan, jongetje. Maar denk eraan. We houden jou en je vader in de gaten. Er gebeuren hier rare dingen.’ ‘Ik heb niets gedaan! Echt niet! Maar ik heb wel gezien wie de balken heeft gestolen!’ Toen besefte ik dat ik beter niets zei. Ik wist nog altijd niet of mijn vader iets te maken had met de diefstal. Toen we terug bij de hoeve kwamen, was vader gekalmeerd. Corneel was nergens te zien. ‘Waar is Corneel?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ zei moeder. ‘Ik vind hem nergens.’ Ik ging op zoek naar mijn broer en kwam pas terug toen het donker was. Zonder Corneel. Vader staarde in de vlammen van de haard. Plots stond hij op. ‘Vrouw, geef mij de olielamp. Ik ga hem zoeken.’ ‘Ik ga mee,’ zei ik. Vader knikte. Zijn ogen stonden donker. Zijn mond was een smalle lijn. ‘Ik moet mijn zoon terugvinden,’ sprak hij stil.
22
Het was de eerste keer dat hij Corneel ‘mijn zoon’ noemde. Mijn hart maakte een sprongetje. Samen stapten we over de velden. We liepen naar de boomgaard en keken in de grachten. We kwamen onderweg niemand tegen. En dat was maar goed ook. Iedereen was ons vijandig gezind. Omdat vader de enige was die de spoorweg niet wilde. We kwamen bij het station en we doofden onze lantaarns. ‘Zou hij hier naar binnen zijn gegaan?’ fluisterde vader. Als twee dieven in de nacht kropen we langs het venster naar binnen. Plots werden we opgeschrikt door een fel licht. ‘Op heterdaad betrapt! Vader en zoon Bloem!’ Het waren twee agenten. Het licht van hun lantaarns verblindde me. Vader probeerde uit te leggen waarom we in het station waren. Maar de agenten luisterden niet. Met touwen geboeid werden we weggevoerd.
23
Het licht van de zaklantaarn verflauwde. Net nu het zo spannend werd. Het was stil in huis. Geen muziek meer te horen. Robbe stak zijn hoofd door het gat. Hij rook badolie. Lander! In enkele tellen stond hij voor de badkamer. Toen zag hij het water op de vloer. Het sijpelde van onder de deur naar buiten. Zat Lander daar? Robbe rammelde aan de klink. Oh nee! De deur was op slot. ‘Lander, doe vlug open! Het water stroomt tot in de gang!’ ‘Kan niet open,’ riep Lander. ‘Joke mag niet nat.’ ‘Je moet het hendeltje naar rechts draaien,’ riep Robbe. In een flits wist hij dat dit geen zin had.
24
Lander kende het verschil niet tussen links en rechts. Hoe moest hij dit nu uitleggen? En wat had Lander gezegd? Joke mag niet nat? Lander was rechtshandig, wist hij. ‘Lander, heb jij de sticker van Joke vast?’ Lander knikte. ‘Lander, leg je twee handen op de klink. Doe wat ik vraag.’ Robbe kon horen hoe Lander zijn handen op de klink legde. ‘Oké, Joke zit in je rechterhand, Lander. Dat is ook de hand waarmee jij eet. Nu moet jij met je andere hand het hendeltje naar Joke draaien. Probeer eens.’ Het was moeilijk. Robbe wist dat Lander over ieder woord moest nadenken. ‘Hendeltje naar Joke, hendeltje naar Joke.’ Er kwam beweging in de klink en even later ging de deur open. Lander kwam lachend naar buiten. Wat een bende! De badkamer leek een vijver. Wat moest hij nu? Opa en mam konden elk ogenblik thuiskomen. Robbe draaide de kranen dicht en stuurde Lander naar beneden.
25
Nu moest hij opschieten. De vloer dweilen, de natte handdoeken uitwringen en op het hek hangen. Robbe schrobde en plensde tot hij niet meer kon. Het water vloeide tot aan de trap. Alles was glibberig van de badolie. Alles moest droog zijn tegen dat mam en opa terug waren. Toen gebeurde het. De bovenste trede was vettig door de olie. Robbe schoof uit, viel van de trap en belandde onderaan op de tegels. Lander kwam aangelopen. ‘Robbe, is jij gevallen?’ Hij keek naar Robbe. Zijn ogen waren dicht. Sliep Robbe? Lander duwde een ooglid van Robbe open. ‘Robbe? Jij moet wakker worden.’ Robbe werd niet wakker. Lander vond het niet leuk. Hij nam het hoofd van Robbe vast. Toen zag hij het bloed. Bloed kende hij. Als je bloedt, moet de dokter komen. ‘Dokter komen. Mama is bij dokter. Mama halen.’ Lander stond op en liep naar de telefoon. Hij duwde op het knopje 3. Het mooiste getal. 3 was van De 3 Poppies en van Joke, 3 was van mama. ‘Hallo?’ De stem van mam. ‘Robbe? Is er iets?’
26
‘Niet Robbe. Het is mij. Robbe heeft bloed.’ Mam riep door de hoorn. ‘Lander, blijf daar. We zijn er zo. We zitten in de auto. Nog drie minuutjes!’
Lander glimlachte. Als mama zei ‘nog drie minuutjes’ dan duurde het niet lang. Hij ging naast Robbe op de grond zitten. Lander voelde tranen uit zijn ogen komen. Hij legde de sticker van Joke op Robbes buik. Daarna gaf hij zijn broer zoentjes. Het hielp. Robbes ogen gingen open. Het duurde even voor hij besefte dat hij op de grond lag. Het klopte in zijn hoofd.
27
Toen ging de deur open en mama en opa stormden de kamer binnen. Robbe zag erg bleek. ‘Het spijt me, mam. Ik heb niet op Lander …’ Mam liet hem niet uitspreken, maar onderzocht de wonde op zijn hoofd. ‘Lander heb op Robbe gelet,’ zei Lander fier. Even later was de dokter er. Het was niet erg. De dokter hechtte met twee draadjes de wonde. ‘Rust nu maar wat,’ zei hij nog. Het was al laat en Lander moest naar bed. ‘Jij bent een flinke jongen,’ zei mam. ‘Jij hebt heel goed voor je broer gezorgd, toen ik er niet was. Als een echte krijger. Maar nu moet je helm af. Krijgers slapen niet met een helm op.’ ‘Heb ook voor mij gezorgd,’ zei Lander fier. Toen Lander sliep, kwam opa bij Robbe zitten. ‘Opa, ik heb in het schriftje gelezen,’ zei hij. Opa schudde zijn hoofd. ‘Je moest wachten tot ik er was.’ Robbe knikte. ‘Ik wil weten hoe het afloopt met Corneel. Mag ik verder lezen?’ ‘Beter van niet,’ zei mama. ‘Je moet rusten.’
28
‘Ik zal voorlezen,’ zei opa en hij stond op. Even later zat hij terug naast het bed en Robbe wees aan tot waar hij had gelezen.
‘… Vader en ik zaten als twee boeven in het kleine kantoortje van de agent. Ik was er niet gerust in. Ik hoopte dat vader kalm zou blijven. Ik zag dat hij zich meer zorgen maakte om Corneel dan om de betichting van diefstal. Omdat mijn vader kalm bleef, bleef de agent het ook. Ik vertelde alles. Over onze zoektocht naar Corneel. Over de diefstal die ik had gezien. Over een stem die ik kende. De agent twijfelde. Er was maar één man die zich verzette tegen de spoorlijn: vader. En dat maakte hem tot verdachte nummer 1. Toen ging de deur open en boer Driessens kwam binnen. ‘Aha, de bandieten zijn eindelijk gevat!’ zei hij. Opeens herkende ik de stem. ‘Ik herken je!’ riep ik. ‘Jij hebt de vorige nacht de bielzen gestolen. Jij en je zonen!’ Boer Driessens sloeg rood en wit uit. De agent wist niet wat te denken.
29
Na twee uur was alles voorbij. In de schuren van boer Driessens vond men de gestolen balken. Daar had hij zijn nieuwe schuur mee willen bouwen. Toen we buiten stonden, zag mijn vader erg bleek. ‘We moeten Corneel vinden,’ zei hij. ‘Voor het te laat is.’ Gelukkig kregen we deze keer de hulp van enkele buren. Het bericht dat we onschuldig waren, had zich snel verspreid. Iedereen zocht mee naar Corneel. Het was al bijna ochtend. Waar we ook zochten, nergens was mijn broer te vinden. Toen ik terug thuiskwam, kringelde de poes langs mijn benen. Opeens wist ik het! Hoe dom was ik geweest. Ik liep zo snel als ik kon naar de hooizolder. Diep onder het hooi verstopt lag Corneel te slapen. Met zes kleine poesjes in zijn armen. Mijn vader kwam achter me aan en toen hij Corneel zag, begon hij te snikken. Corneel werd wakker. Hij keek met grote ogen naar mijn vader. ‘Poesjes niet dooddoen?’ stamelde hij. Vader schudde zijn hoofd en gaf een aai op Corneels hoofd. ‘Zorg jij er maar voor,’ zei hij.
30
Mijn schrift is bijna vol. Vader heeft me een nieuw schrift beloofd. En ik mag na de vakantie weer naar school, op voorwaarde dat ik goed meewerk op de boerderij. Voor wat, hoort wat. Mijn vader verkocht het land. De spoorlijn werd verder getrokken tot aan het kleine station. We stonden op de eerste rij toen de burgemeester zijn toespraak hield. Corneel was vreselijk opgewonden. Hij hield vaders hand vast en sprong op en neer. De trein vertrok met veel lawaai, gefluit en grote wolken stoom. Corneel verstopte zich achter vaders rug. Hij was bang. Ik voel me gelukkig nu. En als ik groot ben, wil ik treinmaker worden in plaats van uitvinder. Het lijkt me ook wel leuk.
31
Ook al is hij veranderd, vader kan nog best woedend worden. Maar de stok om te slaan heeft hij niet meer gebruikt. Steeds vaker loopt hij ’s avonds met Corneel aan zijn hand langs zijn weilanden. Dan vertelt hij. Over de vogels en over zijn waardevolle land. Corneel zwijgt. Hij geniet, want hij vindt het heerlijk dat er iemand tegen hem praat. Opa sloot het schrift. Het was stil in de kamer. ‘Opa, het was een prachtig verhaal. Dat wil ik in school vertellen.’ Opa knikte en Robbe viel in een diepe slaap. Hij droomde van treinen en jongens met een kookpot op hun hoofd. Toen hij weer wakker werd, lag er een sticker op zijn buik. Het was Joke. Ze lachte naar hem met een bruine veeg op haar snoet en een rimpel boven haar neus.
32
Robbe en Lander zijn twee broers. Wanneer mama met opa naar de dokter moet, blijven Robbe en Lander alleen thuis. Robbe moet goed op zijn broer letten, maar vindt dan een mysterieus schrift op zolder …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.