ucatieve uitgaven
BIEB
Het logeerpartijtje Evelyn Mertens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
5
Het logeerpartijtje
Stijn mag vanavond logeren bij zijn beste vriend Andreas. Ze hebben elkaar leren kennen op de eerste dag in de kleuterklas. Andreas liet onverwachts een fikse boer en Stijn moest daar vreselijk om lachen! Vanaf dat moment zijn de twee onafscheidelijk.
1
Als Stijn blijft logeren, legt de papa van Andreas altijd twee matrassen naast elkaar. Ze mogen ook wat langer opblijven. Maar eigenlijk vinden ze het juist leuk om wat vroeger naar boven te gaan. Ze doen dan een kussengevecht of ze stoeien met zelfgemaakte zwaarden en doen een stukje uit een piratenfilm na. Om acht uur komt mama naar boven om het licht uit te doen. Ze mogen dan nog wel heel even fluisteren. Maar dat lukt niet altijd. Voor ze het weten, zijn ze weer luidkeels aan het gieren en lachen.
2
Papa komt dan boos de trap op gelopen. ‘Nu is het echt genoeg! Als ik jullie nog één keer hoor, slaapt Andreas vannacht op de kamer van zijn zus!’ Andreas en Stijn weten heel goed dat hij meent wat hij zegt. Want af en toe vliegt Andreas toch de kamer uit en moet hij de nacht bij Marie doorbrengen. De mama van Andreas steekt haar hoofd binnen en knipt het licht uit. ‘Nu stil zijn, jongens,’ zegt ze, ‘slaapwel!’ Ze liggen naast elkaar in het donker naar het plafond te staren. Dan kruipt Andreas zachtjes uit zijn bed. Hij gaat op zijn knieën voor het raam op de verkleedkoffer zitten. ‘Het is volle maan vandaag,’ zegt hij zacht. Stijn komt erbij zitten en samen kijken ze naar de sterren.
3
‘Daar is de Grote Beer,’ wijst Andreas. ‘Dan is daar de Poolster,’ weet Stijn, ‘en daar zie je Oreon!’ ‘Kijk, een vallende ster! Nu mogen we een wens doen!’ Een klein lichtpuntje valt door de zwarte ruimte naar beneden. ‘Ik wens … dat ik later als astronaut in de ruimte mag vliegen,’ fluistert Andreas. De vallende ster komt snel dichterbij en wordt met de minuut groter. ‘Volgens mij is dat geen vallende ster,’ mompelt Stijn. ‘Wat is het dan wel?’ vraagt Andreas. Het lijkt wel … Het is … ‘Een vliegende schotel!’ gilt Stijn met overslaande stem.
4
‘Ssst, niet zo luid!’ zegt Andreas en hij geeft Stijn een duw. ‘Straks hoort papa ons!’ ‘Maar kijk dan, Andreas, het is echt een vliegende schotel!’ fluistert Stijn opgewonden. Andreas tuurt ingespannen naar het toestel. ‘Hij vliegt niet, hij valt,’ zegt hij. ‘Er is iets mis!’
5
Andreas heeft het goed gezien. De schotel valt als een baksteen uit de lucht en botst met horten en stoten op en neer. Er komt rook uit één van de motoren en het toestel helt helemaal naar één kant over. ‘Straks valt hij nog op je dak!’ zegt Stijn. Het toestel is al zo dichtbij dat ze de bestuurder kunnen zien. ‘Het … het lijkt wel een meisje! Een blauw meisje, met lange, groene haren!’ Andreas is zo opgewonden dat hij rechtop staat op de verkleedkist en met zijn neus tegen het raam plakt. Hij kan haar nu heel goed zien. Het meisje is druk in de weer. Ze duwt op knopjes en schuift metertjes heen en weer. Met één hand houdt ze de stuurknuppel vast. Ze probeert uit alle macht de vliegende schotel recht te houden. In een laatste poging om zacht te landen scheert het toestel over het gras.
6
Heel even lijkt het haar te lukken. Maar dan draait de schotel plots de andere kant op en landt met een grote plof achter het tuinhuis, vlak bij het kippenhok. De kippen kakelen verontwaardigd en stuiven alle kanten op. Andreas en Stijn zitten met open mond te kijken naar wat er allemaal voor hun ogen gebeurt. ‘Kom mee,’ zegt Andreas, ‘het is geland achter het tuinhuis. We gaan kijken.’ ‘Wacht,’ zegt Stijn en hij wijst naar de ruimte. Ze zien opnieuw een klein lichtpuntje snel dichterbij komen. ‘Nog één!’ fluistert Stijn. ‘Man, dit lijkt wel een invasie van ruimtewezens!’
7
Een tweede vliegende schotel komt netjes aanvliegen en met een grote boog landt het toestel elegant en geruisloos op de grond. Een blauwe jongen met groen stekelhaar stapt uit. Hij rent naar het andere toestel en opent de laadruimte. Het blauwe meisje struikelt naar buiten. ‘Kom!’ zegt Andreas en hij trekt zijn vriend mee. ‘Wat gaan we doen?’ vraagt Stijn. ‘Ik wil gaan kijken!’ Andreas is zo nieuwsgierig dat hij niet stil kan staan. Hij hupt van het ene been op het andere en trekt zijn vriend aan zijn mouw. ‘Ben je gek? Wie weet, zijn ze wel gevaarlijk!’ ‘Ze zien er vriendelijk uit! En je hebt toch zelf gezien dat er een meisje bij is! Meisjes zijn niet gevaarlijk. Meisjes zijn lief. Kom, we gaan kijken.’ Zachtjes openen ze de slaapkamerdeur en glippen de trap af. Even later sluipen ze de tuin in. Gebukt lopen ze langs de haag naar de achterkant. Op hun knieën kruipen ze om de hoek van het tuinhuis.
8
Vlak voor hun neus zien ze twee vliegende schotels staan. De ene staat netjes op de grond. Het luik staat open, maar er is niemand te zien. De andere ligt een beetje op zijn kant en rookt nog na. De voorkant van de schotel is helemaal opengedraaid en de ruimtewezens staan allebei druk te schroeven en te sleutelen aan de motor. Andreas kruipt over het gras naar de schotel die vlakbij staat. ‘Wat doe je?’ fluistert Stijn. ‘Straks zien ze ons!’ Andreas gebaart dat hij moet meekomen. ‘Ik wil alleen maar even kijken.’ Stijn kruipt aarzelend achter Andreas aan, tot ze bij de schotel komen. Door de openstaande deur kunnen ze recht naar binnen kijken. ‘Waauw! Stijn, dit moet je zien!’ Andreas kijkt met open mond naar de binnenkant. In het midden staan er twee grote donkerblauwe stoelen. Elke stoel heeft op de armleuningen wel meer dan duizend knopjes staan.
9
Vooraan in het midden zijn er nog meer en zien ze ook hendels, en metertjes en lampjes. ‘We hebben het gezien,’ fluistert Stijn. Hij kijkt zenuwachtig in het rond. Straks merken de ruimtewezens hen op! ‘We gaan, Andreas!’ Stijn wil zijn vriend bij zijn arm grijpen, maar Andreas is al in de schotel gestapt. ‘Kijk dan toch, Stijn! Is dit niet fantastisch?’
10
Er zit voor Stijn niets anders op dan ook in te stappen. Door het raam kan hij de blauwe hoofden van de ruimtewezens zien. Ze hebben voorlopig niets in de gaten. Ze zijn druk in de weer om het defect aan het andere toestel te herstellen. Andreas ploft neer in een van de stoelen en draait lachend rond. Hij houdt met beide handen de stuurknuppel vast. ‘Moet je zien, Stijn! Ik ben een echte piloot! Vooruit, ga in die andere stoel zitten. Jij bent mijn copiloot!’ Met tegenzin laat Stijn zich in de tweede stoel zakken. ‘Waar zouden al die knopjes voor dienen?’ vraagt Andreas. ‘Die grote blauwe bijvoorbeeld …’ Nog voor Stijn iets kan zeggen, heeft Andreas al op de grote blauwe knop gedrukt. Met een klap valt de deur van de vliegende schotel in het slot.
11
De motoren beginnen te brommen en alle lichtjes in de cockpit flikkeren in rood en groen en blauw. ‘Wat doe je nu?’ roept Stijn verbaasd. Door het raam ziet hij de ruimtewezens met een ruk opkijken. Ze kijken hen ontzet aan! Ze hebben hen gezien en spurten nu hun richting uit. ‘Andreas!’ panikeert Stijn, ‘ze hebben ons gezien! Doe iets!’ ‘Euh … misschien deze …’ aarzelt Andreas. Hij duwt op een gele driehoekige knop die op zijn rechtse leuning staat. Er gebeurt niets. ‘Of misschien is het deze wel …of deze …’ Hij drukt op een rode knop, een oranje, een blauwe die flikkert, een groene die groter is dan de andere. ‘Of nee, deze moet het zijn …’ Een alarm gaat af en twee veiligheidsriemen schieten uit de zijkant van de stoel. Andreas en Stijn worden stevig vastgebonden. Ze kunnen nu geen kant meer op.
12
De ruimtewezens proberen de deur te openen, maar ze zijn te laat. Het toestel komt langzaam van de grond. ‘We stijgen op!’ gilt Stijn. ‘Andreas! Zet ons onmiddellijk weer neer!’ ‘Ik weet niet hoe dat moet!’ panikeert nu ook Andreas. ‘Misschien is dit het …’ Hij trekt aan een hendel. Het toestel schiet als een raket verticaal de lucht in. ‘Ooooooh nee …’ kreunt Stijn. Hij klampt zich stevig vast aan zijn stoel en houdt zijn ogen dicht. Plots maakt het toestel een scherpe bocht en ze vliegen hoger, en hoger, en hoger.
13
Ze vliegen door de melkwitte wolken. Als ze er boven uitkomen, draait de schotel een klein beetje naar links, om ruimte te maken voor een groot lijnvliegtuig dat voorbij scheert. Ze zijn zo dichtbij dat Andreas en Stijn de mensen achter de raampjes kunnen zien. Niemand merkt hen echter op. Iedereen slaapt of leest een boek. ‘We vliegen de ruimte in,’ merkt Andreas onder de indruk op. Zwijgend kijken ze naar de zwarte ruimte en de fonkelende sterren. In de verte wordt de blauwgroene aarde steeds kleiner. Andreas wilde altijd al astronaut worden, maar niet op deze manier. Geen van beiden weten ze wat te zeggen of te doen. Waar vliegen ze naartoe? Kunnen ze ooit nog terugkeren? Worden ze door de ruimtewezens ontvoerd? Stijn verbreekt als eerste de gespannen stilte.
14
‘We moeten iets doen, Andreas! We moeten terug naar de aarde!’ Andreas kijkt rond. Er zijn zoveel knopjes en hendeltjes en metertjes! Eentje daarvan moet hen toch weer thuis kunnen brengen. ‘Zal ik dit knopje proberen …’ ‘AFBLIJVEN! BLIJF AF! NIET AANKOMEN!’ Een diepe rauwe stem buldert plots door de luidsprekers. Andreas schrikt zo fel dat zijn handen beginnen te bibberen. ‘BLIJF ZITTEN! KOM NERGENS AAN!’ Langzaam verschijnt de tweede vliegende schotel zwevend voor hun raam. De blauwe ruimtewezens kijken hen boos aan. ‘BLIJF ZITTEN! KOM NERGENS AAN!’
15
De ruimtewezens blijven vlak voor hen vliegen en gebaren dat ze niet mogen bewegen. ‘Ze kijken niet blij,’ zegt Stijn met een trillende stem. ‘Ik hoop dat ze ons weer naar huis willen brengen.’ Aan de zijkant van hun toestel gaat plots een klein geel luik open. Een grote soepele arm komt langzaam naar buiten. De blauwe jongen bestuurt de arm met zijn stuurknuppel zachtjes richting het toestel van Andreas en Stijn. Na wat heen en weer zweven horen ze een zachte klik boven hun hoofd. Onmiddellijk doven alle lichten uit en vallen de motoren stil.
16
‘Ze hebben de controle over ons toestel overgenomen,’ merkt Andreas op. ‘Eigenlijk is het toestel van hen, en niet van ons,’ bromt Stijn, ‘en controle hadden we ook al niet echt.’ ‘Gaan we nu nog dieper de ruimte in?’ Stijn kan de angst in zijn stem niet meer verbergen. ‘Misschien nemen ze ons wel mee naar hun planeet!’ ‘Ik denk het niet,’ sust Andreas, ‘volgens mij keren we terug naar de aarde. Kijk maar, die komt weer dichterbij.’ Stijn ziet het nu ook. Oef! Ze worden niet ontvoerd! Samen kijken ze hun ogen uit tijdens de vlucht. Ze scheren langs de Eiffeltoren in Parijs en zigzaggen tussen de glimmende bollen van het Atomium in Brussel. Dan komt het tuinhuis weer in zicht. Ze gaan landen. Eerst wordt de schotel van Andreas en Stijn neergezet. Hun toestel landt met een zachte plof op het gras achter het tuinhuis.
17
Maar dan gaat het mis. De schotel van de ruimtewezens raakt plots uit balans. In plaats van te landen, wijkt het van zijn koers af! De ruimtewezens schuiven over de grond en botsen dan met de zijkant tegen de appelboom. Het luik gaat open en de blauwe jongen springt uit het toestel. Nijdig loopt hij met grote stappen naar de schotel waar Andreas en Stijn in zitten. Met een druk op een knop opent hij de deur en springen ook de veiligheidsgordels los. ‘ERUIT! ALLEBEI!’ brult hij boos. Andreas en Stijn vallen over elkaar heen het toestel uit. Ze komen samen op een hoopje neer, vlak voor de voeten van de blauwe jongen. ‘Hoe halen jullie het in je hoofd om mijn schotel te stelen? Ik zou jullie ter plekke moeten neerschieten! Jullie hadden voor eeuwig kunnen verdwalen in de ruimte! Beseffen jullie dat wel?’ Het blauwe meisje komt er nu ook bij staan. Ze legt haar hand op de arm van de jongen.
18
‘We hebben een probleem,’ zegt ze rustig, ‘er zit een grote deuk in mijn schotel.’ ‘Ook dat nog!’ schreeuwt de jongen. ‘Dit is allemaal jullie schuld!’ ‘Het spijt ons,’ stamelt Stijn, ‘het was niet onze bedoeling om je schotel te stelen. We wilden alleen maar kijken. Toen viel de deur in het slot en konden we niet meer weg.’
19
‘We moeten de deuk snel repareren,’ zegt het meisje bezorgd. ‘We moeten voor zonsopgang weg zijn, anders zitten we hier voor eeuwig vast!’ ‘We zullen helpen met de reparatie!’ stelt Andreas voor. De blauwe jongen kijkt hem bedenkelijk aan. ‘Weet jij soms waar we hier herstellingsmateriaal kunnen vinden?’ zegt hij twijfelend. ‘Wat heb je nodig?’ vraagt Andreas. ‘Om de deuk te repareren heb ik gaas nodig en een doek. Met een deuk kan dit toestel namelijk niet vliegen. De lucht moet er vlot overheen kunnen stromen en met een deuk kan dat niet.’ ‘Ik heb misschien een oplossing,’ zegt Andreas. Hij rent naar het kippenhok en trekt met een grote ruk het kippengaas los. ‘Alsjeblieft, hier is gaas,’ zegt hij.
20
Dan rent hij naar de wasdraad waar zijn moeder enkele lakens te drogen heeft gehangen. Hij neemt er twee mee en geeft ze aan het meisje. ‘Alsjeblieft, doek,’ zegt hij. ‘Hiermee moet het lukken!’ glimlacht het meisje zacht. Andreas krijgt het plots warm en kijkt verlegen naar de grond.
21
Samen gaan ze aan de slag. Andreas en Stijn plooien het gaas zo goed en zo kwaad als het kan. Met kleefband kleven ze het tegen de deuk. Met een aantal nietjes spannen de ruimtewezens de doeken over het gaas heen. Het moet goed strak zitten, zodat de lucht eroverheen kan stromen. Het wordt al langzaam licht wanneer het werk eindelijk klaar is. Onwennig kijken ze elkaar aan. ‘Bedankt om ons uit de ruimte te plukken,’ grijnst Stijn. ‘Jullie bedankt om te helpen,’ knikt de blauwe jongen.
22
De ruimtewezens lopen elk naar hun eigen schotel en stijgen op. Andreas en Stijn kijken ze na tot ze het stipje echt niet meer kunnen zien. Ze sluipen weer naar boven en rollen doodmoe hun bed in. Het lijkt pas vijf minuten later wanneer de vader van Andreas op de deur klopt. ‘Opstaan luilakken! De zon schijnt! Het is tijd om buiten te spelen!’ De jongens slenteren de trap af. Ze kunnen hun ogen amper openhouden. ‘Wat zijn jullie stil vandaag,’ lacht mama, wanneer ze zwijgend aan de keukentafel zitten. ‘De kippen lopen los in de tuin!’ roept Marie. Ze wijst naar de tuin waar papa probeert ze te vangen. ‘Er zijn vannacht dieven langs geweest,’ vertelt mama. ‘En weet je wat ze gestolen hebben? Het kippengaas en onze lakens. Wie steelt nu zoiets!’
23
‘Het waren vast geen dieven,’ zegt Andreas met een knipoog naar Stijn. ‘Het waren blauwe buitenaardse wezens. Een jongen met groen stekelhaar en een meisje met lange groene haren. Ze hadden pech met hun vliegende schotels.’ ‘Echt waar?’ vraagt Marie met grote ogen. ‘Lach er maar mee,’ zegt mama. ‘Jullie mogen dadelijk papa gaan helpen om de kippen te vangen!’ ‘En Andreas is verliefd,’ giechelt Stijn, ‘op dat meisje met de lange groene haren!’ Mama kijkt hen hoofdschuddend aan. ‘Had ze ook blauwe ogen misschien?’ ‘Nee,’ proest Stijn uit, ‘maar wel blauwe oren!’ Andreas trapt onder tafel hard tegen de schenen van zijn beste vriend. ‘Hou je kop!’ fluistert hij met rode wangen, ‘straks geloven ze ons nog!’
24
Stijn blijft logeren bij zijn beste vriend Andreas. Samen kijken ze naar de sterren en de volle maan. Dan zien ze een vallende ster en mogen ze een wens doen!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Yoeri Slegers Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.