Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 5 - N2 - Wolf is het beu

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Wolf is het beu Kolet Janssen

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

3


Wolf is het beu

1 ‘Roodkapje, kom eens hier!’ roept mama. Het meisje loopt naar de keuken. Daar rolt haar mama een stapeltje wafels in een handdoek en stopt ze in een mandje. ‘Breng dit naar je oma,’ zegt mama. ‘Neem het pad door het bos, maar blijf nergens staan. En pas op voor de wilde dieren!’ Het meisje rolt met haar ogen. ‘Eekhoorns lusten geen wafels, hoor!’ lacht ze. ‘In het bos zitten ook gevaarlijke dieren,’ zegt mama. ‘Ik hoop dat je ze niet te zien krijgt, maar je moet op alles voorbereid zijn. Ga nu maar gauw, want je oma ligt ziek in bed.’ ‘Ja, mama,’ zucht het meisje. Ze trekt haar jas aan. ‘En vergeet je rode mutsje niet!’ roept mama haar achterna.

1


Roodkapje steekt stiekem haar tong uit. In dat stomme, rode mutsje heeft ze echt geen zin. Maar ze doet braaf wat haar mama vraagt en trekt het rode kapje over haar oren. Ze neemt zich voor om het in haar zak te proppen, zodra ze in het bos is.

2 Roodkapje trekt het tuinhek achter zich dicht en loopt zo het bos in. De blaadjes aan de bomen zijn nog klein. Tussen het mos groeien witte en gele bloemetjes. Boven haar hoofd fluiten de vogels. Roodkapje wordt er goedgehumeurd van. Ook al heeft ze niet veel zin om helemaal naar oma te stappen. Zo saai, zo’n lange wandeling! Opeens hoort Roodkapje geritsel in de struiken. Een spitse kop komt tevoorschijn. Twee zwarte ogen kijken haar nieuwsgierig aan. Het dier opent zijn muil en lacht zijn tanden bloot.

2


3


‘Goedemorgen, meisje!’ Roodkapje blijft stokstijf staan. Is het een hond? Hij heeft een bruingrijze vacht. Maar hij is zo groot! En zijn kop is zo anders … ‘Wie ben jij?’ vraagt ze argwanend1. ‘Mijn naam is Wibo Wolf. En hoe heet jij, lief meisje?’ Hoe weet dat beest dat ik lief ben, denkt Roodkapje. Maar ze steekt haar neus in de lucht, om niet te laten zien dat ze een beetje bang is. ‘Ik ben Roodkapje!’ Wibo Wolf lacht. Het klinkt alsof er kleine steentjes achter in zijn keel tegen elkaar rammelen. ‘Mag ik een eindje met je meelopen, Roodkapje?’ ‘Mij best,’ schokschoudert2 Roodkapje. ‘Ik moet helemaal naar de andere kant van het bos. Daar woont mijn oma.’ ‘Wat lief dat je op bezoek gaat bij je oma,’ glimlacht Wibo Wolf. ‘Ik moet van mijn moeder,’ geeft Roodkapje toe. ‘Oma is ziek en ik moet haar wafels brengen.’ Wibo Wolf barst in lachten uit. ‘Precies zoals in het sprookje! Daarom heb je natuurlijk ook dat rode mutsje op.’ Roodkapje grist3 snel het rode kapje van haar haren en propt het in de zak van haar jas. ‘Dat moet ik van mijn mama opzetten,’ zegt Roodkapje. ‘Het is veilig, want je ziet mij al van ver met dat mutsje. En ze vindt rood perfect passen bij mijn zwarte haren.

4


Zo lang ik me kan herinneren, maakt ze steeds weer rode mutsjes voor mij. Daarom noemt ze me zelfs Roodkapje. Terwijl ik eigenlijk gewoon Lisa heet. Maar iedereen noemt me intussen Roodkapje.’ Roodkapje kijkt Wibo even aandachtig aan. ‘Jij bent toch geen echte wolf, of wel? Mama zei dat ik moest oppassen voor de dieren in het bos. Maar tot nu toe heb ik hier alleen spechten en eekhoorntjes gezien.’ Wibo Wolf buigt zijn hoofd. ‘Je bent niet alleen lief, je bent ook nog slim,’ zegt hij. ‘Ik moet opbiechten4 dat ik inderdaad een wolf ben.’ Met wijd opengesperde ogen kijkt Roodkapje hem aan. Ze klemt haar handen om het hengsel van het mandje met wafels. Maar eigenlijk is ze eerder bang dat de wolf zijn tanden in haar billen zal zetten.

5


3 ‘Tot ziens dan maar weer,’ zegt Roodkapje flink. ‘Ik loop liever alleen verder.’ ‘Hé toe nou, meisje, doe niet zo ongezellig,’ zegt Wibo Wolf. ‘Ik eet je heus niet op. Ik heb net zo goed mijn buik vol5 van dat stomme sprookje als jij!’ Ze stappen samen verder. Roodkapje weet niet goed wat ze ervan moet denken. Is het toeval dat ze die wolf hier ontmoet? Het lijkt wel alsof ze echt in het sprookje is beland! Dat is toch te gek voor woorden! En ze heeft nog wel zo’n hekel aan dat rare verhaal. ‘Jij hebt tenminste nog een heldenrol in dat sprookje,’ zegt Roodkapje. ‘De wolf eet eerst het meisje en dan ook nog haar oma op!’ ‘Vind je?’ sneert6 Wibo Wolf. ‘Het loopt wel niet zo goed af met die wolf, hoor! De jager schiet hem morsdood, pief poef paf!’ Roodkapje haalt haar schouders op. ‘Nou ja, als die wolf twee mensen heeft vermoord, is het niet meer dan normaal dat hij wordt doodgeschoten.’ Wibo Wolf steekt zijn kop omhoog en lacht huilend. ‘Dat geloof je toch zelf niet? Zie ik eruit alsof ik elk ogenblik een mens kan aanvallen en opeten?’ Roodkapje kijkt hem twijfelend aan.

6


7


‘Ik vind mensen zelfs helemaal niet lekker!’ gaat Wibo Wolf verder. ‘Mensen zitten te veel stil. Er zit geen smaak aan hun vlees! Geef mij maar een lekkere patrijs7 of een reeboutje, daar lik ik mijn snorharen bij af. Maar mensen, nee … Bah! Die smaken naar zaagsel. Dan word ik nog liever vegetariër8.’ Roodkapje betrouwt het nog niet helemaal, maar ze besluit om open kaart9 te spelen. ‘Dus je zou mij bijvoorbeeld nooit opeten?’ vraagt ze voor de zekerheid. Wibo Wolf legt een poot op zijn hart. ‘Ik zweer van niet!’ zegt hij plechtig. ‘Kleine meisjes smaken van alle mensen nog het slechtst. Daar zit geen grammetje vet aan! Alleen botjes en vel, nee, daar pas ik voor. Je kunt gerust zijn, ik eet nog liever paddenstoelen.’ Wolf trekt een vies gezicht. ‘Waarom gaan sprookjes dan altijd over wolven die mensen opeten?’ vraagt Roodkapje. ‘Er staat zo veel onzin in sprookjes,’ zegt Wibo Wolf. ‘Als je dat allemaal moet geloven!’

8


4 ‘Dat is waar,’ geeft Roodkapje toe. ‘Ik haat het ook als mijn mama me in de rol van Roodkapje-uit-het-sprookje wil duwen. Zo ben ik helemaal niet!’ ‘Vertel eens,’ dringt Wibo Wolf aan, ‘waarin ben je dan anders?’ ‘Ik heb je al verteld dat ik dat domme, rode mutsje meer dan beu ben,’ begint Roodkapje. ‘En verder ben ik echt niet zo gek dat ik van het pad weg zal lopen. De kortste weg naar oma is gewoon over dat pad, en ik wil echt niet voor mijn plezier nog langer in dat stomme bos rondwandelen.’ Wibo Wolf knikt begrijpend. ‘En ik ben ook niet zo dom dat ik gezellig zal gaan praten met een gevaarlijke wolf!’ roept Roodkapje uit. ‘Of eigenlijk …’ Ze blijft staan en kijkt onderzoekend naar Wibo. Die doet alsof hij niets merkt. ‘Haha, natuurlijk niet!’ zegt hij. ‘Tenzij die wolf helemaal niet gevaarlijk blijkt te zijn, hè?’ ‘Precies,’ zegt Roodkapje opgelucht. Ze strijkt haar haren achter haar oren. Het is toch oké wat ze doet? Het is toch te gek om elke wolf als een moordenaar te behandelen? ‘Ik ben blij dat ik eindelijk eens een verstandig mens ontmoet,’ zegt Wibo Wolf. ‘Je kunt je niet indenken hoe ik de pest heb aan al die mensen die mij alleen als een gevaarlijke sprookjesfiguur zien en meteen beginnen te gillen als ik hen toelach.’

9


10


Roodkapje glimlacht vereerd. ‘Dat komt omdat ze dan je tanden zien,’ legt ze uit. ‘Denk je?’ vraagt Wibo verbaasd. Het is waar dat zijn tanden blinkend wit en superscherp zijn. ‘Ik poets ze elke dag twee keer! Maar dat is toch geen misdaad?’ Roodkapje lacht. ‘Zeker niet,’ zegt ze. Ze aait Wibo even zachtjes over zijn rug. Het voelt veel stugger10 aan dan ze had verwacht. Helemaal niet zoals de knuffelbeer in haar bed. Eerder als de stekelige vloermat die voor de tuindeur ligt. ‘Ik ben het beu dat iedereen bang voor me is,’ zegt Wibo zachtjes. ‘Altijd en eeuwig krijg ik als wolf overal de schuld van. Terwijl ik helemaal niet gevaarlijk ben. Ik hou gewoon van wandelen in het bos …’ Met grote, droevige ogen kijkt Wibo Roodkapje aan. Ze knikt meelevend. Het is inderdaad niet rechtvaardig. Daar moet iets aan gedaan worden!

11


5 ‘Kijk toch eens wat een mooie bloemetjes!’ roept Wibo opeens uit. Roodkapje kijkt verwonderd om zich heen. De bloemetjes zien er hier niet anders uit dan waar ze daarstraks liepen. Kleine gele en witte kroontjes op korte steeltjes. ‘Zou je oma het niet heerlijk vinden om een boeketje bloemen te krijgen van jou?’ vraagt Wibo.

12


‘Nee,’ weet Roodkapje zeker. ‘Oma houdt niet van bloemen in vazen. Dat zegt ze zo vaak dat niemand haar met haar verjaardag nog snijbloemen durft te geven. Bloemen horen bij hun wortels, zegt ze altijd. Nee, dat moet ik echt niet doen!’ Wibo blijft zonder iets te zeggen staan bij een heel veldje witte bloemetjes. Hij kijkt smekend naar Roodkapje, maar die heeft niets in de gaten. Daar gaat zijn mooie plannetje … ‘Mijn oma is een heel bijzondere vrouw,’ vertelt Roodkapje. ‘Je kunt haar alles vragen en je krijgt altijd een eerlijk antwoord. Weet je wat, waarom ga je niet met me mee naar oma, Wibo? We leggen haar je probleem voor. Je zult zien dat ze er een goede oplossing voor kan bedenken!’ ‘Ik weet het niet,’ twijfelt Wibo. ‘Zal zo’n oud dametje niet schrikken als ze een wolf voor haar deur ziet staan? Niet iedereen is zo dapper en slim als jij!’ Roodkapje gloeit van trots. ‘Oma is van niets of niemand bang,’ zegt ze dan. ‘Ze zal het interessant vinden om een wolf in levende lijve te ontmoeten. En zeker als je met mij meekomt, is er geen probleem.’ Wibo Wolf denkt even na. Het loopt vandaag helemaal anders dan gewoonlijk. Hij heeft dat meisje niet van het pad weg gekregen. Ze wilde geen bloemetjes plukken. Nu moet hij samen met haar naar oma. Dat is niet volgens het boekje! Maar toch loopt het niet helemaal fout.

13


14


Roodkapje vertrouwt hem wel, en dat betekent dat hij haar van alles kan wijsmaken. En die oude vrouw, die windt hij gewoon om zijn vinger11. ‘Oké, dan kom ik graag mee,’ zegt Wibo. ‘Op naar oma!’

6 Uit het bos loopt een smalle veldweg, die even later een kasseiweg wordt en daarna een asfaltweg. Daar zijn de huizen al. ‘Kijk, het tweede huis is dat van oma!’ wijst Roodkapje. Zonder aarzelen loopt ze naar de voordeur en belt aan. Ding-dong! ‘Wie is daar?’ klinkt de stem van oma. ‘Ik ben het, Roodkapje!’ zegt Roodkapje. ‘En ik heb een vriend bij me.’ Wibo lacht zijn tanden bloot. De deur gaat vanzelf open. ‘Ik lig in bed!’ roept oma. ‘Kom maar naar boven!’ ‘Ocharme, oma, ben je zo ziek?’ vraagt Roodkapje. ‘Welnee, kind, ik had gewoon geen zin om naar kantoor te gaan deze week. Ik heb de dokter wijsgemaakt dat ik de griep heb. En dus kan ik een hele week lang lekker uitrusten en genieten van alles wat ik maar wil.’ Oma ligt dwars over haar brede bed. Overal liggen kussens, boeken en tijdschriften. Roodkapje ziet ook een doos met chocolaatjes. Oma nipt van een glaasje wijn en zet het weer op het nachtkastje.

15


‘Wat zie je er vreemd uit, kind,’ zegt ze. ‘Waar is je rode mutsje?’ Oei! Roodkapje is helemaal vergeten om dat weer op te zetten! Snel haalt ze het mutsje tevoorschijn en trekt het over haar haren. ‘Het waaide zo hard in het bos, daarom heb ik het maar even afgedaan,’ liegt ze. ‘Zo?’ zegt oma. Het klinkt alsof ze er niet veel van gelooft. ‘En wie is die vriend van je?’ vraagt oma. ‘Dat is Wibo Wolf,’ zegt Roodkapje. ‘Een hele lieve wolf, helemaal niet zoals in het sprookje. Hij is erg verdrietig dat de mensen zo slecht over hem denken. Kunnen we daar niets aan doen, oma? Heb jij een goed idee hoe we aan de mensen kunnen duidelijk maken dat Wibo een lieve wolf is?’ ‘Hm,’ zegt oma. ‘We zullen eens kijken.’ Ze kijkt aandachtig naar Wibo. Die zet zijn eerlijkste snoet op. Hij houdt zijn tanden op elkaar en houdt zijn mond dicht. Oma mag geen verkeerde gedachten over hem krijgen! Opeens begint de buik van Wibo keihard te grommen. Wibo slaat zijn handen voor zijn buik. ‘Sorry! Ik heb erge honger,’ zegt hij. ‘Ik heb sinds gisteren niets meer gegeten.’ ‘En wat eet jij zoal?’ wil oma weten. ‘O, een boterhammetje met choco is prima,’ zegt Wibo braaf. ‘Dan zal een wafeltje er ook wel ingaan,’ meent oma.

16


17


Ze reikt naar het mandje van Roodkapje en haalt er de handdoek met wafels uit. Maar net als ze Wibo een wafel wil aanreiken, vraagt hij waar het toilet is. ‘De badkamer is op het einde van de gang,’ zegt oma. Als Wibo de kamer uitloopt, schiet oma snel als een slang achter hem aan. Ze legt haar vingers op haar lippen. Roodkapje loopt op haar tenen mee. Ze zien hoe Wibo blijft staan bij het raam dat op de tuin met het kippenhok uitkijkt. Daar lopen vijf kippen en een haan lekker te scharrelen. Wibo likt zijn lippen af en loopt dan verder naar de badkamer.

7 Oma pakt snel een sleutel uit de la van haar nachtkastje en sluipt naar de badkamer. Daar stopt ze de sleutel in het slot en draait hem om. ‘Ziezo, die hoeft geen mooie praatjes12 meer te verkopen!’ zegt ze. De mond van Roodkapje valt open. ‘Maar oma, wat doe je nu? Mijn vriend de wolf! Hij doet toch geen kwaad!’ ‘Zag je niet hoe hij naar mijn kippen keek?’ vraagt oma. ‘En denk je echt dat hij ons met rust zou laten? Meisje, ik vrees dat je een beetje dom bent geweest!’ Ze horen het geluid van de wc die wordt doorgespoeld. De deurklink beweegt.

18


‘Hé, laat me eruit!’ klinkt de stem van Wibo. Hij bonst op de deur. ‘Waarom sluiten jullie mij op? Ik doe toch niets verkeerds? Doe die deur open!’ ‘Jij houdt helemaal niet van wafeltjes, hè?’ vraagt oma. ‘Je kunt niet wachten voordat je een hapje mensenvlees te pakken krijgt!’

19


‘Maar oma!’ protesteert Roodkapje. ‘Wibo is juist heel aardig. Hij lust helemaal geen mensen.’ ‘Dat gaan we niet uitproberen,’ besluit oma. ‘Maar ik verwed er mijn glaasje wijn op dat hij een lekker hapje als jij niet zal laten liggen. Een wolf blijft nu eenmaal een wolf, lief kind, wat hij ook mag beweren.’ ‘Lelijk oud wijf!’ roept Wibo Wolf. ‘Doe onmiddellijk die deur open of ik scheur je aan stukken! Ik peuzel je op, van je vingerkootjes tot je oorlelletjes! En dat kleine mormel van een kleindochter van je erbij!’ De mond van Roodkapje valt open. Is dat dezelfde wolf waarmee ze gezellig pratend door het bos heeft gelopen? Ze loopt naar de badkamer en legt haar oor tegen de deur. ‘Wibo?’ zegt ze. ‘Je zei toch dat je geen mensen lustte? Waarom doe je opeens zo raar?’ Het wordt even stil in de badkamer. ‘Ach lieve Roodkapje, wat ben ik blij dat ik jou weer hoor! Je oma heeft me helemaal verkeerd begrepen. Ze heeft me opgesloten! En ik ben nog wel als jouw vriend mee op bezoek gekomen. Laat je me vrij? Draai gewoon even de sleutel om.’ Roodkapje kijkt naar de sleutel van de deur. Ze hoeft hem slechts om te draaien. Dan is Wibo weer vrij. Maar ergens in haar hoofd rinkelt een belletje. Ze gelooft Wibo niet meer. Hij zegt lelijke dingen. Heeft hij haar al die tijd iets wijsgemaakt?

20


Ze kan het bijna niet geloven, maar ze is toch ook niet zo gek dat ze zomaar de sleutel omdraait en hem bevrijdt …

8 Oma heeft intussen haar laarzen aangetrokken en haar telefoon tussen de kussens opgediept. Ze tokkelt op de toetsen. ‘Wat zoek je toch? Bel toch gewoon de 100 of de politie,’ zegt Roodkapje. Maar oma glimlacht. ‘Die hebben we niet nodig. Ik zoek het nummer van de dierenambulance. Die brengt je wolf wel naar een plek waar hij het leuk vindt en waar het toch geen kwaad kan.’ ‘Oké,’ zegt Roodkapje. Wibo heeft immers niemand kwaad gedaan, dus hoeft hij niet naar de gevangenis. Maar ze wil hem toch liever niet meer tegenkomen! Het is stil in de badkamer. Wibo Wolf bonkt niet langer op de deur. Hij wacht af, denkt Roodkapje. Ze hoopt maar dat de mannen van de dierenambulance hem geen pijn zullen doen. In de verte horen ze een sirene, die snel dichterbij komt. Oma gaat alvast naar beneden om de voordeur open te doen. Roodkapje ziet twee mannen met een net en een geweer de trap opkomen. ‘Nee, jullie mogen Wibo niet doodschieten!’ roept ze uit.

21


‘Niet bang zijn, het is alleen een verdovingsgeweer,’ legt één van de mannen uit. Hij probeert door het sleutelgat te kijken, maar hij ziet niets. Voorzichtig opent de andere man de deur op een kier, terwijl de man met het geweer klaar staat. Maar waar is Wibo Wolf? De badkamer is leeg! De mannen kijken in de wasmand, achter het douchegordijn en onder de wastafel. Maar de wolf is nergens te bespeuren. Oma wijst op het open raampje. Zou hij daar door zijn gesprongen?

22


Eén van de mannen steekt zijn hoofd door het raampje. ‘Dat moet wel,’ zegt hij. ‘Die beesten kunnen ver springen. Hij is zo te zien in uw rabarber geland en er dan vandoor gegaan.’ ‘Het bos is hier niet meer dan vijf minuten vandaan,’ zegt oma. ‘Dan heeft het weinig zin dat we hem gaan zoeken,’ zegt de andere man. ‘In het bos vinden we hem nooit.’ Oma biedt de mannen van de dierenambulance een glaasje wijn en een wafeltje aan. Roodkapje zucht. Wibo is weg. Daar is ze stiekem wel een beetje blij om. Een wolf hoort in het bos en niet in een kooi. De mannen en oma worden steeds vrolijker. ‘Roodkapje, moet jij niet eens naar huis?’ vraagt oma. Roodkapje knikt. Oma heeft haar duidelijk niet meer nodig. Ze zet haar kapje recht, zwaait naar oma en stapt de deur uit. Gaat ze naar het bos? Waar Wibo rondloopt? Nee hoor. Vandaag neemt Roodkapje netjes de bus.

23


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

argwanend = wantrouwig schokschouderen = de schouders ophalen grissen = snel pakken opbiechten = zeggen wat je denkt de buik vol = er genoeg van hebben sneren = snauwen patrijs = kleine kipachtige vogel vegetariër = iemand die geen vlees of vis eet open kaart spelen = eerlijk zijn, niets verbergen stug = niet zacht en soepel iemand om zijn vinger winden = iemand kunnen laten doen wat jij wilt 12 mooie praatjes verkopen = dingen vertellen alleen om iemand voor je in te nemen

24


Een meisje met een rood mutsje moet naar haar oma met een mandje wafels. In het bos ontmoet ze een wolf. Maar vanaf dan loopt alles anders dan je denkt …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Aleksandra Krawczycka Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 5 - N2 - Wolf is het beu by die Keure - Issuu