Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 4 - N2 - Alles-op-wielendag

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Alles-op-wielendag Christina Guirlande

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

3


Alles-op-wielendag

1


Het was al half november, en toch was het nog altijd terrasjesweer1. Niemand had dit ooit meegemaakt. Ook de oudere mensen niet. ‘Wacht maar tot het weer omslaat, dan zullen wij het lastig hebben!’ Dat zei de opa van Piet. ‘Ach,’ antwoordde de opa van Eva, ‘dat zien we dan wel. Nu genieten we van het zonnetje, zo lang het nog kan.’ Hij kneep in Eva’s hand en knipoogde. Hij vond die opa van Piet soms een echte zeurpiet. Goede vrienden kon je die twee opa’s niet noemen. Ze brachten elke morgen hun kleinkind naar school, dat wel. En daar bleef het bij. Voor de opa van Piet was het altijd te droog of te nat. Of te vroeg of te laat. Of te groot of te klein. Hij zeurde over alles en nog wat. Piet lachte soms naar de opa van Eva. Alsof hij wilde zeggen: ‘Mijn opa is een brompot, maar ik vind hem lief, want hij is mijn opa.’

2


Piet liet de hand van zijn opa los en liep voorop, tot aan de speelgoedwinkel. Dat deed hij elke dag. Hij keek naar de grote doos met legoblokken in de hoek. Die had hij gevraagd aan Sinterklaas. Zijn ogen werden rond als knikkers en hij zuchtte. Nog drie weken wachten. Wat lang, dacht hij hardop. Toen keek hij naar de andere hoek. Daar stond een knalrode sportwagen, op het onderste rek. Naast een busje en een vrachtauto. Die sportwagen had hij ook wel graag gekregen, maar mama was niet akkoord. ‘Eén stuk speelgoed is meer dan genoeg,’ zei ze. Piet had haar willen vragen of ze soms één legoblokje bedoelde, maar hij had toch maar niets gezegd. Eva was naast Piet komen staan. ‘Wat heb jij gevraagd?’ vroeg hij nieuwsgierig. ‘Een slaapzak,’ zei Eva. ‘We gaan volgende zomer op kamp.’ ‘Een slaapzak is toch geen speelgoed!’ ‘Moet dat dan?’ vroeg Eva. ‘Sinterklaas heeft alles, hoor!’ Zonder dat Piet het zag knikte ze naar haar opa. En die knikte terug. Ze begrepen elkaar.

3


Er was nog iemand die knikte, aan de andere kant van het venster: de baas van de speelgoedwinkel. Piet en Eva staken hun hand op en wuifden. De baas van de winkel heette meneer Tokkelmans. Dat was niet zijn echte naam. Die kenden de kinderen niet. Meneer Tokkelmans was een dichter. Hij schreef elke dag een nieuw gedicht. En soms ook een liedje. Daar schreef hij dan muziek bij. En hij zong zijn eigen mooie liedjes met zijn eigen mooie stem. Elke dag. En terwijl tokkelde hij op zijn gitaar. Daarom noemde iedereen hem meneer Tokkelmans. De speelgoedwinkel had ook een naam. Die was in grote letters op de gevel geschilderd, boven het uitstalraam: SPEELGOEDLAND Soms stond er een mevrouw achter de toonbank van de winkel. Dat was mevrouw Tokkelmans. Maar niemand noemde haar zo. Ze werd heel boos als ze die naam hoorde. Mevrouw Tokkelmans was dan ook geen dichter. En ze zong geen liedjes. Ze verkocht alleen speelgoed. Daarom zei iedereen gewoon mevrouw. ‘We moeten voortmaken of jullie komen te laat op school! En dan zwaait er wat!’

4


5


Dat was de opa van Piet. Piet en Eva luisterden onmiddellijk. Ze wilden geen herrie met meester Ivo, want die had een hekel aan laatkomers. Bij de schoolpoort gaven de kinderen hun opa een vlugge zoen, en weg waren ze. Dat was op het nippertje! Ze liepen onmiddellijk naar hun plaats in de rij en stapten opgelucht hun klaslokaal binnen. De opa’s bleven nog enkele ogenblikken staan en toen gingen ze ook weg. De klasdag kon beginnen.

6


Meester Ivo was die morgen bijzonder goedgezind. Op maandagmorgen was hij gewoonlijk heel streng. Wie zijn huistaak niet had gemaakt, kreeg er altijd nog werk bij. Maar nu werd meester Ivo niet boos. Op niemand. Ook niet op Sep, die weer maar eens een half uur te laat de klas binnenstormde. Meester Ivo bleef glimlachen. Alle kinderen waren er nu zeker van: er was iets aan de hand, maar wat? ‘Meester Ivo is verliefd,’ fluisterde Tim. ‘Kan niet! Hij heeft al een vrouw en twee kinderen,’ wist Lena. Het moest iets anders zijn, iets heel anders. ‘Misschien heeft hij veel geld gewonnen en is hij nu schatrijk. En rijke mensen doen soms vreemd,’ zei Mon. Tijdens de speeltijd liepen er op de speelplaats wel vijf juffen en meesters rond. En die hadden allemaal een blij gezicht. Zouden die ook opeens rijk geworden zijn? ‘We vragen het aan onze meester, na de speeltijd, op de man af,’ zei Piet stoer.

7


Maar dat was niet nodig, want meester Ivo was iedereen voor. Hij kuchte een paar keer en het werd onmiddellijk muisstil in de klas. ‘Ahum,’ begon hij, ‘over enkele weken vieren wij een heel bijzondere verjaardag!’ Alle kinderen keken naar elkaar. Ze waren toch allemaal al jarig geweest! Behalve Mon. Die verjaarde pas in de kerstvakantie. ‘Sinterklaas is over enkele weken jarig!’ riep iemand. De hele klas schoot in de lach, ook meester Ivo. Hij bedoelde helemaal niet Sinterklaas. ‘Wie dan wel meester? Wie?’ riepen de kinderen in koor.

8


Meester Ivo wachtte even met zijn antwoord. Hij keek zijn leerlingen een voor een aan. Hij genoot zichtbaar van hun ongeduld. ‘Er is niet IEMAND jarig maar IETS,’ glunderde hij. Opnieuw keken de kinderen elkaar aan. Iets kon toch niet jarig zijn! Meester Ivo had hun gedachten geraden. ‘Toch wel,’ zei hij, ‘onze school is jarig! Ze wordt heel binnenkort honderd jaar oud!’ ‘Waauw!’ klonk het door de klas. ‘Wat oud! Is het dan feest, meester?’ ‘Natuurlijk is het dan feest! Groot feest zelfs! Met alles erop en eraan!’ Enkele kinderen keken heel teleurgesteld. Een feest met alles erop en eraan betekende met drankjes en hapjes. En met lange, saaie toespraken. Niets voor kinderen dus. ‘Wees gerust,’ lachte meester Ivo, ‘voor jullie is er een ander feest, de dag daarna.’ ‘Krijgen wij dan helemaal geen hapjes?’ vroeg Piet. ‘Dat vind ik niet eerlijk!’ ‘Toch wel, hoor. Er zullen hapjes genoeg zijn.

9


En er zal ook drank zijn, frisdrank welteverstaan.’ ‘Hoe ziet óns feest er dan uit?’ wilde Eva weten. De hele klas hing aan de lippen van meester Ivo. En weer liet hij de kinderen wachten. ‘Zeg het meester, toe,’ bedelden ze. ‘Wel, voor jullie, en voor de meesters en de juffen, is die feestdag een alles-op-wielendag! Wij komen allemaal naar school … op wielen!’ ‘Pfff, dat doe ik nu al,’ zei Roos, ‘met mijn rolstoel!’ ‘En ik met mijn fiets,’ zei Mon, ‘elke dag, ook als het geen feest is. Dat is heel gewoon …’ Hij klonk teleurgesteld en een beetje boos. ‘En ik word altíjd al met de auto gebracht,’ zei Fien. Het werd rumoerig in de klas. Meester Ivo wist niet meer hoe hij zich uit de slag moest trekken2. Gelukkig stak Eva haar hand op. ‘Zeg het maar, Eva.’ ‘Ik denk dat onze meester niet alles heeft verteld.’ Meester Ivo keek Eva dankbaar aan en knikte. ‘Inderdaad,’ zei hij, ‘die dag is er vanzelfsprekend geen les. We maken er een bijzondere dag van. Er wordt een mooi parcours3 uitgestippeld en er zijn prijzen te winnen.’

10


’Hoera!’ klonk het luid, als uit één mond. Opeens was iedereen in een vrolijke stemming. Zeker nadat de meester zei dat alles meetelde wat wielen had: een fiets, een step, rolschaatsen, een skateboard, een kinderwagen, een zeepkist4, een bolderkar5, een gocart, een poppenwagen, een kruiwagen … ‘En een rolstoel!’ zei Roos, om het lijstje volledig te maken. ‘Een winkelwagen, mag dat ook?’ vroeg Oskar. ‘Die niet,’ vond meester Ivo. ‘Laat die maar netjes bij het warenhuis staan.’

11


Er was nog iets wat meester Ivo moest zeggen. Het verjaardagsfeest met de toespraken zou op zaterdag plaatsvinden. Het feest voor de kinderen … op een zondagnamiddag. ‘Op een zondag naar school? Nee toch!’ riep Theo. ‘Dan ga ik joggen!’ ‘Tja, ik weet het, jullie hebben op zondag alles en nog wat te doen. Maar onze school wordt maar één keer honderd jaar. En jullie mogen supporters meebrengen. Hoe meer, hoe liever: mama’s, papa’s, oma’s en opa’s. Ooms en tantes, buren en vrienden, grote en kleine broers en zussen …’ ‘Mijn hond ook?’ vroeg Oskar. Meester Ivo aarzelde en wreef over zijn kin. ‘Voor die ene keer wel,’ knikte hij. ‘Meester,’ vroeg Mon, ‘wat als het pijpenstelen regent?’ ‘En als het vriest dat het kraakt?’ vulde Piet aan. Tja, wat dan. Daar had niemand aan gedacht. ‘Dat lossen we wel op,’ antwoordde meester Ivo met een zorgenrimpel in zijn voorhoofd, ‘we hebben gelukkig een keigrote nieuwe sportzaal.’

12


Hij wilde nog zeggen dat hun voertuig mooi versierd moest zijn. En dat iedereen zich mocht verkleden. Maar daar was geen tijd meer voor. Want daar rinkelde luid de middagbel en iedereen had honger. Het werd een drukke tijd op school. In de les deden alle kinderen flink hun best. Meester Ivo moest niemand op het matje roepen. Maar op de speelplaats werd er bijna niet meer gespeeld. De kinderen stonden meestal in groepjes bij elkaar en beraamden6 plannen. De ene klas zorgde er wel voor dat de andere er niets over te weten kwam. Soms speelde iemand van een andere klas voor spion. Maar die werd heel vlug ontdekt. De spion maakte zich dan vliegensvlug uit de voeten.

13


De kinderen telden de dagen af naar Sinterklaas, maar nog meer naar de ‘alles-op-wielendag’. Ze tekenden, knipten en plakten. Ze fluisterden en deden heel erg geheimzinnig. Wie voorbij SPEELGOEDLAND kwam, op weg naar of van school, bleef niet meer staan. Tenzij om stiekem iets af te tekenen. Meneer Tokkelmans snapte niet waarom, maar hij bleef zingen. Elke dag. En altijd even mooi.

14


Sinterklaas kwam op een vrijdag. De twee volgende dagen werd er wat minder aan het feest op school gedacht. Het nieuwe speelgoed kreeg voorrang. En Eva moest, jawel, haar slaapzak uitproberen. Maar daarna begon de dolle week. Na school werden er bij de kinderen thuis papieren strikken en bloemen geknoopt en gevouwen. Ouwe kleren, hoeden en petten werden gepast. Fietsen en steppen gelakt7 of opgepoetst. Karren en kruiwagens beschilderd. Poppenwagens en kinderwagens opgedekt. En iedereen telde mee de dagen af. Ook de opa van Piet, die gelukkig helemaal vergeten was te zeuren. De opa van Eva had de bolderkar van de zolder gehaald. En samen hadden ze de kar een likje verf gegeven. Ze leek wel splinternieuw. Nu nog een kussentje in de kar en wat strikken en linten, en klaar was Kees. Eva moest ook iemand vinden om op de dag van het feest de kar te trekken. En die was vlug gevonden. ‘Dat doe ik wel, of wat had je gedacht,’ zei haar opa. ‘Als het mag, natuurlijk.’ Eva was er zeker van dat het mocht. Lang geleden, toen opa klein was, zat hij op dezelfde school.

15


Piet oefende de hele week met zijn rolschaatsen. Hij wilde op zondag aan iedereen zijn kunstjes tonen. Wat zouden ze grote ogen opzetten! Soms maakte hij een omweg langs de speelgoedwinkel. Hij moest zich dan wel haasten want het was vroeg donker. Hij wilde weten of de sportwagen er nog stond. Gelukkig, hij was nog altijd niet verkocht. De doos met legoblokken was weg. Die had hij zelf gekregen met Sinterklaas. Op zaterdag was de lucht helemaal donker. Meesters en juffen, kinderen en ouders, de schooldirecteur en de burgemeester, ze hielden allemaal hun hart vast8. Het mocht niet regenen, niet sneeuwen, niet vriezen. Dat zou een heel grote tegenslag zijn. Er gebeurde wel een ander ongeluk. Toen Piet die namiddag een laatste keer oefende, bleef hij met een rolschaats in het rioolrooster steken. Piet viel voorover, met zijn hoofd op de rand van het voetpad. De huizen in de straat draaiden in het rond als een kermismolen. Piet hoorde nog de sirene van een ziekenwagen. Daarna niets meer.

16


17


‘Hebben jullie het ook gelezen?’ vraagt opeens de rode sportwagen aan de vrachtauto en het busje. ‘Wat dan wel?’ klinkt het verbaasd. ‘Er is morgen een alles-op-wielendag op school. Het staat op de poster die voor het raam hangt. Ik doe mee!’ ‘Jij bent niet goed wijs,’ bromt de vrachtwagen. ‘Het is heel gevaarlijk op straat!’ zegt het busje. ‘Jullie zijn angsthazen. Ben ik een sportwagen of niet? Ik ben gemaakt om hard te rijden. Laat mij maar doen.’ ‘Hoe kom je hier weg?’ wil de vrachtwagen weten. ‘Heel eenvoudig, als de deur van de winkel opengaat, geven jullie mij een duwtje. Voor de rest zorg ik zelf .’ ‘Zou je dat wel doen?’ probeert de vrachtwagen opnieuw. ‘Zeker! Ik wil niet gekocht worden door een jongetje dat me met mijn neus tegen de muur kwakt. Of me laat roesten in regen en wind. Ik doe mee en daarmee uit!’ ‘Ik blijf het toch gevaarlijk vinden,’ houdt het busje vol. ‘Hier in de winkel kan ons niets gebeuren.’ ‘Maak jullie maar geen zorgen. Jullie horen nog van mij!’ De vrachtwagen en het busje zeggen niets meer. Ze hopen dat de sportwagen er morgen anders over denkt. En dat hij netjes op zijn plaats blijft staan.

18


Maar dat gebeurt niet. Wanneer meneer Tokkelmans de volgende dag de deur van de winkel opendoet, zegt de sportwagen opeens: ’Nu!’ Het busje en de vrachtwagen geven hem een zetje, tot hij op de vloer valt. Meteen raast hij ervandoor. Meneer Tokkelmans heeft niets gehoord en niets gezien. Er zit weer een nieuw liedje in zijn hoofd.

19


De rode sportwagen rijdt fier in het midden van de straat. ‘Tuut! Tuut! Uit de weg!’ klinkt het plots achter hem. Maar dat doet hij lekker niet. De straat is toch van iedereen! Opeens wordt het pikdonker. Drie, vier auto’s rijden over hem heen. Enkele bange seconden zit hij tussen hun reusachtige wielen. ‘Zo hard kan ik ook rijden,’ denkt de sportwagen, en met een luide ‘vroem’ snort hij de auto’s achterna. Wanneer de auto’s stoppen voor het rode licht, rijdt hij hard tussen hun wielen door. Toevallig staat daar een agent en die ziet hem nog net door het rode licht glippen. De agent blaast op zijn fluitje en roept: ‘Halt! Stop, zeg ik!’ Maar dat doet de sportwagen niet.

20


De agent pakt haastig zijn mobieltje uit zijn zak, tikt een nummer in en vraagt naar de commissaris. ‘Er reed een rode sportwagen zomaar door het rode licht!’ zegt hij. ‘Nummerplaat?’ ‘Heu, hij heeft er geen.’ ‘Wat?’ klinkt het aan de andere kant van de lijn. ‘Dat is nog niet alles, commissaris,’ zegt de agent, ‘er zat niemand achter het stuur.’ ‘Hou je mij soms voor de gek?’ roept de commissaris. ‘Helemaal niet commissaris. Het is echt waar, het was een auto zonder bestuurder!’ Nu wordt de commissaris pas goed boos. Maar opeens denkt hij aan de alles-op-wielendag. En hij vraagt: ‘Hoe groot was die sportauto?’ De agent krabt achter zijn oor en zegt stotterend: ‘Zo gr…groot als een sch…schoenendoos, commissaris!’ De commissaris is opeens niet meer boos. Hij moet heel hard lachen. Hij vindt het een formidabele grap. ‘Bedankt, hoor,’ lacht hij, ‘zo groot als een schoenendoos, hahaha, dat is een goeie!’ En daarmee is het gesprek afgelopen.

21


‘En toch heb ik het gezien,’ mompelt de agent, ‘met mijn eigen ogen. Ik begrijp er niets meer van.’ Ondertussen rijdt de sportwagen altijd maar verder. Tot er opeens een vrachtwagen, zo groot als een monster, uit een zijstraat op hem afkomt. ‘Kijk uit!’ schreeuwt de chauffeur van de vrachtwagen. ‘Ik heb voorrang!’ Van de schrik weet de sportwagen niet meer wat hij moet doen. Hij wijkt plots uit naar links en komt bijna in het rioolrooster terecht. Daarna zwenkt hij opeens naar rechts en de logge vrachtwagen rijdt op hem in … ‘NEE!’ gilt Piet, ‘NIET DOEN! PAS TOCH OP!’ ‘Rustig maar,’ zegt een onbekende stem, ‘het is allemaal voorbij. Je bent in het ziekenhuis. Je hebt geluk gehad, hoor!’ Piet wrijft in zijn ogen en kijkt verbaasd in het gezicht van de dokter. Naast de dokter staat zijn opa. Die snuit luid zijn neus en zegt dat het veel erger had kunnen zijn. De mama en papa van Piet zijn er ook, met zijn kleine zus. En meester Ivo staat naast zijn bed.

22


‘Jammer dat je nu morgen niet kunt meedoen aan de alles-op-wielendag,’ zegt hij. Piet heeft niet alleen een hoofdwonde, maar ook een gebroken been. Om zijn hoofd zit een dik verband en zijn been ligt in het gips. Voor hem geen rolschaatsen morgen, maar … een rolstoel. ‘Alleen om te komen kijken, hoor!’ zegt meester Ivo. Dat begrijpt Piet wel. Hij vertelt nog maar eens wat er is gebeurd. En hij vraagt of de rode sportwagen nu echt onder de wielen van de vrachtwagen is verpletterd. ‘Helemaal niet,’ antwoordt opa verwonderd. ‘Waarom vraag je dat? De mooie sportwagen staat nog altijd op zijn plekje voor het uitstalraam.’ Dan beseft Piet opeens dat hij alles heeft gedroomd. ‘Weet je wat,’ zegt zijn opa, ‘je krijgt hem cadeau!’ ‘Maar … maar … waarom?’ vraagt Piet stilletjes. ‘Waarom, waarom, daarom!’ zegt zijn opa. Hij durft niet hardop te zeggen dat hij blij is omdat alles zo goed is afgelopen. Want dan worden zijn ogen nat en moet hij weer luid zijn neus snuiten. Gelukkig mag Piet die dag nog mee naar huis.

23


Hij geeft de dokter een hand en moet beloven voorzichtiger te zijn met zijn rolschaatsen. ‘Een ongeluk is gauw gebeurd,’ zegt de dokter nog. Piet knikt. Héél gauw, dat weet hij nu. Er komen die avond nog klasgenootjes op bezoek. Ze vinden het allemaal heel erg wat Piet is overkomen. ‘Morgen voorzichtig zijn, hoor,’ zegt Piet ernstig. En hij herhaalt wat de dokter heeft gezegd: ‘Een ongeluk is gauw gebeurd!’

24


Op zondagmorgen pakken zwarte wolken zich samen boven de school. Het ziet er heel dreigend uit. Misschien valt de alles-op-wielendag toch nog in het water. In de sportzaal zal het lang niet zo prettig zijn. Maar tegen de middag komt er wind opzetten. De zwarte wolken drijven weg en maken plaats voor een stralend winterzonnetje. Het is koud, maar dat deert9 niemand. Alle kinderen zijn dik ingepakt met gekke, kleurrijke kleren. Ze hebben rode wangen, niet zozeer van de kou maar van de spanning. Kort na de middag staat de speelplaats al bijna helemaal vol met ongelooflijk mooi versierde voertuigen. En om veertien uur kun je er op de koppen lopen10. Het lijkt wel of het hele dorp op de been is. De directeur is ook verkleed, net als de kinderen en de meesters en de juffen. Met zijn hoge hoed en zijn deftige zwarte pak lijkt hij wel een pinguïn! Op een podium spreekt hij het publiek toe. En eindelijk geeft hij het startsein. De kleuters mogen de alles-op-wielendag beginnen.

25


Er zijn kleuters die zelf een karretje trekken, met een pop of een knuffel erin. Er zijn er die met hun korte beentjes op hun driewielertje peddelen als echte renners. Maar de meesten worden geduwd of getrokken. Dat is nog het veiligst. Of ze mogen achter op een fiets zitten. Grote broers en zussen, mama’s en papa’s, opa’s en oma’s, ze hebben er allemaal evenveel plezier in. Voor de kleuters is de omloop niet zo lang: rond de speelplaats, door het parkje, en weer terug naar de speelplaats. Bij hun aankomst juichen de grotere jongens en meisjes zo hard ze kunnen. Ze klappen luid in hun handen. En ze trappelen van ongeduld om zelf van start te kunnen gaan. Nu is het de beurt aan het eerste klasje. Daarna mag het tweede de omloop op. En daarna komt eindelijk de derde klas aan de beurt. Vanaf die groep is het parcours een heel stuk langer. Van de speelplaats gaat het ook naar het parkje. Maar daarna moeten ze de straat op - zonder auto’s vandaag - voorbij SPEELGOEDLAND, naar het pleintje. En ten slotte van het pleintje door een laan met bomen weer naar de speelplaats.

26


27


Meester Ivo heeft een clownspak aangetrokken. Met die dikke rode neus is hij bijna niet te herkennen. De kinderen van zijn klas staan om hem heen. Sep heeft zijn step meegebracht. Oskar rijdt met een grote gocart. Zijn hond zit fier naast hem. Fien rijdt met haar eigen kinderwagen van toen ze nog een baby was. Lena gaat het proberen op rolschaatsen. Tim houdt zijn skateboard klaar onder zijn arm. Mon is met de fiets gekomen, als altijd. Theo en zijn grote broer zullen op een tandem11 rijden. ‘Dat is nog veel leuker dan joggen!’ vindt hij. Eva zit op het kussentje in de bolderkar. Opa zal de kar trekken. Roos zit zoals gewoonlijk in haar rolstoel. Maar waar is Roos? Ze staat niet bij de groep. ‘Kijk, daar!’ roept Mon. ‘Daar, naast Piet!’ Alle kinderen van de derde klas kijken in het rond. Onderaan het podium zit Piet in zijn rolstoel, met de rode sportwagen op zijn knie. En Roos zit naast hem. ‘Wat jammer dat je nu niet kunt meedoen,’ zegt ze. Piet heeft veel zin om te huilen. ‘Ach, over enkele weken loop jij weer rond,’ troost Roos. ‘Ik zit voor altijd in een rolstoel.’

28


Piet weet niet wat hij moet antwoorden. Hij is een beetje beschaamd. ‘Jij doet toch wel mee?’ vraagt Piet. Roos geeft Piet een hand. ‘Liever niet,’ zegt ze, ‘ik blijf hier bij jou.’ Piet moet even slikken. En dan mag hij het startsein geven. Zijn opa, die achter hem staat, steekt een hand op naar de opa van Eva. De opa van Eva doet hetzelfde. Wedden dat die twee nog vrienden worden? En daar vertrekt de derde klas. Meester Ivo rijdt mee op zijn vouwfiets. De kinderen trappen en trappen. De speelplaats rond, het parkje in, de straat op. Er staan enkele politieagenten langs het parcours. En overal zijn er lachende mensen. Ze moedigen de kinderen aan. Meneer en mevrouw Tokkelmans staan voor de deur van hun speelgoedwinkel. Meneer Tokkelmans zingt uit volle borst, zonder zijn gitaar. Gitaarspelen lukt niet met koude vingers. Wanneer de kinderen voorbijsnorren, klapt mevrouw Tokkelmans luid in de handen. ‘Zet hem op!’ roept ze lachend. ‘Zet hem op!’ Meneer Tokkelmans zingt nu nog veel mooier. Jammer dat de kinderen het niet meer kunnen horen.

29


Ze zijn al verdwenen om de hoek. Wanneer de hoogste klassen aan de beurt zijn, is iedereen vol bewondering. De handigste kinderen hebben zelf een zeepkist getimmerd. Met de hulp van hun papa, opa of grote broer. Wanneer ze opnieuw op de speelplaats aankomen, is het al bijna donker. Maar dat is normaal voor half december. En nu wordt iedereen, groot en klein, in de sportzaal verwacht. De voertuigen kunnen niet mee naar binnen. Die moeten op de speelplaats blijven staan. De directeur neemt weer het woord, maar niet lang. De kinderen zijn te moe om naar een toespraak te luisteren. En ze hebben dorst en honger gekregen van de rit.

30


Maar geen nood, er zijn lekkere hapjes en er is frisdrank in overvloed. En er is ook heerlijk warme chocolademelk. ‘En onze prijs, meester?’ vraagt Oskar. ‘Wie heeft gewonnen?’ ‘Iedereen!’ lacht meester Ivo. ‘Alle kinderen van onze school!’ ‘En wat krijgen we, meester?’ wil Sep weten. ‘Morgen een hele dag vrijaf!’ belooft meester Ivo. Er klinkt een oorverdovend ‘Joepie!’ door de sportzaal. ‘Meester,’ vraagt Sep dan, ‘wanneer wordt onze school opnieuw honderd jaar?’

31


Woorduitleg 1 2 3 4 5

terrasjesweer = heerlijk weer om buiten te zitten zich uit de slag trekken = zich eruit redden parcours = omloop, een weg die men moet volgen zeepkist = zelfgemaakte houten kist op wielen bolderkar = een houten karretje met vier wielen dat door iemand moet worden voortgetrokken 6 beramen = iets bedenken, iets plannen, iets verzinnen of voorbereiden 7 lakken = met een glimmende laag bedekken 8 het hart vasthouden = in spanning afwachten 9 deren = pijn doen 10 je kunt er op de koppen lopen = het is er heel druk 11 tandem = een fiets waar twee of meer personen tegelijk op kunnen rijden

32


Meester Ivo van het derde leerjaar heeft groot nieuws: de school wordt honderd jaar! Dat zal gevierd worden met een alles-op-wielendag. Alle kinderen worden die dag op school verwacht met een fiets of een step, of met rolschaatsen, een poppenwagen, een kinderwagen. Alles telt mee wat wielen heeft. Maar de dag voor het feest gebeurt er iets met Piet …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 4 - N2 - Alles-op-wielendag by die Keure - Issuu