ucatieve uitgaven
BIEB
Soes wil zwemmen Aag Vernelen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
2
Soes wil zwemmen
1
1 Zin in zwemmen Het is heet. Soes zit aan de rand van de vijver. Ze drinkt een glas limonade met citroen. Met een rietje. Haar voeten trappelen in het water. Fred de goudvis steekt zijn kop naar boven. ‘Hé Soes!’ zegt hij. ‘Kom je mee zwemmen?’ Soes schudt haar hoofd. ‘Nee, Fred. Ik kan niet zwemmen. Dat weet je toch?’ ‘Nog steeds niet?’ vraagt Fred verbaasd. ‘Je bent toch al acht?’
2
3
Soes knikt. ‘Een meisje van acht moet toch kunnen zwemmen?’ Soes zucht. ‘Ik weet het,’ zegt ze. ‘Maar ik heb niemand die het me kan leren.’ ‘Ik wil het je wel leren,’ zegt Fred. ‘Dat is lief, Fred. Maar vissen zwemmen heel anders dan mensen.’ ‘Jammer,’ zegt Fred. ‘Goed, dan zwem ik er weer vandoor. Daag!’ En hij verdwijnt onder water. Soes denkt na. Ze wil heel graag zwemmen. Is er echt niemand die het haar kan leren? Haar moeder in ieder geval niet. Die ligt ergens ver weg, met haar buik in het hoge gras, leeuwen en zebra’s te bespieden. Ze is biologe. Dat is iemand die zoveel van dieren houdt, dat ze er alles over wil weten. En dat doet ze door ze úrenlang te bekijken. Haar moeder heeft dus veel geduld. Ze zou vast een goede zwemjuf zijn. Maar het duurt nog weken voor ze terug is.
4
Haar vader heeft het dan weer veel te druk met werken. Hij is de baas van een groot restaurant voor dieren. Een taartje van haver, een omelet van sla, een pasta van wormen …Voor elk dier is er wat. Haar vader en moeder houden erg veel van dieren. Zoveel, dat ze zich soms gedragen als een dier. Hinniken, spinnen, huilen, knorren. Dat doen ze soms zomaar. Soes houdt ook veel van dieren. Maar soms wilde ze dat haar ouders iets minder van dieren hielden. Dan waren ze misschien nét iets meer thuis.
5
2 Een duik in het water ‘Help!’ piept plots een stemmetje. Soes knijpt haar ogen halfdicht. Er drijft iets in het water. Een kleine zwarte kever spartelt met zijn pootjes. Soes springt op en pakt het rietje uit haar glas limonade. ‘Ik kom je redden!’ roept ze. Ze gaat op haar buik liggen, op de rand van de vijver. Met het rietje probeert ze het kevertje op te vissen. Het puntje van haar tong piept uit haar mond. ‘Ik ben er bijna, kevertje! Bij…na…’ Plons. Soes tuimelt in de vijver. Het kevertje vliegt met een grote golf water uit de vijver. Hij is veilig. Maar Soes niet. Wild slaat ze met haar armen in het rond. Ze probeert haar hoofd boven water te houden, maar dat lukt niet. Plots klinkt er gehuil, als van een wolf. Er is maar één iemand die zo huilt als Soes in nood is. Papa. Hij staat naast de vijver en huilt naar de wolken. Dan duikt hij in het water, met kleren en al.
6
7
Een paar tellen later ligt Soes veilig naast de vijver. Ze hoest de longen uit haar lijf. ‘Soesje toch.’ Papa zit naast haar in het gras. Hij kijkt heel erg geschrokken. ‘Het is mijn schuld,’ zegt hij. ‘Nee, papa. Het is míjn schuld,’ zegt Soes. ‘Ik had niet zo ver over de rand moeten hangen.’ Papa schudt zijn hoofd en klopt op haar rug. ‘Tut-tut. Ik had je allang moeten leren zwemmen. Weet je wat? Morgen neem ik een dag vrij, dan beginnen we eraan.’ ‘Echt waar?!’ gilt Soes. Ondanks het schrikken is ze dolblij. Morgen zal ze leren zwemmen!
8
3 Soes leert zwemmen ... bijna De volgende dag staan papa en Soes naast elkaar aan de vijver. Soes in badpak. Papa in zijn zwembroek, met een dikke, blote buik. Eindelijk gaat hij haar leren zwemmen. Soes wil meteen in het water. Maar dat gaat niet. Papa doet eerst voor hoe het moet. Op het droge. ‘We beginnen met de armslag,’ zegt hij. ‘Strek je armen voor je uit. Trek ze weer terug in een boog. En strek ze weer!’ Hij doet het voor. Strek, trek, strek! Trek, strek! Trek, strek! Soes doet hem na. Dat gaat goed. ‘En nu de beenslag,’ zegt papa. ‘Trek je benen in. Doe ze open. En weer toe.’ Hij doet het voor met één been, anders valt hij om. In, open, toe! In, open, toe! Soes doet hem weer na. Ook dat gaat goed.
9
10
Opeens rinkelt de telefoon. Soes rent vlug naar het huis. Papa slentert haar achterna. ‘Hallo met Soes?’ zegt ze. ‘Hier papa, het is voor jou.’ Ze geeft de telefoon aan hem. Papa’s gezicht wordt somber. ‘Ik moet gaan werken,’ zegt hij. ‘Het is te druk in het restaurant. Ben kan het niet alleen.’ Ben is de andere kok in de zaak van papa. Soes haalt haar schouders op. ‘Wat moet, dat moet,’ zegt ze. Papa glimlacht. ‘Morgen doen we verder,’ zegt hij. ‘Dat is beloofd.’ Hij stapt in de auto en rijdt weg.
11
4 Een goede leerling Soes staat weer naast de vijver. Fred, de goudvis, komt boven water piepen. ‘Hoi Soes,’ zegt hij. ‘Kun je al zwemmen ondertussen?’ ‘Bijna,’ zegt Soes. ‘Papa heeft me net voorgedaan hoe het moet.’ Ze denkt even na. Hoe ging die armslag ook al weer? In, open, toe? Ze trekt haar armen in, doet ze open en weer toe. Ja, zo was het! Dan probeert ze de beenslag. Ze strekt haar benen, trekt één been in met een boog en strekt het weer. ‘Ik kan het!’ roept ze. Fred trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Ben je zeker dat het zo moet?’ vraagt hij. ‘Ja hoor!’ roept Soes. ‘Ik kom mee in de vijver.’ ‘Zou je dat wel doen?’ vraagt Fred bezorgd. ‘Maak je maar geen zorgen,’ zegt Soes en ze springt in het water. ‘Kijk nu eens!’ roept Fred uit. ‘Soes! Je zwemt!’
12
13
5 Vooruit, achteruit. Soes zwemt nu al een paar weken. Elke dag oefent ze. Het gaat steeds sneller. Papa heeft het nog niet gezien. Hij was de hele tijd aan het werk. Maar vandaag is hij weer vrij. Ze staan samen bij de vijver. ‘Laat maar zien wat je kan,’ roept papa. Soes springt in het water. Ze zwemt. ‘Stop!’ roept papa. Soes stopt met zwemmen en kijkt hem geschrokken aan. ‘Je zwemt,’ zegt hij. ‘Je zwemt zelfs heel snel. Maar … je zwemt achteruit! Je moet vooruit zwemmen.’ Hij krabt in zijn haar. ‘Heb ik het niet goed uitgelegd?’ ‘Ik weet het niet,’ stamelt Soes. Papa wrijft over de stoppels op zijn kin. Hij denkt na. ‘Doe nog eens,’ zegt hij. Soes zwemt nog een baantje. ‘Ik weet het al!’ roept papa. ‘Je hebt je vergist. Je benen doen strek, trek, strek.
14
15
Je armen doen in, open, toe. Maar het moet net omgekeerd. Je armen doen wat je benen moeten doen. En je benen doen wat je armen moeten doen. Daarom zwem je achteruit!’ ‘Wat nu?’ vraagt Soes teleurgesteld. Ze was zo trots dat ze kon zwemmen. Papa krabt nog eens in zijn haar. Dan schudt hij zijn hoofd. ‘Ik had je niet moeten leren zwemmen,’ zegt hij. ‘Ik ben een kok, geen zwemjuf. Misschien moet je maar eens naar een echte zwemles gaan. Met een echte zwemjuf. Ik regel wel wat voor je.’
16
6 Een slechte start Een week later ligt Soes op de bank, voor de tv. Ze hoort de auto van papa op de oprit. ‘Dag Snoezepoes! Hoe was je eerste zwemles?’ Ze haalt haar schouders op. Papa duwt met zijn elleboog tegen haar arm. ‘Toe, vertel het maar,’ zegt hij. ‘Van de zwemjuf moest ik vooruit zwemmen,’ zegt ze zacht. ‘Maar dat kon ik niet. Ik deed echt mijn best. Maar het lukte niet. Toen werd de juf boos. En iedereen lachte.’ ‘Boos worden?’ zegt papa luid. ‘Lachen? Wie durft er dat te doen met mijn Soes? Ik zal ze eens gauw gaan vertellen wat ik daarvan vind!’ ‘Nee, papa!’ zegt Soes verschrikt. ‘Dat mag je niet doen. Dan schaam ik me dood. Ik wil gewoon nooit meer naar die zwemles toe.’ Papa kijkt haar aan. ‘Goed dan. Natuurlijk hoef je niet meer te gaan. Kom hier.’ Hij slaat zijn grote arm om haar heen. Papa ziet dat Soes droevig is. Hij wil haar helpen. Maar hoe?
17
18
7 Papa heeft een plan Op een dag stuift papa haar kamer binnen. ‘Ik heb een idee!’ Soes kijkt op van haar boek. Papa glundert. Hij gaat naast haar op bed zitten. ‘Wat denk je van … een wedstrijd?’ ‘Een wedstrijd?’ vraagt ze. Ze klapt haar boek dicht. ‘Een wedstrijd achteruit-zwemmen. In onze vijver in de tuin,’ zegt papa. ‘Zijn er dan nog mensen zoals ik?’ vraagt ze. ‘Mensen die achteruit zwemmen, bedoel ik?’ ‘O, vast wel,’ zegt papa. ‘Maak je maar geen zorgen. Ik zorg voor alles! Posters, mooie prijzen, een feestje … Ik ben er zeker van dat jij gaat winnen. Niemand zwemt zo goed achteruit als mijn Soes!’ Hij geeft een zoen op haar voorhoofd. Soes haalt haar schouders op. ‘Oké, dan.’ Ze klapt haar boek weer open. Maar zin om te lezen heeft ze niet meer. Ze denkt aan alle kinderen die ze kent. Die zwemmen allemaal normaal. Geen één kind dat achteruit zwemt. Er komt vast niemand naar die wedstrijd.
19
8 Wie komt er? Twee weken later is het zo ver. Er staat een tent in de tuin voor als het regent. Er hangen slingers en lampen in geel, groen, rood en blauw. Er staat zelfs een kraampje met Ben erin. Hij bakt wafels. Het lijkt wel feest. Papa is druk in de weer geweest, tussen al het koken door. Hij maakte kleurige posters die hij in heel het land ophing. Hij verzamelde mooie prijzen. Die staan te glimmen op een tafel. Soes zit in een tuinstoel. Ze frunnikt aan haar zwempak. Ze kijkt langs het huis heen. Van in haar stoel kan ze de straat zien. Er zijn nog geen andere kinderen.
20
21
Papa kijkt bezorgd op zijn klok. ‘Hou je de wafels goed warm?’ vraagt hij aan Ben. Hij loopt langs de vijver en kijkt voor de tiende keer na of alles klaar is. Het pistool voor de start, de prijzen, de stoelen, de wafels, het sap. ‘Doe geen moeite, papa,’ zegt Soes. ‘Er komt toch niemand.’ ‘Wat een onzin,’ zegt papa. ‘Natuurlijk komt er iemand!’ Maar Soes ziet dat hij het zelf niet zo zeker weet. ‘Wil je nog wat drinken?’ vraagt hij. Soes schudt haar hoofd. Ze heeft haar buik al vol van sap. En van wachten. Ze rilt en slaat snel een handdoek om. Op haar tippen loopt ze naar binnen. Ze ploft neer op de bank en rolt zich op in een bolletje. Bijna dommelt ze in of … ‘Soes!’
22
9 Zwemclub Achterwaarts Papa stormt de woonkamer binnen. ‘Kom snel kijken!’ Hij grijpt haar hand en trekt haar half slapend mee naar buiten. Ze wrijft haar ogen uit. Er komt een busje aangereden. Het stopt vlak voor hun voeten. Op het dak van het busje staat een grote luidspreker. Vrolijke muziek galmt door de lucht. De motor en de muziek vallen tegelijk stil. Het busje zit propvol kinderen. Een man stapt uit en schuift de zijdeur open. Eén voor één tuimelen de kinderen eruit. Soes raakt de tel kwijt, zoveel zijn het er. De man schudt de hand van papa. ‘Aangenaam,’ zegt hij. ‘Ik ben de kapitein van Zwemclub Achterwaarts. Wij komen voor de wedstrijd.’ Papa’s mond valt open. ‘Zwemclub…Achterwaarts? Hoor ik dat goed?’ ‘Ja, dat hoort u goed. Deze kinderen zijn bijzonder goed in achteruit zwemmen.
23
24
Daarom zijn we verheugd dat u zo’n wedstrijd organiseert. Hopelijk zijn we niet te laat? We hadden een lekke band onderweg.’ ‘Jullie zijn precies op tijd!’ zegt papa blij. ‘Welkom in onze tuin!’ Hij doet zijn armen wijd open. ‘Laten we er meteen aan beginnen.’ De kapitein knikt. Hij schraapt zijn keel en draait zich om naar de kinderen. ‘OP JULLIE PLAATSEN!’ brult hij. Zijn gezicht is er rood van. In één, twee, drie staan de kinderen mooi op een rij. Rug recht, buiken in. Nu kan Soes ze tellen. Het zijn er tien. Er is een dikke kleine jongen bij, een lange smalle, een klein meisje met een groot hoofd, een groot meisje met een klein hoofd, een jongen met een donker vel, een bleek meisje met sproeten, een meisje met gele staartjes en een dikke neus, een jongen met rood haar en schele ogen, een meisje met een wipneus, een meisje met een bril. Ze kijken héél ernstig.
25
De kapitein maakt zijn borst breed. ‘KLAAR?’ brult hij. ‘ACHTERWAARTS! MARS!’ De kinderen lopen stevig in de pas over het tuinpad. Ze lopen achteruit! Het lijkt wel of ze ogen op hun ruggen hebben. Soes springt op en neer en klapt in haar handen. Wat is dit leuk! Snel loopt ze achter het rijtje aan. Ze draait zich om en probeert ook achteruit te lopen. Maar ze struikelt bijna over een bal.
26
10 De wedstrijd ‘TER PLAATSE! RUST!’ De tien kinderen staan op een rij aan de vijver. Klaar voor de wedstrijd. Soes staat op het hoekje, als elfde. Ze heeft een raar gevoel in haar buik. Ze kan nog maar pas zwemmen en toch wil ze winnen. Kost wat kost. Ze kijkt opzij, naar de anderen. Die staan kaarsrecht. Ze turen naar het water. Soes balt haar vuisten. ‘Zijn jullie er klaar voor?’ vraagt papa. Het blijft stil. ‘Opgelet …’ Papa steekt het pistool in de lucht en haalt de trekker over. KNAL! Alle kinderen springen het water in. Soes draait zich om en begint als een gek te zwemmen. De anderen kan ze niet zien omdat ze achteruit zwemt. Maar ze hoort hun geplons. ‘Komaan Soes,’ roepen papa en Ben. ‘Hup hup zwemclub,’ brult de kapitein.
27
Soes zwemt helemaal achteraan. Haar benen doen pijn, haar armen zijn zwaar. Ze kan niet meer. ‘Wat is er Soesje?’ zegt papa. Ze kijkt naar hem. Wat ziet hij er teleurgesteld uit! Dan gebeurt er iets geks. Ze hoort papa’s stem in haar hoofd: Hop hop Soes! Soezepoes! Niemand zwemt zo goed als mijn Soes. Ineens is ze niet meer moe. Soes schiet vooruit. Voorbij het meisje met de bril, het meisje met de wipneus, de jongen met het rode haar en de schele ogen. In, open, toe! In, open, toe! Voorbij het meisje met de gele staartjes en de dikke neus, het bleke meisje met de sproeten. Strek, trek, strek! Trek, strek! Trek, strek! Het grote meisje met het kleine hoofd, het kleine meisje met het grote hoofd, de lange smalle. Niemand zwemt zo goed als mijn Soes. Negen heeft ze er al ingehaald. Alleen de dikke kleine jongen is te snel. Hij zwemt als een haai. Soes zet alles op alles. Ze is op topsnelheid. Haar hoofd raakt de tenen van de jongen. Nog een paar seconden en dan …
28
29
11 Een grote teleurstelling ‘Tuut!’ Papa blaast op een fluitje. De tijd is om. Soes klimt uit het water en ploft neer in het gras. Ze hapt naar adem. Papa komt aangelopen. Soes kan wel in de grond zakken van schaamte. Ze heeft het niet gehaald! En ze was er zo dichtbij! Maar papa lacht. Hij tilt haar op en gooit haar in de lucht. ‘Mijn Soes is tweede! Jippie-ja-jee! Tweede van een hele zwemclub! Mijn Soes is een supertalent!’ Voorzichtig zet hij haar neer. ‘Je kijkt zo sip,’ zegt hij. ‘Ben je niet blij?’ Ze kijkt naar haar tenen. ‘Ik heb toch niet gewonnen,’ zegt ze zacht. ‘Nee, dat klopt,’ zegt papa. ‘Je hebt niet gewonnen. Maar deze kinderen oefenen al heel hun leven. En jij zwemt amper een paar weken!’
30
Oh! denkt Soes. Dat is waar ook. Ze mag best fier zijn op haar tweede plaats! ‘Jammer dat mama het niet heeft gezien,’ zegt ze. ‘Ben je daar zo zeker van?’ vraagt papa. ‘Kijk maar eens goed.’ Hij wijst naar het hoge gras naast de vijver. Daar steken twee billen de lucht in. ‘Mama!’ roept Soes. Mama staat lachend recht. Soes vliegt in haar armen. ‘Was je mij aan het bespieden?’ vraagt ze. ‘Ja,’ zegt mama. ‘Net als de leeuwen en de zebra’s. Maar naar jou kijken vind ik nog veel leuker!’ ‘De wafels zijn klaar!’ brult Ben. Juichend lopen alle kinderen naar het kraampje. Het is feest voor iedereen. En het duurt tot laat in de nacht.
31
32
Soes is acht en ze kan nog steeds niet zwemmen. Op een dag doet papa voor hoe het moet. Heel even, en dan moet hij weer naar het werk. Geen nood, Soes weet nu hoe het moet. Ze oefent en ze oefent. Trots toont ze aan papa wat ze kan. Maar … Soes zwemt achteruit! Hoe kan dat nu?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Anke Rymenams Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.