ucatieve uitgaven
BIEB
Zingen voor Dora Aag Vernelen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
1
Zingen voor Dora
1
Fiene staat op de speelplaats, met haar rug tegen de muur. Ze kijkt om zich heen. Niemand let op haar. Iedereen is druk aan het praten over de vakantie die voorbij is. Voor Fiene was het niet echt vakantie. Er moest hard gewerkt worden, want zij en haar ouders zijn verhuisd.
2
Vandaag is ze voor het eerst op haar nieuwe school. De eerste twee lesuren zijn gelukkig voorbij. Ze moest zichzelf voorstellen, vooraan in de klas. Dat viel niet mee! Ze was zo zenuwachtig dat ze maar niet uit haar woorden kwam. Fiene kijkt omhoog. Daar, op het dak, zit de jongen die in de klas naast haar zat. Ze klimt naar hem toe. ‘Hoi,’ zegt ze buiten adem. ‘Zit je hier vaak?’ De jongen laat zijn voeten over de dakrand bengelen. ‘Valt wel mee,’ zegt hij. ‘Heb je geen zin om mee te doen?’ Ze wijst naar een groepje klasgenoten die een spel spelen. Bert schudt zijn hoofd. ‘Ik vind het een stom spel.’ ‘Mij lijkt er ook niks aan,’ zegt ze. ‘Hoe heet jij ook weer?’ ‘Bert.’ ‘Oh ja. Leuke naam.’ Bert glimlacht. ‘Mag ik naast je zitten?’ vraagt ze.
3
4
‘Doe maar.’ Fiene gaat zitten. ‘Ik heet Fiene. Maar dat wist je misschien nog.’ Ze kijkt in het rond. ‘Het uitzicht is wel leuk hier.’ Bert knikt. ‘Het was saai, he, de les van daarnet,’ zegt Fiene. ‘Ik vind wiskunde best moeilijk. Ben jij goed in wiskunde?’ ‘Niet echt.’ ‘Waar ben je dan wel goed in?’ Bert zucht. ‘Nergens in. Denk ik.’ ‘Nergens?’ zegt Fiene verbaasd. ‘Dat kan toch niet.’ Bert haalt zijn schouders op. ‘Mijn vader zegt dat ik niks kan.’ ‘Wat gemeen!’ roept Fiene. ‘Iedereen is ergens goed in. Zelfs onze hond is ergens goed in.’ ‘Waar kan een hond nu goed in zijn?’ ‘In heel veel dingen!’ Fiene telt de dingen die haar hond kan op haar vingers. ‘De bal terugbrengen, pootjes geven, rennen, zitten, liggen, rollen, het huis bewaken …’
5
‘Al goed, al goed. Maar ik ben toch geen hond?’ ‘Dat is ook waar,’ zegt Fiene. Even is het stil. ‘En?’ zegt ze. ‘Wat en?’ ‘Jij moet toch ook ergens goed in zijn?’ ‘Goed dan,’ zucht Bert. ‘Ik ben wel goed in alleen zijn, denk ik.’ Dat heeft Fiene nog nooit gehoord, dat iemand goed is in alleen zijn. Ze denkt even na. ‘Ik ben helemaal niet goed in alleen zijn,’ zegt ze. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Heb je liever dat ik je alleen laat?’ Bert kijkt haar aan. ‘Nee.’ Hij schudt traag zijn hoofd. ‘Jij mag blijven.’ Ze zitten nog een tijdje naast elkaar, tot de bel gaat. Misschien is verhuizen niet eens zo vreselijk, denkt Fiene. Ze heeft nu al een vriend gemaakt.
6
7
Fiene fietst na schooltijd met Bert mee. Dat doet ze nu al drie dagen na elkaar. Ook op de speelplaats zijn ze vaak samen. Fiene praat veel, maar dat lijkt Bert niet erg te vinden. ‘Wat voor iemand is je vader eigenlijk?’ vraagt Fiene op weg naar huis. Bert haalt zijn schouders op. ‘Hij heeft het erg druk. Hij doet iets met computers.’ ‘Hij klinkt gemeen. Zegt hij dat echt, dat je niks kan?’ ‘Ja,’ zegt Bert zacht. ‘Dat is niet leuk,’ zegt Fiene. Even is het stil. ‘Geloof je hem?’ Bert aarzelt. ‘Ik ben niet erg goed op school. Vorig jaar ben ik blijven zitten.’ ‘Oh!’ zegt Fiene. ‘Dus je bent al …’ ‘Tien,’ zegt Bert. ‘Ik vond al dat je er wat ouder uitzag.’ Fiene denkt even na. ‘Weet je, misschien ben je wel goed met je handen.’
8
‘Hoe bedoel je?’ ‘Dat hoor je toch vaak, dat mensen die wat minder goed zijn met hun hoofd, vaak beter zijn met hun handen. Je weet wel, klusjes en zo.’ Bert schudt zijn hoofd. ‘Mijn vader zegt dat je alleen iets van je leven kan maken als je goed kan studeren.’ ‘Je vader lijkt me niet leuk,’ zegt Fiene. Maar ze heeft er meteen spijt van. ‘Sorry dat ik dat zei,’ zegt ze zacht. Bert schudt zijn hoofd. ‘Je hebt gelijk,’ zegt hij. ‘Maar hij is niet altijd zo. Hij kan best aardig zijn.’ Plots remt hij af. ‘Hier moet ik zijn.’ Hij stopt voor een piepklein huisje met een klein tuintje ervoor. ‘Hier woon jij toch niet?’ vraagt Fiene verbaasd. De vorige dagen reed Bert altijd mee tot aan háár huis, zijn huis ligt nog een eindje verderop. ‘Nee,’ zegt Bert, ‘hier woont Dora.’ ‘Dora?’ Fiene krijgt een vreemd gevoel in haar buik. ‘Is dat ook een vriendinnetje van jou?’ vraagt ze. Bert grijnst. ‘Dat kun je wel zeggen, ja.’
9
Fiene wordt er stil van. Ze vindt het niet leuk dat Bert nog een ander vriendinnetje heeft. ‘Oké, dan ga ik maar,’ zegt ze. ‘Niet wegrijden!’ zegt Bert. ‘Je mag met me mee.’ Fiene aarzelt. Ze weet niet of ze dat andere vriendinnetje van Bert wel wil zien. ‘Komaan,’ zegt Bert. ‘Je vindt Dora vast leuk. En ik heb haar al gezegd dat je meekomt. Ze wil je graag ontmoeten.’ ‘Oké dan,’ zucht Fiene. Bert belt niet aan. Hij haalt zijn sleutelbos boven en doet zelf de deur open. ‘Mag jij hier zomaar naar binnen?’ vraagt Fiene verbaasd. ‘Jep,’ zegt Bert. Hij loopt de gang in. Er hangt een vreemde lucht. Fiene snuft een paar keer. ‘Het ruikt hier zo oud. Oud en muf.’ ‘Ik doe anders wel mijn best,’ zegt Bert. ‘Je best voor wat?’ vraagt Fiene.
10
11
‘Om het hier fris te krijgen,’ zegt Bert. ‘Maar dat leg ik je dadelijk wel uit. Kom nu eerst mee naar Dora!’ Hij neemt haar hand en trekt haar achter zich aan, de kleine gang door. Fiene heeft nauwelijks tijd om naar de vergeelde foto’s1 aan de muur te kijken. ‘Dora! Ik heb mijn vriendinnetje meegebracht!’ roept Bert heel luid nog voor ze goed en wel in de woonkamer zijn. In een hoekje van de kamer zit een oude vrouw in een schommelstoel. Haar handen liggen in haar schoot. Ze glimlacht als ze Bert ziet. Fiene ziet dat ze geen tanden heeft. ‘Dit is Fiene,’ zegt Bert plechtig. Fiene wordt rood. Ze schaamt zich een beetje. Ze was dus jaloers op een oud vrouwtje. ‘Hoi,’ zegt ze zacht. ‘Dora kijkt haar een beetje brutaal aan. ‘Je moet niet zo verlegen zijn,’ zegt ze. Haar stem kraakt. ‘Ik ben maar een oude vrouw hoor.’ Moeizaam heft ze haar hand op en steekt ze uit naar Fiene. ‘ Dora,’ zegt ze.
12
Voorzichtig geeft Fiene Dora een hand. Dora’s huid voelt vreemd aan. Dor en droog, als perkament 2. ‘Ga toch zitten, meisje!’ zegt Dora. ‘Bert, haal eens wat limonade, wil je?’ Fiene gaat onwennig3 aan tafel zitten. Bert loopt naar de keuken en komt terug met drie volle glazen. Hij zet ze neer op tafel en geeft er eentje aan Dora. Dora steekt haar glas in de lucht. ‘Schol!’ zegt ze. ‘Schol!’ zeggen Bert en Fiene tegelijk. ‘Je hebt geluk met zo’n vriend,’ zegt Dora tegen Fiene. ‘Het is zo’n goeie jongen.’ ‘Ja, hoor,’ zegt Bert lachend, ‘de beste!’ Hij haalt een pen en wat papier uit zijn tas. ‘Zeg eens, Dora, wat breng ik morgen voor je mee?’ Dora denkt even na. Dan schudt ze haar hoofd. ‘Verdorie toch,’ zegt ze. ‘Daarnet wist ik het nog.’ ‘Melk? Brood? Chocolade?’ vraagt Bert. ‘Ja,’ zegt Dora. ‘En van die lekkere koeken, hoe heten ze ook al weer?’ ‘Spritsen,’ zegt Bert. ‘Juist ja, spritsen. Wat zou ik zonder jou doen?’
13
Plots kijkt Dora Fiene ernstig aan. ‘Weet je wat ik zonder Bert zou doen? Zonder Bert zat ik al lang in dat vreselijke tehuis in de stad.’ Fiene kent dat tehuis. Haar mémé woonde daar ook. Toen ze heel erg oud was. Ze herkende niets of niemand meer. Zelfs Fiene niet. Akelig was dat.
14
‘Mijn zoon wil me er hebben,’ zegt Dora. ‘Hij zegt dat ik niks meer kan. Maar ik kan best nog voor mezelf zorgen. Met een beetje hulp van deze jongen hier.’ Dora lacht een beetje droevig. Maar dan begint ze zachtjes te huilen. ‘Ach wat,’ zegt ze. ‘Ik moet je niets wijsmaken, meisje. Ik kan helemaal niks meer. Maar dankzij Bert kan ik nog in mijn eigen huis blijven. Als je eens wist wat dat voor me betekent!’ Even later zitten Bert en Fiene alweer op de fiets. Wat een droevig verhaal van Dora. Fiene is er stil van geworden. ‘Wat doe je zo allemaal voor Dora?’ vraagt ze. ‘O, elke dag wel iets. Boodschappen, koken, de brievenbus leegmaken, kapotte dingen repareren. Of gewoon, een kaartje leggen. En soms …’ Bert aarzelt. Zijn wangen kleuren rood. ‘Soms wat?’ vraagt Fiene. ‘Nee, laat maar.’ ‘Niks van, nu heb je me nieuwsgierig gemaakt!’
15
‘Oké dan. Soms zing ik voor haar. Daar houdt ze van.’ ‘Zing jij?’ zegt Fiene verbaasd. ‘Laat eens horen!’ Nu wordt Bert nog roder. ‘Niet hier,’ zegt hij. ‘Ik zing alleen voor Dora. En op vrijdag, in het kerkkoor.’ ‘Wauw,’ zegt Fiene. ‘Ik zing overal, maar ik kan het helemaal niet.’ ‘Laat jij eens horen dan,’ zegt Bert. Fiene zingt een kort liedje. ‘Zoals je hoort,’ zegt ze. ‘zing ik nogal vals …’ ‘Dat kun je wel zeggen,’ lacht Bert. ‘Nu jij!’ ‘’Dat durf ik niet,’ zegt Bert zacht. ‘Ik heb het toch ook gedaan?’ Maar hoe Fiene ook aandringt, Bert is te verlegen om te zingen.
16
‘Weet je?’ zegt Fiene. ‘Eigenlijk kun jij heel veel. Je bent goed met je handen. En met je stem!’ ‘Dat kan jij nog niet weten,’ mompelt Bert. Maar hij ziet er best trots uit. De volgende weken gaat Fiene met Bert mee naar Dora. Ze helpt hem waar ze kan. En als ze klaar zijn, spelen ze een kaartspel met Dora, of Dora vertelt over vroeger. Het is altijd heel gezellig. Maar op een dag staat Bert in paniek bij Fiene op de stoep. ‘Fiene, kom gauw mee!’ roept hij. ‘Wat is er?’ vraagt Fiene. ‘Dora is verdwenen!’ ‘Hoe kan dat nu?’ vraagt Fiene verbaasd. ‘Ze kan amper van haar schommelstoel naar het toilet.’ ‘Precies,’ zegt Bert. ‘Er is dus iets aan de hand! We moeten haar zoeken.’ ‘Maar waar dan?’
17
‘Als we nu eens eerst goed zoeken in haar huisje. Dan vinden we misschien een aanwijzing4.’ Fiene en Bert kijken rond in het huisje van Dora. Alles is nog precies zoals gisteren, toen ze samen met haar spaghetti aten. ‘Waar zou jij heen gaan als je een oud vrouwtje was?’ vraagt Fiene. Er verschijnt een denkrimpel tussen Berts ogen. ‘Wat is dat nu voor een rare vraag. Ik zou helemaal nergens naartoe gaan.’ ‘Precies,’ zegt Fiene. ‘Wat bedoel …’ zegt Bert en dan snapt hij het. ‘Je bedoelt dat ze niet zelf ergens heen is gegaan?’ ‘Precies.’ ‘Dat ze gedwongen werd?’ ‘Dat denk ik, ja.’ ‘Haar zoon?’ Fiene knikt.
18
‘Oh nee. Niet naar dat vreselijke oudemannetjeshuis.’ Bert slaat zijn handen tegen zijn wangen en zakt neer op Dora’s schommelstoel. ‘Ze hebben niet eens haar favoriete stoel mee,’ zegt hij. ‘We moeten haar gaan redden!’ ‘Hoe wil je dat doen? Er ’s nachts heen sluipen, Dora in een grote zak stoppen en er vanonder muizen?’5 ‘Lach er maar mee. Heb jij een beter idee misschien? We kunnen haar toch niet in de steek laten?’
19
Even later fietsen Fiene en Bert naar de stad. Het is een heel eind, maar Fiene weet nog precies de weg. Haar mémé is nog niet zo lang geleden gestorven. Ze staan voor een groot, grijs, vierkant gebouw. ‘Hierlangs,’ zegt Fiene en ze wenkt Bert haar te volgen. ‘Van hieruit ziet het er vreselijk uit,’ zegt ze, ‘maar binnen valt het wel mee, hoor. Aan de achterkant zit een leuke tuin.’ ‘Zal wel,’ knort Bert. ‘Dora wil hier niet zijn, punt uit.’ Zo humeurig6 heeft Fiene Bert nog niet gezien. Best wel schattig hoeveel hij om Dora geeft.
20
In de inkomhal stormt7 Bert naar de balie. ‘Dora. Is Dora hier?’ vraagt hij. De vrouw achter de balie kijkt vreemd op. ‘Welke Dora bedoel je?’ ‘Onze Dora, natuurlijk,’ zegt Bert geërgerd. Fiene stoot hem aan met haar elleboog. ‘Ze bedoelt dat je haar familienaam moet geven.’ Bert kleurt rood. ‘Die ken ik niet,’ zegt hij. ‘Nooit echt op gelet.’ ‘Ze zou hier gisteren aangekomen zijn,’ zegt Fiene tegen de vrouw. ‘Dan zou ik haar moeten vinden,’ lacht de vrouw. ‘Zo veel Dora’s komen er op één dag niet binnen.’ Ze kijkt op haar computerscherm. ‘Klopt. Gisteren heeft er zich een vrouw aangemeld die Dora heette. Dora Vandervelde.’ ‘Dat is ze!’ roept Bert. ‘Waar kunnen we haar vinden?’ De vrouw moet lachen om Bert. ‘Jij wil haar wel erg graag zien, is het niet? Ze verblijft in kamer 53, die deur door, op de derde verdieping.’
21
Zonder de vrouw te bedanken rent Bert naar de deur. ‘Dank u wel,’ zegt Fiene vlug en ze rent Bert achterna. ‘Wacht op mij!’ Dora zit aan het raam in een rolstoel en staart naar buiten. Als ze Bert en Fiene ziet, klaart haar gezicht op. ‘Jullie hebben me gevonden,’ zegt ze. Bert loopt op Dora toe en vliegt haar om de hals. Fiene staat er een beetje ongemakkelijk bij. ‘Sorry dat ik geen briefje heb gelegd, maar … ik dacht dat het zo beter was,’ zegt Dora. ‘Stt,’ sust Bert. ‘Dat geeft niets. Neem nu snel je spullen bij elkaar, dan zijn we weg.’ Dora lijkt in de war. ‘Weg? Wat bedoel je, lieverd?’ ‘Wij brengen je naar huis. Over twee uurtjes zit je weer in je favoriete schommelstoel.’ Bert trekt de kleerkast open en begint Dora’s spulletjes in een tas te proppen. ‘Maar wacht eens even,’ stamelt 8 Dora.
22
‘Is dit alles wat je bij je had?’ Bert trekt nog een andere kast open. Dora kijkt Fiene hulpeloos aan. ‘Stop ermee, Bert,’ zegt Fiene. ‘Je maakt haar bang, geloof ik.’ Bert stopt met rommelen en kijkt Fiene verbaasd aan. ‘Bang? Maar …’
23
Op dat moment zwaait de deur open. Een grote man met een lange zwarte mantel komt de kamer binnen. Hij kijkt verbaasd naar Bert en de tas met kleren op het bed. ‘Wat moet dat hier?’ bromt hij. ‘Wie zijn jullie?’ Bert zet een hoge borst op 9. ‘Bert,’ zegt hij. ‘En dit is Fiene. En wie bent ú?’ ‘Dit is mijn zoon,’ zegt Dora zacht. ‘Moeder, wat gebeurt hier? Heb je het niet naar je zin?’ ‘Toch wel,’ zegt Dora zwakjes. ‘Maar Bert denkt dat ik liever naar huis wil.’ ‘En is dat zo?’ vraagt de man. Dora kijkt hem niet aan. Ze haalt haar schouders op. De man zucht diep. ‘Moeder. We hebben het toch uitvoerig besproken? Jij kan niet meer voor jezelf zorgen.’ Dora knikt.
24
‘Jullie brengen haar in de war,’ zegt de man tegen Bert en Fiene. Hij begint de kleren terug in de kast te leggen. ‘Mijn moeder gaat nergens heen, en dat is dat.’ ‘U bent een vreselijke man!’ roept Bert. ‘Uw moeder kan veel meer dan u denkt. Maar dat zou u wel weten als u haar vaker ging bezoeken.’ De man kijkt plots heel schuldig op zijn neus. ‘Dat gaat niet,’ zegt hij. ‘Ik heb het te druk op mijn werk.’ ‘Te druk?’ zegt Bert opgewonden. ‘Uw moeder is toch het allerbelangrijkste?’ ‘Het is oké, Bert,’ zegt Dora zacht. ‘Maar …’ zegt Bert. ‘Nee, echt. Ga even zitten, jongen.’ Ze wijst naar de stoel naast haar. Bert gaat zitten. ‘Mijn zoon heeft gelijk. Hier ben ik beter af. Er wonen fijne mensen. En er wordt goed voor me gezorgd. Maak je over mij maar geen zorgen.’ ‘Weet je dat zeker?’ vraagt Bert.
25
Dora glimlacht. Ze legt haar hand op Berts arm. ‘Heel zeker, mijn jongen. Jij hebt lang genoeg voor mij gezorgd. Dat is niet jouw taak. Jij moet spelen. En meer huiswerk maken.’ Dora kijkt Bert lief aan. ‘Ga nu maar. En kom vaak langs.’
26
Even later zitten Bert en Fiene weer op de fiets, op weg naar huis. ‘Ik vond je heel dapper,’ zegt Fiene. ‘Zoals je het voor Dora opnam tegen haar zoon.’ Bert haalt zijn schouders op. ‘Ik zal Dora missen. Wat moet ik nu doen?’ zucht hij. ‘Misschien wat meer voor school werken, zoals Dora zei,’ grinnikt Fiene. ‘Dan haal je het vast dit jaar!’ ‘Denk je?’ vraagt Bert droevig. ‘Tuurlijk!’ roept Fiene. ‘Geen wonder dat je moest blijven zitten met al die klusjes voor Dora. Je bent helemaal niet dom, je bent net heel slim!’ Bert begint te blozen. ‘En toch wil ik nog graag iets doen voor Dora.’ ‘We gaan zo vaak mogelijk op bezoek,’ zegt Fiene. ‘En we spelen spelletjes. En je kan nog steeds voor haar zingen.’ ‘Dat is zo weinig,’ zegt Bert en hij zwijgt even. ‘Maar, wacht eens. Zingen! Dat is het! Ik moet er vandoor!’ Hij springt op zijn fiets en rijdt weg. ‘Hey!’ roept Fiene. ‘Wacht eens! Wat is er?’
27
‘Je zult wel zien!’ roept Bert van ver. ‘Kom vrijdagavond maar naar het rusthuis!’ De volgende dag op school brandt Fiene van nieuwsgierigheid. Wat is Bert toch van plan? Ze vraagt het hem wel honderd keer. Maar Bert glimlacht alleen maar, en kijkt heel geheimzinnig. ‘Je moet wachten tot vrijdag,’ zegt hij. ‘Het is niet alleen een verrassing voor Dora, maar ook een beetje voor jou.’ ‘Maar … maar … ik kan toch hélpen?’ probeert Fiene. ‘Dat kan je zeker,’ zegt Bert. ‘Maar ik wil het niet.’ ‘Waarom niet? Ik ben toch je beste vriendin?’ Fiene kijkt heel zielig. ‘Natuurlijk ben je mijn beste vriendin. Maar dit moet ik alleen doen.’ Bert kijkt Fiene ernstig aan. En opeens snapt ze het. Bert wil laten zien wat hij kan. Dat is belangrijk voor hem. ‘Goed dan,’ zegt Fiene. ‘Dan hoop ik maar dat het snel vrijdag is!’
28
De rest van de week is Bert druk in de weer. Fiene ziet hem alleen maar op school. En eindelijk is het zo ver. Vrijdagavond. Fiene zit op een stoel naast Dora, in de tuin van het rusthuis. Overal hangen lichtjes en slingers. Het ziet er heel gezellig uit. De bewoners hebben zich verzameld op het gras. Ze weten dat er een verrassing komt, maar welke? De meesten zitten in een rolstoel, ingeduffeld in dikke dekens. Een verpleegster deelt bekertjes met warme wijn uit. Iedereen fluistert tegen elkaar. De spanning hangt in de lucht. Wat gaat er gebeuren? Fiene wipt op en neer op haar stoel. ‘Wat ben jij een ongeduldig wichtje10,’ lacht Dora. Opeens wordt het muisstil. Iedereen houdt zijn adem in. Heel plechtig komt een groep mensen de tuin ingestapt. Voorop loopt een man in kostuum. Fien pakt Dora’s hand en knijpt erin. ‘O!’ roept ze. ‘Daar is Bert! De groep mensen met Bert erbij gaan bij elkaar staan. De man in maatpak staat vooraan, met zijn gezicht naar hen toe. En dan snapt Fiene het. ‘Dat is het kerkkoor!’ roept ze luid.
29
‘Ze gaan zingen!’ ‘Stt!’ doen de bewoners van het rusthuis. De dirigent van het koor steekt zijn handen in de lucht. Het koor begint te zingen. Eerst heel stil, en dan luider en luider. Het klinkt prachtig. Fiene kijkt opzij, naar Dora. Dora glimlacht, en ze heeft haar ogen dicht. Fiene doet ook haar ogen dicht . Ze hoort de stem van Bert boven de anderen uit. Het lijkt wel een engel. Na afloop krijgt het koor een daverend applaus. Glimmend van trots komt Bert naar Dora en Fiene toe.
30
Dora pakt zijn handen tussen haar handen. ‘Bedankt, jongen. Dit was het mooiste geschenk dat ik ooit heb gekregen.’ Dan kijkt ze naar Fiene. ‘Zeg Fiene. Waarom zong jij niet mee?’ vraagt ze. Fiene wordt rood. Bert grijnst. ‘Als Fiene zou meezingen, zouden je oren alleen maar pijn doen,’ zegt hij tegen Dora. Fiene geeft hem een por. ‘Zeg! Zo erg is het ook weer niet. Ik zing maar een héél klein beetje vals.’ En daar moeten ze alle drie heel erg om lachen.
31
Woorduitleg 1
vergeelde foto’s = foto’s die zo oud zijn dat ze met de jaren geel geworden zijn 2 perkament = dun papier gemaakt van dierenhuid 3 onwennig = niet op je gemak 4 aanwijzing = informatie waardoor de situatie duidelijker wordt 5 er vanonder muizen = stiekem weggaan 6 humeurig = slechtgezind 7 stormen = heel snel lopen 8 stamelen = onzeker spreken 9 een hoge borst opzetten = zich trots gedragen 10 wichtje = klein, lastig meisje
32
Bert en Fiene zorgen geregeld voor Dora, een oude vrouw. Ze poetsen haar huis, doen boodschappen voor haar of spelen samen een kaartspelletje. Het is altijd heel gezellig. Maar op een dag is Dora verdwenen …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Vera Smeulders Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.