Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 8 - Thema 7 - N3 - Kalila en Dimna: deel 2

Page 1

ucatieve uitgaven

Kalila en Dimna: deel 2

BIEB

Laïla Koubaa

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

8


Kalila en Dimna: deel 2

Wat voorafging ... Dimna is jaloers op de vriendschap tussen Habieb de stier en Koning Leeuw. Hij bedenkt een plan om de koning terug voor zich te winnen. Benieuwd of hij zal slagen? Ontdek het in deel 2!

1


‘Soms is een list beter dan kracht,’ sprak Kalila. ‘Ik zal Habieb overwinnen zoals de haas de leeuw heeft overwonnen.’ ‘En hoe was dat?’ vroeg Dimna nieuwsgierig.

2


De haas en de leeuw Er was eens een leeuw die in een woud met een beekje en een waterput woonde. Elke dag, na het eten, deed hij een dutje in de schaduw van een struik. Op een middag, toen de leeuw sliep, kwamen de andere dieren uit het woud samen. Na het overleg gingen ze naar de leeuw en zeiden: ‘Meneer de leeuw, u moet zich steeds uitputten1 om één van ons te vangen.’

3


‘En dan?’ geeuwde de leeuw. ‘Wij zijn bang, meneer de leeuw,’ zeiden de dieren. ‘Tja,’ zei de leeuw. ‘Wat denkt u van het volgende: elke dag brengen we u één dier, dan hoeft u niet meer te jagen en kunnen wij ook van het woud genieten.’ De leeuw vond het een goed plan. ‘Als jullie niets brengen, zal ik terug op jacht gaan en zet ik twee dieren per dag op mijn menu,’ zei de leeuw. Elke dag offerde er zich een dier op. Op een dag was het de beurt aan de haas. De haas en de andere dieren liepen samen naar de leeuw. ‘Beste vrienden,’ sprak de haas toen ze bijna bij de leeuw waren aangekomen. ‘Ik heb een plan om ons van de leeuw te verlossen.’ ‘Vertel op,’ zeiden de dieren.

4


‘Ik wil de leeuw op zijn eten laten wachten,’ fluisterde de haas, ‘dat zal hem boos maken. Ik beloof dat ik jullie niet in gevaar zal brengen.’ ‘We rekenen op jou,’ zeiden de dieren en ze keerden terug. De haas verstopte zich achter de struik en hield de leeuw in de gaten. ‘Waar blijft mijn maaltijd?’ brulde de leeuw en hij begon rondjes te draaien. De haas sprong voor de leeuw.

5


‘Meneer de leeuw, meneer de leeuw,’ riep hij. ‘Waar kom jij vandaan en waar is mijn maaltijd?’ vroeg de leeuw. ‘Ach, meneer de leeuw, vandaag wilden we u mijn broer brengen, maar niet ver hier vandaan heeft een andere leeuw uw maaltijd gestolen,’ sprak de haas. ‘Ik probeerde hem nog tegen te houden en ik vertelde dat mijn broer voor u was, maar hij lachte met u en zei dat u het niet waard bent om koning te zijn van ons woud.’ De leeuw werd rood, wit, paars en groen. ‘Kom,’ zei de haas, ‘ik breng u naar hem toe.’ De leeuw volgde de haas tot bij de diepe waterput.

6


‘Daarnet zat die leeuw hier nog. Hij heeft zich vast verstopt in de waterput. Ik ben bang, meneer de leeuw,’ beefde de haas. De leeuw nam de haas in zijn armen. ‘Kijk, daar beneden zit de leeuw met mijn broer,’ zei de haas. De leeuw zette de haas op de rand van de waterput en sprong naar beneden om de andere leeuw aan te vallen. En de leeuw verdronk. ***

7


Na enkele dagen keerde Dimna sip terug naar Koning Leeuw. ‘Waarom ben je zo lang weggebleven?’ vroeg hij. ‘Ik heb je een lang tijd niet gezien. Is er iets gebeurd?’ ‘Sire, ik heb iets gehoord dat u niet leuk zal vinden,’ zei Dimna. ‘Vertel op!’ beval Koning Leeuw. ‘Iemand heeft mij gezegd dat Habieb in het geheim het volgende heeft gezegd: ‘Nu ik Koning Leeuw ken, weet ik wat zijn zwakke punten zijn. Hij is het niet waard koning te zijn van alle dieren van de vallei. Nu is het aan ons.’ ‘Het is duidelijk, koning, dat Habieb de macht wil overnemen. U moet hem verslaan. Twijfel niet want anders raakt u alles kwijt. Denk maar aan het verhaal van de drie vissen.

8


9


De drie vissen Er woonden eens drie vissen in het meer van de Rode Maan. Een wijze, een slimme en een domme vis. Op een dag kwamen twee vissers voorbij en zagen de drie vissen. De twee vissers renden terug naar huis om hun vislijnen en netten te halen. De wijze vis, die de twee mannen doorhad, zwom snel naar de rivier en verdween.

10


Toen de twee vissers met hun netten en vislijnen terug aan het meer stonden, bedacht de slimme vis vlug een list. De slimme vis deed alsof hij dood was. ‘Die is vast ziek,’ zeiden de twee vissers. Ze namen de slimme vis en gooiden hem op de grond niet ver van de rivier. Hij sprong er snel in. De domme vis zwom schuw rond en raakte verstrikt2 in de netten van de twee vissers.

11


‘Ik weet zeker dat u vandaag nog moet ingrijpen,’ ging Dimna verder. ‘Ik snap goed wat je mij wil vertellen maar ik kan niet geloven dat Habieb mij kwaad wil doen. Ik heb hem nooit iets misdaan.’ ‘Dat is het nu net. Door met hem om te gaan als vriend heeft hij maar één doel meer voor ogen: uw troon stelen.’ ‘En wat zou Habieb tegen mij kunnen beginnen? Hij eet gras en ik eet vlees.’ ‘Let vooral op dat u niet hetzelfde overkomt als de luis die onderdak aan de vlo had gegeven. Luister.’

12


13


De luis, de vlo en de koning Er was eens een luis die in het bed van een koning woonde. Elke nacht maakte hij een tochtje op de koning en zoog een klein beetje bloed uit een been of een arm. Op een dag kwam een vlo die op zoek was naar een warm bed en eten. ‘Mag ik vannacht bij jou slapen?’ vroeg de vlo. ‘Ik heb honger en moet op krachten komen.’ ‘Geen probleem. Mijn huis is jouw huis, maar doe het rustig aan en prik de koning niet als hij wakker is en zeker niet in zijn neus,’ zei de luis. ‘Oké,’ knikte de vlo. De maan danste in de vijver. De koning trok zijn nachthemd aan en kroop in bed. ‘Nog tien tellen wachten,’ fluisterde de luis, ‘dan slaapt hij als een marmot.’

14


15


En nadat ze samen tot tien hadden geteld, sprongen ze op de koning. De luis prikte hem in zijn voet, geeuwde en ging slapen. De vlo sprong van de grote teen naar de knie, van de knie naar de navel, van de navel naar de neus en van de neus naar het oor van de koning. Ze dronk tot ze niet meer kon en liet zich vanop de buik van de koning tot bij de luis glijden.

16


‘Bedankt,’ fluisterde ze tegen de luis, maar de luis lag al lang te slapen. De koning krabde eerst zijn neus, dan achter zijn oor, dan aan zijn arm, dan op zijn buik en zijn voet. Hij schoot wakker en zag dat hij vol rode vlekken stond. De koning sprong uit bed en liet het belletje rinkelen. ‘Steeds tot uw dienst,’ zei het dienstmeisje en ze maakte een diepe buiging voor de koning. ‘Ik houd het niet meer,’ riep de koning terwijl hij zijn been krabde en naar zijn bed wees. Het dienstmeisje schudde de lakens uit, keek onder het hoofdkussen en de matras. De vlo sprong op de rug van de koning en de luis werd wakker tussen de duim en de wijsvinger van het dienstmeisje.

17


‘Ik heb je dit verhaal verteld omdat je voorzichtig moet zijn,’ besloot Dimna. ‘Wat stel je dan voor?’ vroeg Koning Leeuw terwijl hij achter zijn oor krabde. De koning was onder de indruk van wat Dimna hem verteld had en werd heel ongerust. Dimna had dat gezien en reageerde: ‘Als we een slechte tand hebben, moeten we die laten trekken. Er is maar één oplossing voor u: Habieb moet dood.’ ‘Ik zal Habieb naar hier laten komen en hem vertellen wat jij mij net verteld hebt.’ Dimna schrok en zei: ‘Koning, staat u mij toe, maar u moet het slimmer aanpakken.’ ‘Habieb mag niet weten dat u op de hoogte bent van zijn plan. U moet zich goed voorbereiden voor hij naar u komt. Ik denk wel dat het duidelijk zal zijn dat hij iets van plan is: zijn huid zal bleek zijn, zijn poten zullen trillen, hij zal rondjes draaien en hij zal zijn hoorns laten zien om aan te vallen.’ ‘Als dat zo is, zal ik niet bang zijn om hem te doden,’ zei de koning.

18


19


20


Dimna wilde nu zo snel hij kon naar Habieb gaan om hem tegen Koning Leeuw op te zetten. ‘Lijkt het u geen goed idee dat ik nu naar Habieb zou gaan?’ zei Dimna, ‘dan kan ik luisteren hoe ver hij met zijn plannen staat.’ De koning vond dat een goed plan en stuurde Dimna naar Habieb. ‘Ik heb je al een tijdje niet meer gezien,’ zei Habieb, ‘waar was je nou?’ ‘Ach,’ zuchtte Dimna, ‘iemand heeft heel valse dingen over je verteld, ik vrees voor je leven, mijn vriend.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Iemand die ik goed ken, heeft mij verteld dat de koning zijn vrienden heeft laten weten dat jij verdikt bent. De koning wil hen uitnodigen om een mals stukje vlees te komen eten op het paleis.’

21


Habieb schrok. ‘Ik vind het echt heel gemeen van de koning, we moeten je redden,’ zei Dimna en hij krabde aan het puntje van zijn neus. ‘Maar ik ben nooit onbeleefd tegen de koning geweest. Er moet hem iemand tegen mij opgezet hebben. We kunnen het zo goed met elkaar vinden. We waren het wel niet altijd eens, maar toch …’ Habieb zocht naar een reden waarom Koning Leeuw zich tegen hem gekeerd had en Dimna maakte misbruik van zijn twijfel en zei: ‘Nee, er is niemand die hem tegen jou opgezet heeft. En het ligt niet aan jou, maar Koning Leeuw is ijdel3 en o zo listig.’

22


‘Ik eet gras, hij vlees. Hoe kon ik zo dom zijn? Ik ben een vogel voor de kat.’ ‘Hou op,’ zei Dimna,’ probeer jezelf te redden.’ ‘Maar hoe? Koning Leeuw wil mij doden, en zijn vrienden hebben al zin in mijn vlees.’

23


Woorduitleg 1 uitputten = slapper worden en geen kracht meer hebben 2 verstrikt = gevangen 3 ijdel = als je jezelf heel goed en mooi vindt

24


Dimna is jaloers op de vriendschap tussen Habieb de stier en Koning Leeuw. Hij bedenkt een plan om de koning terug voor zich te winnen. Benieuwd of hij zal slagen?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Frieke Verlé Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 8 - Thema 7 - N3 - Kalila en Dimna: deel 2 by die Keure - Issuu