ucatieve uitgaven
BIEB
Opa en de zee Bea De Koster
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
8
Opa en de zee
Sien en Kasper zitten op de bank voor het raam. De wind gooit er zand en zout tegenaan. Buiten ligt de zee achter het gras. Nu ja, niet echt. Het gras houdt op bij de rand van de rotsen. De zee ligt veel, veel dieper. Maar dat kun je in het huis niet zien. ‘Mogen we morgen in zee springen?’ vraagt Kasper. Oma schrikt. Ze is druk bezig met het eten, maar haar oren staan wijd open. ‘Nee hoor, je mag niet tot bij de rand van de rotsen komen.’ Opa komt ook bij het raam staan.
1
‘Soms brokkelt er een stuk van de rotsen af,’ legt hij uit. ‘Als de wind er heel hard tegenaan beukt. Alsof je een hap uit een koek neemt. Dan komen er ook losse kruimels mee.’ ‘Dus mag je niet van het pad af,’ zegt oma. ‘Of soms,’ zegt opa, ‘zijn de rotsen gewoon moe van het hangen. En dan donderen ze in zee.’ ‘Daarom ligt het pad een eind van de rand,’ zegt oma. ‘Daarom mag je niet van het pad af. Nooit.’ Sien en Kasper kijken naar elkaar. Ze weten het nu echt wel. Bij de rand van de rotsen is het gevaarlijk. Het is al laat. Ze zijn nog niet zo lang geleden aangekomen. De zon gaat net onder. De wolken krijgen een roze buik. Net een tros ballonnen voor een verjaardag. ‘Ik zie Engeland,’ zegt Sien. Ze wijst met haar vinger.
2
En ja, achter de zee ligt een witte streep. De zon schijnt er nog net op, als een zoeklicht. Dat zijn de krijtrotsen aan de andere kant van het Kanaal. Het vakantiehuis van opa en oma staat in Frankrijk.
3
Tijs komt naar binnen uit de achtertuin. Hij komt naast Kasper en Sien op de bank zitten. ‘De zon is weg,’ zegt Tijs. ‘In zee gezakt,’ zegt Kasper. ‘Of in Engeland,’ zegt Sien. ‘Krijgen de mensen in Engeland elke avond de zon op hun bord?’ vraagt Tijs. Hij heeft honger. Het is nog niet echt donker, maar het licht is wel weg. Kasper houdt zijn handen op. Hij kan ze nog net zien, maar ze lijken wel grijs. Alsof ze van iemand anders zijn. Hij slaat zijn handen voor zijn ogen. Nu is het echt donker. Als hij zijn handen weer weghaalt, zijn ze geel. Het licht op de vuurtoren zwaait rond. Flits, flits, en dan even niks meer. En dan weer flits, flits. Als je naar rechts kijkt, zie je de vuurtoren.
4
Net een paddenstoel met een lange steel en een hoedje. ‘Woont er iemand in?’ vraagt Tijs. ‘Nee,’ zegt Sien, ‘daarvoor is hij veel te smal. Dat zie je toch. En de trap loopt aan de buitenkant. De vuurtorenwachter zit beneden in het huisje.’ ‘Hij speelt kaart met de kapitein van het piratenschip,’ zegt Kasper. ‘Niet waar!’ zegt Sien, ‘piraten bestaan niet.’ ‘Dat weet ik nog zo niet,’ zegt opa. Hij komt weer bij de bank staan. Met zijn handen in zijn zakken. Hij is klaar met het dekken van de tafel. ‘Kijk opa,’ zegt Tijs. Hij wijst naar een tros vogels in de lucht. ‘Kokmeeuwen,’ zegt opa. Opa weet alles van de vissen in de zee. Vooral van dode vissen. Maar ook van vogels dus. De kokmeeuwen hangen in de lucht. Alsof iemand een touwtje vasthoudt.
5
Ze hoeven niet eens met hun vleugels te slaan. ‘Ik wil ook kunnen vliegen,’ zegt Tijs. Hij voelt de wind al om zijn oren. ‘Het eten is klaar,’ zegt oma. Eindelijk. Die nacht fluit de wind tegen het raam. Sien ligt wakker. Ze hoort allerlei geluiden. Kasper ademt luid en Tijs praat in zijn slaap. Het rolluik klappert. Hard. ‘Opa, ik kan niet slapen,’ roept Tijs. Sien moet erom lachen. Net snurkte hij nog! Opa komt het rolluik optrekken. Hij heeft zijn leesbril nog op. ‘En nu moeten jullie slapen,’ zegt hij. ‘Het is al laat.’ Het donker achter de gesloten gordijnen is anders dan thuis. Het licht van de vuurtoren schiet er telkens doorheen. Flits, flits, en dan even niks.
6
Sien doet haar ogen dicht, maar ze ziet het nog.
De volgende dag wil Tijs snel naar buiten. De wind in. Hij staat met opa te kijken door het raam. Buiten zijn alle bomen klein en krom. Ze zetten zich schrap met al hun wortels en hun takken. Anders worden ze weggeblazen. Het ziet er spannend uit. In het weiland achter de tuin landt een vliegtuigje.
7
Het hobbelt over de grond en stijgt dan weer op. ‘Die piloot moet nog oefenen,’ zegt opa. Ook een piloot moet leren vliegen, denkt Tijs. Het gaat niet vanzelf. ‘Trek jullie jas goed dicht,’ zegt oma, ‘want er staat veel wind. Tijs, jij blijft altijd bij opa in de buurt. Jij bent nog zo klein.’ Ze kijkt even naar opa. Heeft hij het wel goed begrepen? ‘Als je wegwaait, pluk ik je wel uit de lucht,’ zegt opa. Hij lacht, het was maar een grapje. ‘Ik ben niet klein,’ zegt Tijs. Hij rekt zich helemaal uit. Hij slaat zijn armen en benen alle kanten op. Daar moet iedereen om lachen. ‘Je bent net een aapje,’ zegt opa. De wolken hangen zwaar boven de zee. Met bolle, grijze wangen. ‘Kijk,’ zegt Tijs, ‘de vuurtoren heeft zijn flitsoog weer dichtgedaan.’
8
Hij loopt naar het poortje voor het huis. Ineens blijft hij staan. De wind is overal om hem heen. Rukt aan zijn haren en zijn kleren. ‘De wind slaat mij!’ roept hij. ‘Ik sla wel terug,’ roept Kasper. Hij steekt zijn vuisten in de lucht. ‘Kom maar op, wind, mij krijg je niet!’ Oma en opa komen naar buiten. Opa sluit de deur af. Eindelijk, eindelijk is iedereen klaar om naar het strandje te gaan. Het strandje is verder dan ze dachten. Het pad loopt in bochtjes door het gras. Het gras is lang en wild. Het wordt heen en weer gezwiept door de wind. Het ritselt net zo fel als de golfjes op de zee. Net alsof het ieder moment kan loslaten. Maar dat gebeurt niet. Het zit stevig in de grond, net als de haren op hun hoofd. Die worden ook alle kanten op geblazen.
9
Zou het net zo zijn voor de vogels in de lucht, denkt Tijs. Dat de wind ze optilt en wegblaast? Opa’s hand is warm en stevig. ‘De wind is net een beest,’ zegt opa. ‘Hij brult in je oren. Doe maar net of het je niks kan schelen. Dat maakt hem nog kwader.’ Opa maakt een lange neus met zijn andere hand. ‘Hou maar op!’ zegt hij tegen de wind. ‘Je kunt ons toch niet krijgen!’ Achter de rug van de heuvel is het ineens vreemd stil. De wind is weg, hij is het hoekje om. Ineens voel je de warmte van de zon. En je hoort vogels fluiten. Tijs kijkt om. Hij ziet hun huis, en het huis van de buren. Dat zit eraan vast. Het dak van hun huis is plat.
10
En de vuurtoren staat er net achter. Zo lijkt het of er een paddenstoel op hun huis groeit. Ze komen bij een beekje. Dat stroomt in boogjes tussen de rotsen. Hier kunnen ze naar beneden. Ze gebruiken de stenen als treden van een trap. Avontuur! Er is niemand anders op het strand. En er is geen zand, alleen schelpen. Ze zijn in kleine stukjes gemalen door de zee en de golven. Reusachtige rotsblokken liggen overal verspreid. 11
Alsof de zee haar speelgoed woedend door de kamer heeft gesmeten. Er ligt ook veel rotzooi tussen. Dat is met de golven aangespoeld. Stukken touw. In alle kleuren: rood, groen, blauw. Een oranje visnet, een autoband, een fles. Er zit geen briefje in. Op de rotsen zitten mosselen. Ze zijn klein en vlekkerig. Ze hebben zich goed vastgezogen met hun witte voetjes. Je kunt ze haast niet loswrikken. Een hele poos gaan ze op schattenjacht. Tijs verzamelt alle bijzondere dingen op een platte steen. Hij heeft geen emmertje om alles in te stoppen. ‘Kom ze later maar ophalen,’ zegt opa. Maar Tijs vertrouwt het niet. ‘Je moet ze begraven,’ zegt Kasper. ‘Piraten begraven hun schatten ook altijd.’ ‘En als de zee eroverheen komt?’ vraagt Tijs.
12
‘Dan is het pas een echte schat,’ zegt opa. ‘Je kunt er alleen bij als het water laag staat.’ Maar Kasper heeft weer een nieuwe oplossing. ‘Piraten verstoppen hun schat soms in de struiken.’ Hij wijst naar boven. Naast het beekje groeien hoge bramen. Tijs maakt een mandje van zijn armen. Hij probeert er zo veel mogelijk spullen in te stoppen. Maar telkens valt er iets tussendoor. Tijs wordt er wanhopig van. ‘Je moet alleen de heel bijzondere dingen houden,’ zegt opa. ‘Alles wat op de steen ligt, ís bijzonder.’ ‘Dat kan niet, Tijs,’ zegt opa. ‘Van alle bijzondere dingen heb je er maar één.’ ‘Natuurlijk,’ zegt Tijs. ‘Een rood touw, en een groen touw, en een blauw.’
13
‘Goed,’ zegt opa, ‘dat begrijp ik. Maar soms moet je alleen het aller-bijzonderste bewaren. Want morgen vind je alweer een paar stukjes touw. En op een dag vind je misschien een fles met een brief erin.’ ‘Van een prinses!’ roept Kasper. ‘De prinses zit gevangen bij de piraten op een onbewoond eiland.’ ‘Juist,’ zegt opa, ‘en dan is er geen plaats meer in je schatkist. En wat moet je dan?’ ‘Ik kan mijn schatten ook op verschillende plaatsen bewaren,’ zegt Tijs. ‘Een paar dingen in de struiken. Een paar dingen in het schuurtje. En de aller-bijzonderste dingen in de ladekast.’ ‘Dat zien we nog wel,’ zegt opa. Het is nog een hele klus om alle bijzondere spulletjes naar boven te sjouwen. Maar ze redden het, Tijs en Kasper.
14
En opa helpt ook een handje. Daarna gaan ze naar huis. Ze hebben er honger van gekregen. Na het eten wil opa alleen naar het strandje. Hij gaat fossielen zoeken. ‘Dat zijn planten en dieren van lang, lang geleden,’ legt opa uit. ‘Ze raakten bedolven onder de aarde. Door het gewicht wordt alle lucht eruit geperst. Dan krijg je een afdruk. Een soort stempel.
15
Bij de zee brokkelen de rotsen af. En dan wordt de aarde weggeblazen. Zo komen die afdrukken weer vrij. Ik ben op zoek naar fossielen van vissen,’ zegt opa. ‘Daar kan ik geen kinderen bij gebruiken. Ik moet over de rotsen klauteren om overal bij te kunnen.’ ‘Ik kan erg goed klauteren,’ zegt Kasper. ‘Ik ook,’ zegt Tijs. ‘We zullen je helpen, opa, als jij er niet zo goed bij kunt.’ Maar opa wil echt in zijn eentje weg. Dat is onbegrijpelijk. ‘Oma gaat met jullie naar een ander strand,’ zegt opa. ‘Een zandstrand waar je een zandkasteel kunt maken.’ En dan gaat hij echt weg. In zijn eentje. Het duurt erg lang voor ze vertrekken. Tijs wil allerlei spullen in zijn rugzak stoppen. Een emmertje natuurlijk.
16
En zijn zonnebril, en zijn nieuwe tandenborstel. ‘Die heb je niet nodig,’ zegt Sien. Maar Tijs luistert niet. Zijn pantoffels moeten er ook in, en zijn kleurstiften en papier. Stel dat hij zich verveelt. ‘Je gaat je niet vervelen,’ zegt Sien, ‘jij zit nooit stil.’ ‘Tijs,’ zegt oma, ‘nu gaan we!’ Ze gaan met de auto. Het is niet ver. Tot het volgende dorp. Ze parkeren de auto en lopen de helling af naar het strand. Het is een heel ander strand, met duinen. En voor de duinen net een voetbalveld van zand. Nee, tien voetbalvelden. En ver weg, de zee. Een troep kokmeeuwen zit op een kluitje rond een gele vlag.
17
Af en toe vliegen ze op, met zijn allen tegelijk. Een rondje. Daarna gaan ze weer zitten op hun zelfde plekje. Die vlag staat er niet zomaar. Die vlag zegt: Hier zijn redders in de buurt. Wij houden iedereen in de gaten. Je moet niet te ver in zee gaan. Anders fluiten wij je terug. Ook de kleur van de vlag zegt iets. Groen is veilig. Rood is: niet doen! De zee is te wild. Er mag niemand in. Maar vandaag is de vlag geel. Dan mag het wel, maar niet te ver. ‘Hier kunnen we het water in,’ zegt oma. ‘Maar alleen pootjebaden.’ Eerst moeten ze voorbij een strook met groene slingers. ‘Dat is zeewier,’ legt oma uit. Er is blaasjeswier, en lange, donkergroene slierten. Net spaghetti.
18
Tijs doet ze in zijn emmer. ‘Maak je ze vanavond klaar, oma?’ vraagt hij. ‘Met een lekker sausje?’ ‘Een lekker sausje wil ik wel maken,’ zegt oma. ‘Maar dan met echte spaghetti.’ ‘Ik haal er de rotzooi wel uit,’ zegt Tijs. Hij vindt een half leeggelopen ballon. ‘Die komt uit Engeland,’ zegt oma. Dat kan ze zien aan het kaartje. Er staat een adres op. ‘Zet de ballon maar in jullie zandkasteel,’ zegt oma. Ze vinden een mooi plekje op het strand. Vlak bij de waterlijn. Het zand is hard en ze zetten lijnen uit voor een groot kasteel. Oma gaat erbij zitten. In een vouwstoeltje. Ze wil lezen, maar er waait zand tussen de bladen van haar boek.
19
Ze moet het goed vasthouden, met haar twee handen. Gelukkig is de wind hier minder fel dan bij het rotsenpad.
Hij klimt over de duinen heen, het land in. Nieuwsgierig naar alles wat voorbij de zee ligt. De zon breekt steeds vaker tussen de wolken door. Het wordt lekker warm.
20
Kasper, Sien en Tijs trekken hun truitje uit. Het wordt een reusachtig groot kasteel. En hoog. Met een slotgracht en een binnenplein. Ze werken er met zijn drieën aan. Oma neemt een foto. Ze staan fier achter de kantelen. Na een poosje wil Tijs liever rollen en buitelen door het zand. Kasper neemt een aanloop. Hij springt over de slotgracht, krek tot op het binnenplein. ‘Ik heb het kasteel veroverd!’ roept Kasper. Sien vindt het niet leuk. Er zit een groot gat in het binnenplein. Aan één kant liggen de kantelen omver. Ze gaat weer aan het werk. En dan gaan Kasper en Tijs zwaardvechten. Met de schoppen. Dat klettert hard. ‘Jongens toch, niet zo geweldig,’ zegt oma. Net iets voor oma. Ze zit de hele tijd met haar neus in een boek.
21
En als het leuk wordt, zegt ze weer dat het niet mag. ‘Kom kinderen, de zee komt op. We gaan terug.’ Kasper en Tijs hadden het niet eens gemerkt. Er staat al water in de slotgracht. Maar het kasteel staat er nog. Ook als ze alles weer ingepakt hebben. En zelfs als ze al op de betonnen helling terug naar de auto lopen. Ze komen weer in het huisje, maar opa is er niet. Oma baalt. Dat was niet zo afgesproken. Nu moet ze samen met de kinderen alles uit de auto halen. Zand uit schoenen laten lopen als kleine beekjes. ‘Kom,’ zegt ze later, ‘het eten staat te sudderen. We lopen opa tegemoet. Je rugzak hoeft niet mee, Tijs. We zijn zo terug.’
22
Maar Tijs kijkt schuin voor zich. Alsof er een aller-bijzonderst ding op de grond ligt. En dat wil hij zo meteen oprapen. Zijn mond is een smalle streep. Niemand kan hem op andere gedachten brengen. De wind is nog harder dan eerst. Hij rukt aan het gras. Ieder moment kan het in grote plukken wegwaaien. De wind waait zo hard dat het eng is. ‘Oma!’ roept Tijs. ‘Wacht even!’ De wind blaast de woorden uit zijn mond. Oma hoort het niet. Ze loopt stevig door. Ze komt niet eens op het idee om hem een hand te geven. Op het strandje staat het water tot aan de rotsen. Opa is er niet. Oma kijkt vreselijk ongelukkig.
23
‘Waar is opa toch? Ik zie hem nergens.’ ‘Misschien is hij onderweg naar huis,’ zegt Kasper. ‘Dan hadden we hem gezien,’ zegt Sien. ‘Er loopt maar één pad over de rotsen.’ ‘Kijken jullie eens goed, kinderen,’ zegt oma. Ze houdt een hand boven haar ogen tegen de lage zon. Ze kijken allemaal goed rond. Over het strand, over de rotsen, en zelfs over de zee. Daarna kijken ze weer naar elkaar. Ze halen hun schouders op. Met een spijtig gezicht. Sien is klaar om te gaan huilen. Maar dan haalt Tijs een verrekijker uit zijn tas. De verrekijker van opa. Daar mag hij niet aankomen. Maar deze keer vindt oma het niet erg. Ze wil de verrekijker van Tijs overnemen, maar ze houdt zich in. Ze wrijft haar handen tegen elkaar.
24
Alsof ze jeuken. ‘Tijs?’ zegt ze. Tijs speurt de zee en het strand af, en dan zegt hij: ‘Ik zie hem, ik zie opa. Hij zit ver weg, tussen de rotsen. Daar!’
Tijs wijst met zijn vinger. Ze klauteren met zijn allen die richting uit. Al snel kunnen ze opa zien. Hij begint woest te zwaaien. Hij schreeuwt. Oma, Kasper, Sien en Tijs schreeuwen terug.
25
Het is een gebrul van jewelste, boven het bruisen van de zee. Intussen moeten ze wel goed uitkijken. Je kunt hier makkelijk tussen de rotsen vallen. Er gapen diepe kloven. Soms zijn het gulzige, zwarte gaten. Met plasjes water en af en toe wit schuim. De zee rukt op. Het lijkt wel of ze woedend is. Of opa haar pop is. En die wil ze niet afgeven. Oma jammert zachtjes. Ze kan niet zo snel over de rotsen heen. Af en toe blijft Kasper staan om haar te helpen. Tijs is al een eind vooruit. Daarna komt Sien. Eindelijk komen ze bij opa. ‘Jullie kunnen mij niet helpen,’ zegt opa. ‘Mijn voet zit klem. Ik wilde die twee losgeslagen boeien pakken.
26
Voor jullie. Toen gleed ik uit. De rots schoof weg, en nu zit ik klem met mijn voet.’ Intussen zijn ook Kasper en oma erbij gekomen. ‘Je moet hulp halen,’ zegt opa. ‘Ik hou het hier wel uit. De zee komt niet zo ver.’ Allemaal kijken ze naar de zee. De zon is uit de hemel naar beneden gezakt. Het water ziet er grauw en dreigend uit. Er komen spatten aangewaaid. Spatten wit schuim van een bruisende zee. ‘Heb je pijn?’ vraagt oma. ‘Een beetje,’ zegt opa, ‘maar dat valt wel mee. Mijn voet zit klem onder de rots. Maar ik denk niet dat er iets gebroken is. Het is niks.’ Sien kijkt naar Tijs. Ze knijpt haar ogen dicht en legt haar hoofd schuin. ‘Maak je rugzak eens open,’ zegt ze.
27
Tijs zet zijn rugzak op de rots en haalt er al zijn schatten uit. Er zit een plastic harkje in. Twee kurken, een handvol mooie steentjes en een paar prachtige schelpen. Met de meeste dingen kunnen ze niks beginnen. Maar er zit ook een dik touw in, en een ijzeren staaf. Kasper stopt de staaf onder de steen. Het touw gaat eromheen. ‘Eén, twee, hup.’ Oma en Sien trekken aan het touw. Kasper springt op de staaf. Het rotsblok geeft een beetje mee en Tijs trekt aan de arm van opa. ‘Mijn voet is los!’ zegt opa. ‘Oef,’ zegt oma, ‘dat was op het nippertje. Laten we hier gauw weggaan.’ ‘We nemen de boeien mee,’ zegt opa. Daar was het mee begonnen.
28
Gelukkig kan opa lopen. Het gaat niet zo snel. Hij mankt een beetje, maar hij zet zijn tanden op elkaar. Op het pad geeft hij Tijs een hand. ‘Ik wil niet dat je wegwaait,’ zegt hij. ‘Wie moet mij anders komen redden, als er nog eens iets gebeurt?’ ‘Jij gaat voorlopig niet meer in je eentje weg,’ zegt oma. Opa zegt niks terug. Hij lijkt wel een kind. Achter hem aan huppelen de gele en de oranje boei aan het touw. Als kippen die naar graantjes pikken.
29
Bij hun huis zwaait het licht van de vuurtoren. Flits, flits, en dan even niks. Het wordt al donker. Ze leggen de boeien in het schuurtje. Naast een paar bijzondere spulletjes van Tijs. Binnen haalt opa fossielen uit zijn zak. Haaientanden en afdrukken van dode visjes. Die heeft hij gevonden in de rotswand. ‘Ze zijn minstens zestig miljoen jaar oud,’ zegt opa. Thuis heeft opa kasten vol met fossielen. Het is zijn werk, hij weet er alles van. Hij stalt ze uit op het salontafeltje. ‘Zijn het er niet te veel, opa?’ vraagt Tijs. ‘Misschien moet je alleen de aller-bijzonderste houden. Straks is er geen plaats meer in de schatkist.’ Opa tikt Tijs vriendelijk op zijn neus. ‘Dat zien we nog wel,’ zegt hij. Het eten is aangebrand, maar dat vindt niemand erg.
30
Alles is goed afgelopen. Ze zijn blij. ‘Was je niet bang?’ vraagt Tijs. ‘Een beetje,’ zegt opa. Ze zwijgen. Ze denken allemaal aan de golven. Het schuim kwam tot bij de rotsen. ‘Ik ben bang voor de wind,’ zegt Tijs opeens. ‘Dat snap ik best,’ zegt opa. ‘Als je klein en licht bent, sta je niet zo stevig. We zouden je met een anker moeten vastzetten als een boot.’ ‘Dan kan hij helemaal niet weg,’ zegt Kasper. ‘We kunnen de boeien met een touw om hem heen slaan,’ zegt opa. ‘En als de wind hem optilt, trekken we hem met de boeien naar beneden.’ Daar moeten ze allemaal om lachen.
31
Ze zien hem al hangen, in de lucht. Maar Tijs trekt een gezicht. ‘Wat heb ik verkeerd gedaan?’ vraagt hij. Hij houdt zijn handen in de lucht. Net zoals een goochelaar: Niks in de handen, niks in de zakken. Nu moet iedereen nog harder lachen. Maar opa staat op. Hij loopt om de tafel heen en geeft Tijs een zoen. ‘Jij hebt mij toch maar gered,’ zegt hij. Daarna geeft hij ook alle anderen een zoen. ‘En jullie ook,’ zegt hij. ‘Heel erg bedankt.’ ‘Voortaan mag Tijs alles in zijn rugzak stoppen,’ zegt oma. ‘Alles wat hij maar wil.’ ‘Jij mag alle bijzondere spulletjes verzamelen,’ zegt opa. ‘We vinden er wel een plekje voor.’ ‘In je fossielenkast?’ vraagt Tijs. ‘Dat weet ik niet,’ zegt opa. ‘Het moet ook niet te gek worden.’
32
‘Soms brokkelt er een stuk van de rotsen af,’ legt opa uit. ‘Dus mag je niet van het pad af,’ zegt oma. ‘Of soms,’ zegt opa, ‘zijn de rotsen gewoon moe van het hangen. En dan donderen ze in zee.’ ‘Daarom ligt het pad een eind van de rand,’ zegt oma. ‘Daarom mag je niet van het pad af. Nooit.’ Sien en Kasper kijken naar elkaar. Ze weten het nu echt wel. Bij de rand van de rotsen is het gevaarlijk.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Madeleine van der Raad Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.