Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 7 - Thema 4 - N2 - Maano, koning van de draken

Page 1

ucatieve uitgaven

Maano, koning van de draken

BIEB

Sandrine Lambert

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

7


Maano, koning van de draken

1


Maano keek om zich heen. Het boek op zijn schoot was net uit. Het was weer een lekker dik boek van Dion. Jammer dat het uit is, dacht Maano. Dion was de beste schrijver van zijn rijk. Hij was ook de enige draak die boeken schreef. Maano had elk boek gelezen. En herlezen. Daarom wist hij veel. Over zijn rijk, het drakenrijk. Dion was een wijze draak. En Maano het enige kind op de planeet. Maano was de koning van de draken. Hij was een goede koning. Dat wou hij toch graag zijn. Rond hem strekte zich een wijd landschap uit. Met veel groen, en grijs van de bergen. In de bergen waren gaten. Daarin woonden de draken. Het drakenrijk liep tot aan de paarse berg. Daarachter was niets.

2


Wie daar ging, kwam niet terug. Liep je een centimeter te ver? Dan viel je van de planeet af. Dat las Maano in een boek. Maar aan de andere berg was een ander rijk. Een ander rijk met andere draken. Die draken zagen er anders uit, ze waren veel groter. De draken van Maano waren klein. De grootste was net zo groot als hij: 1 meter en 45 centimeter. Dat was Dark. Dark was er altijd. Steeds als Maano iets nodig had. Maar zijn leukste vriend was Dimy. Dimy was een kind, net als Maano. Maar dan een drakenkind.

3


Het rijk van de mensen ‘Mijn boek is uit, is er al een nieuw boek?’ ‘Je leest te snel,’ lachte Dion. ‘Jou kan ik niet volgen.’ ‘Wat schrijf je nu?’ ‘Niets!’ Vliegensvlug trok Dion het blad weg. Dat zag Maano wel, maar hij zei niets. Dion legde het blad onder een boek. ‘Ik hoor wat buiten,’ zei hij. ‘Wacht hier, ik neem een kijkje.’ Eén seconde keek Maano naar het boek. Het boek met daaronder het blad. Snel hief hij het boek op. Hij las: Het rijk van de mensen. Maano schrok. Was dat een sprookje of was het echt?

4


‘Kijk eens wie hier is,’ lachte Dion. Maano zag dat Dimy naast hem stond. Wat was hij blij dat hij het boek niet meer vasthield! Vlug keek hij nog eens. Het lag toch weer goed? Dion zag Maano kijken. ‘Je hebt toch niet …’ ‘Nee!’ riep Maano gauw. ‘Gaan we spelen?’ vroeg Dimy. Maano was blij met die vraag. ‘Tik, jij bent hem!’ Maano rende achter Dimy. Maar dan stond hij stil. ‘Tikkertje is een dom spel,’ zei hij. ‘Dom?’ ‘Ja, want we zijn maar met twee.’ ‘Wie zou er dan nog kunnen meedoen?’ Dimy keek rond. ‘Dion of Dark – nee toch? Of …’ Maano dacht na. Zou hij … Ja, hij stelde zijn vraag. ‘Denk jij dat er nog meer mensen bestaan?’

5


‘Meer dan … jij?’ Maano knikte. ‘Nee! Er is maar één mens, Maano. Dat weet je toch, dat ben jij. Daarom ben je ook onze koning.’ Wat had Maano zin om alles te zeggen. Dat hij dat blad las bij Dion. Was dat het begin van een nieuw boek? Was het echt? Maar hij durfde het niet zeggen. ‘Tik, jij bent hem!’

6


De wetten van Dark ‘Er zijn heerlijke pannenkoeken, koning.’ Dark sprak met zoete stem. Maar Maano had geen trek. Een kuch van Dark: ‘Ik schreef een wet. Tekent u even?’ Hij legde een pak papier op tafel. Omdat Maano koning was, zou hij het moeten lezen. Hij moest zeggen of het goed was. Maar Dark schreef zo lelijk, en zo veel. Daarom zei Maano, net als altijd, dat het goed was. ‘Dank u mijn koning, de enige mens.’ ‘Ben ik wel de enige mens, Dark?’ De zwarte draak sprong naar achteren. ‘Wat zegt u?’ ‘Ik vraag me af …’ Kon hij dit wel aan Dark zeggen? Maar Dark was toch zijn vriend? ‘Eet nu maar, koning.’ Wat deed Dark raar … Ik zeg het hem gewoon, dacht Maano.

7


Vrienden zeggen alles. Hij zei: ‘Dion schrijft een boek. Ik denk dat het een boek wordt. Nu is het nog een blad. Het gaat over het rijk van de mensen.’ De zwarte kop van Dark werd paars. Er kwam rook uit zijn neus. ‘Dion liegt!’ riep hij. Maano zweeg. Wat raar, dacht hij. Maar daar was Dimy. Net op tijd. Nu zouden ze spelen.

8


Is Dark een vriend? Mijn hoofd, was het enige dat Maano kon denken. Rond hem was het zwart. Ben ik blind? ‘Waar ben ik?’ klonk een stem. Was dat Dimy? ‘Dimy, ben jij dat?’ ‘Maano, waar zijn we toch?’ Maano dacht na. Eerst speelde hij met Dimy. Toen kwam Dark eraan met appelsap. Maano en Dimy dronken van het sap. Daarna niets meer. ‘Ik wil naar huis,’ huilde Dimy. Maano legde zijn arm om hem heen. ‘Stil maar,’ suste hij. ‘Zwijgen!’ klonk ineens een harde stem. Dimy begon nog meer te huilen. En Maano was ook bang. ‘Toe, niet huilen, daar kan ik niet tegen.’ De stem klonk best aardig.

9


Maano was al gewend aan het donker. Maar veel kon hij nog niet zien. De stem kwam van een draak. ‘Wie ben je?’ vroeg Maano. ‘Wacht, ik blaas een fakkel aan.’ Dat deed de draak. ‘Zo, dat praat beter.’ Het was een grote draak, net als Dark. ‘Hallo,’ zei hij. Hij klonk bijna blij. ‘Waarom zijn we hier?’ vroeg Dimy. ‘Bevel van de baas.’ ‘Wie is die gemene baas?’ vroeg Maano. ‘Dat is Dark.’ ‘Dark?’ Dat kon toch niet. ‘Je liegt! Dark is mijn vriend.’ Nu werden de ogen van de draak donker en dof. ‘Het spijt me … maar je vergist je, koning.’ Dat kon toch niet waar zijn! ‘Jij bent goed, maar Dark niet.’

10


De draak was een eindje verder gaan staan. Zonder zijn fakkel was het donker. Dimy snikte. ‘Kom terug!’ riep Maano. ‘Ik ga niet weg,’ zei de draak. ‘Ik moet jullie goed bewaken.’ ‘Van Dark?’ De draak knikte. ‘Noem me maar Dik,’ zei hij. ‘Dik?’ ‘Dat is mijn naam. Die past bij me omdat ik niet mager ben.’ Dik lachte.

11


Even lachte Maano mee, maar Dimy niet. ‘Jammer voor jullie dat jullie hier zijn. Maar voor mij is het leuk. Nu ben ik niet meer zo alleen.’ Dik praatte. Over zijn vader en moeder die nooit lief waren. Hij vertelde dat hij altijd droevig was. Toen kwam Dark en die leek wel lief. ‘Maar dat was hij niet. Hij ging een kind halen bij de mensen. Dat was jij, Maano.’ Maano schrok.

12


Hij durfde niets te zeggen. Het was waar, dat voelde hij. Dik was eerlijk. En dus waren er nog andere mensen … ‘Maar waarom?’ vroeg Dimy zacht. Maano keek naar Dimy. Die was dicht bij hem komen zitten. ‘Dark had een koning nodig. Een koning die deed wat hij wou. Een koning waar iedereen dol op was. En die er niet uitzag als een draak. Maano schudde zijn hoofd. Hoe had hij zo dom kunnen zijn?

13


Op de vlucht Dimy zat op de rug van Dik. ‘Konden wij ook maar vliegen,’ zei Dik. ‘Ik voel me net een taxi.’ Maano knikte. Er waren draken uit een ander rijk die wel konden vliegen. Maano zag hoe Dik op zijn lip beet. Zijn voeten deden pijn. Die van Maano ook. Maar hij was blij dat ze weg waren. Weg uit die donkere kerker. Dik had ze laten gaan. En hij was meegelopen. Anders zou Dark hem doden. Het werd licht. Daar was de dag. ‘Nog even,’ zei Maano dapper. Dan zijn we ver genoeg.

14


Alles was goed gegaan, tot nu toe. Wat was dat spannend geweest! ‘We moeten wachten,’ had Dik gezegd. ‘Tot het buiten donker is.’ Eerst wou Dimy niet, omdat hij niet durfde. Ook Maano trilde van angst. Maar veel keuze was er niet. ‘Nu,’ had Dik gezegd. En toen waren ze blijven stappen. Zonder stoppen. Ze waren moe, maar moesten verder. Nog even.

15


‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg Dimy. ‘Naar de mensen natuurlijk!’ Maano schrok. ‘Echt waar?’ Hij wist niet wat hij voelde. Moest hij blij zijn? Eigenlijk was hij vooral in de war. ‘Weet jij dan waar dat is?’ Zijn stem klonk schor. ‘Achter de paarse berg.’ Maano had altijd gedacht dat daar niets was. Zo stond het in de boeken van Dion. Hij voelde de warme poot van Dik. ‘Flink zijn,’ zei die.

16


Onder een boom hielden ze halt. Maano plukte bessen. Dik hielp Dimy om aan de rivier te drinken. ‘En jullie dan?’ vroeg Maano plots. ‘Jullie kunnen toch niet naar de mensen.’ ‘Dat is waar ook …’ zei Dik. Dimy zweeg. ‘We vinden wel een plan,’ zei Maano. ‘Eerst uitrusten.’ Een beetje zon straalde door de boom heen. De warmte deed goed. Al snel lagen Dik en Dimy te snurken. Maano zou ook niet lang wakker blijven. Dat voelde hij. Zijn ogen vielen bijna dicht. Maar plots hoorde hij iets. Een tak kraakte. Vast de wind, dacht Maano. ‘Pssst.’ Hoorde hij dat echt? ‘Ik droom gewoon al.’ Toen was het stil. Opnieuw vielen de ogen van Maano dicht.

17


Hij droomde. In zijn droom had hij een broer. En een zus. En een mama en een papa. Zijn mama zou hem aaien. Alles was precies zoals hij het wenste. Ineens voelde hij een poot op zijn schouder. Maano slaakte een gil en sprong recht. Voor hem stond een draak. Het was … Dion. Dion was een vriend van Dark. Was hij ook slecht? ‘Schrik niet,’ zei Dion. ‘Ik kom jullie helpen.’ Was dat waar? Maano wist het niet. Maar Dion ging verder: ‘Ik weet dat jij dat blad las. En dat jij dat aan Dark zou zeggen. De rest kon ik raden. Ik ken Dark. En ik ken Dik.’ Dik lachte naar Dion.

18


Het is goed, dacht Maano. Ik geloof Dion. ‘Luister,’ ging Dion verder. ‘Ik heb een plan. Dimy en Dik, jullie kunnen niet terug. Jullie moeten ook naar de mensen.’ ‘Houden mensen van draken?’ vroeg Dik. Dion lachte: ‘Mensen denken dat wij niet bestaan!’ Maano kon zijn oren niet geloven. ‘En ik dacht dat er geen andere mensen waren …’

19


‘Maar bij de mensen leven ook dieren,’ ging Dion verder. Dat zijn dan weer andere wezens. ‘Een reptiel is zo’n dier. Die lijkt op een draak. Nu ja, op onze soort. Die kunnen niet vliegen en ze zijn niet zo groot.’ ‘De krokodil,’ wist Maano. Hij las erover in een boek van Dion. Een boek dat hij niet goed begreep toen.

20


‘Die is ook groen.’ Dik keek naar zijn buik en naar die van Dimy. Zij waren groen. Niet alle draken waren dat. Zo was Dark zwart en Dion rood. ‘Zouden de mensen denken dat wij een krokodil zijn?’ Dik keek nog eens goed naar Dimy. ‘Ze zullen het niet weten,’ zei Dion. ‘Dan doen ze een studie. Ze schrijven dikke boeken, net als ik. Dat doen ze graag.’

21


Bij de mensen ‘Let nu op,’ zei Maano. Hij zat op een steen. Een rare steen, heel recht. Rood met witte lijnen. ‘Eerst goed kijken.’ Er waren rechte rotsen. Met lijnen en rechte gaten. Er waren bomen zonder takken. Waar licht uit scheen. Ineens hoorden ze stemmen. ‘Nu moeten we doen wat Dion zei.’ Maano dacht aan Dion. Aan hun afscheid. En dat Dion zei dat Maano moest lachen. Altijd aardig zijn en lachen. Dan doen ze je niets. ‘Kom,’ sprak Maano. Hij lachte. Om te oefenen. Hij keek naar een gat in een rots. Daar zag hij een hoofd. Net zo’n hoofd als zijn hoofd.

22


23


Maano lachte eerst. Toen wuifde hij, net als dat kind. Er kwamen mensen op straat. Twee, dan drie, tien … twintig. Ze keken niet naar Maano. Wel naar Dik en Dimy. Een kind aaide Dik, een ander aaide Dimy. De mensen waren zo lief. Het kind dat Maano eerst zag, kwam naar hem. Hij zei iets. ‘Kamiel,’ hoorde Maano, maar dat verstond hij niet. Toen kregen ze eten. Maano, Dik en Dimy. ‘Alles komt goed,’ zei Dik. Maano lachte. Niet omdat Dion dat zei, maar omdat hij zich blij voelde.

24


Maano is het enige kind in zijn rijk. Daarom is hij koning. Zijn beste vriend Dark is er altijd om hem te helpen. Maar dan ontdekt hij een groot geheim …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Yoeri Slegers Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 7 - Thema 4 - N2 - Maano, koning van de draken by die Keure - Issuu