ucatieve uitgaven
BIEB
Geen bal op de tv Jonas Boets
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
7
Geen bal op de tv
1
Ruben kijkt heel graag televisie. Nu kun je zeggen: elk kind kijkt heel graag televisie. Maar Ruben is niet zoals elk kind. Hij kijkt zoveel televisie als hij kan, zoveel als alle kinderen samen. Niet dat hij verslaafd is aan televisiekijken. Hij kan heus ook wel iets anders. Zoals ... Misschien zoals ... Nou, er is vast wel iets dat hij ook doet naast televisiekijken. Alleen komt hij er niet meteen op.
2
Ruben kijkt tijdens het eten, hij kijkt tijdens het spelen, hij kijkt tijdens het huiswerk. En zelfs als hij slaapt, droomt hij dat hij televisie kijkt.
3
Ook op vakantie kijkt Ruben alleen televisie. Zijn ouders krijgen hem niet naar buiten. Niet naar het mooie uitzicht, niet naar de tuin om te spelen. Zelfs niet naar het grote zwembad. Ruben heeft geen zin om iets te doen. Hij kijkt en kijkt en kijkt. Zo lang hij kan, zoveel hij kan. Maar op een avond wordt het scherm helemaal zwart. Ook alle lichten vallen uit. Wat gebeurt er?
4
Ruben wordt bang. Er is geen stroom meer in het huis. Wat als hij geen televisie kan kijken? Hij klopt hard op de televisie, maar er gebeurt niets. Papa voelt aan elke draad. Hij kijkt zelfs in de televisie. Maar ook hij vindt het probleem niet.
5
Ruben heeft een idee. ‘Ik kan op de tablet kijken,’ zegt hij. ‘Die werkt immers niet op stroom.’ Hij neemt de tablet van de tafel. Oef, die doet het nog. Maar Ruben kan geen filmpjes zien. Er is geen wifi1 in het huis. Dat is echt een grote ramp. Ook niet op de telefoon van papa? Papa schudt al met zijn hoofd, nog voor Ruben de telefoon kan grijpen. Er is geen televisie meer.
6
‘We moeten naar huis,’ zegt Ruben tegen mama. ‘We gaan ook naar huis,’ zegt mama, ‘over twee weken.’ ‘Nee, je begrijpt me niet,’ zegt Ruben in paniek. ‘We moeten nu naar huis, en snel!’ Mama moet heel hard lachen. ‘We gaan niet naar huis, hoor,’ zegt ze. ‘Het is hier veel te leuk.’ ‘Maar wat moet ik dan doen?’ vraagt Ruben. ‘Je kunt voor een keer geen televisie kijken,’ zegt papa. ‘Wat, geen televisie kijken?’ Papa maakt vast een grap. Maar Ruben lacht er niet mee.
7
Ruben mokt, met zijn hoofd op zijn knieën. Hij moet zijn fantasie gebruiken, zegt mama. Maar hij heeft geen fantasie. Hij staart naar de televisie, daar gebeurt niets. Wat een stomme vakantie. Misschien moet hij maar eens iets anders doen, zoals ... Zoals ... Hij weet het echt niet.
8
Een vlinder vliegt voor zijn neus. Er zit een mannetje op zijn rug. Hij is heel erg klein, zo groot als een teen. ‘Dit is echt niet leuk,’ zegt Ruben tegen het mannetje. ‘Ik kan niet naar televisie kijken, want de stroom is weg.’ Het mannetje knikt en vliegt weg. Ruben schrikt op en kijkt de vlinder na. Wacht eens, een mannetje op een vlinder? Dat kan niet!
9
Ruben rent achter de vlinder aan. Hij loopt langs het zwembad, naar de bomen vol olijven en kersen. Maar de vlinder is erg snel. Hij vliegt heen en weer, net te hoog voor Ruben. Ik moet hem vangen, denkt Ruben. Hij moet het zeker weten. Er zit vast geen echt mannetje op. Het was gewoon een heel rare droom.
10
Aan het einde van de bomen stopt de vlinder. Hij gaat neerzitten op een tak. Het lijkt alsof hij naar Ruben kijkt. Zit er nu een mannetje op of niet? Ruben kan het niet zo goed zien. Er is maar één manier om het te weten te komen. Hij moet naar de vlinder lopen. Ruben loopt aan en springt zo hoog hij kan. Maar hij mist de vlinder op een haar. Hij valt op de grond en duikelt2 in de struiken.
11
Ruben staat weer op en wrijft het zand weg. Hij bevindt zich niet meer in de tuin. Het is hier anders, overal zijn er vlinders. Op elke vlinder zit een mannetje. Ze hebben speciale kleren aan. Ze dragen een miniharnas in felle kleuren. De kleuren van hun kleren passen bij de vlinder waar ze op zitten. Het is hier zo mooi. Ruben knijpt in zijn arm om te kijken of hij droomt. Au, hij voelt de pijn in zijn arm. Hij droomt niet, dit is echt.
12
13
De mannetjes houden een wedstrijd. Ze vliegen om ter snelst van boom naar boom. Ruben loopt met hen mee, maar hij is niet snel genoeg. Hij wil nog een keer proberen, hij geeft niet op. Weer verliest hij kansloos. Ruben vindt het helemaal niet erg. Hij heeft de tijd van zijn leven. Hij loopt, springt en danst tussen de vlinders.
14
En hij helpt hen waar hij kan. De mannetjes eten graag kersen. Maar een kers plukken is zwaar voor hen. Daarom klimt Ruben hoog in de boom. Hij plukt de kersen met zijn vrije hand. Af en toe stopt hij er ook een in zijn mond. Als zijn zak vol kersen zit, daalt hij weer af. Op de grond laat hij zijn buit zien. De mannetjes juichen, zoveel kersen hebben ze nog niet gehad. Ze smullen tot hun buik drie keer zo dik is.
15
Plots ontstaat er paniek bij de mannetjes. Ze lopen weg en duiken onder de struiken. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Ruben. Een mannetje wijst naar boven. ‘De vogels,’ zegt hij, ‘ze zijn op zoek naar eten.’ ‘Ze denken dat wij wormen zijn en daarom willen ze ons opeten.’ Ruben kijkt naar de vogels, die steeds dichterbij komen. Voor hem zijn ze niet zo groot. Maar voor de mannetjes zijn het reuzen. Reuzen, daar heeft iedereen toch schrik voor? Er komt een idee op in zijn hoofd.
16
Ruben gaat naast de struiken staan. Hij heft zijn armen en strekt ze zo ver hij kan. ‘Wat doe je?’ vraagt het mannetje. ‘Ik speel vogelverschrikker,’ zegt Ruben. ‘Daar hebben de vogels schrik voor. Ik jaag ze allemaal weg.’ Ruben maakt er ook nog enkele vreemde geluiden bij. Nu durven de vogels vast niet meer naar beneden te komen. Niet met een rare reus op de grond.
17
Het lukt! De vogels vliegen snel weg. De mannetjes zijn weer veilig. Ze gaan verder met hun spel. Ruben doet mee, hij vindt het zo leuk bij hen. Het is lang geleden dat hij zo veel plezier had. Hij wint zelfs een race tegen een vlinder. Ze hebben hem vast laten winnen. Maar dat vindt Ruben niet erg. Gewonnen is gewonnen.
18
Na een tijdje hoort hij een stem in de verte. ‘Ruben, komen eten!’ Het is zijn papa die roept. ‘Ik moet even weg,’ zegt hij, ‘maar ik kom snel terug.’ En dan spelen we verder.
19
Aan tafel vertelt Ruben over zijn dag. Mama en papa luisteren met plezier naar zijn verhaal. ‘Er waren mannetjes,’ zegt Ruben, ‘en vlinders. En toen kwamen er gemene vogels. Ze mochten de mannetjes niet zien. Want anders zouden ze hen opeten. En we aten heel veel kersen, die ik uit de boom plukte.’
20
‘Wat leuk,’ zegt mama, ‘mag ik ook eens mee?’ ‘Nee,’ zegt Ruben, ‘jij bent veel te groot.’ ‘Je past vast niet in hun wereld.’ ‘Ik ben blij voor je,’ zegt mama. ‘Je gebruikt je fantasie, zie je wel dat dat leuk is?’ ‘Fantasie?’ vraagt Ruben verbaasd. ‘Nee hoor, het is heel echt. De mannetjes zitten daar, aan het einde van de tuin.’ ‘Sorry,’ zegt mama, ‘dat bedoelde ik ook.’
21
‘Er is weer stroom,’ zegt papa, ‘de televisie werkt weer.’ ‘Hoeft niet,’ zegt Ruben meteen. ‘Ik ga morgen weer naar de mannetjes. Ze zijn vast al op me aan het wachten.’ Op dat moment ziet hij er een aan het raam. En dan ook de anderen. Er zijn wel honderd mannetjes, allemaal op vlinders. ‘Ik kom zo snel ik kan,’ zegt hij zacht.
22
23
Woorduitleg 1 wifi = draadloos internet 2 duikelen = al rollend vallen
24
Ruben houdt erg veel van televisiekijken. Hij kijkt tijdens het ontbijt, na het ontbijt, tijdens het middageten, na het middageten, tijdens het avondeten en na het avondeten. En hij zou ook kijken tijdens het slapen als dat kon. Maar op een dag valt de stroom uit. Wat moet hij nu beginnen?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.