ucatieve uitgaven
Eén plus één is soms drie
BIEB
Laïla Koubaa
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
7
Eén plus één is soms drie
Te laat Het is al acht uur. Zein ligt nog in bed. Mama Noer werkt ’s nachts. Ze komt net thuis. ‘Dag schat,’ zegt papa. ‘Dag liefje,’ zegt mama. Papa zoent mama. ‘Waar is Zein?’ vraagt mama. ‘Zein is ziek, hij ligt nog in bed,’ antwoordt papa. 1
‘Oei, ziek?’ zegt mama bezorgd. ‘Ik moet weg, tot straks.’ En hup, weg is papa, want papa werkt overdag. Mama rent de trap op, naar de kamer van Zein. Ze klopt aan en gaat naar binnen. ‘Ik kan niet naar school mama, ik heb griep,’ piept Zein. ‘Oei, heb je koorts?’ vraagt mama. Mama voelt aan zijn hoofd. ‘Nee, je hoofd voelt niet heet aan,’ zegt mama. ‘Ik heb het warm en mijn buik doet pijn,’ verzint1 Zein. ‘Jij hebt een toets!’ raadt mama. Zein kruipt onder zijn laken. ‘Opstaan, straks ben je weer te laat!’ zegt mama boos. ‘Ik wil niet naar school!’ roept Zein van onder zijn laken. ‘Onzin2. Die toets komt wel goed.’ Zein staat op en trekt zijn broek en trui aan. Er is geen tijd voor ontbijt.
2
3
Hij moet nu naar school. Zein neemt zijn schooltas en rent het huis uit. ‘Hup naar school,’ zegt mama, ‘straks pik ik je op met de auto.’ ‘Ok,’ piept Zein. Daar is de bus. ‘Oef, net op tijd,’ zucht Zein. Soms is Zein te laat en dan moet hij rennen. Hij heeft een uurwerk, maar dat ding snapt hij niet. De bus is bijna leeg. Hij kijkt om zich heen. Waar is iedereen?
4
De vierde halte moet hij eraf. Zein telt goed mee: één, twee, drie en vier. Daar is de school. Ook op de speelplaats is er niemand. Is er dan geen les? Zein gaat naar de klas en kijkt door het raam. Ai, de kinderen zijn al in de klas, hij is te laat. Hij klopt aan. ‘Binnen,’ zegt juf. Zein gaat naar binnen. ‘Je bent weer te laat,’ zegt juf boos. ‘Ik had griep,’ antwoordt Zein. ‘Griep? Dat heb je niet, je hebt een toets,’ zegt juf streng. ‘Bang van tafels,’ zegt Noa. Alle kinderen krijgen een toets. Juf leest de vraag één keer voor, maar Zein hoort haar niet. Hij heeft het druk. Hij zoekt zijn pen, die zit nog in zijn schooltas. ‘Simpel!’ gilt Noa.
5
‘Ik krijg vast en zeker een tien op tien!’ roept Guust. Zein krijgt het nu echt warm. Hij heeft het heet en toch is hij niet ziek. Hij snapt de tafels niet. Guust is al bijna klaar. Noa geeft de toets al af. Zein moet nog beginnen. Het is een toets over de tafels. De tafels vindt hij stom. Keer op keer vergeet hij ze. Zein schudt zijn hoofd, hij weet het niet meer. Alle kinderen van de klas geven hun toets terug aan de juf. Zein vult niets in. Hij kan het niet. Hij kijkt naar zijn handen, maar dan roept juf: ‘Nee Zein, we tellen niet meer op onze handen.’ Alle kinderen lachen. ‘Dat doen kleuters,’ lacht Sem. Zein wordt rood. Hij geeft zijn leeg blad aan juf. ‘Zein toch,’ zegt juf.
6
De juf zegt dat hij niet goed oefent, maar dat is niet waar. Thuis doet hij hard zijn best om de tafels uit het hoofd te leren. ‘Morgen opnieuw!’ zegt juf. Noa en Guust lachen Zein uit. Dat is gemeen.
7
8
Na school pikt mama Zein op met de auto. Zein stapt in. ‘Hoe was de toets?’ vraagt mama. ‘Heel slecht, ik heb vast een nul,’ roept Zein boos, ‘want ik ben dom.’ ‘Dat wil ik niet meer horen!’ ‘Iedereen vindt me dom.’ ‘Dat is gemeen,’ zegt mama. De hele rit zegt Zein niets meer. Papa komt ook net thuis. ‘Wat is er aan de hand?’ ‘Ik ben dom!’ mompelt3 Zein. ‘Wat hoor ik daar? Dat is niet waar!’ zegt papa fel. Zein kijkt sip. ‘Kom, we gaan samen oefenen,’ zegt papa. ‘Dat heeft geen zin want ik kan het toch niet!’ roept Zein boos. ‘Kom op, het lukt je wel.’ ‘De cijfers dansen in mijn hoofd.’ ‘Kom even bij mij.’ Papa knuffelt Zein, dat vindt hij fijn. Mama komt er ook bij. Dat is nog fijner.
9
‘Neem een koek, een glas melk, een pen en je schrift.’ Zein gaat naast papa zitten. ‘Hoeveel is drie maal zeven?’ vraagt papa. ‘Ik zie het juiste getal in mijn hoofd maar krijg het niet op mijn blad,’ zucht Zein. ‘Weet je, vroeger vond ik de tafels ook stom,’ zegt papa. ‘Echt waar?’ ‘En de sommen ook. Ik zei steeds: één plus één is drie.’ ‘Papa, dat is toch twee!’ ‘Tuurlijk,’ lacht papa, ‘maar soms is één plus één gelijk aan drie.’ Zein lacht. ‘Gekke papa.’ ‘In de rekenles was ik altijd de laatste. We zullen elke dag oefenen. Dan lukt het je wel.’ Papa zingt en mama danst:
Eén maal één is één. Dat weet mijn kleine teen. Twee maal twee is vier. Dat zeg ik met veel zwier.
10
Samen met papa oefent Zein de tafels. Bij papa is Zein rustig. Papa leest de vraag luidop. 21 schrijft Zein. ‘Goed gedaan,’ zegt mama. ‘Nu nemen we een pauze!’ zegt papa. ‘Nu al?’ ‘Zullen we gaan vissen?’ ‘Joepie!’ joelt Zein. Zein vindt vissen leuk.
11
Zein en papa nemen vier hengels, twee stoelen, een emmer en brood mee in de fietstas. Ze springen op hun fiets en rijden naar de rivier. Er zitten nog vier vissers aan de kant in het gras. Ze hebben ook een vouwstoel en elk twee vislijnen. In de rivier zwemmen veel vissen, ook palingen4 en dat vindt mama lekker.
12
Papa en Zein nemen de spullen uit de fietstassen. Zein neemt plaats naast een boom en haakt stukjes brood aan zijn vislijnen. Hij werpt de lijnen in het water, zoals papa. Na een half uur hebben ze nog geen vis gevangen. ‘De andere vissers hebben elk al twee vissen gevangen,’ moppert Zein. ‘Vier vissers maal twee vissen, dat zijn?’ vraagt papa. ‘Acht vissen,’ antwoordt Zein trots. ‘Heel goed, Zein!’
13
‘Maar wij hebben nog niets gevangen.’ ‘De vissen hebben vandaag vast geen zin in brood,’ besluit papa. ‘Zullen we pieren5 zoeken?’ vraagt Zein. ‘Goed idee!’ glimlacht papa. Zein graaft een put. Daar kruipen veel pieren. Hij legt ze op een blad van een eikenboom. ‘Hoeveel hebben we er nodig?’ vraagt Zein. ‘Hoeveel kun je er vangen?’ vraagt papa. ‘Ik heb er al zes,’ wijst Zein trots. ‘Doe maar maal twee,’ zegt papa. ‘Twaalf dus,’ antwoordt Zein. ‘Twaalf vissen, dat klinkt goed!’ ‘Maar eerst moeten we ze vangen.’ ‘Hup, vier pieren aan de lijnen.’ En hoera! Zein heeft meteen beet. Hij neemt de vis van de lijn en gooit hem in de emmer. Ook papa heeft beet. Na een uur hebben ze elk zes vissen gevangen. Trots kijkt Zein in de emmer. ‘Papa zes en ik zes,’ denkt Zein hardop, ‘we zijn met twee, dat is dus gelijk aan twaalf.’
14
Papa steekt zijn duim in de lucht. ‘Hoera, we hebben twaalf vissen gevangen!’ ‘Kom, we gaan naar huis, er zwemt ook iets in mama’s buik,’ zegt papa en hij knipoogt naar Zein. ‘Wat zou dat nu kunnen zijn?’ vraagt Zein zich af. Zein is benieuwd. Mama is toch geen rivier of zee?
15
Thuis bakken papa en mama de vis. Mama doet boter in een pan en zegt: ‘Mijn oma zei altijd dat een vis drie maal moet zwemmen: één keer in het water, één keer in de pan en één keer in je buik.’ ‘Hahaha!’ De vissen sissen in de pan. Mmm, dat wordt smullen. De vis is klaar. ‘Aan tafel!’ roept papa. ‘Lekker!’ juicht Zein.
16
Na het eten wrijft papa over mama haar buik. Die zit een beetje dik. ‘Mama, jij hebt veel te veel vis gegeten!’ roept Zein. ‘Mama kan veel vis eten, maar er zit nog iets anders in mijn buik. Kun je het niet raden? Ik geef je een hint: soms is één plus één gelijk aan drie.’ Nu snapt Zein er helemaal niets meer van. Hij is een beetje in de war.
17
Eén plus één is twee, dat heeft de meester in het eerste leerjaar hem geleerd, dat weet hij zeker. ‘Soms is een papa plus een mama gelijk aan drie!’ Zein denkt diep na, en plots weet hij het antwoord op het raadsel: ‘Ik weet het, ik weet het, ik krijg een broer!’ jubelt Zein. ‘Of een zus!’ zegt mama. De volgende dag is Zein op tijd op school. Tijdens de speeltijd maakt Zein de toets opnieuw. Zein denkt aan de vissen en de pieren. Juf leest de vragen voor en geeft hem meer tijd. Dat schreef papa in zijn schrift. Het is rustig in de klas. Alle kinderen spelen buiten. Zein geeft de toets aan juf. ‘Hoera!’ juicht juf. ‘Dat heb je goed gedaan, Zein!’ ‘Oef!’ zucht Zein. Zein zingt:
18
Eén maal één is één. Dat weet mijn kleine teen. Twee maal twee is vier. Dat zeg ik met veel zwier. Drie maal drie is negen. Ik ben soms wat verlegen.
19
‘Zein, je krijgt een zes!’ Vanaf nu oefent Zein bijna elke dag de tafels, dat helpt. Elke week krijgt hij toets. Soms krijgt hij een zes, soms een zeven, soms een acht en de laatste weken wel eens een tien. Dan tovert hij de juiste getallen op het blad. Zein kan goed werken als het rustig is. Dat vertelt hij ook aan de kinderen van zijn klas. ‘Als het te druk is, dansen de getallen voor mijn ogen,’ zegt Zein. Dat vinden de kinderen erg voor Zein. ‘Sorry dat ik gemeen was,’ zegt Noa. ‘Ja, het spijt mij ook,’ zegt Guust. De jongens schudden elkaars hand.
Eén maal één is één. Dat weet mijn kleine teen. Twee maal twee is vier. Dat zeg ik met veel zwier.
20
Drie maal drie is negen. Ik ben soms wat verlegen. Twee maal drie is zes. Ik hou niet van rekenles. Ik hou van taal en ben muzikaal. Maar die tafels ken ik op een dag uit mijn hoofd. Dat is beloofd!
21
22
Op het einde van het schooljaar krijgt Zein zijn rapport. Hij mag naar klas drie en naar het ziekenhuis. Daar ligt mama met zijn zus. Papa pikt hem op. Zein toont fier zijn rapport. Hij vliegt papa om de hals. ‘Eén plus één is nu gelijk aan vier!’ knipoogt hij naar papa.
23
Woorduitleg 1 2 3 4 5
24
verzinnen = iets zeggen wat niet waar is onzin = domme praat mompelen = praten met je mond bijna dicht paling = lange, glibberige vis pieren = wormen
Zein is bang voor een toets. De cijfers dansen voor zijn ogen. Maar dankzij mama en papa leert Zein bij. Hij leert ook dat één plus één soms drie is.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Laura Janssens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.