Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 6 - Thema 7 - N3 - Kalila en Dimna: deel 1

Page 1

ucatieve uitgaven

Kalila en Dimna: deel 1

BIEB

Laïla Koubaa

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

6


Kalila en Dimna: deel 1

Er was eens een koopman op weg naar de markt. Zijn kar met meloenen werd getrokken door twee stieren: Habieb en Sadiek. Het regende al zeven dagen en zeven nachten. Aan de voet van de berg lag een grote plas. Habieb zakte tot aan zijn buik in de modder. De koopman, zijn slaven en Sadiek wilden Habieb uit de modder te trekken. Maar dat lukte niet.

1


De koopman wou op tijd op de markt zijn. Hij zette zijn reis zonder Habieb verder. Hij beval één van zijn slaven bij Habieb te blijven. De koopman hoopte dat de weg zou opdrogen. Dan kan Habieb zich losmaken en halen ze me wel in, dacht hij. Na één nacht bij de stier zei de slaaf: ‘Die stier blijft hier zo vastzitten als de wortels van een palmboom.’ De slaaf was het beu. En hij liet Habieb achter. Terug bij de koopman boog de slaaf het hoofd en loog: ‘Heer, uw stier Habieb is dood.’

2


De regen hield op. Habieb slaagde erin zich uit de modder los te maken. Habieb zwierf vier dagen rond. Hij zag een dal1 waar het gras groen en lang was. En waar er een rivier stroomde met koel en schoon water. Habieb bleef in het dal en at en dronk tot hij heel dik en rond werd. ‘Hier is het goed,’ zei hij, maar hij voelde zich eenzaam. Af en toe gilde hij heel luid. Luide kreten die door merg en been gingen2.

3


Koning Leeuw, de koning van het dal en van alle wilde dieren, schrok op. Hij had nog nooit zoiets gehoord en riep Everzwijn bij zich. Die moest uitzoeken welk vreemd dier zo’n eng kabaal maakte. Everzwijn wrong zich door struiken, bramen en doornen. In de rivier zag hij Habieb, die aan het drinken was. Toen hij het enorme beest met scherpe hoorns zag, bevroor hij van angst in het riet aan de oever3. Habieb hief zijn kop op en brulde kil en koud. Everzwijn viel achterover in de vieze modder. ‘Ai, oei, ai, oei.’ Everzwijn rende terug naar Koning Leeuw. Everzwijn vertelde hem dat hij een heel groot monster had gezien. Koning Leeuw wachtte Everzwijn aan de rots op. Hij besloot meteen terug te keren naar het paleis. Alleen de dieren die de geheime code kenden, waren welkom in het kasteel. Aan de poort stonden twee wachters: twee jakhalzen4, Kalila en Dimna.

4


5


Op een dag vroeg Dimna aan zijn broer Kalila: ‘Weet jij waarom Koning Leeuw het paleis niet meer verlaat?’ ‘En vind jij het ook niet raar dat hij niet meer op jacht gaat?’ Kalila zei: ‘Moei je er niet mee, broer, onze opdracht is de wacht houden. Niet onze neus in zijn zaken steken.’ ‘Oké, maar zie jij ook dat er iets scheelt? Zou hij bang zijn van het monster van het dal?’ ‘Ik zeg het je nog één keer, beste broer, het zijn onze zaken niet,’ zei Kalila. ‘Ik denk dat ik Koning Leeuw kan helpen,’ zei Dimna, ‘en ik ben er zeker van dat hij mij zal belonen. Wie niet waagt, niet wint!’ ‘En hoe denk jij de koning te helpen? Hij spreekt amper tegen je, laat staan dat hij zou luisteren naar je raad,’ zei Kalila.

6


7


‘Ik zal een afspraak maken en hem vragen wat hij van het monster in het dal denkt,’ zei Dimna. ‘Dat kan, maar ik denk dat je je in de nesten zal werken5,’ zei Kalila, ‘koningen kunnen soms raar zijn, maar ik wens je veel geluk.’ Kalila zwaaide naar zijn broer. Dimna liep naar het paleis waar de koning op hem wachtte. ‘Koning, ik wil u met daad en raad helpen.’

8


Dat vond Koning Leeuw leuk om te horen. Ze werden vrienden. Op een dag vroeg Dimna aan Koning Leeuw waarom hij zijn paleis nooit verliet. ‘Vroeger genoot u zo van jagen en van vakantie. Wat scheelt er?’ ‘Tja,’ zei Koning Leeuw, ‘ik heb griep en mijn botten doen pijn.’ Toen brulde Habieb. De koning rilde en beefde van angst. ‘Sorry, maar wat is er toch?’ vroeg Dimna. Koning Leeuw bekende dat hij bang was van het monster in het dal. ‘Eng, die schreeuw, vind je ook niet?’ vroeg Koning Leeuw. ‘Ja,’ knikte Dimna, ‘maar wees niet bang. Eerst moeten we erachter komen of het monster een gevaar is voor u. Ik stel voor dat we uitzoeken welk beest in het dal woont. Ik ben er zeker van dat u zich geen zorgen meer hoeft te maken.’

9


Dimna stelde voor om zelf te gaan kijken. Koning Leeuw vond dat een goed idee en Dimna vertrok. De koning draaide bang in het rond ‘Waarom heb ik Dimna naar het monster gestuurd? Ik ken hem nog niet goed, zou hij mijn troon willen stelen?’

10


Daar was Dimna al terug. ‘En?’ vroeg de koning. ‘Ik, lieve koning, ik heb een stier gezien,’ zei Dimna. En hij boog diep voor de koning. ‘Is hij sterk?’ vroeg Koning Leeuw. ‘U hoeft niet bang te zijn. Ik zal de stier naar hier brengen, hij zal voor u een brave slaaf zijn,’ zei Dimna. De koning was blij.

11


De dag erna ging Dimna naar het dal en zei tegen de stier: ‘Koning Leeuw vraagt of je naar het paleis wilt komen.’ ‘Een leeuw?’ vroeg Habieb. ‘Ja,’ zei Dimna, ‘hij is de koning van alle wilde dieren.’ Habieb keek bang op. ‘Wees niet bang, ik blijf bij je,’ zei Dimna.

12


Koning Leeuw was best lief voor Habieb. Habieb vertelde hem zijn verhaal. Koning Leeuw vond Habieb leuk en lief. Dat vond Dimna niet leuk. Hij was heel jaloers op Habieb. Habieb en de koning werden zoals de koningin van de duiven en Zierak de rat beste vrienden.

De kraai, de duiven en Zierak de rat Er was eens een kraai die op een toren woonde. Met zijn verrekijker hield hij de hele wereld in de gaten. Op een dag zag de kraai een jager. ‘Die is iets van plan,’ zei de kraai. De jager groef een kuil, rolde er zijn net op uit, bedekte die met blaadjes en strooide er graantjes op. Daarna verstopte hij zich in de struiken. ‘Dat loopt slecht af,’ zei de kraai stil. Even later vlogen de duiven en hun koningin voorbij en zagen de graantjes.

13


De kraai zwaaide met zijn vleugels en kraste: ‘Pas op, het is een val, pas op, het is een val!’ Maar de duiven hoorden de kraai niet en raakten verstrikt6 in het net van de jager. Ze kirden en sloegen wild om zich heen tot de koningin zei: ‘Vrienden, hou op. We moeten samenwerken.’ De duiven luisterden naar hun koningin. Op haar teken klapten ze samen met hun vleugels en vlogen met het net de lucht in.

14


‘Hela,’ riep de jager, ‘kom terug, mijn net, kom terug bende dieven.’ Ze zullen snel moe zijn en vallen, dacht de jager. De kraai volgde de jager en de jager volgde de duiven. De koningin zag de jager lopen en zei: ‘We zullen naar mijn vriend Zierak vliegen.’ De jager kon niet meer en zwaaide met zijn vuist en vloekte boos. Na een poosje kwamen de duiven aan bij een hol. ‘Zierak, Zierak,’ riep de koningin. ‘Wie daar?’ geeuwde Zierak de rat. ‘Ik ben het, de koningin van de duiven.’ Zierak stak zijn kop naar buiten en zag zijn vriendin en haar vrienden in het net. ‘Hoe zien jullie eruit?’ zei Zierak. ‘Is dit soms de nieuwe mode?’

15


‘Help ons, Zierak, jij kan ons redden met je scherpe tanden.’ Zierak kroop uit zijn hol en rekte zich uit. ‘Daar gaat ie,’ en hij begon het net aan de kant van de koningin los te bijten. ‘Stop Zierak, eerst mijn vrienden,’ riep de koningin. ‘Wat is er met jou aan de hand? Zit je nieuwe jurk dan toch goed?’ plaagde Zierak. ‘Hou op, Zierak. Als je mij eerst verlost, zul je na een poosje opgeven. Als je mij als laatste redt, ben ik er zeker van dat je tot het einde zult doorgaan.’ Zierak redde alle duiven en hun koningin. Ze zongen een lied. Samen vlogen ze over de bergen, het huis van de jager en de toren van de kraai.

16


17


De list7 van Dimna Dimna ging terug naar zijn broer. Hij vertelde hem hoe oneerlijk het was. Hoe de stier zijn plaats bij de koning had gestolen. ‘Wat ben je van plan?’ vroeg Kalila. ‘Ik zál mijn plaats bij de koning terugkrijgen. Habieb moet dood!’ ‘Wat kun jij tegen zo’n groot beest,’ lachte Kalila. ‘Laat je niet om de tuin leiden8 door mijn gestalte. Ik, ik heb een list bedacht,’ zei Dimna. ‘Wees voorzichtig met listen. Denk maar aan het verhaal van de kraanvogel en de krab.’

18


De kraanvogel en de krab Er was eens een kraanvogel die aan een meer woonde. Het water was er helder en er zwommen wel één miljoen vissen in het meer van de Halve Maan. Jarenlang ving de kraanvogel lekkere vissen, maar hij werd oud en het vissen lukte niet meer zo goed.

19


De kraanvogel had honger en droomde de hele dag weg. Af en toe keek hij wanhopig op. Op een dag kwam er een krab voorbij en zij vroeg: ‘Waarom ben je zo triest, Graaf Kraanvogel?’ ‘Wat had je verwacht? Vandaag heb ik twee vissers aan het meer gezien. De ene zei tegen zijn vriend: ‘Als we alle vissen uit het meer van de Halve Maan vangen, hebben we eten voor de rest van ons leven. Maar eerst moeten we grote netten maken, dan kunnen we sneller te werk gaan.’

20


‘Goed idee,’ zei zijn vriend. ‘Alle vissen gaan ze vangen, hoor je me: alle vissen! Dan blijft er niets meer over voor mij en dan zal ik sterven van de honger,’ snikte de kraanvogel. De krab ging naar de vissen om hen in te lichten. Daarna zwommen alle vissen naar de kraanvogel en vroegen hem om raad. ‘Je bent misschien onze vijand, maar we hebben er allebei belang bij dat we overleven. Vertel op, Graaf Kraanvogel, heb je een plan? Zullen we de twee vissers een lesje leren?’

21


‘Geen sprake van,’ zei de kraanvogel, ‘ze zijn te sterk. Ik zie maar één uitweg. Een beetje verder ligt een mooi meertje dat niemand weet zijn. Daar zouden jullie veilig kunnen zwemmen.’ ‘Maar hoe geraken we daar?’ vroegen de vissen. ‘Ik wil jullie wel brengen,’ zei de kraanvogel. Elke dag nam de kraanvogel twee vissen mee naar een heuvel waar hij ze opat. Na een tijdje vroeg de krab aan de kraanvogel: ‘Ik ben bang dat de twee vissers zullen komen, neem je mij vandaag mee?’

22


En de kraanvogel nam de krab mee op zijn rug en hij vloog naar de heuvel waar hij de vissen opat. Toen de krab alle graten opmerkte, begreep ze dat dit het werk van de kraanvogel was en dat haar einde nabij was. De krab greep de kraanvogel bij zijn nek met zijn scherpe poten en de kraanvogel stortte te pletter op de visgratenberg op de top van de heuvel. *** ‘Ik heb je dit verhaal verteld om aan te tonen dat een list tot iets ergs kan leiden,’ zei Kalila.

Lees ook deel 2 en deel 3 in Kijker 8.

23


Woorduitleg 1 dal = laag gebied tussen twee bergen 2 het gaat door merg en been = het dringt heel diep tot je door 3 oever = rand van het water 4 jakhals = roofdier dat lijkt op een hond 5 je in de nesten werken = problemen krijgen 6 verstrikt = gevangen 7 list = slim plan, valstrik 8 laat je niet om de tuin leiden = laat je niet bedriegen

24


Habieb de stier zit vast in de modder. Hij kan geen kant meer op. Koning Leeuw weet niet goed wat hij moet doen. Maar dan krijgt een van zijn wachters een idee.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Frieke Verlé Dit boekje bevat bewerkte fabels die vrij vertaald zijn uit het Arabisch door Laïla Koubaa Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 6 - Thema 7 - N3 - Kalila en Dimna: deel 1 by die Keure - Issuu