ucatieve uitgaven
BIEB
Sporen in de sneeuw Alice van de Geest
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
5
Sporen in de sneeuw
Naar het bos ‘Ik verveel me.’ Anna ligt op de bank. Haar benen hangen over de leuning. Buiten sneeuwt het al de hele middag. Jop, haar broer, ligt op de grond. Zijn hoofd ligt op Boef. Boef is hun hond, een grote bruine met bruine ogen. Boef verveelt zich ook, hij zucht en jankt. Mama komt binnen. ‘Waarom gaan jullie niet naar buiten? Het sneeuwt bijna niet meer. Een beetje beweging zal jullie goed doen, en Boef ook.’
1
2
De kop van Boef gaat omhoog als hij zijn naam hoort. Hij begint te kwispelen. Anna laat zich van de bank glijden. ‘Is het niet veel te koud?’ ‘Als jullie je warm aankleden, dan gaat het prima.’ Boef krabbelt overeind en rent naar de voordeur. ‘Woef, woef.’ Hij springt tegen de voordeur op. ‘Leuk, dan gaan we naar het bos, dat ziet er heel anders uit als het gesneeuwd heeft. Kom op, Jop!’ Ze trekt Jop aan zijn sok. ‘Houd daarmee op!’ Jop trekt zijn sok weer aan. In de gang trekt Anna haar laarzen aan en doet een sjaal om. Ze pakt haar nieuwe winterjas en haar wanten. Als laatste trekt ze haar muts lekker ver over haar oren. Klaar! Jop komt de gang in sloffen1. ‘Het is veel te koud,’ bibbert hij. ‘Kom op, joh, het wordt hartstikke leuk. Ik beloof je dat ik geen sneeuwballen zal gooien. Tenzij jij begint natuurlijk,’ grinnikt Anna.
3
Boef staat met zijn poten tegen de voordeur, hij blaft alsof hij wil zeggen: schiet eens op. ‘Oké.’ Jop trekt zijn jas aan en zet een muts op. Dan kunnen ze naar buiten. Boef is door het dolle heen. Hij springt, draait rondjes en stopt zijn snuit in de sneeuw. ‘Hatsjie,’ niest Boef. Hij schudt zijn kop. Wat een koud spul in zijn neus. Jop en Anna lachen. Gek beest! Anna doet Boefs halsband om en houdt hem aan de lijn. Die mag pas weer af als ze in het bos zijn. Het is een paar minuutjes lopen naar het bos. De straat uit, linksaf en dan alsmaar rechtdoor. Het is rustig op straat. De meeste kinderen zitten lekker binnen tv te kijken of zijn een spelletje aan het spelen.
4
5
Buiten is het wit, alles is bedekt met een dikke laag sneeuw. Het ziet er raar uit, vindt Jop. Hij pakt sneeuw van een auto en maakt er een grote sneeuwbal van. Hij gooit de bal zo ver als hij kan. Boef ziet de bal en wil hem pakken. Hij rukt aan de lijn en samen met Anna schiet hij vooruit. ‘Hé, wat doe je?’ Struikelend rent ze achter Boef aan. Boef bijt in de sneeuwbal. Teleurgesteld kijkt hij op. Anna zit op haar knieën in de sneeuw. Jop komt niet meer bij van het lachen. ‘Je zou geen sneeuwballen gooien,’ zegt Anna verontwaardigd. ‘Ik zou ze niet naar jou gooien en dat heb ik ook niet gedaan,’ antwoordt Jop. ‘Je zag er wel heel grappig uit.’ Jop doet voor hoe het ging. Nu moet Anna ook lachen, het ziet er inderdaad grappig uit. Jop helpt Anna overeind.
6
Spoorzoeken Niemand is nog in het bos geweest. Er is geen voetstap te zien in de sneeuw. Alleen die van Anna en Jop en de sporen van Boef. Ze lopen over het pad het bos in. Boef mag nu los, hij snuffelt overal aan. Alles ruikt anders met een laag sneeuw erop. Er zijn geen kastanjes en eikels meer te vinden, die zitten verstopt onder de sneeuw. Jop ziet wel wat anders, hij roept Anna. ‘Moet je kijken, hele kleine voetstapjes. Van welk dier zouden die zijn?’
7
8
Anna gaat op haar hurken naast Jop zitten. ‘Het is geen vogel.’ Jop schudt zijn hoofd. ‘Nee, die zien er heel anders uit. Misschien een muis.’ Ze volgen de sporen om de boom heen een struik in, daar verdwijnen ze. ‘Ik zie daar een gaatje in de grond.’ Anna wijst de struik in. ‘Ik denk dat de muis daar woont.’ Ze lopen verder. Even later zien ze grotere sporen. ‘Dit lijkt wel een hond,’ zegt Anna. Jop knikt. ‘Zou kunnen, maar wel kleiner dan Boef en ik zie nergens voetstappen van een mens. Een hond kan niet zichzelf uitlaten, misschien is het wel een vos.’ ‘Zou je denken?’ Anna bukt om nog eens goed te kijken. Ze heeft nog nooit een vos van dichtbij gezien. Speurend lopen ze verder. Steeds ontdekken ze nieuwe sporen, maar geen enkele keer zien ze het dier dat erbij hoort. Plots stoppen ze. Ze zien weer sporen en deze keer weten ze zeker van welk dier ze zijn.
9
Een lief bruin konijn met een witte staart. Het konijn hupt bij een struik. Zijn neus gaat snel op en neer. Ze staan heel stil, bang dat ze het konijn laten schrikken. ‘Wat is hij lief, hé,’ fluistert Jop. ‘Ssst, niets zeggen, dan laat je hem schrikken,’ antwoordt Anna. Boef komt aangelopen. Hij ziet het konijn ook. Hij blijft niet stilstaan. Hij wil het konijn pakken. Hij rent blaffend achter het konijn aan. Het konijn gaat er meteen vandoor en Boef gaat erachteraan. ‘Boef, kom terug!’ ‘Laat dat konijn met rust!’ Anna en Jop rennen achter Boef aan. Boef rent tussen bomen en struiken door achter het konijn aan. Het konijn is bang en rent nog harder dan Boef. Dan schiet hij een holletje in. Boef heeft niets door, hij rent door. Anna en Jop houden hem niet bij. ‘Boef, stop nou! Kom terug,’ schreeuwt Anna hijgend.
10
11
Jop rent voor haar uit. Opeens ziet ze Jop niet meer. ‘Aaahhhh!’ hoort ze. ‘Jop, waar ben je! Wat is er aan de hand?’ gilt Anna. Ze hoort niets. ‘Jop!!!’ Anna loopt naar voren. Ze kijkt rond. Waar is Jop? ‘Jop, doe niet zo flauw, kom tevoorschijn. Niet leuk om je nu te verstoppen.’ Het blijft stil. Dan hoort ze zacht gekreun. ‘Jop, wat is er, waar ben je?’ gilt Anna weer. ‘Ik ben in een gat gevallen,’ fluistert Jop. Anna kan Jop bijna niet verstaan. Ze loopt in de richting waar ze Jop hoort. ‘Zeg nog eens wat?’ vraagt Anna. ‘Auw, auw, auw,’ antwoordt Jop zachtjes. Anna ziet het gat, er liggen heel veel takken overheen. Jop zag het gat niet en is erin gevallen. Ze gaat op haar buik bij het gat liggen en kijkt naar beneden. Het is donker, maar ze kan Jop toch zien. ‘Kun je opstaan?’ ‘Nee, mijn been doet pijn.’
12
‘Zal ik naar beneden komen?’ ‘Nee, niet doen, straks zitten we hier samen vast.’ ‘Ik ga kijken of ik een dikke tak kan vinden, dan trek ik je eruit.’ Anna staat op en kijkt rond. Ze ziet een dikke tak vlak naast het gat. Ze probeert hem te pakken, maar hij zit vast. Ze trekt heel hard, hij beweegt een beetje. Dan schiet de tak los, Anna valt achterover. Ze sleept de tak naar het gat en laat hem naar beneden zakken. ‘Kun je de tak vastpakken?’ roept ze naar beneden. Jop probeert de tak vast te pakken. ‘Iets meer naar rechts, zo kan ik er niet bij.’ Met zijn vingers kan hij er net bij. Als Anna voelt dat hij de tak vastheeft, trekt ze heel hard. Jop schreeuwt het uit van de pijn en laat de tak los. Anna valt weer achterover. ‘Je moet hulp halen, ik kom er zelf nooit uit. Mijn been doet veel te veel pijn.’ Anna knikt. ‘Dat ga ik doen.’ Ze staat op en klopt de sneeuw van haar buik en benen.
13
‘Red je het wel?’ vraagt Anna bezorgd. ‘Ja hoor, maar wel opschieten. Het is hier donker en ijskoud, ik wil niet doodvriezen.’ Anna knikt, maar bedenkt dan dat Jop dat niet kan zien. ‘Oké, ik ren al! Tot snel!’ Ze draait zich om en begint te rennen.
14
Helemaal alleen Jop blijft alleen achter. Als hij Anna niet meer hoort, probeert hij iets meer rechtop te gaan zitten. Er schiet een steek door zijn been. Tranen springen in zijn ogen van de pijn. Hij kijkt rond, zijn ogen zijn nu aan het donker gewend. Het lijkt wel een soort grot waar hij in zit. Als het anders was, ging hij nu op onderzoek uit. Nu wil hij alleen maar naar huis. Hij zucht. Hij beweegt zijn handen en zijn armen, dat doet geen pijn. Hij voelt aan de bult op zijn voorhoofd, auw, dat doet pijn. Dan voelt hij aan zijn benen. Met zijn linkerbeen is niets aan de hand, alleen zijn voet doet een beetje pijn. Zijn rechterbeen durft hij niet meer aan te raken, dat doet te veel pijn. Zou zijn been gebroken zijn? Jop heeft geen idee hoe dat voelt, een gebroken been.
15
Hij trekt zijn wanten nog een beetje verder over zijn hand en trekt zijn muts zo ver mogelijk naar beneden. Dan begint hij te huilen. Dikke tranen glijden over zijn wangen. Hij heeft het koud, zijn been doet pijn en hij is helemaal alleen. In de verte hoort hij geblaf. Het is Boef. Jop lacht een beetje verdrietig. Zou Boef er al achter zijn dat het konijn ontsnapt is? Het geblaf komt steeds dichterbij. Weet Boef de weg naar huis? Jop weet het niet. Boef is een slimme hond en ze gaan heel vaak samen naar het bos. Maar Boef is meestal bezig met snuffelen als ze naar het bos lopen. ‘Woef,’ klinkt het ineens boven hem. ‘Boef, je hebt me gevonden!’ Boef jankt, hij springt naar beneden en loopt naar Jop. Jop slaat zijn armen om Boef heen. ‘Wat ben ik blij dat je er bent, nu ben ik niet meer alleen.’ Boef gaat tegen Jop aan liggen, zo houden ze elkaar warm. Samen wachten ze op hulp.
16
17
Hulp halen Anna rent zo hard ze kan naar huis, ze springt over takken en rent door de struiken. Ze wil zo snel mogelijk thuis zijn. Auw, ze blijft hangen aan een tak. Ze rukt zich los, haar muts valt op de grond. Anna merkt het niet. Ze rent, net zo lang tot ze voor het hek van hun tuin staat. Even blijft ze staan, dan duwt ze het hek open. Ze rent om het huis heen en stormt de keuken binnen waar mama aan het koken is. Anna rent naar haar toe en slaat haar armen om mama heen. ‘Mama, je moet meekomen, er is iets heel ergs gebeurd!’ Anna begint te huilen. Mama gaat op haar knieën voor Anna zitten. Ze veegt het haar uit Anna’s gezicht. ‘Rustig, meisje. Vertel, wat is er gebeurd?’ ‘Jop is in een gat gevallen en zijn been doet pijn en hij kan er niet meer uit.’ Achter elkaar vertelt Anna wat er gebeurd is, terwijl de tranen over haar wangen stromen. Mama schrikt. Ze roept papa.
18
Weer vertelt Anna wat er gebeurd is en dat ze denkt dat het been van Jop gebroken is. ‘Weet je nog waar het is?’ Anna knikt. ‘Ik denk het wel, in ieder geval ongeveer.’ Mama heeft haar jas snel aangetrokken. Ze geeft papa zijn jas. Hij trekt hem aan en pakt zijn mobiel uit zijn broekzak. ‘Kom, we gaan. Ik bel onderweg voor hulp.’ Mama geeft Anna een hand, samen rennen ze naar het bos. Anna hoort papa bellen. ‘Mijn zoon heeft een ongeluk gehad …’ ‘We hebben een ziekenauto nodig …’ ‘Nee, ik weet niet hoe ernstig het is …’ ‘Hij is in een gat gevallen, mijn dochter denkt dat hij zijn been heeft gebroken …’ ‘Aan het eind van de Mariastraat, waar het bos begint …’ ‘Ja, het is in het bos gebeurd …’ Oké, we wachten op jullie bij het begin van het bos …’
19
20
De ziekenauto Ze zijn bij het begin van het bos gekomen. Anna wil doorrennen, maar mama houdt haar tegen. ‘We moeten hier wachten op de ziekenauto, Anna.’ ‘Maar Jop dan? Het is donker en zo koud. Straks vriest hij nog dood.’ ‘De ziekenauto is er zo en jij moet de weg wijzen. Zonder jou kunnen we Jop niet vinden.’ Anna knikt, ze snapt het, maar toch ook niet. Ze wil naar haar broer, ze wil niet wachten. Ze heeft Jop beloofd om snel terug te zijn. In de verte ziet ze blauw licht, de ziekenauto komt er aan. Anna kijkt terwijl de auto steeds dichterbij komt. Het is er niet eentje, het zijn er twee: een ziekenauto en een brandweerauto. Anna kijkt verbaasd. ‘Mama, er is toch geen brand? Waarom is er dan een brandweerauto?’
21
22
‘De brandweer doet meer dan branden blussen, Anna, ze redden ook mensen,’ legt ze uit. Een van de mannen uit de brandweerauto komt naar hen toe. ‘Waar is het?’ vraagt hij aan papa. ‘Dat weet ik niet, mijn dochter was erbij toen het ongeluk gebeurde.’ Papa legt zijn handen op haar schouders. ‘Zij weet waar Jop is.’ De brandweerman buigt zich voorover naar Anna. ‘Hoe heet je?’ ‘Anna.’ ‘Kun jij ons naar je broer brengen?’ ‘Ja, hoor,’ fluistert Anna. ‘Oké, dan volgen we jou.’ Anna draait zich om en wil gaan rennen. De brandweerman houdt haar tegen. ‘Niet te hard, Anna, dan kunnen we je niet bijhouden.’ Anna knikt. Iets langzamer nu loopt Anna het bos in.
23
Eerst een heel stuk over het bospad, waar het nu bijna helemaal donker geworden is. Af en toe kijkt ze achterom of ze haar wel kunnen volgen. Na een paar minuten komen ze op de plek waar ze denkt dat ze van het bospad het bos in gerend is. Ze twijfelt even. ‘Ik weet het niet meer zeker, het ging zo snel en het is nu donker.’ Een brandweerman loopt naar voren, hij schijnt met zijn zaklamp het bos in. Ineens ziet Anna wat. Enthousiast zegt ze: ‘Daar ligt mijn muts. Hier is het, hier gingen we het bos in.’ Ze lopen verder, maar Anna twijfelt steeds vaker. ‘Ik weet het niet meer, het is hier ergens, maar ik weet niet meer waar.’ Papa zet zijn handen aan zijn mond en roept: ‘Jop, waar ben je? Kun je ons horen?’ Het blijft stil. Ze lopen een stukje verder. Papa roept weer: ‘Jop, waar ben je?’ Weer lopen ze verder. Mama en Anna doen met hem mee, steeds weer roepen ze Jop.
24
25
Gered Jop heeft het gevoel dat hij al uren in de grot zit. Zijn been doet pijn en zijn hoofd doet pijn. Gelukkig is hij niet alleen, Boef is bij hem. Duurt het nog lang voor ze hem vinden? Hij slaat verdrietig zijn armen om Boef heen. Opeens merkt hij dat Boef zijn oren spitst. De hond staat op en begint te blaffen. ‘Hoor je wat?’ vraagt Jop aan Boef. ‘Komen ze eraan?’ ‘Ik ben hier! Papa en mama, ik zit in een grot! Help me!’ Samen maken ze zo veel mogelijk geluid, ze blijven maar roepen en blaffen. Net als Jop denkt dat Boef zich vergist heeft, valt er licht door het gat naar binnen. ‘Jop, zit je hier?’ hoort hij een mannenstem vragen. ‘Ja, ik zit hier samen met mijn hond Boef,’ antwoordt hij blij. ‘We komen je redden, even geduld nog.’
26
27
De mannen halen alle takken weg, zodat de opening van het gat steeds groter wordt. Er wordt een ladder naar beneden geschoven. Een man klimt naar beneden. Hij loopt naar Jop toe. ‘Hoi, Jop, mijn naam is Maarten, hoe gaat het met je?’ Jop haalt zijn schouders op. ‘Het gaat, gelukkig was Boef bij me.’ Hij geeft Boef een aai over zijn kop. Maarten knielt naast Jop. ‘Dat is een vervelende wond die je daar hebt. Denk je dat je zelf naar boven kunt klimmen?’ Jop schudt zijn hoofd. De man voelt aan de tenen van Jop. ‘Kun je die nog bewegen?’ Jop probeert het, het lukt. ‘Mooi, dat is een goed teken.’ Hij lacht naar Jop.
28
Er klimt nog een man naar beneden, hij heeft een kist bij zich die hij naast Maarten neerzet. ‘Hoi, Jop, ik heet Rik.’ Hij loopt meteen weer naar de ladder waar nu een brancard2 naar beneden komt. Hij neemt de brancard mee naar Jop. ‘We zullen je hierop vastmaken en dan tillen we je zo naar boven.
29
Maar eerst zullen we ervoor zorgen dat er niets met je been kan gebeuren,’ zegt Maarten. Voorzichtig gaan Maarten en Rik aan het werk. Ze zetten een spalk3 om het been van Jop. Dat doet veel pijn. Hij knijpt in de vacht van Boef, die nog steeds naast hem zit. Daarna leggen ze Jop op de brancard en binden hem vast. Samen tillen ze hem naar de ladder. Er wordt een touw naar beneden gegooid dat ze aan de brancard vastmaken. Voorzichtig wordt Jop naar boven getild. Als hij boven komt, wachten daar papa, mama en Anna op hem. Anna rent meteen naar hem toe. ‘Je hebt het gered!’ Ze slaat haar armen om hem heen. ‘Het spijt me dat het zo lang duurde, ik wist niet meer precies waar je was.’ ‘Dat maakt toch niet uit, door jou hebben ze me gevonden. En door Boef, die heeft me de hele tijd warm gehouden.’ Dan is mama bij hem, ze knuffelt hem.
30
Hij voelt de warme hand van papa op zijn schouder. ‘Je hebt je goed gehouden, jongen, ik ben trots op je.’ Jop knippert met zijn ogen. Nu zitten er verdorie alweer tranen in. ‘Allemaal even aan de kant, we zijn er nog niet, mensen. We moeten hem nog naar het ziekenhuis zien te krijgen.’ Rik en Maarten tillen de brancard naar de ziekenauto. In optocht lopen ze door het bos naar de ziekenauto. Jop is gered!
31
Woorduitleg 1 sloffen = heel traag stappen 2 brancard = draagbed voor iemand die ziek of gewond is 3 spalk = plankje om steun te geven aan iets dat gebroken is
32
Jop en Anna gaan op stap met hun hond Boef. Buiten is het wit, alles is bedekt met een dikke laag sneeuw. Plots rent Boef achter een konijn. Jop volgt Boef. Maar dat gaat fout.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Steffie Padmos Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.