Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 4 - Thema 8 - N3 - Ik ben raar

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Ik ben raar Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

4


Ik ben raar

1


Bas kijkt naar buiten. Hoelang nog voor het pauze is? De klok hangt aan de muur, maar Bas kan het uur niet lezen. De kleine wijzer is trager dan de grote. Bas is ook klein. Kleiner dan Daan en Rik. Bas is ook trager dan de rest van de klas. Maar een verhaal verzinnen kan hij goed. Hij vertelt ze nooit aan de andere kinderen. Hij tekent ze. Want spreken is soms moeilijk. Soms haperen de woorden in zijn keel en dan stottert hij. Bij Olijfje stottert hij nooit. Gelukkig. Bas kijkt uit het raam. De zon is warm. ‘Bas, niet dromen, maar doorwerken!’ De stem laat hem schrikken. Meester kijkt hem aan. Maar de zon kijkt hem ook aan. Bas wil naar buiten. Naast hem zit Olijfje. Ze heeft al flink gewerkt. Een blad vol met woorden. In haar mond is een gat. Ze wisselt tanden. Olijfje is mooi. Zeker als ze lacht. Zoals nu.

2


Haar bruine ogen zijn rond, net als de O van haar naam. Ze tikt met haar potlood op zijn blad. ‘Je S van SOP staat niet juist!’ fluistert ze. Bas kijkt naar de letter die op een slang lijkt. Wat is er niet juist? Een slang is een slang. Met de kop naar onderen en de staart naar boven. Klaar om te bijten in de billen van de O die ernaast staat.

3


‘Hap!’ zegt hij. Olijfje moet erom lachen. ‘Bas, het woord HAP staat niet op het bord,’ zegt meester. Maar Bas vindt HAP zo leuk dat hij het nog eens zegt. ‘Hap, hap!’ ‘Bas, niet de clown uithangen!’ Bas knikt. Ja, een clown zijn, dat zou pas leuk zijn. Dan zou iedereen in de klas lachen! Het zou fijn worden op school.

4


Soms is alles zo grappig. En soms is alles ook zo triest. Triest als niets lukt op school. Olijfje fluistert in zijn oor: ‘Je moet de S van SOP omdraaien. Nu lijkt het alsof jouw S in de spiegel kijkt.’ Bas moet weer lachen. Een slang die in de spiegel kijkt. Wat gek. In zijn hoofd ziet hij het al. Een slang die niet meer weet waar haar kop en haar staart staat. Dus eet ze zichzelf maar op. Tot er niets meer overblijft. Hap, hap! De slang propt zich vol met zichzelf. Bas gumt. Er blijft niets meer over van de slang. Ze heeft zichzelf helemaal opgegeten. Alles is op. SOP wordt OP.

5


‘Bas! Wakker blijven! Ik heb al drie keer je naam gezegd!’ Meester kijkt streng. Bas wordt rood. Zijn oren krijgen het warm. Zijn handen worden nat. Vlug neemt hij zijn potlood weer op. Het sliep. Het deed een dutje op zijn schrift. Meester tikt op het bord. ‘Bas, je moet deze woorden neerschrijven. Op de linkerkant van je blad.’ Bas kijkt naar zijn schrift en naar zijn handen. Waar is links en waar is rechts? Wat was dat ook alweer met de rechterhand? Mama zegt dat het de doe-hand is. Waar hij mee tekent, schrijft en timmert. Maar dat is nu net het probleem. Zijn twee handen zijn even goed. Allebei doe-handen. Als de ene hand moe is, neemt de andere het werk over. Meester stapt naar Bas en kijkt in zijn schrift. Hij knijpt zijn ogen een beetje dicht. Zijn mond wordt een smal streepje. Zoals een minteken in een som. ‘Is dat alles wat je hebt gedaan?’ vraagt meester. Bas knikt.

6


7


Meester wacht. Op hem. Op Bas die nog maar net is begonnen. Op Bas die woorden moet schrijven zoals POES en BOL. Zo moeilijk is het. Op het bord staat een poes die met een bol wol speelt. De tekening zou hij zo kunnen overdoen. Maar dat mag niet. Het moeten woorden zijn. Bas kijkt naar de witte krijtstreepjes op het zwarte bord. Ze staan naast de tekening van de poes. De poes ligt nog steeds op haar rug. Het is een mooie poes. Meester kan goed tekenen, maar Bas kan nog veel mooier tekenen. Hij kan al een jachtluipaard tekenen. Ze lijkt net echt, zegt papa.

8


Een poes is familie van de jachtluipaard. Ze kan in het donker zien. Ze kan ook sluipen. Net als de jachtluipaard. En ze kan muizen vangen. En met muizen spelen. Poot op de staart. Dan even loslaten. De muis trippelt weg. De poes springt erachter. Pats! Hebbes! Zo snel is zijn poes.

Bas kijkt naar het bord. Hij moet schrijven, weet hij. Maar er staan te veel woorden op het bord. Hij probeert het eerste woord te onthouden. 9


Maar als hij naar zijn schrift kijkt, is hij het woord al vergeten. Het woord is ontsnapt. Net als een muis. In holletjes overal. Dan moet hij weer op het bord gaan zoeken. Waar staat het nu weer? Oh ja, daar! Pfff! Van het bord naar het schrift. Van zijn pen naar zijn hand. Van zijn hand naar het woord. Woord vergeten. Weer opnieuw. Van het bord naar ... De zin heeft woorden. De woorden hebben letters. Soms zijn ze dubbel, zoals in APPEL. Soms niet. De letters hebben klanken. Kort en lang. Soms klinken ze zoals ze eruitzien, soms zijn ze vermomd, zoals in BED. De letters hebben lussen. Naar boven en naar onderen. Klein en groot. Soms hebben ze stokjes. Naar boven en naar onderen. Klein en groot. Soms zijn het golfjes. Zoals de W van WATER. Soms zijn ze rond. Niet naar boven en niet naar onderen. Gewoon rond, zoals een appel.

10


Of een voetbal, of een wiel van zijn fiets. Of zoals een bol ijs.

Of zoals de ogen van Olijfje. Olijfjes letter klinkt zoals hij eruitziet. Het lijkt op een mond die roept: ‘OOOOO!!!!’

11


O is de mooiste letter. Ze kan nooit vallen of op haar kop gaan staan. Ze is altijd mooi. Zoals Olijfje. ‘Kinderen, mooi op de lijnen schrijven!’ hoort Bas. Hij probeert het. Echt wel. Maar de letters hebben pootjes en klimmen vanzelf uit de lijntjes. Zeker als er lusjes in staan. Dan willen ze altijd naar boven. Of naar beneden. Of ze vallen van de lijn af. Dan probeert Bas ze op te rapen. Met zijn gum. De gum maakt vegen en kreukt zijn blad. Hij krijgt die kreukjes er niet meer uit. De gum laat witte kruimels achter. Als hij die nu eens spaart voor de Dreutels die thuis onder zijn boom wonen? Dan hebben ze ook een gummetje. Bas wrijft de gumsnippers in een leeg doosje. Dat heeft hij altijd op zak. Want je weet nooit op voorhand wat je kunt vinden.

12


‘Bas, vergeet niet je naam onder je werk te zetten.’ O jeetje? Hoe zat dat weer met zijn naam? Er zit een slang in. Hoe moet ze staan? De bel gaat. Bas is nog niet klaar. ‘Ga ook maar buiten spelen,’ zegt de meester. Bas krijgt een aai op zijn hoofd. Oef, hij moet niet binnen blijven. Er stonden maar drie woorden op zijn blad. In plaats van twintig. Hij slentert over het plein. De jongens zijn aan het bikkelen. Nee, hij doet niet mee.

13


De meisjes hinkelen. Stom. Op een been wippen, daar doet hij niet aan mee. ‘Hé, Bas, speel je mee van tikkertje standbeeld? Als de tikker in de buurt is, mag je niet meer bewegen.’ Olijfje staat voor hem. Dat kan hij goed. Net als de poes die een muis ziet. Dan wordt ze ook een standbeeld. Als de bel gaat, heeft Bas gewonnen. ‘Oh Bas, wat kun jij dat goed,’ zegt Olijfje. Olijfje is lief, zo lief.

14


Als hij weer in de klas is, staat meester voor hem. ‘Bas, jij mag nu naar juf Karen. Zij zal je leren lezen en schrijven. Zij helpt alle kinderen met dyslexie.’ Dyslex… wat is dat? Gelukkig is juf Karen lief. Ze doet spelletjes met hem. Dyslex… is niet erg, denkt hij. Op weg naar huis huppelt Olijfje naast hem. ‘Kom je spelen?’ vraagt ze. Bas schudt zijn hoofd. ‘Ik moet thuis oefenen. Van juf Karen. Ik heb een schriftje mee. Want ik heb dysl…’ Hij weet het woord niet meer. Was het nu syldex of sussex of nog iets anders? ‘Ik zal je helpen,’ zegt Olijfje. Even later zitten ze samen aan tafel. Hij moet letters leren schrijven. Olijfje toont hoe het moet. ‘Kijk, je moet van boven naar onderen schrijven. En van links naar rechts.’ Als zij het voordoet, lijkt het makkelijk. Opeens weet hij weer wat links en rechts is. Maar straks zal hij het weer vergeten.

15


Hij weet met welk been hij moet voetballen. Hij moet er nooit over nadenken. Zijn benen weten het. Stel je voor dat voetballers eerst moeten nadenken voor ze sjotten. Zouden er voetballers zijn met dysl…? Bas wil later graag voetballer worden. De beste van het land. Hij schrijft de woordjes opnieuw. En opnieuw.

16


Daarna hollen ze naar hun boom. Vanuit de boomhut kunnen ze de wereld zien. Ze zien ook de twee tuinen. Die van Olijfje en die van Bas. In de tuinen wappert het wasgoed aan de wasdraad. ‘Doen we nog eens ons spelletje?’ vraagt Olijfje. ‘Ik vertel wat er aan mijn draad hangt. En jij na mij.’ Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. ‘Ik zie acht slipjes, zeven hemden, drie jurken en tien sokken. En wat hangt er aan jouw draad?’

17


Bas kijkt. ‘Ik zie de broek van pap met de zak die niet meer open kan. De tube lijm is erin uitgelopen. En daar hangt de jurk van Liesje waarop ze verf heeft gemorst. Ik zie ook de handdoeken voor het zwembad. Een meneer had zijn bril in het water laten vallen. Ik heb ernaar gedoken. Toen heb ik een cent gekregen. Ik heb er lolly’s van gekocht. Hier is een voor jou.’

18


Olijfje steekt de lolly in haar mond. ‘Wow! Bas! Jij hebt een leukere wasdraad dan ik.’ Haar wang wordt bol en rond. Dan haalt Bas het doosje uit zijn zak. ‘Ik moet dit nog aan de Dreutels geven.’ Hij springt van de tak. Olijfje volgt hem. Op hun hurken zitten ze bij de boom. Bas geeft de kruimels van de gum aan de Dreutels. Hij alleen kan ze zien. ‘Kunnen Dreutels schrijven?’ vraagt Olijfje. ‘Alleen als ze verliefd zijn,’ zegt Bas. Ze schrijven met een takje in het zand. ‘Ken jij woorden van de Dreutels?’ vraagt Olijfje. Bas knikt. ‘Schrijf er eens een paar.’ Met een dunne tak schrijft Bas woorden van de Dreutels.

19


‘Ik kan het niet lezen,’ zegt Olijfje. ‘Wat staat er?’ ‘Ik ben op jou,’ zegt Bas. Hij veegt de woorden uit met zijn voet. ‘Jij weet zo veel,’ zegt Olijfje. ‘Jij weet veel leukere dingen dan ik. Ik ben ook op jou.’ In de verte klinkt een stem. ‘Komen eten!’ Olijfje staat op. Bas ziet een stukje van haar broekje. Olijfjes billen zijn rond. Net als de letter O.

20


Bas gaat de keuken binnen. Mama roert in de soep. Haar hand draait de lepel en alles draait met haar mee. Zelfs de bloemen op haar jurk dansen. Papa zit in de stoel en laat Liesje wippen op zijn knie. Liesje lacht en papa zingt. Liesje is de ruiter en papa is het paard. De radio staat aan. Iemand zingt een lied van: ik hou van jou. Dat is hetzelfde als: ik ben op jou. Bas kent het lied. Hij wil graag meezingen, maar hij doet het niet. Anders gaat zijn stem weer brommen. En dan zegt iedereen weer: ‘Sst’. Het is niet erg. Het liedje zoemt in zijn buik. En in zijn hoofd fladderen vlinders. Ze hebben de kleuren van Olijfjes kraaltjes. ‘Bas, hoe was je dag vandaag?’ vraagt mama. Bas haalt zijn schouders op. ‘Een beetje goed. En een beetje slecht. Ik heb gewonnen met tikkertje.

21


22


En onze wasdraad is leuk. En ik moest naar juf Karen, want ik heb … eh… suc…succes.’ Mama lacht en slaat haar armen om Bas heen. ‘Ik weet het Bas, we hebben met de meester gepraat. Jij hebt vast en zeker succes. Maar je hebt ook dyslexie. Dat wil zeggen dat je veel meer tijd nodig hebt. Tijd om alle woorden goed te kunnen lezen en schrijven.’ ‘Ik zal nooit kunnen lezen en schrijven. Ik ben raar,’ zegt Bas somber. De stem van papa klinkt vanachter de krant. ‘Dat dacht ik vroeger ook,’ roept hij. ‘Ik heb ook dyslexie. Zie ik er raar uit?’ Papa trekt een gekke snuit. Bas lacht. Nee, natuurlijk niet. Papa is niet raar. Hij kan de krant lezen. En voetballen. En de fiets van Bas herstellen. Papa is cool. ‘Bas boekje lezen? Bas boekje lezen …’ roept Liesje. Ze gaan samen op de grote sofa zitten. Liesje steekt haar duimpje in haar mond. Ze wacht met grote ogen op het verhaaltje van Bas.

23


Elke dag een ander. Want dat kan Bas goed. Hij schudt de verhalen zomaar uit zijn mouw. De woordjes in het boek slaat Bas over. Vandaag heeft hij zelfs geen boek nodig. Vandaag vertelt hij over de Dreutels. Als het verhaaltje afgelopen is, zegt zijn zusje: ‘Nog eentje.’ En Bas vertelt. Over alles wat hij weet. En dat is veel.

24


Bas is klein. Kleiner dan Daan en Rik. Bas is ook trager dan de rest van de klas. Maar een verhaal verzinnen kan hij goed. Hij tekent ze. Want spreken is soms moeilijk. Soms haperen de woorden in zijn keel en dan stottert hij. Bij Olijfje stottert hij nooit. En schrijven is ook al zo lastig.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 4 - Thema 8 - N3 - Ik ben raar by die Keure - Issuu