ucatieve uitgaven
Het sprookje van Hans en Griet
BIEB
Riet Wille
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
4
Het sprookje van Hans en Griet
1
Er was eens ... Zo begint een sprookje vaak. Ook dit sprookje van Hans en Griet. Alles begint bij een arm gezin … Het woont aan de rand van een bos. De ouders hebben een zoon en een dochter. Het meisje heet Griet, de jongen heet Hans. Papa hakt hout in het bos. Dat verkoopt hij op de markt. Hij krijgt er maar weinig geld voor. Te weinig om vier monden te voeden. Zo kan het echt niet verder. De ouders liggen er wakker van. Ook Hans en Griet slapen slecht. Er is vaak ruzie in huis en geroep en geween. Op een nacht horen Hans en Griet dit: ‘Luister eens, man van mij. We moeten iets doen. We sterven van de honger. Er is niet genoeg eten voor vier.
2
Hans en Griet moeten weg. Morgen trekken we diep het woud in. Daar laten we hen achter. Ze vinden nooit de weg terug. Dan hoeven we maar eten voor twee. Wat denk je?’ ‘Ik kan het niet,’ huilt papa. ‘Ik wil het niet. Ze zijn nog zo jong.’ ‘Het moet,’ zegt mama. ‘Er is niets aan te doen.’
3
Het plan van Hans en Griet Stil blijven de kinderen liggen. Hun verdriet is groter dan hun honger. Na een poos glippen ze hun bed uit en gaan bij het raam staan. De maan schijnt als een grote lamp. In hun tuin liggen witte keitjes, die glimmen in het maanlicht. Het zijn net kleine lichtjes. ‘Kom,’ zegt Griet. ‘We vullen onze zakken met keitjes. Zij wijzen ons de weg terug.’ Die ochtend wordt er weinig gezegd. Ze krijgen elk één snee brood. ‘Wees er zuinig mee,’ raadt papa aan. ‘Het is voor de hele dag. Vandaag trekken we het woud in en jullie gaan met ons mee. Kom maar.’ Uren en uren stappen ze. Hans en Griet lopen hand in hand. Om de beurt, gooien ze een keitje op de grond.
4
Hun ouders merken er niets van. Tegen de middag komen ze aan. Het is een open plek, in het hart van het bos. ‘Rust maar wat uit,’ zegt mama. ‘Wij blijven in de buurt. Hier is er veel goed hout.’ Papa maakt een vuur. Hans en Griet eten hun brood. Moe van het stappen, de korte nachten en de warmte van het vuur, vallen ze in slaap …
5
Het is al avond als ze wakker worden. ‘Papa! Mama!’ gillen ze. Niemand geeft antwoord. ‘Het is dus echt waar,’ zucht Hans. ‘Ze laten ons hier zomaar achter.’ ‘Kom,’ troost Griet. ‘We vinden de weg wel terug. Denk maar aan de keitjes. Nog even wachten op de maan en ze wijzen ons de weg naar huis.’ De hele nacht stappen ze door. Het woud is een doolhof. Vaak moeten ze een eind terug, maar de keitjes doen hun werk. Tegen de ochtend zijn ze thuis. Of hun ouders blij zijn? ‘Foei,’ briest mama. ‘Zo lang slapen. Ons niet helpen. En dan nog naar huis komen ook. Foei. Foei. Foei.’ Maar papa is wel blij. Als zijn vrouw even niet kijkt, geeft hij Hans en Griet een knuffel.
6
Een poosje loopt het beter in het gezin. Dan volgt er weer geroep en geween, dagen met weinig eten, nachten zonder slaap. En weer horen de kinderen: ‘Luister eens, man van mij. Nu moeten ze echt weg. Vier monden is te veel. We brengen hen nog dieper het woud in. Dan vinden ze nooit de weg terug.’ ‘Maar vrouw,’ huilt de man. ‘Tut, tut, tut,’ zegt mama. ‘Het gebeurt zo en niet anders.’
7
Geen keitjes maar kruimels Opnieuw willen Hans en Griet de tuin in, om keitjes te rapen. Maar deze keer zit de deur op slot. ‘Kom,’ zucht Griet. ‘We gaan terug naar bed. Ik bedenk wel wat.’ Vroeg in de ochtend gaan ze op pad. Ze krijgen elk één snee brood. ‘Wees er zuinig mee,’ raadt papa aan. ‘Het is voor de hele dag.’ Hand in hand stappen de kinderen door. Dapper. Om de beurt nemen ze een kruimel brood en gooien die op de grond. Zo trekken ze nog dieper het woud in. Er groeien bomen en planten die ze nog nooit hebben gezien. De takken grijpen naar hun kleren. Ze vallen over rare wortels. De vogels kennen hier geen lied. Weer stookt papa een vuur. Stiekem legt hij nog wat hout klaar en geeft zijn snee brood aan Hans.
8
9
‘Blijf hier,’ gebiedt mama. ‘Wij gaan nu hout hakken. Rust maar wat. Deze avond halen we jullie op.’ De kinderen kruipen dicht bij het vuur. Hans deelt papa’s brood met zijn zus. Moe van het stappen en loom van de warmte, vallen ze in slaap. Tegen de avond worden ze wakker. ‘Ze komen ons zo halen,’ hoopt Hans. Ze wachten en wachten en wachten … Er komt niemand. ‘Straks schijnt de maan,’ sust Griet. ‘Die toont ons de witte kruimels brood. Zij wijzen ons de weg naar huis. Het lukt ons vast weer.’ Als de maan een nachtlamp is, gaan ze op stap. Niet één kruimel vinden ze terug. Voor alle dieren op en boven de grond, waren die kruimels een lekker hapje. Hans huilt.
10
Griet neemt hem bij de hand. ‘Kom maar,’ sust ze. ‘Het lukt ons vast wel.’ Maar dat is een leugen. Na uren dolen geven ze het op en lopen terug naar het vuur. Het bos is niet donker, maar zwart. Als het licht wordt, doven ze het vuur. Ze eten een paar bessen als ontbijt. Drie dagen dolen ze door het woud. Af en toe zien ze een pad en krijgen dan weer hoop. Waar dat pad naartoe leidt? Weer een nieuwe doolhof in.
11
Een huisje van ... Na drie dagen stappen en dwalen, geven Hans en Griet het op. Ze zijn doodmoe, suf van de honger en hun lijf rilt van de kou. Als er niet gauw hulp komt, blijven ze daar voor altijd liggen. Tot … Door de stilte van het bos weerklinkt een prachtig lied. Hun ogen zoeken waar het vandaan komt. ‘Daar!’ wijst Hans. Hoog in een boom zit een witte vogel. Hij glanst even fel als de keitjes ‘s nachts. De vogel spreidt zijn vleugels en vliegt langzaam voor hen uit. De kinderen volgen de vogel. Zo komen ze bij een grappig huisje. Hoe dat huisje eruitziet? De muren zijn gemaakt van koek, lolly’s, noten en nog meer lekkers. En het dak …
12
noot muisjes aardbei pinda gebak kers gebak kers honing chips honing chips meloen pruim meloen pruim meloen suiker drop suiker drop suiker drop suiker appel druif appel druif appel druif appel honing toffee honing toffee honing toffee koek koek o o o o e e e e koek koek zoethout lolly zoethout lolly zoethout lolly bessen taart bessen taart bessen taart koek koek o o o o e e e e koek koek saus frietjes saus frietjes saus frietjes saus zuurbol muntje zuurbol muntje zuurbol wafel vla wafel vla wafel vla wafel vla wafel ijs room ijs room ijs room ijs room ijs room pudding koek pudding koek pudding koek noten rozijnen noten rozijnen noten rozijnen
13
Van wie zou dat huis zijn? Wie zou erin wonen? Daar denken Hans en Griet maar even aan. Ze hebben zo een honger, honger, honger dat ze meteen smullen van al het lekkers. Vind jij waar al het lekkers vandaan komt? Een stuk wafel, ijs met room, pudding met noten. Een stuk meloen, gebak met honing, een lolly en drop … Ze schrikken wanneer ze een stem horen: ‘Knibbel knabbel knuisje, wie knabbelt aan mijn huisje?’ ‘Wij niet, oh nee, wij niet,’ zo liegen Hans en Griet. Ze smullen gewoon verder tot krieieiep … een stokoud vrouwtje naar buiten komt. Ze steunt op een kruk. Het vrouwtje heeft een grote, kromme neus en rimpels op gekke plekken. Het eten valt uit hun handen van schrik.
14
Haar schelle stem kwettert: ‘Dag lieve kindertjes. Kom toch binnen. Kom toch binnen. Wees maar niet bang. Ik zal voor jullie zorgen.’ Ze neemt de kinderen bij de hand en leidt ze haar huis in. De tafel is gedekt voor drie. Er staat een schaal met pizza, worst, een mand fruit, warme melk …
15
Zo veel lekkers zagen Hans en Griet nog nooit bij elkaar. Na het eten vallen hun ogen bijna dicht. ‘Ik toon waar jullie slapen,’ zegt de vrouw. ‘Kom, volg mij maar.’ In een kamer staan twee bedden. Hans en Griet veren op de matras. Ze voelen aan de witte lakens. Na al die nachten slapen in het gras, lijkt dit wel een droom. De kinderen slapen meteen in. Maar is die vrouw wel zo lief? Nee, dat is ze niet. Die vrouw is een sluwe heks. Ze rook de kinderen al van ver. En hokus pokus pats … Daar was een witte vogel om de kinderen naar haar huis te leiden. Wat is die heks van plan? Vroeg in de ochtend staat ze op. Eén voor één bekijkt ze de kinderen. Een glimlach groeit op haar gezicht. Ze wrijft zich in de handjes.
16
17
Hans in een hok De heks neemt Hans in haar armen. ‘Mmm…’ denkt ze. ‘Dit wordt een lekker hapje. Laat dat ventje maar roepen en schreeuwen. Zonder sleutel raakt hij hier nooit uit.’ Ze stopt Hans in een hok, deur op slot. Dan keert de heks terug naar Griet. Ze schudt het meisje wakker. ‘Opstaan, luilak!’ scheldt ze. ‘Ga water halen. Kook iets lekkers voor je broer. Nu is het nog een mager ventje. We mesten hem lekker vet en dan smul ik hem op, mmm...’ Griet huilt. Van alles verzint ze, maar niets helpt. Ze moet doen wat de heks zegt. Voor Hans bereidt ze de fijnste hapjes, zelf krijgt ze bijna niets. De heks houdt haar in het oog. Ook Hans volgt ze op. Elke dag gaat de heks naar het hok.
18
‘Steek je vinger eens uit, Hans. Word je al een vette gans?’ Maar Hans is een slim ventje. Telkens wanneer de heks komt, stopt hij een botje door het luikje. De oude heks heeft slechte ogen en denkt dat ze de vinger van Hans voelt. Stom kind, denkt de heks telkens weer. ‘Al dat lekker eten en die Hans wordt maar niet dikker. Grrr…’
19
Na een paar weken is de heks het beu. Boos beent ze naar Griet toe. De heks gilt: ‘Vet of mager, dun of dik. Wie eet morgen Hans op? Dat ben ik!’ Griet huilt en huilt en huilt. Waarom bleven we niet in het bos? denkt ze. ‘Als de dieren ons opaten of we stierven van honger en kou, dan waren we nu samen dood.’ De ochtend erna moet Griet water halen en een groot vuur stoken in de oven. ‘Eerst zullen we brood bakken,’ liegt de heks. ‘Het deeg is al klaar. Voel eens of de oven al heet is.’ Ze duwt Griet naar de oven toe. Wat is de heks van plan? Als Griet in de oven zit, wil ze gauw de deur dichtdoen. Dan kan ze Griet braden en daarna lekker smullen.
20
Maar Griet heeft haar plan door. ‘Ik weet niet hoe het moet,’ pruilt ze. ‘Toon het eens voor.’ ‘Dom, dom kind,’ vloekt de heks. Ze stapt naar de oven toe. ‘Kijk,’ toont de heks. ‘Je stopt je hoofd in het gat en …’ Dan slaat Griet toe. Ze geeft de heks een fikse duw, sluit de deur van de oven en schuift de grendel ervoor.
21
Gered! De heks schreeuwt en krijst. Maar Griet lacht haar uit en loopt gauw van de oven weg. ‘Broer Hans!’ juicht ze. ‘De heks is dood. We zijn weer vrij!’ Griet gooit de deur van het hok open. Ze geven elkaar een knuffel, een knuffel van wel een kwartier lang. Dan stappen ze het huis in. In kasten en laatjes vinden ze ringen, een ketting, parels, zilver en goud. Ze proppen hun zakken vol. ‘Kom,’ zegt Griet. ‘Nu wil ik hier gauw weg.’ Na een uur stappen, komen ze bij een groot meer. ‘Hier kunnen we niet over,’ zucht Hans. ‘Er is geen boot of brug.’ Een witte zwaan zeilt over het water.
22
Griet rijmt:
‘Verre, lieve zwaan, kom vlug. Wij willen naar huis terug. Er is hier geen weg of brug. Dus neem ons mee op je rug.’ En dat doet de zwaan. Opnieuw staan ze voor een bos, maar dit bos kennen ze! Hans en Griet stappen uren flink door. Dan zien ze in de verte … hun huis.
23
Ze rennen hun huis in en vallen hun vader om de hals. ‘Wat heb ik jullie gemist, zo heel erg gemist,’ snikt papa. ‘En jullie mama is er niet meer.’ Hans en Griet legen hun zakken. De hele tafel glimt en blinkt. Dus honger lijden hoeft niet meer. Toen kwam er een varken met een lange snuit en dit sprookje is uit.
24
Ken jij het sprookje van Hans en Griet? Dat lees je hier. Hans en Griet dwalen door het bos. Ze komen bij het huis van een heks …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Ruth Van Wichelen Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.