ucatieve uitgaven
De wonderen van Sint-Nikolaas
BIEB
Inge Bergh
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
3
De wonderen van Sint-Nikolaas
1
Ooit was Sint-Nikolaas een gewone man. Hij was toen nog jong en leefde in Myra. Dat is een dorpje in Turkije. Zijn naam was toen nog gewoon Nikolaas. Nikolaas van Myra. Nikolaas leefde tussen de mensen en hij zorgde voor hen. Maar wat hij deed, leek soms wel een wonder! Daarom noemden ze hem al gauw ‘Nikolaas de wonderman.’ Nikolaas werd bisschop1. En later werd hij Sint. Zo kennen we hem vandaag nog steeds. In dit boek vertel ik je over drie wonderen van SintNikolaas. Lees je mee?
2
Het kind in de badkuip Een moeder vulde een badje voor haar kind. Maar het badje koelde snel af. Dus zette de moeder het kuipje op een vuur. Zo zou het kindje het lekker warm hebben. De moeder sopte2 en zeepte. Ze lachte en ze zong. En het kindje kraaide van plezier. Plots hoorde de moeder de klokken luiden.
Bim bam bim bam bim bam!
3
Nikolaas zou vandaag bisschop worden. Nikolaas die zo goed was voor de armen. En voor alle mensen zorgde. Nikolaas de wonderman! Er zou een groot feest zijn. Met veel goud en wierook. Mensen zouden met palmtakken wuiven. En met bloemblaadjes strooien. Ze zouden dansen en zingen van vreugde. De moeder droomde weg. Ze keek door het raam. Daar zag ze de stoet al! Ze liet de spons uit haar hand vallen. En ook het stuk zeep gleed in het bad. Zo snel ze kon, liep ze naar buiten. Ze dacht niet meer aan haar kindje in het bad. Het feest was prachtig en groots. Het was alles wat de moeder had gedacht. Ze hoorde de trommels. En ze danste op de muziek van de fluiten. Tot al het volk weg was gegaan. Toen ging ook zij weer op weg naar huis. Plots dacht ze weer aan haar kindje thuis. Hoe het daar heel alleen in zijn badje zat. Hoe dat badje op het vuur stond. Al de hele dag lang!
4
Het hart van de moeder ging wild tekeer. Haar kindje was vast al gekookt. Als een kreeft in een pot! Ze rende naar huis zo snel ze kon. Maar ze durfde niet te gaan kijken. Toen hoorde ze plots een stem.
‘Ga maar naar je kindje, lieve moeder. Het wacht op jou.’
5
Ze keek om. En zag Nikolaas de straat uit gaan. Met een bang hart ging ze haar huis binnen. Daar zat haar kindje in zijn badje. Het speelde en het kraaide. En strekte blij zijn armpjes naar haar uit. De moeder huilde van blijdschap. Ze viste haar kindje uit bad. Droogde het af. En knuffelde het heel lang. Haar kindje leefde nog. Daar had bisschop Nikolaas voor gezorgd. Het was een wonder!
6
Het kind en de duivel Dit wonder gebeurde op een feestdag. Een boer en een boerin trokken hun mooiste kleren aan. Ze wilden naar de feestmis gaan. Net toen ze wilden vertrekken, werd hun zoon ziek. Hij zag erg bleek en had koorts. De vrouw legde wat dekens op de bank.
‘Arme jongen, rust maar wat. Wij blijven niet lang weg.’
7
Ze dekte haar zoon toe. En vertrok met haar man naar de kerk. Niet veel later werd er aan de deur geklopt. Het was een pelgrim. Dat is iemand die te voet naar een heilige plaats reist. De pelgrim droeg een kapmantel. Zo kon de zoon zijn gezicht niet goed zien.
8
‘Dag jongen. Mag ik hier mijn kruik vullen? Ik ben onderweg naar de kerk. Maar mijn kruik is leeg. En ik heb toch zo een erge dorst.’ De zoon had hoofdpijn. En hij voelde zich duizelig van de koorts. Maar hij was een goede jongen. Hij ging met de pelgrim naar de keuken. Want daar stond de waterton.
‘Hier kun je je kruik vullen, beste man.’ Maar de pelgrim haalde geen kruik boven. Hij lachte en brulde. En gooide de kap van zijn hoofd. Toen pas zag de zoon het. Dit was geen pelgrim. Dit was de duivel! Maar het was te laat. De duivel had hem al vast! Hij duwde de jongen in de ton. Net zolang tot hij verdronken was. Daarna verliet hij lachend de boerderij.
9
De mis was gedaan. En de boer en zijn vrouw wandelden naar huis. Thuis vonden ze de bank leeg. Wat gek. Zou hun jongen al beter zijn? Dan zat hij misschien in de tuin? Maar ook daar vonden ze hem niet. Ach, hij was vast in de stal bij de dieren. Hij zou straks wel weer opduiken.
10
De vrouw ging naar de keuken. Want ze moest nog brood bakken. Ze duwde de deur van de keuken open. En daar vond ze haar lieve jongen. Dood in de waterton. Huilend trok ze haar jongen op schoot. Wat moest ze nu doen? Hoe kon ze leven zonder haar lieve zoon? Ook de boer schreeuwde het uit. Zijn zoon! Zijn jonge, sterke zoon was dood. Nikolaas hoorde hen huilen en schreeuwen. Hij haastte zich naar de boerderij. En klopte er aan. De boer en de boerin keken op. Wie was daar? Door het raam zagen ze Nikolaas staan. Nikolaas die voor alle mensen zorgde. Ze konden hem daar niet laten staan. Dus legden ze hun zoon op de bank. En ze dekten hem toe. Nu leek het net of de jongen sliep. Daarna deden ze de deur open.
‘Kom binnen, beste Nikolaas. We hebben wijn en kaas voor je.’
11
De boer en de boerin zorgden voor Nikolaas. Dat deden ze zo goed als ze konden. Maar de tranen rolden over hun gezicht. Hun verdriet was veel te groot. Nikolaas zag het. Toch zei hij niets en vroeg hij niets. Hij at van hun kaas en dronk hun wijn.
‘Mmm, de kaas en de wijn zijn heerlijk. Maar is er ook wat brood?’ Nikolaas keek de boerin vragend aan. De vrouw schudde haar hoofd.
‘Mijn zoon … Ik wou brood bakken … maar toen zag ik …’ Ze kon bijna niet spreken van verdriet. Nikolaas stond op. Hij gaf de vrouw een schouderklop.
‘Bak het brood, beste vrouw. Je man zal je helpen. Ik wacht wel.’ De boer en de boerin gingen naar de keuken. Daar bakten ze een brood. De hele tijd dachten ze aan hun dode zoon. 12
Toen was het brood klaar. Ze legden het in een mandje. En brachten het naar Nikolaas. Maar … Nikolaas was weggegaan. Op zijn stoel zat nu hun zoon. Levend en wel. Met een blos3 op zijn wangen. Hun zoon leefde! Daar had Nikolaas voor gezorgd. Het was een wonder! 13
De drie meisjes Een rijke man kreeg drie dochters. Daar was hij erg blij mee. Ook al waren meisjes toen erg duur. Als vader moest je hard sparen. Een meisje had een bruidsschat4 nodig. Anders wilde niemand met haar trouwen. De meisjes hadden een goed leven. En ze maakten veel plezier. Maar de man had vaak ongeluk. En hij raakte al zijn geld kwijt.
14
De meisjes groeiden op. Plots was de oudste groot. En oud genoeg om te trouwen. Maar de vader had geen geld meer. En ook geen bruidsschat voor zijn dochter. Zo kon ze niet trouwen. De vader zat met zijn handen in het haar5. Wat moest hij nu doen?
‘Lieve dochter. Ik hou van jou. Maar ik heb geen geld. Ik moet je wegsturen. Je moet werken als arme meid. Op een boerderij. Of in een groot huis. En slapen in een stal. Je kunt niet trouwen. Het spijt me zo.’ Het meisje knikte. Ze wist dat haar vader van haar hield. Maar hij was al zijn geld kwijt. Door ziekte en door pech. Dus ging ze naar haar kamer. En pakte huilend haar kleren.
15
16
De jonge Nikolaas had alles gehoord. Hij rende naar huis. Daar nam hij een zak met goudstukken. Net genoeg voor een bruidsschat. Hij sloop terug naar het huis. En gooide de zak naar binnen. Recht door het open raam. De vader vond het geld. Hij was door het dolle heen. En ook zijn dochter was erg blij. Nu kon ze toch trouwen! Wat een geluk!
17
Jaren gingen voorbij. Ook de tweede dochter werd groot. En oud genoeg om te trouwen. Maar weer was er geen geld.
‘Lieve dochter. Ik hou van jou. Maar ik heb geen geld. Ik moet je wegsturen. Je moet werken als arme meid. Je kunt niet trouwen. Het spijt me zo.’ Het meisje knikte. Ze ging naar haar kamer. En pakte huilend haar kleren. Maar ook dit meisje had geluk. Ook zij vond een zak vol met goud. Op de grond bij het raam. Weer was de vader heel gelukkig. Wist hij maar van wie het goud kwam. Dan kon hij die man of vrouw bedanken!
18
Opnieuw gingen er jaren voorbij. Ook de derde dochter werd groot. En oud genoeg om te trouwen. Maar opnieuw was er geen geld.
‘Lieve dochter. Ik hou van jou. Maar ik moet je wegsturen. Ik heb nog steeds geen geld. Je moet werken als arme meid. Je kunt niet trouwen. Het spijt me zo.’ Het meisje knikte. Ze ging naar haar kamer. Ze pakte haar kleren. Maar ze huilde niet. Ze hoopte en ze wenste. Haar zussen hadden geluk gehad. Misschien vond ook zij een zak geld?
19
20
De vader hoopte hetzelfde. Hij verstopte zich bij het raam. En wachtte. En ja! Daar verscheen Nikolaas. Hij droeg een zak vol goudstukken. Die wierp hij door het open raam. De vader sprong uit de struiken.
‘Dank je, Nikolaas! Je hebt mijn meisjes gered! Je bent een held. Dat zal ik aan iedereen vertellen!’ Maar Nikolaas wou niet dat iemand het wist. De man moest het geheimhouden. Zijn hele leven lang. De man beloofde het. Hij zou niemand iets vertellen. Zolang hij leefde. En de man hield zijn belofte. Pas na zijn dood vond men een brief. Daarin vertelde hij over de zakken vol goud. En dat Nikolaas de gulle gever was.
21
Nikolaas werd bisschop. En later werd hij Sint. Maar hij bleef bekend als kindervriend. En ook als gulle6 gever. Ze noemden hem een goed en heilig man. En zo kennen we Sint-Nikolaas nog steeds!
22
23
Woorduitleg 1 bisschop = christelijke leider van een gebied (bisdom) 2 soppen = wassen met zeepwater 3 blos = rode kleur op de wangen 4 bruidsschat = geld dat een meisje van haar ouders krijgt als ze trouwt 5 met de handen in het haar zitten = niet meer weten wat te doen 6 gul = vrijgevig, iemand die graag dingen geeft aan andere mensen
24
Ben je ooit al eens in een bank geweest? En zag je daar drie gouden ballen? Wist je dat die gouden ballen naar Sint-Nikolaas en het verhaal van de drie meisjes verwijzen? Ze noemen Sint-Nikolaas ook wel ‘de grote kindervriend.’ In dit boek lees je waarom. Kom en lees over de wonderen van Sint-Nikolaas!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Maarten Zerelik Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.